Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 18

Chapter 183,824 wordsPublic domain

Gij hebt nu een besluit genomen. Gij hebt de leer van het Evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch gehoord en haar aangenomen. Maar ook ik ben tot een besluit gekomen en ik verklaar bij deze plegtig, dat ik de gegrondheid erken van de bewijzen door mijn broeder tot staving zijner leer aangevoerd, dat ik daarentegen het Christelijke dogma eene dwaling acht en het zuivere geloof aan God en de hieruit, in overeenstemming met de natuur, afgeleide zedeleer tot rigtsnoer mijns levens kies.--Indien honderd duizenden in de Europesche landen genen Isa el Meseh, gelijk ik vroeger zelf deed, tot een afgod hebben gemaakt, dien zij aanbidden in plaats van God, laat ons daarentegen met liefde en achting aan hem gedenken als aan een voortreffelijk mensch, die reeds vóór 1800 jaren de kern onzer leer verkondigde: "Hebt als broeders elkander lief!"

Deze verklaring mijns broeders verwekte onder al de aanwezigen groote vreugde; ik vooral was daarover zoodanig verrukt dat ik hem gaarne in mijne armen had willen drukken, indien de aanwezigheid der Javanen mij daarvan niet had terug gehouden. Elke levendige, driftige uiting van onze aandoeningen en hartstogten wordt door hen als ongepast, ja, min of meer als onwelvoegelijk beschouwd, terwijl daarentegen rustige, kalme gelatenheid bij alle gebeurtenissen en in alle omstandigheden des levens, hetzij deze ons tot vreugde of tot droefheid stemmen, bij hen als het toppunt van mannelijke geestkracht en waardigheid geldt.--Toen echter gevoelde ik meer dan ooit dat ware vriendschap slechts daar kan bestaan, waar verwantschap des geestes heerscht en dat niets in staat is den band der vriendschap die twee zielen verbindt, zoo vast zaâm te strengelen als de overeenstemming in denkwijze, in zedelijke en godsdienstige overtuiging.

Tevreden, ja, in een vrolijke, zalige stemming gingen wij kort daarop uiteen; dewijl het nog niet 10 ure was, namen wij den Imam die zeer leergierig bleek te zijn, mede naar onze hut. Wij schonken hem een thermometer, een klein kompas, eene magneetstaaf, een zakkijker, een eenvoudig mikroskoop en andere dergelijke instrumenten, omtrent wier gebruik wij hem het noodige onderrigt gaven; over het bezit dezer werktuigen betoonde hij zich ten hoogste verblijd. Hij beloofde ons het Evangelie der natuur met alle krachten onder zijne landslieden te verspreiden, terwijl wij hem van onze zijde nader schriftelijk onderrigt toezeiden. Wij begaven ons daarop naar onze legerstede, het gemoed vervuld met de overtuiging dat wij hier, in dit kleine dorp, welligt eenig nut hadden gesticht, een zaadkorrel hadden geplant die, hoe klein zij ook wezen mogt, misschien eenmaal tot een weligen wasdom zou kunnen komen en rijke vruchten voortbrengen!

Den volgenden morgen waren wij vroegtijdig gereed om de reis te aanvaarden; onze koffers stonden allen gepakt voor de deur onzer hut. Vier dorpsbewoners hadden zich vrijwillig als Koeli's aangeboden; zij zaten met de beenen kruislings over elkander op den grond, nevens den geringen last dien zij zouden dragen, en hielden hunne Bamboesstaven als geweren regtstandig in de hoogte. Zij waren echter nog niet voltallig; er ontbraken nog zes. De vrouwen die zich in het dorp bevonden, waren bijna allen druk bezig met het rijststampen en een aantal kinderen stond om ons heen. Wij zagen daarentegen slechts weinige mannen nevens hunne hutten bezig met het splijten van Bamboes, het vlechten van matten en anderen dergelijken arbeid; zij hielden zich als of zij ons niet bespeurden en volstrekt niet wisten, dat wij Koeli's noodig hadden. De meesten hielden zich schuil in hunne hutten en schenen geen gehoor te willen geven aan onze oproeping om, tegen betaling van 10 centen [19] per uur, benevens eene zekere hoeveelheid tabak, onze pakkaadje naar het naastbij gelegene grensdorp te brengen.--Daar kwam onze vriend, de Imam, aan die ons zijn vriendelijken morgengroet bragt. Toen hij de oorzaak van onze verlegenheid had vernomen, scheen hij werkelijk boos op zijne landslieden te worden. Aan zijne ontevredenheid gaf hij lucht in de volgende bewoordingen, die hij met luider stemme tusschen de hutten uitgalmde.

