Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 17

Chapter 173,728 wordsPublic domain

DAG. Maar, beste broeder, hoe kunt gij u bedroeven over deze tusschenkomst? Of zoudt gij durven beweren dat er eenige verdienste in gelegen was, het Christendom in te voeren onder een volk dat nog op den allereersten trap van zedelijke ontwikkeling staat, zoo als b. v. onder de bewoners van Nieuw-Zeeland, wier oordeel weinig geoefend, wier verstandelijke vermogens in geringe mate ontwikkeld zijn? Zou wel eenige verdienste daarin liggen, zulke menschen te overreden om het Christelijk geloof te omhelzen, die nog nimmer van eene andere leer hebben gehoord, aan wie slechts deze eene leer--en dat nog zonder eenige kritiek, zonder eenige beoordeeling--wordt kenbaar gemaakt, zoodat er hoegenaamd geene sprake kan zijn van het doen eener keuze tusschen deze en eene andere leer?--Wat verhinderde dan deze Javanen van Gnoerag, uwe leer aan te nemen en de mijne te verwerpen? Heb ik, langs andere wegen dan gij, gepoogd invloed op hen uit te oefenen; was hun niet de volkomen vrije keuze gelaten tusschen ons beiden? Maar nu zij niettemin uwe leer verwerpen, wat kan hen daartoe nopen, indien de reden daarvan niet eenig en alleen moet gezocht worden in hunne overtuiging, in de overtuiging dat de grondslagen der leer, welke ik hen voordroeg en die zij begrepen, werkelijk op de waarheid steunen?--En deze zoudt gij met voorbedacht voor hen willen verbergen? (Mijn broeder drukte mij de hand en fluisterde mij toe: "gij hebt gelijk; terstond zal ik mij nader verklaren." Ik ging hierop voort.) Ik weet welke bewijsgronden door orthodoxe predikanten, presidenten van zendelinggenootschappen en dergelijken ter verdediging hunner Evangelische woelingen in vreemde landen gewoonlijk worden gebezigd. Zij zeggen dat de invoering van het Evangelie b. v. op de Sandwich-eilanden, op Nieuw-Zeeland, de wildste menschen, ja, geheel ruwe, bloeddorstige kannibalen herschapen heeft in de zachtaardigste lammeren!--Ik echter antwoord daarop: dat heeft het Christelijke dogma niet gedaan. De zedelijke ontwikkeling, de maatschappelijke orde, de weldaden van het onder de bescherming van menschlievende wetten staande gezellige verkeer der Europeërs, die zich aldaar hadden neêrgezet, het voorbeeld dat de wilden voor oogen hadden,--deze moeten beschouwd worden als de oorzaken, welke die verandering bij gindsche woeste volken hebben te weeg gebragt, en deze verandering zou bij hen hebben plaats gegrepen, al hadden zij het Christendom niet op de koop toegekregen, of indien zij, in plaats van deze, eene andere godsdienst, b. v. de Boedha- of de Mohammedaansche godsdienst nog mede op de koop daarbij hadden ontvangen.

IMAM. Hetgeen gij, waarde Heer Dag, ons voorgedragen en later op schrift ter lezing gegeven hebt, komt ons goed en redelijk voor. Ja, wat meer is, wij vinden zooveel schoons er in, dat mijne landslieden mij verzocht hebben het hun wekelijks eenmaal voor te lezen en te verklaren. Ik ben in dit dorp geboren en was eigenlijk slechts uit G. hier heen gekomen om een bezoek af te leggen; nu echter heb ik het besluit opgevat, om mij alhier neder te zetten en het Evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch insgelijks in andere dorpen voor te dragen en daarin onderrigt te geven. Er wordt almede in gelezen, dat wij Isa el Meseh als een grooten en deugdzamen man mogen vereeren en hierin stemt uw Kitab, gelijk in zoo vele andere opzigten het geval is, met ons wetboek, met den Koran overeen. Gaarne echter zouden wij nopens twee onderscheidene punten eenige nadere inlichting van u wenschen te ontvangen.

