Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 19
Hoe gering de afstand ook mogt zijn welke ons scheidde van het dorpje, gelegen op den tegenover ons zich verheffenden berg, viel er nu toch aan eene voortzetting van den togt op heden niet te denken, en zulks te minder dewijl de zon reeds ten ondergang neigde.
Wij zochten derhalve eene vlakke plek in het woud tot legerplaats op, pakten onze koffers uit, hingen de hangmatten tusschen boomstammen op en trokken drooge kleederen aan, terwijl de Javanen kleine hutten bouwden, gevormd uit schuin tegen elkander geplaatste takken die met wilde Pisangbladeren werden bedekt. Eindelijk leiden zij een aantal vuren rondom ons bivouak aan. Zij deelden ons even broederlijk mede van hunnen voorraad rijst (Nasi, en nimmer onderneemt de Javaan een togt zonder zich hiervan te voorzien), als wij hun van onzen wijn gaven. Wij zouden op die wijze echter een zeer schralen maaltijd hebben gehad, indien de Bandjer ons niet geheel onverwacht aan een smakelijk stuk gebraden rundvleesch had geholpen. Eenige Koeli's, namelijk, die aan den oever stonden om visch te vangen welke door den Bandjer was bedwelmd, bragten ons ijlings berigt, dat twee rhinocerossen en een Banteng (een wilde stier) op den oever gespoeld waren.--Dit was werkelijk het geval. Met vereende krachten trokken wij den stier op het drooge; het scheen dat hij eerst vóór korten tijd tusschen verbrijzelde boomstammen was gedood geworden, want het bloed vloeide nog uit de versche wonden.--Zout, boter, eene ijzeren pan (Koewali), een paar ijzeren ketels en potten en andere dergelijke benoodigdheden (welke bij het reizen door de wildernissen onontbeerlijk zijn), hadden wij steeds bij ons. Zij kwamen ons ook nu uitmuntend te stade, want weldra hingen de beste stukken van den stier over het vuur te braden, terwijl anderen met rijst in potten werden gekookt om ons eene krachtige soep te leveren.--Wijders werd bepaald dat vijf Javanen, benevens twee van onze bedienden met geweren gewapend, de wacht houden en door anderen om de drie uren zouden worden afgelost.
De avondschemering nam spoedig toe en wij kropen na het houden van den maaltijd, vermoeid zijnde, in onze hangmatten. Slechts zelden vernamen wij nog het krijschend geluid van een over het dal vliegende paauw; maar naauwelijks was het licht der laatste zonnestralen verbleekt, toen overal in het gansche woud insektenkoren begonnen te gonzen en te snorren. De Javasche spitsoorige honden der Koeli's die vroeger langs den oever liepen rondsnuffelen, legden zich nu in de vertrouwelijke nabijheid der menschen neder, als of zij wisten dat het des nachts niet veilig was in het woud. Weldra ontwaarden wij niets meer dan de zorgvuldig door de Javanen onderhoudene wachtvuren, welke een roodachtig schijnsel op de omringende boomstammen wierpen en geen geluid trof ons oor behalve het algemeen gegons der levende natuur, dat met het bruisen van den verder en verder zich verwijderenden stortvloed zamensmolt.
