Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 16

Chapter 163,620 wordsPublic domain

Het schip, waarmede wij den oceaan des levens beploegen, die zoo vol landen, klippen en eilanden is, moet dit geloof zijn;--liefde moet de kracht wezen, die onze zeilen doet zwellen; wijsheid behoort aan het stuurrad te staan en--ons plegtanker, dat vóór aan den boeg hangt, 't welk men steeds gereed moet hebben om het elken oogenblik in de oneindige zee te kunnen uitwerpen, dat den deugdzamen nimmer verlaat, dit moet zijn--de hoop.

EPILOOG.

Het voorafgaande is mijn evangelie en te gelijk mijne preek tegen het bijgeloof, zoo mede tegen het geloof aan openbaring.

Allen, die niet onder de visschen en de kikvorschen gerangschikt mogen worden, zullen de waarheid, die zoo eenvoudig is, begrijpen en met mij eenstemmig denken, en ik hoop, ter liefde van de maatschappij, dat het aantal diergenen groot moge zijn.--Trouwens, gij--heiligen van den jongsten dag, gij, Groene, gele, blaauwe of nieuwelichters! gij staat tot over de ooren in het Messiasgeloof en het gaat u daarbij juist als de visschen in het water; zij meenen insgelijks, dat de gansche wereld uit water bestaat. En wanneer nu eens bij een geleerde onder hen--onder de visschen--een duister voorgevoel opkomt, dat er welligt ook lucht in de wereld is, dan verbeeldt hij zich toch, dat die eene doodelijke gassoort moet zijn, waarin al dat leven heeft, onfeilbaar moet verstikken!--En wie mag zich daarover verwonderen? Gij hoort, ziet, ruikt, smaakt en gevoelt toch van uwe prille jeugd tot aan uw zalig uiteinde niets anders dan Christelijke polsen, Christelijk brood en wijn, Christelijken wierook of damp, Christelijke kerken en Christelijke predikatiën,--gij schrijft Christelijke anthropologien, draagt Christelijke brillen op uw neus,--de menschenliefde hebt gij afgeschaft, 't moet Christenliefde heeten, "dampkringslucht" is eene onchristelijke gedachte, gij ademt geene andere lucht in dan Christelijke lucht, gij drinkt echt Christelijk water en, moogt gij ook somtijds wat onchristelijk geleefd hebben, gij sterft toch des te Christelijker,--gij laat u Christelijk begraven en vaart dan--op naar den Christelijken hemel, die zich met de zon, de maan en alle sterren dagelijks om de kleine aarde draait.

Gebeurt het nu eens, dat iemand optreedt, die niet een dergelijken bril draagt, noch visch noch kikvorsch is, en die aan de visschen predikt: "Hoe aangenaam en zuiver is de dampkringslucht, die men hier tusschen de bloeijende boomen inademt! Hoe verkwikkend is het heldere licht, het licht der waarheid, dat hier boven schijnt!--Gij arme visschen, wilt gij dan eeuwig in het troebele water blijven en u over den modderigen bodem rondwentelen? of u zelfs laten visschen en vangen met den angel Groen--angel geel of angel blaauw?--of van welke kleur zij mogen zijn, deze takken van den boom met twee wortelen: a en b. Komt toch boven en volgt mij hier in de lieve heldere lucht! daar kan niemand u visschen."--Hu! dat hebben de getrouwe geburen der visschen, namelijk, de kikvorschen, die aan den kant zitten, gehoord en nu beginnen zij te kwaken, allen te gelijk, met eene stem: "Visschen! Visschen! Wacht u voor schade! Gij kunt niet spreken, gij zijt stom; maar gij kunt immers hooren? Gij kunt immers gelooven?--wel nu, gelooft hem niet! Hoort niet naar hem! Hoort niet naar dezen ongelukstichter, naar dit belialskind, naar dezen bezetene!--Zwemt ijlings weg, geliefde visschen! gelooft ons kikvorschen: wij zeggen u de waarheid! het heldere licht daarboven kunt gij niet verdragen! in de zuivere lucht moet gij verstikken, geheel te gronde gaan! Wij kikvorschen zelfs kunnen haar niet goed verdragen, en slechts van tijd tot tijd, wanneer wij kwaken willen, ademen wij die lucht eens even in. Dat weet gij immers wel.--Wij blijven het liefst bij u in het moeras! Is dat dan niet volkomen waar?--Daarvan kunt gij u met uwe eigene oogen overtuigen!"--en plomp, plomp! daar springen al de kikvorschen in het moeras en sik! soek! daar schieten zij voort en zwemmen door het water, zoo fraai, dat het hart der visschen van vreugde bonst."--Dat zijn eerst overtuigende bewijzen! zeggen de visschen. Zij zijn zeer gesticht door de gehoudene predikatie en--zwemmen voort.