Het eerste punt is van den navolgenden aard. Wij Javanen hebben van oude tijden her geloofd aan de opstanding uit den doode, welke ons in den Koran insgelijks wordt toegezegd. De mogelijkheid daarvan wordt echter in uw Evangelie ontkend en bestreden. Dit doet ons leed, dit smart ons; gij weet het, de vereering der afgestorvenen, de onschendbaarheid der graven die wij als een heiligdom achten en vereeren, zijn een der voornaamste trekken in onze zeden en gebruiken. Dit nu zou alles slechts ijdele waan zijn indien, naar hetgeen gij leert, ons ligchaam na den dood voor altijd werd vernietigd, indien het in aarde, in gras, in andere dieren of in lucht en water werd herschapen en niets er van overbleef ter plaatse waar het werd begraven. Indien dat het geval ware, zouden wij het even goed dadelijk ter zijde kunnen werpen of verbranden!--Zou echter zulk eene ruwe behandeling der lijken niet eene nadeelige werking uitoefenen op de levenden en eene wederkeerige onverschilligheid of liefdeloosheid ten gevolge kunnen hebben?

DAG. Er waren in der tijd vele volken, gelijk er nog heden ten dage gevonden worden, die hunne dooden verbranden; ja, hier op Java zelf bestond vroeger diezelfde gewoonte, alvorens met den Koran de leer van de ligchamelijke opstanding uit den doode en de heilige eerbied voor de graven alhier werd ingevoerd. Sommige volksstammen werpen de lijken hunner afgestorvenen op bepaalde plaatsen neder, waar zij door gieren en ander wild gedierte worden verslonden.--Verre zij het van mij, dat ik u iets dergelijks ter navolging zou willen aanbevelen. Het komt mij echter voor dat wij overeenkomstig de natuur een lijk slechts zoo lang met eerbied en teedere belangstelling kunnen behandelen, als het den menschelijken vorm nog bezit welke ons den geliefden afgestorvene herinnert; zoodra echter de ontbinding aanvangt dezen vorm te vernietigen en het lijk (dat nu geen mensch meer is) in onaangenaam riekenden stof doet overgaan, moeten wij het ook als onaangenaam riekende stof behandelen, begraven of verbranden. Eene langduriger vereering van lijken en begraafplaatsen heeft reeds menigwerf een verderfelijken invloed op de levenden uitgeoefend. De akkers in Europa zouden vruchtbaarder zijn, indien de begraafplaatsen om de 10 jaren werden verlegd en de verlatene plek, nadat zij gedurende 10 à 15 jaren onaangeroerd was gelaten, op nieuw tot bouwland werd gebezigd.--In zijne werken, in zijne lessen is het dat de werkelijk brave mensch op aarde blijft voortleven, en het beste, het meest eervolle gedenkteeken dat wij hem kunnen stichten, zal steeds zijn de dankbare herinnering aan hem die ons gemoed vervult, en deze kunnen wij natuurlijk verlevendigen door schilder- en beeldhouwkunst en andere dergelijke middelen. Hetgeen echter tegen de natuurwetten indruischt, hetgeen onmogelijk is: de wederopstanding van het stoffelijke ligchaam in zijn voormaligen vorm, hiernaar behooren wij niet eigenzinnig te haken of te verlangen.

WEDUWE. Indien de Heeren het niet kwalijk nemen, wenschte ik eenvoudige vrouw insgelijks een woordje te spreken. Te gelooven aan eene ligchamelijke opstanding, dat is mij niet mogelijk, al stond het honderdmaal in den Koran. Het was toch aan mijn armen man niet te wijten, dat hij door een tijger werd opgevreten. De tijger heeft hem echter opgevreten en verteerd!--Hoe is het nu mogelijk, dat hij weder kan opstaan? Dan zou hij immers een tijger moeten worden, dewijl hij als mensch niet meer bestaat; ja, wat zeg ik, de tijger dien wij in de kloof hebben geworpen, is op zijne beurt ook reeds weder van Rajap's en andere gewormte half verteerd!