IMAM. Schaamt gij u niet, de Heeren, die u zoo vriendelijk behandeld hebben, nu zonder hulp te laten zitten?--Foei! foei! hebt hij reeds vergeten, hetgeen Toean Dag en ik u geleerd hebben, dat wij menschen vlijtig en arbeidzaam behooren te zijn en er naar streven moeten den onvergelijkbaar grooten Toean Allah na te volgen?--Kunt gij dan niet zien dat Toean Allah geen enkelen oogenblik rust, maar altijd werkt en dat hij de zon weldra weder boven uwe hoofden zal doen opgaan?--Hoort gij dan niet hoe de vogelen weder zingen en de apen in het geboomte rondklauteren?--Alles ontwaakt tot een nieuw leven, alles roert en beweegt zich en gij, vadzige kerels, wilt lui en slaperig in uwe hutten blijven zitten?--Holla! hei! De hut uit! Hier moet gij zijn; pakt aan!

Deze toespraak had werkelijk ten gevolge, dat eenige mannen uit de hutten te voorschijn kwamen en langzaam, Siri kaauwende naderden; glimlagchend, doch zonder een woord te spreken, zetteden zij zich nevens onze koffers; maar nog steeds bleven vier Pikolan's (pakken) over die geene dragers hadden. Het scheen dat de goede wil der overige Gnoeragers sterkere drangredenen behoefde, om tot een besluit te kunnen komen en deze tot de daad te doen overgaan. Mijn ongeduld nam intusschen des te sneller toe, naar mate ik langer moest wachten; de oostelijke hemel begon allengs helderder te worden en toen eindelijk de eerste morgenstraal de dauwdruppelen aan 't geboomte deed fonkelen, riep ik mijne bedienden toe: "Hier jongens, Sidin, Maspoetri, Pangkat, Ario, Soengsang! komt hier; pakt alles weder uit, wij hebben plan om hier te blijven en een vrolijk leven te leiden! Vat die geit daar aan, vlug, vat ze aan! Wij zullen ze slagten; voortaan blijven wij hier, maar wij moeten toch eten ook!--Heden slagten wij deze geit, morgen eene andere, overmorgen moet een buffel er aan, en zoo zullen wij alles opeten wat gij bezit, luije Gnoeragers! Al uwe kippen gaan de eene na de andere denzelfden weg, ja, al de geiten, buffels, in één woord, al dat leven ontvangen heeft in het dorp zullen wij slagten en opeten!"

Dat had invloed.--Vlug als de wind snelden al degenen die in de hutten waren, naar buiten; die voor hunne hutten zaten, staakten den arbeid en in een oogenblik was alles op de been. 't Was koddig om te zien hoe zij zich haastten, niet dewijl zij geloofden dat wij onze bedreiging zouden vervullen, neen, dewijl zij onze bedreiging als eene aardigheid beschouwden, als eene vrolijke jokkernij die hen in de allerbeste, opgeruimdste stemming bragt. Het zonderlinge denkbeeld, dat wij Hollanders, met ons beiden, alles dat eetbaar in het dorp was, zouden opeten, vonden zij regt vermakelijk. Lagchend riepen zij elkander toe: Lakas, lakas! Bekin ramé! Segala roepa orang kaloear, bekin ramé ramé! (Vlug, vlug! Vrolijk aan 't werk! Oud en jong snelt de hutten uit! Pakt allen te gelijk aan en maakt vrolijk gejoel!)--Nu hadden wij niet alleen Koeli's genoeg, maar zelfs meer dan wij behoefden; eenigen liepen met ledige handen, louter uit pleizier in Ramé ramé, naast de dragers en het gansche dorp was op de been geraakt. Wij namen nu een vrolijk afscheid van allen en drukten den Imam de hand; zelfs verscheidene honden volgden ons en de weduwe, die wij vier gulden en een Sarong ten geschenke hadden gegeven, riep ons haar Slamat djalan (voorspoedige reis), beste Heeren! nog in de verte toe.