(Vervolg hierna.)

VERKLARING.

De mededeeler der "Licht- en Schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java," heeft zijnen naam niet genoemd. Hij hoopt zelfs, dat zijn naam nimmer bekend zal worden. Hij heeft diep ingewortelde vooroordeelen en dwalingen bestreden en daarentegen de goede zaak der waarheid en verlichting verdedigd, welke hij door een persoon onder den verdichten naam van Dag liet vertegenwoordigen. Het is eene groote en schoone zaak. Duizenden--en deze niet de minst edelaardigen in den lande--zijn in de stilte met geestdrift daarvoor vervuld. Een naam, welke daaronder geschreven wordt, beteekent een individu. Een mensch is klein en zwak, en ieder heeft zijne gebreken. De mededeeler wenscht, dat de zaak hare eigene verdedigster zal zijn, en het is niet uit onbescheidenheid, dat hij zijnen naam verzwijgt.

Want, van al hetgeen hij in deze bladen mededeelt, is naauwelijks het honderdduizendste gedeelte zijn eigendom, en ook dit honderdduizendste gedeelte slechts in zoo verre als hij een weinig heeft mede gearbeid aan het groote werk der natuuronderzoeking, als hij zijne eigene vijf zinnen niet ongebruikt heeft gelaten, om in het levende boek der natuur te lezen en de schriftteekenen der schepping zoo getrouw mogelijk te verklaren. Al het overige gedeelte des inhouds van dit geschrift is het eigendom van vele duizende mannen, die elk iets hebben geleverd tot verklaring van het boek der schepping, die allen hebben medegewerkt om waarheid en verlichting te verbreiden en daardoor bijgeloof en dwalingen te bestrijden. Zou het derhalve niet als een bewijs van aanmatiging moeten beschouwd worden, indien de mededeeler dezes zijnen naam voor het boek had geplaatst? Moesten er namen van personen op den titel staan, dan behoorden de namen er op vermeld te worden van die duizenden, welke sedert den tijd van Galilei en Huygens den tempel der waarheid mede hebben opgebouwd. Dewijl echter een titelblad veel te klein is, om zelfs het tiende gedeelte der namen van deze hoogverdienstelijke mannen te bevatten, vereenigde de mededeeler hen allen te zamen onder den naam van Dag, d. i. waarheid, verlichting, welken hij op den titel stelde. De billijkheid vorderde derhalve, dat hij zijn eigen naam verzweeg, dewijl hij hoogstens naar de eer kan dingen één dier duizenden te zijn.

Niettegenstaande dat alles hebben talrijke recensenten, zonder in eene wederlegging der zaak zelve te treden, hunne aanvallen gerigt tegen den schrijver,--hoezeer deze onbekend was. Eenigen beschuldigden hem van "verregaande domheid," anderen van "verregaande onbeschaamdheid;" zij noemden zijn boek een "vuilaardig schotschrift;" zij gaven den lezer den raad "er een steen aan te binden en het in den Eufraat te werpen;" er waren er, die den wensch te kennen gaven, dat de schrijver "zijn naam zou noemen" (--waarom?--) en anderen verheugden zich, dat hij "zijn naam verzwegen had, dewijl zij dit als een bewijs beschouwden, dat hij nog niet alle gevoel van schaamte had uitgeschud, maar integendeel zich schaamde zijne leerstellingen openlijk te verdedigen."

Al deze uitvallen konden mij het doel niet uit het oog doen verliezen. Mijne heeren de recensenten gingen echter nog verder. Zij namen het zelfs den uitgever kwalijk, dat hij een "dergelijk boek" in het licht had gezonden en gaven hem duidelijk te verstaan, dat hij wel zou doen het vervolg er van niet te leveren.