DAG. Zeer juist aangemerkt--en in den eeuwigen kringloop der stoffen zal hij, de eene na den anderen, nog eene menigte vormen aannemen. Maar het valt ons menschen bezwaarlijk, om ons los te maken van dwaalbegrippen die ons lief en waard zijn geworden. Dat is de reden waarom ik het van zoo hoog belang acht, om onze kinderen geene verkeerde begrippen in te boezemen, maar ze in tegendeel zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur naauwkeurig bekend te maken.--Het gaat u met de opstanding der dooden ongeveer op gelijke wijze als den Christenen met de goddelijkheid van Jezus. Zij vreezen dat hunne godsdienst en zedeleer al hare waarde verliezen zal, indien aan haren stichter het praedikaat van goddelijkheid wordt ontnomen, hetgeen echter, naar mijne wijze van zien, geheel ongegrond is. Wat meer zegt, ik geloof dat zij daarbij noodzakelijker wijze gewinnen moeten, indien hun wordt geleerd dat zij Jezus slechts als mensch moeten eeren en hoogachten. Want aangenomen dat hij de reinste deugd leerde en beoefende, dat hij eene alles ten offer brengende menschenmin bezat en een God was, dan volgt hieruit dat zijne hoedanigheden ons een onnavolgbaar voorbeeld moeten toeschijnen, dewijl het een God niet moeijelijk vallen kon deugdzaam te zijn. Gelooven wij daarentegen dat hij niets meer of niets minder was dan een mensch gelijk wij, en niettegenstaande dat al die deugden beoefende,--moet de overtuiging hiervan voor ons niet veel opwekkender zijn, dewijl zij ons de troostrijke zekerheid schenkt dat wij, indien wij zulks willen, even deugdzaam, even menschlievend kunnen zijn als hij was?--Evenmin als de Christenen met de goddelijkheid van hunnen Jezus zullen verliezen, zal dit bij u het geval zijn met de opstanding der dooden, indien gij niet langer gelooft aan iets, hetgeen gij elken dag kunt zien, dat eene natuurlijke onmogelijkheid is. Welk eene erbarmelijke inrigting zou het toch zijn, indien de natuur die zulk een onuitputtelijken rijkdom aan nieuwe scheppingskracht bezit, oude, voormalige individuele vormen weder te voorschijn moest brengen en kranke en gezonde, gebogchelde en regte, heele en verminkte menschen, of misgeboorten die twee hoofden hadden, melaatschen, blinden, enz., enz., allen, allen juist zoo als zij in hun leven waren, andermaal in het aanzijn moest roepen?--Zoudt gij zoo iets kunnen wenschen? Wel nu, dat zou ook geen redelijke wensch zijn. Ik raad u derhalve: onderwerpt u aan de wetten der natuur, waarin de wil des Eeuwigen zich openbaart, en houdt u overtuigd dat de dooden die gij hebt begraven, nimmer zullen opstaan; bemint hen des te vuriger, zoo lang zij leven en gelooft aan de onvergankelijkheid der geestelijke kracht die in u is, en aan de wet der steeds voorwaarts strevende ontwikkeling in den mensch, welke eene allengs hooger klimmende volkomenheid te gemoet gaat.

IMAM. Ik neem dit alles gaarne aan en zal met alle krachten er naar streven, om uwe natuurlijke beschouwingen onder mijne landslieden meer en meer ingang te doen vinden.--Ten opzigte van het eerste punt hebt gij de goedheid gehad, mij de noodige opheldering te geven; thans blijft nog een ander punt over, waaromtrent ik eene vraag tot u wenschte te rigten.

Gij hebt ons beide gezegd dat uwe landslieden, de blanke menschen in Negara-Wolanda, bijna allen Christenen zijn en datgene gelooven, hetwelk de Heer Nacht ons gisteren uit het bijbelboek heeft voorgelezen, hetgeen wij Javanen echter volstrekt niet begrijpen kunnen. Zulk eene tot treurigheid stemmende, ontmoedigende godsdienst is niet geschikt voor ons helder, vruchtbaar land. Veel van hetgeen de Heer Nacht ons heeft voorgelezen, maakte een indruk op ons als het zien van een somberen hemel, wanneer wij donder zullen krijgen, of wanneer wij aan Sakit proet (krampen in den onderbuik) lijden.--Hetgeen gij daarentegen, Heer Dag, ons van het Evangelie der natuur hebt geleerd, kwam met onze denkbeelden goed overeen en werd door ons gemakkelijk begrepen. Om die reden gelooven wij het en nemen het aan als waar.--Hoe komt het nu toch, dat ginds in Holland bijna alle blanke menschen, die immers veel verstandiger en geleerder zijn moeten dan wij, aan de Messiasleer van den Heer Nacht gelooven, en dat zij begrijpen kunnen of troost vinden in hetgeen ons ongeleerde Javanen even onbegrijpelijk is als eene bergopwaarts stroomende beek, in iets dat een indruk op ons maakt als eene sombere, zware regenbui?