Wij waren thans voorzigtiger dan de vorige maal, want wij zonden de dragers met onze pakkaadje vooruit; wij volgden met de overige jongens, waarvan de een een barometer in den arm droeg, terwijl de andere onze geweren, eenige thermometers, een kleinen pijlcompas en andere dergelijke werktuigen bij zich hadden, die wij tot het doen van waarnemingen onder weg zouden behoeven. Welgemoed zetteden wij onzen togt voort over de smalle paden, welke hier door het hoog opgeschotene Alang alang, dan weder tamelijk ongebaand tusschen het kruipelhout van boschjes heenliepen. Ten 10 ure waren wij den eersten bergrug die zich in eene westelijke rigting van Gnoerag verheft, reeds overgeklommen, hadden de Tji-Nakoelabap doorwaad, welke door het diepe dal stroomt dat op den genoemden bergrug volgt en klauterden nu tegen de helling van den tweeden, hoogeren bergrug op.--De zon steeg immer hooger en hooger aan den wolkenloozen hemel en schoot hare brandende stralen allengs in eene meer loodregte rigting op ons neder; de helling welke wij beklommen, werd allengs steiler en onze Koeli's, die tot op den lendendoek geheel naakt waren en wie 't zweet van het ligchaam gudste, stapten in gelijke mate langzamer voort, naar gelang wij de nok naderden der bergketen, die wij nu moesten overtrekken. Het eene kleedingstuk na het andere hadden wij reeds uitgetrokken en, meer verslapt van de hitte, als het ware dampende in den vuurgloed der atmospheer, waaraan geen luchttogtje, hoe gering ook, eenige verfrissching schonk,--dan vermoeid van den togt, kwamen wij omstreeks één ure op de nok des bergrugs aan.

Hier was geen enkel levend wezen te bespeuren; nergens hoorden wij het gefluit van eenigen vogel of het getjilp van het kleinste insektje. Alles wat ademt, wat vliegt of kruipt, scheen zich voor den gloed der zon verborgen te hebben; zelfs geen blaadje ritselde in het loof van 't geboomte, dat hier en daar groepsgewijs in de Alangzee verstrooid stond. Aan alle zijden omringde ons dit eentoonige gras, welks stijve bladeren eerder eene helder grijze, dan geelachtig groene kleur hadden. Diep beneden ons aan de helling der bergketen lag het dorp Oewoetagnis, welks hutten ons op dien afstand onduidelijk, weikleurig van tint door de troebele lucht toeschenen. Want al liet zich geen wolkje aan den hemel bespeuren, al was de dampkring zeer droog, toch bezat deze, op groote afstanden genomen, slechts eene geringe mate van doorzigtigheid. Van de gloeijend heete oppervlakte der aarde verhief zich voortdurend een loodregt opstijgende luchtstroom, ten gevolge waarvan de zoom van alle verwijderde voorwerpen waarop wij het oog vestigden,--de oppervlakte der Alangzee, de rand der bergterrassen, de kroonen van het geboomte,--in trillende beweging was. Behalve het pijnlijke gevoel der hitte, de verstikkende gewaarwording welke het inademen eener zoo zeer uitgezette lucht veroorzaakte, ondervonden wij nog eene andere plaag; want het zonnelicht dat door de Alangbladeren werd teruggekaatst, verblindde ons de oogen.--Reikhalzend verlangende naar een koel togtje, zetteden wij ons neder tusschen de Koeli's, die geheel buiten adem tusschen de op den grond geworpene pakken en koffers lagen. Maar in het 3 à 4 voet hoog staande drooge gras, waar de thermometer tot op 100 graden Fahrenheit (37,7° Celsius) was geklommen, kon weinig verkwikking worden gevonden. Wij kropen nu naar een klein boschje, waar wij een plas vonden die nog niet geheel was verdampt, en met welks water wij ons brandend heet gelaat, borst en armen bevochtigden.

Hier verspreidde het loof van eenige wat hooger groeijende boomen een weinig schaduw in het rond; maar naauwelijks hadden wij ons op den grond nedergevleid, toen wij en al de Koeli's door opstijgende rookmassa's en vlammen op de vlugt gejaagd en genoodzaakt werden, zoo snel mogelijk onze goederen bijeen te pakken en bergafwaarts te ijlen. Het vuur van het in brand gestokene Alangveld had zich aan het woud medegedeeld. De Javanen hebben, namelijk, de gewoonte om gedurende de droogste maanden des jaars (Augustus en September) het hooge gras, waarin hier en daar 3 à 4 maal hoogere en eilandvormig groeijende Glagah-groepen en vele min of meer uitgestrekte boschaadjes verstrooid voorkomen, op duizende van plaatsen aan te steken en te branden; dit geschiedt eensdeels met het doel om de tijgers te verjagen, ten andere om plaats te winnen tot het aanleggen van akkers, welke alsdan met de asch van het verbrande hout en gras te gelijker tijd worden bemest. Toen wij langs de berghelling afdaalden en naar den kant van het dorp heensnelden, zagen wij verscheidene dergelijke afgebrande plekken, welke de grijsachtig groene kleur van het grasveld plaatselijk hadden vernietigd en uit het dal als zwarte, onregelmatige strooken slangsgewijs opwaarts liepen. Eenigen waren reeds uitgedoofd; anderen daarentegen brandden aan het hoogste gedeelte nog voort, alwaar dan eene rookzuil, waardoor vlammen speelden, zich al kronkelend verhief.