Deze en andere beschuldigingen, welke den uitgever--geheel onverdiend--werden te last gelegd, zijn de aanleidende oorzaak geweest, dat hij mij heeft verklaard de vervolgstukken niet te willen uitgeven, tenzij ik, door het stellen van mijnen naam voor het geschrift, de verantwoordelijkheid daarvan op mij--op mij alleen--nam, onder bijvoeging dat het gansche werk op mijne kosten werd uitgegeven.

Ik verklaar derhalve, dat het geheel en al overeenkomstig is met de waarheid, dat de UITGEVER volkomen vreemd is aan den inhoud van het geschrift, dat het op MIJNE kosten is uitgegeven en dat IK ALLEEN verantwoordelijk ben voor den inhoud.

Om de opgemelde reden echter zal ik mijnen naam niet noemen, tenzij ik door de wet daartoe mogt worden verpligt. Gij, heeren recensenten, kunt mij er niet toe dwingen. Uw invloed heeft alleen bewerkt, dat het boek een anderen uitgever heeft gekregen. Het is waar, gij zoudt u gaarne tot eene onafhankelijke magt in den staat willen verheffen, de vrijheid van drukpers aan banden leggen en door uwen invloed de uitgave verhinderen van zulke geschriften, die u mishagen,--of, indien dat niet gelukt, zoudt gij althans gaarne den naam des schrijvers kennen. Velen onder u zouden zoo gaarne een persoon als doelwit hebben, om hunne pijlen op af te schieten, dewijl het hun dan gemakkelijker zou vallen, de opmerkzaamheid van het publiek van de zaak af te trekken. Diegenen zullen nu zeggen: "Hij heeft den moed niet zijn naam te noemen." Ik verklaar, echter dat het mij aangenamer is, dat dergelijke recensenten mij als een lafaard beschouwen, dan dat de vrienden der zaak door broeder Dag verdedigd, mij van onbescheidenheid kunnen beschuldigen. En daarenboven al uwe persoonlijke uitvallen kunnen mij toch niet kwetsen! Het is waar, mijne huid en mijn vleesch zijn zeer gevoelig. Maar ik heb mij met een ondoordringbaar pantser gewapend, dat geheeten wordt: innige, vaste, onwankelbare overtuiging!--Op dit pantser zullen al uwe pijlen afstuiten en de stoot, dien zij te weeg brengen, zal mij slechts in zoo verre aan u herinneren, dat de wensch bij mij opkomt, u de woorden toe te roepen, die gij Lukas XXIII vs. 34 lezen kunt.

Ik raad u derhalve, neemt de geheel vruchtelooze moeite niet, het onderwerp of de leerstelling met den persoon des schrijvers te verwarren. Waarom verzwijgt gij, die u geroepen gevoelt mij te bestrijden, waarom verzwijgt ook gij niet liever uwe namen?--Spreekt toch niet van personen, maar blijft bij de zaak,-- --noemt u Nacht!--en wederlegt (indien gij kunt) de leerstellingen van Dag.

S. ... Julij, 1854. Dag.

VERHALEN EN GESPREKKEN UIT DE BINNENLANDEN VAN JAVA.

3.

Toen ik den volgenden morgen [12] ontwaakte en van mijne legerstede opstond, bespeurde ik, dat mijn broeder Nacht de hut reeds had verlaten. Ik zocht hem overal in het dorp, maar nergens kon ik hem vinden. Eindelijk kreeg ik hem in het oog; ik zag hem in de verte op den top des Goenoeng-Soesoe, waar hij, in diep gepeins verzonken, den oogenblik scheen af te wachten, waarop de zon boven den horizon zou verrijzen. Later verklaarde hij, dat mijne ontwikkeling der natuurlijke godsdienst meer had toegebragt om zijn geloof te doen wankelen, dan de gronden vroeger door mij tot staving mijner gevoelens aangevoerd. Mijne zedeleer, zeide hij, bevatte veel goeds. De stellingen, door mij verdedigd ter bestrijding van de "geopenbaarde godsdienst," wenschte hij in zijn gemoed te overwegen, en verlangde om die reden den huidigen dag in eenzaamheid door te brengen. Ik drukte hem hierop de hand en ging toen mijn eigen weg.