DAG. Mijn goede Imam. De geleerde en ongeleerde bewoners van Holland begrijpen het evenmin als gij hier op Java. De meesten verbeelden zich slechts dat zij het gelooven, dewijl zij niet anders weten, dan 't geen zij van der jeugd af hebben geleerd, en zij die het beter weten, wenden huichelachtig voor dat zij er aan gelooven. Deze beide klassen maken de meerderheid uit der bevolking.--Maar buitendien worden er duizenden gevonden, en hun aantal neemt hand over hand toe, die dezelfde gevoelens koesteren als ik. Deze duizenden komen echter niet openlijk voor hunne grondbeginselen uit; zij zijn, wel is waar, te opregt en te braaf om te huichelen, maar----zij verbergen den schat der waarheid die zij belijden, in het binnenste huns boezems; zij houden hunne godsdienstige overtuiging geheim.

IMAM. Hoe is dat mogelijk! Er is mij toch verhaald, dat in uw land volkomen vrijheid van godsdienst bestaat en dat daar alle sekten, Mohammedanen, Heidenen, Christenen en Joden worden geduld en allen gelijke regten genieten!

DAG. Van staatswege, in gevolge de bepalingen van de grondwet: ja. De redenen echter dier geheimhouding zal ik u mededeelen en ik meen te mogen vertrouwen, dat ik daardoor tevens uwe vraag zal beantwoorden. Stel, dat duizenden in stilte van geestdrift gloeijen voor de natuurlijke godsdienst en zedeleer; bezien wij nu van een tiental dier duizenden de bijzondere omstandigheden huns levens eens van naderbij.--De een van deze tien heeft een broeder, die dominé of pastoor is. Een andere is een dominé's zoon. Deze vreest door den invloed der geestelijkheid zijne betrekking te verliezen, indien hij laat zien dat hij verlichter denkbeelden nopens de godsdienst koestert dan zij;--ja, hij is welligt zelf priester. Er worden er inderdaad zeer velen onder dezen gevonden, die oneindig liever naar hunne overtuiging zouden prediken, dan op den kansel komedie spelen; maar--zij hebben eene vrouw, vele kinderen en weinig geld en kunnen hun gevoelen niet openbaren, zonder vooraf hunne betrekking als orthodoxe predikant neder te leggen; zij troosten zich derhalve met de gedachte "het kan zoo veel kwaad niet" en accommoderen zich naar de heerschende begrippen.--Gene is een koopman, welligt een boekverkooper, wiens winkel aan hem het eenige middel van bestaan oplevert en onder wiens klanten vele priesters worden gevonden, die hij stellig zoude verliezen en die hem daarenboven nog vele andere klanten zouden aftroonen, indien hij het durft wagen openlijk eene andere leer te belijden dan het orthodoxe geloof. Een vijfde, een zeer verlichte man, hoopt op de nalatenschap van eene rijke, zeer bigotte dame (bij voorbeeld van zijne schoonmoeder), die hem stellig zou onterven, indien hij niet elken zondag ter kerk ging en met een uitgestreken, aandachtig gelaat, met zaâmgevouwen handen naar den kansel zat te kijken, waar de predikant met de armen in het rond zwaait en, als door geestdrift vervoerd, van de heilige Drieëenheid, van Gods eenig geboren Zoon en van de verlossing van de zonden spreekt. Een zesde heeft voor dit alles, wel is waar, niet te duchten; het vermogen hetwelk hij bezit, maakt hem onafhankelijk, maar--hij heeft vrouw en kinderen, die hij toch naar de Christelijke kerken en scholen moet zenden, zoo lang er nog geene kerken en scholen van zijn geloof worden gevonden; hoewel volkomen overtuigd dat het Christelijke dogma eene dwaling is, laat hij zijne kinderen niettemin in het Christendom onderrigt geven, dewijl hij vermeent dat het hun welligt als een gangbare pas op hunne reis door het leven zou kunnen dienstig zijn,--en een zevende eindelijk die vermogend is en geene kinderen heeft, derhalve geheel en al onafhankelijk mag geacht worden, is te zeer op gesteld om rustig en gemakkelijk te leven; hij wenscht op een goeden voet te blijven met degenen met wie hij in aanraking is; hij zwijgt derhalve liever en verloochent om die reden zijne eigene betere overtuiging. Er blijven dus van de tien nog slechts drie over die het nu en dan eens wagen, om hunne denkbeelden met woorden te omkleeden en die gehoor geven aan een krachtigeren, innerlijken aandrang, zonder te letten op de vijandschap die zij zich van andersdenkenden op den hals laden.--Vijandschap? Wel degelijk; want de takken van den boom met twee wortelen a en b, [17] welke de uitbreiding der waarheid verhinderen en het ontluiken der ware godsdienst en zedeleer onderdrukken, breiden zich heinde en verre bij millioenen uit, door alle standen en klassen der maatschappij. De orthodoxe priesters die, als openbaar erkende godsdienstleeraars, als dienaren der heerschende kerk een aanmerkelijken invloed op het volk uitoefenen, zijn onverpoosd werkzaam om de pogingen te verijdelen, welke strekken ter verspreiding van meerdere verlichting; ja, zij zouden de domheid en het blinde geloof gaarne tot in alle eeuwigheid willen voortplanten, en waarom?--dewijl zij daarvan leven, dewijl zij het veel te gemakkelijk vinden bij de woorden van een boek--als bij een non plus ultra, eene hoogste autoriteit--te zweren, waartoe niet veel studie en volstrekt geen hoofdbreken wordt vereischt.