Toen eindelijk nog alléén dit gebruis gedurende de nachtelijke stilte in onze ooren klonk en de werkzaamheid onzer zintuigen tot diep in het binnenste van ons gemoed was teruggekeerd, hetgeen ten verhoogden prikkel aan ons denkvermogen strekte, werden wij als het ware onwillekeurig heengeleid tot het bepeinzen van de oorzaken der verschijnselen die zich voor onze blikken hadden ontwikkeld, der krachten die wij daarbij in het spel hadden gezien en, het geheel ontledende kwamen wij, teruggaande van de eene kracht tot eene andere welke slechts het gevolg was van eene derde, die op hare beurt weder eene vierde tot oorzaak van haar ontstaan had (als gedoode dieren, vernielde wouden, bergstortingen, omzettingen des bodems, watervloeden, onweêrsregen, electriciteit, wolken, waterdamp, water in meeren en stroomen, warmte), eindelijk tot de allereerste oorzaak dezer verschijnselen, welke in een meer dan 20 1/2 millioen mijlen van ons verwijderd hemelligchaam, de zon! moest gezocht worden. Want de lichtstraal van de zon uitgaande is het, die hitte doet geboren worden welke het water dampvormig optrekt en opstijgende luchtstroomen doet ontstaan, welke (indien het zeer heet en helder was) in de hoogere streken der atmospheer en nabij de koelere bergtoppen plotseling verdikken en als onweêrsregens of wolkbreuken neêrstroomen;--dan bruist de waterdamp die dezen voormiddag nog onzigtbaar boven onze hoofden in de lucht zweefde, als Bandjer door de kloof welke daardoor verbreed wordt; hij doet Oeroek's ontstaan, verbrijzelt rolsteenbanken, zet de van hare plaats gerukte aard- en rotsmassa's in andere, lager gelegene oorden, in de nabijheid der zee weder af, verbreedt de kusten, veroorzaakt derhalve aanmerkelijke veranderingen in de gestalte der oppervlakte van den vasten bodem en doodt daarbij eene menigte dieren, die door andere levende dieren en menschen worden opgegeten en aan hen tot voedsel verstrekken;--ja, heeft de zonnestraal, door de verslappende hitte welke hij deed ontstaan, niet zelfs te weeg gebragt, dat onze Koeli's met langzamer schreden voortgingen? en is hij niet daardoor de oorzaak geworden, dat wij getuigen der omkeering zijn geweest, dat deze denkbeelden thans in onze ziel oprijzen, denkbeelden waarvan de eigenlijke oorsprong, de wording, dus in de verre van ons verwijderde zon moet gezocht worden?--Vloeit dit alles niet voort uit eene bron? En zou nu dat zonne- of sterrelicht de eerste of de laatste kracht zijn in deze duizendvoudig aaneengeschakelde keten van oorzaken en gevolgen, welke wij hier voor ons zien? Zou ook deze op hare beurt weder niet het gevolg zijn van--of te weeg gebragt worden door eene andere, nog verder verwijderde, algemeenere oorzaak,--en zouden alle oorzaken die aan onze in de diepte vorschende blikken oorspronkelijke oorzaken toeschijnen, niet voortvloeijen uit eene eenige eerste bron welke voor geene verdere ontleding vatbaar is?--Ongetwijfeld, ongetwijfeld;--zoo verre het ons mogelijk is door te dringen, hangt het eene van het andere af en hoe dieper wij in de wederkeerige werking der krachten navorschen, des te meer naderen wij de eenheid; maar tot op den grond vermogen wij niet te peilen--en slechts in heiligen, vromen eerbied kunnen wij de blikken opheffen tot de Eenige, Allereerste, Eeuwige Oorzaak, waaruit alle oorzaken voortvloeijen, waaruit, gelijk het licht uit de zon, stralen voortschieten die het oneindige heelal bezielende en met leven vervullende, zich in millioenen en nogmaals millioenen stralen verdeelen.
Zulke gedachten en gevoelens maakten ons avondgebed uit toen wij, steeds dieper in ons eigen boezem tastende, zoo kort mogelijk ineengedrongen in onze hangmatten lagen en den oogenblik afwachtten, dat de slaap onze oogleden zou sluiten.--Duizenden van stemmen die ons volkomen onbekend waren, klonken en snorden door het woud,--woeste natuurkrachten waaraan geen weêrstand van onze zijde denkbaar was, woedden om ons heen,--tijgers en panthers voor geen medelijden vatbaar, slopen rondom ons bivouak; doch het bewustzijn goed gehandeld te hebben was levendig in ons, wij geloofden aan God en aan het heilige doel zijner natuurwetten,--wij gevoelden een hemel in onzen boezem en rustig sliepen wij in.