Terwijl ik nu alleen voortwandelde, kwam de Javasche priester mij te gemoet; hij deelde mij mede dat onder alle zijne landslieden, in het dorp aanwezig, slechts één enkele werd gevonden die Orang Natsarani, dat wil zeggen, Christen of, woordelijk gesproken, Nazarenermensch wilde worden. Mijne agama (leer) daarentegen had zoowel op hem als op al de anderen een beteren indruk gemaakt, weshalve hij mij verzocht, dat ik hem mijn boek "Kitab" (eigenlijk heilig boek of bijbel) zou leenen, ten einde het met de dorpsbewoners nogmaals door te lezen en vervolgens voor zich een afschrift er van te maken. Gaarne voldeed ik aan zijn wensch; ik stond hem tot dat einde een in het Maleisch geschreven uittreksel af van het "Evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch," welks geest en strekking ik den vorigen avond getracht had aan de dorpsbewoners te ontvouwen. Op mijne vraag, wie dan toch de nieuwe Orang el Meseh [13] was, verkreeg ik ten antwoord dat het de bediende mijns broeders was, welke dien wensch had te kennen gegeven; het ontging mijne aandacht niet, dat een spotachtige trek zich op het gelaat van den Imam (priester) vertoonde, toen hij den naam van "Lapiah" noemde, van den slimmen vogel, dien de lezer reeds ten deele aan zijne vederen heeft leeren kennen.

In mijn binnenste speet het mij, dat de goede kern van de zedeleer des Hebreërs van Nazareth geene betere vruchten had kunnen voortbrengen; wat echter de handelwijze van Lapiah betrof, hierover verwonderde ik mij in geenen deele; bij ervaring toch wist ik dat in Europa, behalve de werkelijk goeden en de van harte geloovigen, [14] zeer dikwerf ook dergelijke personen aan den Messias en aan de leer "der verlossing van zonden door het bloedige offer van Gods zoon" gelooven, die weten dat zij groote zonden hebben bedreven, en grooten lust hebben om nog meer te zondigen (dergelijke menschen brengen hun geweten door hun geloof tot zwijgen en gaan voort met zondigen), zoomede dezulken die volstrekt geene behoefte aan godsdienst hebben, zoodat het hun onverschillig is wat zij gelooven of uit eigenbaat huichelen te gelooven. Indien echter een goede kern in Europa geene betere vruchten kon voortbrengen dan huichelaars, pausen, bisschoppen, bedelmonniken en tallooze schijnheilige priesters, en onder de eenvoudige Javanen van Gnoerag geen enkelen aanhanger vinden kon dan eenen Lapiah,--dan moet zij inderdaad wel zeer dik met stof en dwalingen bedekt zijn!--Wat broeder Nacht hierover wel zal zeggen?

Deze gedachten gingen mij door het hoofd, toen ik mij met twee mijner bedienden en een paar Javanen, uitgerust op gelijke wijze als gisteren met mondbehoeften, geweer en instrumenten, op weg begaf naar een naburigen berg, westwaarts van Gnoerag gelegen, ten einde dien te beklimmen, mijn geologisch onderzoek voort te zetten en aan de reeds begonnen opneming dezer streek de laatste hand te leggen. Met de beschrijving van mijn "dagelijkschen arbeid" wil ik echter den lezer dezer bladen niet vermoeijen.

Door en door warm van de brandende zonnestralen en druipnat van zweet, kwamen wij ten 2 ure in het dorp terug en waren in de gelegenheid om de oude spreuk te bevestigen: "in het zweet uwes aanschijns zult gij uw brood eten."--Zweet? Ja.--Brood? Ja, en nog iets beters dan dat: lust tot den arbeid, levensgenot, menschenliefde, geluk en--een van dankbaarheid vervuld gemoed. Kort vóór onze aankomst was insgelijks de bode teruggekeerd, dien wij eergisteren naar het distriktshoofd hadden gezonden. Het scheen dat hij zich nog niet bij mijn broeder had vervoegd, want met de beenen kruislings over elkander geslagen, zat hij voor de deur der hut en hield het pakket met brieven in zijne op den schoot rustende handen. Zoodra hij zag dat ik hem daarvan wilde ontlasten, voegde hij de toppen zijner vingers zamen, bragt die met eerbied aan het voorover gebogen voorhoofd, nam den brief uit den omslag, reikte mij dezen toe zonder op te staan en herhaalde daarop even plegtig als vroeger zijn "Sembah." Niet vóór ik den brief geopend en hem gezegd had, dat alles goed was, stond hij op en verwijderde hij zich in eene bukkende, onderdanige houding. De lezer zal wel bevroeden dat deze eerbewijzingen niet mij, maar den brief golden, die van een zijner hoofden kwam.