Nu zal het u, waarde Imam, wel duidelijk zijn, waarom de verlichten in Holland die in rust en vrede willen leven, stilzwijgen moeten. Want wagen zij het hunne stem tegen de orthodoxe leer te verheffen, dan hebben zij als het ware een nest met wespen gestoord die hen met hare giftige angelen bedreigen; ja, duizenden hebben zij tegen zich in het harnas gejaagd. Zelfs over den boekhandel oefenen deze wespen een soort van schrikbewind uit, de ijverigste pogingen in het werk stellende om de van staatswege gewaarborgde vrijheid van drukpers te fnuiken, doordien zij den vrijzinnigen boekhandelaar plagen en kwellen, hem haren angel laten zien en met lasterlijke aantijgingen bedreigen en vervolgen. Wordt er echter niettegenstaande dat alles een gevonden, die het durft wagen--'t geen zelden gebeurt--een boek uit te geven, waarvan de schrijver heeft gepoogd de waarheid in het licht te stellen, dan weten gene priesters de verspreiding van het boek te beletten, zoodat de groote meerderheid des volks welke blindelings gelooft aan de leer der kerk, het volstrekt niet onder de oogen krijgt en ten opzigte van den inhoud er van in volslagen onwetendheid blijft verkeeren. Die vrome mannen welke misschien, even als zeker ridder met de hanenveêr op den hoed, denken: mundus vult decipi! dralen niet om het "een verderfelijk boek, een onzedelijk boek, een vuil pamphlet tegen het Christendom" te noemen en van den kansel de woorden uit te bazuinen: "die het koopt of leest, die zondigt tegen Jezus Christus."

Intusschen gaan zij voort met het luiden der klokken in steden en op het platte land, gaan zij voort met in duizende kerken elken zondag tweemaal en, zoo mogelijk, ook gedurende de werkdagen een paar keeren 's weeks hun leerstuk van de Drieëenheid te verkondigen, over het verlossingswerk, over Gods zoon, over Gods moeder en grootmoeder [18] te prediken en bovenal het gemoed van het opkomende geslacht, van de jeugd, op de cathechisatie als het ware te bewerken en te kneeden, opdat in dier voege de gedenkzuil des bijgeloofs in Holland niet slechts voortdurend onwrikbaarder in den bodem worde bevestigd, maar insgelijks vreemde, nog niet door vooringenomenheid verblinde volken, gelijk gij, goede Javanen! met het doop- en wijwater van godsdienstige dwaling worden besprenkeld.

Zoodanig aangekweekt, wordt de onzin meer en meer verspreid en duizenden slaan er geloof aan. Het boek echter, hetwelk waarheid bevatte, bij voorbeeld: Gedachten ten aanzien eener toekomstige, meer algemeene Godsdienstige geloofsleer (Gebr. Diederichs te Amsterdam, 1848), of verlichte brochures, als: Belangrijke vragen over de verrigtingen der Christen-Zendelingen (1851, bij denzelfden uitgever in het licht verschenen), Algemeen protest van Christenen in Nederland tegen eene nieuwe woordelijke vertaling van den ouden bijbel (1853, bij F. Günst te Amsterdam), worden spoedig vergeten. De stem welke daaruit spreekt, is als die des roependen in de woestijn en het eenige middel om den triomf der waarheid te bespoedigen:

Vereeniging van gelijkgezinden tot bevordering van dezelfde doeleinden, Stichting eener nieuwe kerk en gemeente, Oprigting van scholen, Overeenkomstig den geest der natuurlijke godsdienst en zedeleer,

wordt om de vroeger ontwikkelde en andere dergelijke gronden niet ter hand genomen, of wordt hoogstens verwezenlijkt binnen de muren van eene afgescheidene, door het Nederlandsche Groot-Oosten niet erkende Vrijmetselaarsloge.