Ter plaatse waar de lucht door een dergelijken gloed, welke somtijds eene strook ter breedte van 500 à 1000 voet in vuur en vlam zettede, was verdund, stroomden van de zijde van het dal de koudere en digtere luchtmassa's toe en veroorzaakten daardoor, niettegenstaande de algemeen heerschende windstilte, een plaatselijken storm welke onmiddellijk volgde op de oorzaak van zijn ontstaan, namelijk het vuur, dat wij met ongeloofelijke snelheid steeds hooger en hooger bergopwaarts zagen voorthollen en hoorden knappen en kraken. Waar een boschaadje in de rigting dezer brandende strooken lag, daar wierp het met den storm steeds hooger bergopwaarts ruischende en bruischende vuur zich als een wervelwind op in,--binnen een oogwenk stond het gansche bosch in lichte laaije vlam en aan het knetteren van het zoo brandbare, drooge Alang alang paarde zich alsdan een vreesselijk, oorverdoovend loeijen en bruischen, dat inderdaad schrikverwekkend was en waar boven zich dan nog van tijd tot tijd het gekraak deed hooren van een neêrstortenden stam of van een vallenden hoofdtak van een zwaren boom.--Een dergelijk concert loeide en donderde ons in de ooren toen wij zonder eenig geluid te geven, zonder een enkel woord te spreken, maar kugchende in de verstikkende middaghitte, door rook en vlammen heen, bergafwaarts snelden; wij liepen daarbij in een draf achter elkander over de smalle paden, in voortdurenden angst dat een zijwaarts zich uitbreidende brandstrook ons zou bereiken en verzengen.--Mijn pen is niet in staat om het karakter van dit tropische tooneel naar waarde te malen; mijne taal is niet rijk genoeg, om met woorden het schouwspel te schilderen dat wij dien middag voor oogen hadden, toen wij het dal in een weikleurigen, troebelen, hier en daar met rook bezwangerden dampkring beneden onze voeten zagen liggen,--niettegenstaande de zon, aan een onbewolkten hemel schijnende, hare brandende stralen uit het zenith op ons nederschoot!

Kort vóór 2 ure kwamen wij in het dorp Oewoetagnis aan en installeerden ons, zonder pligtplegingen te maken, in de voorgalerij van de woning des Loerah, terwijl de Koeli's daar buiten, waar slechts eenige schaduw was, zich nedervleiden of naar den Pantjòran gingen om zich in het water te verfrisschen. Wij volgden in dit opzigt hun voorbeeld en nuttigden vervolgens een ontbijt, bestaande uit rijst, Pisang, Sambal en Dendeng, 't geen wij hier ter plaatse hadden bijeen gekregen. Onze bedienden haalden de geldzakken [20] te voorschijn en betaalden de Gnoerager Koeli's, terwijl de Loerah, luide brommende, in het dorp rondliep om andere Koeli's op te sporen. Wij waren zeer verlangend om den volgenden morgen vroegtijdig Desa-Gnarak aan de zuiderkust te bereiken en wenschten uit dien hoofde nog heden naar Desa- [21]Roetab te gaan, een dorp dat ons om zijne aangename ligging op een berg, door de Javanen was aanbevolen tot het houden van ons nachtkwartier. Nadat wij gedurende een uurtje hadden halt gehouden, waren wij inderdaad gelukkig genoeg om onze pakkaadje op de schouders van tien versche Koeli's te zien laden die, met den Loerah achter zich, het dorp uitwandelden, terwijl wij, door nieuwsgierige dorpsbewoners aangegaapt, hen volgden. De Gnoeragers zaten en lagen, hunne cigaren rookende, in den Warong, [22] en hadden waarschijnlijk geen plan om voor het invallen der avondkoelte den terugtogt naar hun dorp te aanvaarden. Er bevonden zich aldaar insgelijks eenige onzer jongens, en het was niet dan ongaarne dat zij hun gemak aan ons ten offer brengen en opstaan wilden. Beneden het dorp aangekomen zijnde, doorwaadden wij de Tji-Irignas welke den dalbodem doorstroomt, stegen aan de overzijde weder hooger opwaarts en zetteden vervolgens onze reis over bergen en dalen voort door het oneffene lage bergland, dat naar de zijde der zuider kust allengs afloopt.--Het verwijderde hooggebergte dat noordwaarts van ons ligt, was in wolken gehuld, waaruit een zacht gerommel als van een verren donder zich liet hooren; hier echter brandde de zon nog met onverzwakte kracht aan den wolkenloozen hemel.