Toen wij ontwaakten, hadden wij een gansch ander schouwspel voor oogen. De morgenzon verlichtte reeds het hoogste gedeelte van den dalwand, zoomede de toppen der palmboomen, welke boven dezen rand zigtbaar waren en ons de ligging van het dorpje verrieden. Liefelijk blinkende in den eersten zonnestraal zagen zij op ons neder. Alles rondom ons had de dauw doorweekt en zelfs onze hangmatten waren vochtig. Geen geruisch van een woedenden stortvloed liet zich meer hooren. Het water dat gisteren alhier een meer vormde, was weggevloeid en dit laatste herschapen in eene bruinkleurige vlakte, bedekt met modder, rolsteenen, rotsblokken, verbrijzelde boomstammen en takken, tusschen welke de beek in talrijke, nieuwelings gevormde armen heenstroomde. Zoo spoedig mogelijk pakten wij alles bijeen en maakten ons gereed om den togt voort te zetten.--De Javanen maakten ons op een versch spoor van tijgers opmerkzaam, dat rondom ons bivouak en in de onmiddellijke nabijheid er van zigtbaar was, hoewel allen die wacht hadden gehouden, eenstemmig verzekerden, dat zij niet het minste geruisch hadden vernomen. Slechts een paar malen waren de honden bevende, met den staart tusschen de beenen, digter bij hen gekropen. Toen wij eenige honderd schreden boven ons bivouak aan de plek waren gekomen, waar wij gisteren avond den wilden stier hadden laten liggen, bespeurden wij dat hij weggesleept was; wij volgden het spoor en vonden hooger opwaarts in het woud slechts nog eenige beenderen, benevens een gering overblijfsel van zijne huid, zijn kop en ingewanden. Zelfs aan de rhinocerossen had het wild gedierte geknaagd.--De dalbodem welken wij nu zonder gevaar konden doorwaden, was niet zoo zeer met modder, maar hoofdzakelijk met zand en rolsteenen bedekt, en daarop lagen hier en daar doode herten, vele wilde zwijnen en kleinere dieren verstrooid in het rond, welke door den vloed waren achterhaald en gedood geworden. Ook deze waren gedeeltelijk verslonden door tijgers, panthers en kleiner roofgedierte, die hier in diepe stilte hun nachtelijk banket hadden gehouden en door de Javanen grootendeels werden herkend, hetzij aan hunne uitwerpselen, hetzij aan het nagelatene spoor of de indrukken hunner tanden. Bij het doorwaden van den laatsten arm der beek vingen onze jongens nog eene krokodilachtige hagedis, ter lengte van drie voet, een zoogenaamden Legoean, Minjawah (Monitor bivittatus), welken zij aan een touw bonden en mede voortsleepten.
Na onzen togt bergopwaarts gedurende een half uur te hebben voortgezet, bereikten wij het dorp Roetab, welks bewoners ons gastvrij ontvingen en ons voor het ontbijt gewillig alles verschaften, hetgeen zij bezaten. Gelijk gewoonlijk overal elders het geval is, wilden ook zij voor deze giften der gastvrijheid geene betaling aannemen, maar zagen wij ons genoodzaakt hen die op te dringen. Gaarne daarentegen namen zij den Legoean waarvan het vleesch door de Javanen zeer smakelijk wordt geacht maar moeijelijk was het om Koeli's te bekomen. De meeste mannen, die gisteren avond onze wachtvuren gezien en ons dezen morgen welligt aan onze kleeding als Europeërs konden hebben herkend, hadden zich uit de voeten gemaakt, zoodat wij met veel moeite slechts vijf nieuwe dragers konden krijgen en gedwongen waren om vijf van de Koeli's die wij gisteren hadden medegebragt, tegen wil en dank bij ons te doen blijven, wilden wij niet een of meer onvrijwillige rustdagen houden. Wij deelden echter een aantal cigaren onder hen uit en beloofden aan ieder hunner, behalve het te verdienen loon, een extra geschenk te zullen geven, ten einde op die wijze den bitteren smaak van het kruid bedwang eenigermate te verzoeten. Het eenige paard dat in het dorp te vinden was, namelijk het rijpaard van den Loerah, eene kleine, magere rosinant, werd door Nacht in beslag genomen, dewijl hij, aan het maken van voetreizen niet gewoon, zich gisteren de voeten reeds had doorgeloopen.