IMAM. Waarde Heer Dag. Thans zie ik duidelijk in hoe ginds, in de Christenlanden, niet alles goud is dat blinkt, en dat uwe Europesche maatschappij zeer vele ongezonde, bedorvene bestanddeelen in haren boezem bevat, die zich aan mijn oog voordoen als een huis, hetwelk door Rajap's (termiten) is ondermijnd en aangetast. Wat het uitwendige betreft van balken en planken, tot den glans toe van het vernis en van de verw welke in der tijd er op waren gebragt, is alles onveranderd hetzelfde gebleven; maar van binnen is alles hol, vergaan, geheel doorknaagd, vol wormen en bij den eersten den besten storm of de eerste aardbeving moet het gansche gebouw instorten. Een angstig, beklemd gevoel maakt zich van mijn gemoed meester, mijn lieve beste Heer, wanneer ik er aan denk, dat men ons--arme Javanen--in zulk een broos, vermolmd, half vergaan kerkgebouw wil opsluiten.

(De Imam wierp zich vóór de verzamelde menigte op de knieën en bad met opgeheven handen:)

"Albarmhartige God! Groote, Algebiedende Toean Allah! De wegen die gij bewandelt, zijn onnaspeurlijk; de doeleinden die Gij wilt bereiken, zijn voor ons bekrompen verstand een raadsel, en Uwe wijsheid is als een licht dat ons oog verblindt.--Maar hier liggen wij arme, onwetende Javanen, uwe kinderen, in diepen ootmoed voor U nedergeknield en wij bidden U vuriglijk dat Gij ons niet in zulk eene zware verzoeking leidt, door toe te laten dat deze Europesche godsdienst der Christelijke kerk (Agama wolanda deri Orang Natsarani) in ons vreedzaam, schoon land worde ingevoerd. O! groote Toean Allah, albarmhartige Allah! Behoed ons daarvoor. Wij willen ernstig er naar streven, deugdzaam te zijn en U in waarheid te vereeren. Amen!"

De gansche vergadering herhaalde: "Amen!"

NACHT. (Na eene korte tusschenpoozing.) U allen die hier tegenwoordig zijt en bovenal aan u, geliefde broeder, ben ik eene opheldering verschuldigd. Waar en openhartig zullen mijne woorden zijn. Ik wil u niet verbergen dat reeds eergisteren, toen ik u de hoofdregelen van het orthodoxe Christelijke Evangelie voordroeg, mijn geloof aan de waarheid dezer leer aanmerkelijk aan 't wankelen was gebragt door de gronden, welke ik menigwerf uit den mond mijns broeders had vernomen. Ik was echter nog niet volkomen overtuigd en wenschte gaarne den indruk te kennen, welken de Christelijke geloofsleer op u, Javanen! zou maken. Ik wenschte het oordeel te vernemen dat gij, in uwe kinderlijke eenvoudigheid, daarover zoudt vellen, dewijl ik vermeende daaraan eenig gewigt te mogen hechten; want het was mij bekend dat uw verstand, wel is waar, ongeoefend, maar aan de andere zijde door vooringenomenheid niet beneveld was. Hetgeen in Holland elken dag aan duizenden van onschuldige kinderen wordt geleerd, die door geen talisman tegen de besmetting der dwalingen zijn beschut, aan wie geene keus tusschen deze en eene andere leer wordt gelaten, zoo iets mogt immers (dacht mij) wel aan u, goede Javanen! worden medegedeeld, en zulks te meer dewijl mijn broeder u reeds tegen den daarop volgenden avond eene andere voordragt, namelijk, over de natuurlijke godsdienst en zedeleer had toegezegd. Gij zoudt derhalve de vrije beoordeeling, de keuze hebben tusschen twee zaken en hierdoor bragt ik mijn geweten tot zwijgen, dat zich aanvankelijk aankantte tegen de poging om u met een geloofsstelsel bekend te maken, van welks waarheid ik zelf niet meer overtuigd was.