Nadat wij onzen marsch gedurende 1 1/2 uur hadden voortgezet, kwamen wij aan den rand van het diepe Tji-Ikaldal en zagen tegenover ons, aan de andere zijde der breede kloof, het dorpje Roetab, allerliefst tusschen ooftboomen gelegen; hoog verhieven zich daarboven de Kokos- en Pinangpalmen die op de dunne zuiltjes als op lange stengels her- en derwaarts wiegelden. Daar zouden wij overnachten. Een zachte zuidewind, een bewijs dat wij ons reeds meer nabij de kust bevonden, had zich sedert eenigen tijd doen gevoelen en matigde eenigzins de hitte. De verfrissching welke wij op die wijze ondervonden, deed ons goed, want wij waren nu werkelijk vermoeid en zagen met een zeker huisselijk verlangen naar de overzijde heen, naar de hutten van het dorpje, die zoodanig tusschen het heldere, frissche groen van Pisangblaâren verscholen lagen en zoo digt door het loof der vruchtboomen waren omgeven, dat de bruinachtige Bamboeswanden en Alangdaken ons ter naauwernood hier en daar in het oog vielen. De blaauwachtige rook welke dwarrelend uit de nok der daken oprees, verhoogde nog de uitlokkende werking die de aanblik van dit tooneel bij ons veroorzaakte, want hij verkondigde ons dat de tijd van het avondeten naderde, dat vuur aan den gastvrijen haard brandde.--Wij spoorden derhalve de Koeli's aan om zich zoo veel mogelijk te haasten. Dit was echter geene gemakkelijke zaak; want zij lagen nu eenmaal op den grond en prevelden in hunne gewone zorgeloosheid: "het dorp ligt immers in onze onmiddellijke nabijheid, wij zullen er nog vroeg genoeg aankomen." Zonderling, dat de Javanen de despotieke bevelen hunner eigene hoofden zoo gaarne en zoo gewillig gehoorzamen, terwijl noch een verzoek, noch geld, noch goede woorden van een Europeër in staat zijn, hen te bewegen tot het verrigten van eenig vrijwillig dienstbetoon. Te Oewoetagnis hadden wij reeds een vol uur op versche Koeli's moeten wachten; hier hadden wij andermaal oponthoud en wij waren eindelijk nog zeer verblijd, dat wij onze goede dragers na een half uur wachtens op nieuw op de been konden krijgen.

Eenmaal op weg zijnde, verhaastten wij onze schreden, daalden langs den met geboomte begroeiden dalwand naar beneden en kwamen tegen 5 ure in den bodem der kloof aan, waar wij de Tji-Ikal over moesten. Ter plaatse waar wij aan de beek kwamen, was de waterstand echter te hoog om te kunnen door waden; al zwemmende den overkant te bereiken, hieraan viel evenmin te denken, uithoofde van den snellen stroom en de zware rotsblokken waar tegen het water in zijne vaart als schuimend bruischte, gesteld al dat wij de Koeli's met onze pakkaadje hadden willen verlaten. Wij volgden derhalve den raad des Loerah, gingen ongeveer een kwartier uurs lager dalafwaarts, waarbij wij nu eens den oever volgden, dan weder ons een weg baanden door het nabij gelegen geboomte; eindelijk kwamen wij in eene streek aan, waar de dalbodem eene breedte had van verscheidene duizend voet en de stroom, die in verscheidene armen verdeeld en veel ondieper was, eene geringere snelheid bezat. Hier klommen wij derhalve afwaarts in de rivierbedding en sprongen moedig in het water. Mijn broeder Nacht en ik gaven de anderen een goed voorbeeld en de Koeli's volgden ons de een na den anderen; reeds waren wij den eersten, kleineren arm al wadende doorgegaan, hadden wij eene rolsteenbank (een eiland tusschen twee armen van den vloed) bereikt en stonden wij gereed om den tweeden arm te doorwaden, toen plotseling van den dalwand, langs welken de achtersten van onzen togt nog af klommen, de kreet ons te gemoet klonk: "Bandjer! Terug, terug! Redt u! Bandjer, Bandjer!!"