Wij zetteden onzen togt nu voort door eene uitgestrekte, tamelijk vlakke bergstreek, welke naar de zijde der zuider kust allengs lager daalde en in diezelfde rigting, niet dan op verre afstanden van elkander, doorsneden was door breedere dalkloven, over wier bodem beken schuimend zeewaarts bruisten. Tusschen deze kloven werden hier en daar aan de oppervlakte des bodems slechts zacht-glooijende laagten en kleine trogvormige dalen of groeven gevonden, waarin dan hoofdzakelijk woudgeboomte zich verhief, terwijl al het overige gedeelte der oppervlakte bedekt was met het witachtig blinkende, grijsachtig groene kleed van Alang- en Glagahgras; hierin ontwaarde men slechts enkele verstrooid staande boomen. Gene eilandvormig in de golvende graszee voorkomende boschaadjen gaven echter aan de gansche streek eenigermate het uiterlijk aanzien van een park, terwijl de lilablaauwe Boengoerbloemen (Adambea glabra) of de groote gele bloemen van den Sempoerboom (Colbertia obovata) liefelijk door het groen der kleine oasen heen fonkelden. Groot was het aantal herten (Cervus russa) dat levendigheid schonk aan deze streek; bij gansche troepen sprongen zij door het gras, om zich voor den toenemenden gloed der zon in het binnenste der boschaadjen te verbergen. De wilde zwijnen (Sus vittatus) die hier nimmer aan vervolging van de bewoners des eilands blootgesteld zijn, waren nog minder schuw en ongaarne verlieten zij de plassen die, nog niet geheel en al opgedroogd, hier en daar werden aangetroffen op de smalle paden welke wij betraden; al knorrende gingen zij dan uit den weg. Menigwerf vlogen paauwen van het eene boschje naar het andere, of zagen wij er met hun prachtig in den zonneschijn blinkend gevederte op den grond zitten, waar zij, naar het scheen, hunnen maaltijd hielden aan een termitenheuvel. Behalve het Glagahriet, wies hier en daar tusschen het Alanggewas nog eene andere, hooger opschietende soort, namelijk het Manjagras, aan welks omgebogene aren zeer groote, peervormige nesten hingen, welke ter hoogte van 3 à 4 voet boven den grond zweefden. Slechts aan hun benedengedeelte hadden zij eene opening en waren het werk van een kleinen vogel, Manoek manja geheeten, welke op het zaad van deze grassoort aast; hij beschut zijne jongen tegen de roofzucht van klein ongedierte en voornamelijk tegen de aanvallen van mieren, door zijn kunstig gevlochten nest aan een dunnen draad in de lucht op te hangen. Kleine scharen van dit fraaije gevogelte (Ploceus barbatus) zwierden menigwerf over het grastapijt heen.--Uit het binnenste der boschjes klonk ons het gekir van tortelduiven te gemoet, zoomede van tijd tot tijd het schorre gekraai van een wilden haan. Maar ook tijgers wier bestaan aan dat der grasetende dieren is verbonden, werden in deze streek niet gemist, waar zulk een grooter aantal herten en Kidang's (Javasche reeën), rhinocerossen en zwijnen wordt aangetroffen dan in de digte oorspronkelijke wouden. Van tijd tot tijd gebeurde het, wanneer wij een der Glagahbossen naderden die zoo groot en zoo hoog zijn als een Javaasch huis, dat het paard hetwelk mijn broeder bereed, bleef staan en bevend en sidderend over al zijne leden weigerachtig was om voort te gaan. Het fijne reukorgaan van het dier had den tijger bespeurd, welke misschien digt bij ons verscholen was. Zij houden zich bij voorkeur in dergelijke Glagahgroepen op en verraden des daags, op echte kattenmanier, hunne aanwezigheid niet, al gaat men digt langs hunne schuilplaats heen.
Dewijl de hitte in deze Alangvelden omstreeks het middaguur een hoogen graad, dikwerf meer dan 90° Fahr. bereikt, verkwikten wij ons bij gebrek van water met de zuurachtige, groene vruchten van het Malakaboompje (Emblica officinalis) welke wij kaauwden, en die op zulk eene hoogte aan de twijgen groeiden dat wij ze gemakkelijk konden bereiken. Zag men door het zacht gevinde loof dezer boompjes opwaarts, dan scheen het dat een dun floers tusschen ons oog en den helder blaauwen hemel was uitgebreid, hetgeen ons een allerliefelijkst gezigt opleverde.