Deze woorden oefenden op de Koeli's die achter ons aankwamen, eene werking uit die aan tooverkracht grensde, want plotseling maakten zij regtsomkeer, terwijl zij met de pakkaadje welke zij op hoofd of schouders droegen, meer door het water sprongen dan liepen; zonder veel te vragen, zonder om te zien, zelfs zonder te denken,--want ter naauwernood herinnerde ik mij vlugtig de geschiedenis van Lot's huisvrouw en van de zoutzuil naar de bijbelsche verdichting,--volgden wij hen ijlend na, terwijl een vreesselijk, steeds nader komend gebruis ons in de ooren dreunde. Wij hielden niet op, dan nadat wij de dalhelling tot zoo ver hadden beklommen dat wij zekere hoogte boven den oever hadden bereikt, waar wij schier ademloos op den grond vielen en omzagen:--eene bruine massa welke zich berghoog verhief, wentelde over den dalbodem naar beneden; verbrijzelde boomstammen rezen hier en daar er uit op; rotsblokken werden met donderend gedruisch vooruit gestuwd; nieuwe, meer vloeibare massa's welke schuimend voorwaarts bruisten, stortten zich over dezen dam heen, verbraken hem, verdeelden zich, breidden zich uit en--binnen weinige minuten was de gansche breede dalbodem welke wij op het punt hadden gestaan om door te trekken, herschapen in een hol staand meer van bruinachtig troebel water, dat met pijlsnelle vaart schuimend en spattend voortijlde, boomstammen en geheele uit den grond gerukte boomen met zich voerde en dit met zulk eene kracht, dat de grootste rotsblokken om hunne as wentelden en de rolsteenbank waarop wij vroeger hadden gestaan, in één oogenblik was vernield en weggestuwd,--het was een verheven, vreesselijk woest tooneel dat wij in stomme verbazing aanschouwden, vervuld van dankbaarheid over de redding welke wij hadden ondervonden, terwijl het gekraak der verbrijzelde boomen, het schuimen en bruisen der watermassa, het geklots der rotsblokken en het ratelen der millioenen voortgezweepte steenen der rolsteenbank een enkel vreesselijk gedruisch deden geboren worden, waar boven slechts nu en dan het donderend gekraak van een instortenden Oeroek zich liet vernemen. Tot in het binnenste van ons gemoed geschokt, beschouwden wij dit oproer, maar stonden sprakeloos, want niemand was meer in staat zijne eigene stem te hooren. Het was een Bandjer 't geen wij voor oogen hadden, dat is eene verre buiten hare oevers tredende beek, ten gevolge van den toevoer van water, ontstaan door zwaren regen in het verwijderde gebergte, waardoor nu de woedende stortvloed was geboren die alles vernielde of verbrijzelde, dat hij op zijnen weg ontmoette. Waar de kloof smal en de wanden die haar ter wederzijde insloten, steil waren, werd de voet dezer zijwanden door de schuring der rotsblokken welke het water met zich voerde, zoodanig uitgehold en weggespoeld, dat Oeroek's, dat wil zeggen aard- en bergstortingen ontstonden; uitgestrekte gedeelten van het gebergte met wouden en alles wat zich er op bevond, gleden op die wijze met donderend geweld naar beneden in de kloof en vormden een dam, waartegen de steeds toenemende watermassa werd opgestuwd, totdat zij den puinberg voortduwde en doorbrak. Niet ver beneden van de vlakkere plaats waar wij stonden en alwaar het dal zich trogvormig verbreedde, werd zulk eene enge kloof gevonden, vóór welke het water dat door nieuwe, van het gebergte afstroomende massa's nog voortdurend werd vergroot, al hooger en hooger en eindelijk zoo hoog steeg dat de gansche vlakke dalkom, niettegenstaande deze eene breedte had van minstens 2000 voet, binnen weinige oogenblikken in hare gansche uitgestrektheid met water was bedekt en herschapen geworden in één enkel troebel meer van ongeveer 12 voet gemiddelde diepte boven welks schuimenden spiegel slechts nog de toppen van enkele verbrijzelde boomstammen zigtbaar waren.