--Van lieverlede veranderde het tooneel dat wij om ons ontwaarden, naar gelang wij lager daalden en de kust naderbij kwamen. Malakaboompjes en boschaadjen werden allengs zeldzamer en de zuide- of zeewind die zich voortdurend duidelijker liet waarnemen, voerde eene koelte toe welke ons hoogst welkom was. Weldra zagen wij voor en beneden ons een strookvormig woud van palmboomen, tusschen wier grijskleurige, menigwerf door het vuur zwartgebrande stammen de verwijderde blaauwe oceaan ons in het oog schemerde. Op eenigen afstand van elkander verhieven zij zich boven den met gras bedekten bodem, doch strekten zich bij vele duizenden ter regter- en ter linkerzijde heinde en verre van ons uit. Elke stam rees, als een zuiltje, lijnregt opwaarts en was slechts aan zijn top met eene bladerenkroon versierd. Het waren uitsluitend waaijer- of Gebangpalmen (Corypha Gebanga), wier verbazend groote, drooge bladeren waarin de wind voortdurend ruischte, telkens knarsend over elkander heen en weder werden bewogen, terwijl wij onzen togt er beneden door het hooge gras voortzetteden. Menigwerf joegen wij bij die gelegenheid groote jaarvogels (Buceros plicatus) op, die in de toppen der palmboomen zaten en dan al blazend en snuivend, een geluid aan die vogels zoo eigenaardig, naar een ander gedeelte van het woud vlogen.--Wij daalden echter door deze smalle, doch mijlen lange strook [23] met waaijerpalmen bedekt niet lijnregt naar de kust, maar namen onzen koers in eene schuine rigting naar het westen, alwaar eene iets hooger rijzende landstreek of vlakke bergrug in den vorm eener kaap (Oedjoeng) ver in zee uitstak en waar, in de nabijheid van vogelnestholen, het dorp Gnarak moest liggen, de plaats tot ons eerstvolgend nachtkwartier bestemd. Het sombere, uit hooggroeijend geboomte bestaande woud hetwelk dit gedeelte des lands tot aan den uitersten rand der kust onder zijne schaduwen dekte, vormde een scherp kontrast met de dorre Alangvelden waarop geen lommer was te vinden, en met de waaijerpalmen welke zich aan deze zijde er van uitbreidden; reeds in de verte duidde zulks, door de geheel verschillende physiognomie der bewerktuigde natuur, eene zeer verschillende hoedanigheid des bodems aan.
Welligt is niets geschikter om den reiziger aanschouwelijk te maken, welk een harmonische band al het geschapene verbindt, dan een togt uit het hoog gelegene, vulkanische binnenste van een tropisch land, over zandsteenterrassen en andere neptunische bergsoorten, afdalende naar de kust. Het verschil in hoogte des lands boven den spiegel der zee brengt een onderscheid in klimaat te weeg (een anderen gemiddelden warmtegraad), en de oorspronkelijk verschillende bestanddeelen waaruit de bodem bestaat, voor elken verschillenden trap van opheffing--van elk verschillend klimaat--andere levende vormen. Andere planten: andere dieren, die daarvan leven. Hier dorre, veel kieselaarde (kwarts) houdende zandsteengrond, bedekt met eene magere kleikorst die vol reten en scheuren is, daar welligt eene kalkbank, rijk aan koolzuur en ligt in water oplosbaar, of eene welige, rijk met kali bezwangerde aarde, ontstaan uit verweerd felsietgesteente (lavastroomen, trachietribben);--ginds schaduwrijke vijgen- en honderd andere hooge boomen, met wier vruchten tallooze scharen vogelen, apen, en eekhoorntjes zich voeden, die door wilde katten worden nagejaagd;--hier overvloed van gras met herten tot wier voeder dit strekt, benevens zwijnen die van de zoete, zich verre in het rond uitbreidende wortelen van het Alang alanggras leven en--tijgers aan wie de zwijnen ten prooi verstrekken en--paauwen die zich niet alleen met vruchten voeden, maar insgelijks gaarne rondpikken in de verscheurde overblijfselen der dieren welke ten prooi zijn gevallen van tijgers, ten einde te azen op wormen, maar vooral op ingewandswormen.--Wij zien derhalve, dat eene eerste oorzaak--het oorspronkelijke delfstoffelijke en scheikundige zamenstel der rotskorst, de meerdere of mindere verheffing er van boven den spiegel der zee--duizend anderen te weeg brengt die, als aardsoort (verweringsaarde), klimaat (hoogere of lagere warmtegraad), Alanggras, zwijnen, tijgers, paauwen, slechts schakels zijn van ééne keten, waarvan niet kan worden beweerd dat eene enkele schakel, hoe gering zij oogenschijnlijk moge zijn, als b. v. een ingewandsworm, [24] nutteloos of van gewigt ontbloot is.
Omstreeks het middaguur bereikten wij Gnarak en namen bezit van het kleine, ledigstaande Bamboeshuisje--Pasanggrahan,--dat op een geringen afstand van het dorp, meer naar de zijde der kust heen was gebouwd. Achter ons klotste de branding der zee en rondom ons verhieven schaduwrijke vruchtboomen hunne kroonen, die met het bladerengewelf van het naburige, oorspronkelijke woud een geheel vormden. Wij dankten de Koeli's af, betaalden ze, schonken hun daarenboven nog eene extra belooning, verkwikten ons door het gebruik van een bad en een kop koffij met eenige rijstkoeken welke de Mandor (opziener) der vogelnestholen ons bragt en, na onze jongens de zorg voor de bevrediging onzer overige behoeften te hebben aanbevolen, begaven wij ons op weg naar de kust. Op den woudbodem dien wij nu betraden, zagen wij eene menigte hermitenkreeften (Pagurussoorten) van allerlei slag en grootte, die met het achtergedeelte van het ligchaam binnen eenhuizige zeeschelpen waren ingedrongen en deze na zich sleepten.
Wij waren eenige minuten lang bezig geweest om ons een weg door het geboomte te banen en hielden het dooreengegroeide loof en de struiken van elkander, toen wij ons onverwacht verplaatst zagen aan een rand, alwaar--digt vóór ons--de bodem met een steilen wand van eenige honderd voet hoogte plotseling in zee afdaalde. Het tooneel dat zich hier voor onze blikken opende, mogt indrukwekkend worden geheeten. Heinde en verre breidde de blaauwe, spiegelende vlakte der zee welke schijnbaar stil was, tot in een oneindig verschiet zich vóór ons uit. Maar diep beneden ons beukten de hooge, elkander rusteloos opvolgende baren met zulk een donderend geweld tegen den kustmuur, dat de rots waarop wij stonden en van waar wij dit schouwspel gade sloegen, er van daverde. Naar het westen heen volgden onze blikken de rigting der kust, en hier zagen wij de branding welke tegen het strand sloeg, eene lijn vormen zoo wit als sneeuw, die zich tot op een voor het oog onafzienbaren afstand uitstrekte, als grens tusschen land en zee. Boven deze gansche kust zweefde een eigenaardige, fijne nevel of damp, blijkbaar gevormd uit het fijn verdeelde stof van het tot schuim geslagen zeewater, dewijl zelfs de tropische middagzon deze nevellaag niet kon oplossen. Alle verwijderde deelen van het strand deden zich door dezen geheel onbewegelijk liggenden zoutwaterdamp of stof slechts schemerachtig, onduidelijk aan het oog voor, als zagen wij ze door een dun floers. Van het bovenste gedeelte van den kustmuur blikte op dit witte schuim der woedende zee het groen van het ons omringende woud, dat niet slechts over den rand reikte, maar er verre beneden hing, als ware de ruimte van het drooge land te gering voor zijn weligen wasdom;--ja, aan de steile wanden zelfs wortelden nog velerlei struiken en Pandanstammen, tusschen wier bladerenbossen hunne vruchten die de grootte hebben van een menschenhoofd, door hun helder vermiljoenrood in ons oog blonken.
Wanneer wij op den bodem liggende, ons over den rand heenbogen, konden wij in eene schuine rigting naar beneden ziende, boven het ziedende en schuimende water, den ingang van het hol bespeuren, in hetwelk de kleine zwaluwen, Manoek walet (Hirundo esculenta) hare eetbare nesten bouwen. Elke oprijzende baar sloeg bulderend in het hol, en dan stond het water hooger dan zijn ingang die voor het oog bedekt was;--maar eenige oogenblikken later werd door de tegendrukking der lucht, in het hol aanwezig, die op eene veel geringere ruimte was zaâmgeperst, de baar met geweld weder er uitgeblazen, eene zuil van waterstof werd dan horizontaal en sissend over de branding heengespoten en men kon de zwermen der kleine zwaluwen zien, die juist het regte tijdstip tusschen het terugtrekken en het weder strandwaarts rollen eener baar waarnamen om pijlsnel binnen het hol te vliegen, terwijl anderen het in denzelfden oogenblik verlieten.--Lang boeide ons dit bewonderenswaardige schouwspel, maar wij benijdden het lot niet der vogelnestplukkers uit Gnarak, die driemalen 's jaars langs ladders hier naar beneden klimmen, ten einde--bij zeer stille zee--in het hol te klouteren en de (door Chinezen duur betaalde) vogelnesten van de rotsen af te plukken. Het meerendeel wordt gevonden aan het gewelf van het hol, dat veel hooger oprijst dan de ingang er van. Zoo vervolgt de mensch deze vogelen zelfs op plaatsen, waar zij tegen de roofzucht van elk dier beveiligd zijn, waar zij tegen elken anderen vijand zich in zekerheid bevinden.