Daar onze woning ledig stond, zocht ik mijn broeder in de nabij staande hutten en vond hem in een er van in eene hevige woordenwisseling met Lapiah, dien hij beval zich te verwijderen en welke mompelend gehoorzaamde. Drie andere Javanen die zich in de hut bevonden, zwegen nu insgelijks stil, dewijl zij bespeurden dat mijn broeder toornig was. Uit eenige woorden die ik had opgevangen, als Isa el Meseh d. i. Jezus Messias, kwam ik op het vermoeden dat zij over onderwerpen, het geloof betreffende, hadden gesproken. Ik erlangde hiervan weldra de zekerheid uit mijns broeders mond, die mij te kennen gaf dat hij, in gevolge van zijn wensch en dien der dorpsbewoners, dezen avond weder bestemd had tot het houden eener bijeenkomst en, dewijl hij behoefte gevoelde om verscheidene punten nader toe te lichten, hoopte hij dat deze afspraak mij niet ongelegen zou komen.

Na hem verzekerd te hebben dat het tegendeel het geval was, las ik hem den Maleischen brief van het distriktshoofd voor, die met eene zeer matige dosis beleefdheidstermen geschreven en ongeveer van den volgenden inhoud was: "Vele groeten aan de Heeren Dag en Nacht van mij Praba Widjaja Kadoekareksa, Raden [15] Kapala tjoetak, enz. Het is mij niet mogelijk Koeli's aan de Heeren te zenden buiten de grenzen van mijn distrikt; ik heb echter aan den Loerah van het grensdorp Oewoetagnis eene aanschrijving gezonden, om u bij uwe aankomst aldaar tien Koeli's te verschaffen en u tot aan het volgende dorp te vergezellen, waar hij aan den Loerah dier plaats mijn bevel verder moet mededeelen. Gij zult het echter niet euvel duiden, indien ik u de opmerking maak, dat de distriktshoofden aanschrijving moeten bekomen, wanneer Orang Wolanda's in het binnenland reizen; ik heb echter nog geene aanschrijving nopens u ontvangen en derhalve het plan opgevat onmiddellijk naar de hoofdplaats te vertrekken, ten einde den regent om de noodige voorschriften te verzoeken, ten opzigte van de wijze waarop ik mij jegens u zal hebben te gedragen." Wij zagen nu duidelijk in dat er voor ons niets anders overschoot, dan nogmaals een beroep te doen op de edelmoedigheid der Gnoeragers, ten einde door hunne tusschenkomst althans het grensdorp van het naastbij gelegen distrikt te kunnen bereiken.

De Kalong's togen weder over onze hoofden naar het gebergte, de paauwen vlogen al gillend door het dal en het insektengegons, waaraan enkele cicaden hunne diskantstemmen paarden, werd allengs meer algemeen, toen de vallende avond ons op nieuw in dezelfde hut vereenigd vond. De Javanen hurkten zoo als gewoonlijk op den vloer bijeen; ook de Imam zat met de beenen kruislings over elkander vóór hen en wij hadden onze oude plaats in de nabijheid van den wand weder ingenomen, waar de beide lampen een schemerachtig licht verspreidden.

IMAM. Zeer geachte heeren! Gisteren en eergisteren hebt gij de goedheid gehad ons, onwetende Javanen, onderrigt te geven in uwe godsdienst, waarvoor wij u bij deze onzen hartelijken dank toebrengen. Wij gelooven dat gij het werkelijk goed met ons meent. Gij hebt gezegd: God is almagtig, alomtegenwoordig, alwijs, algoed en volkomen regtvaardig; dat alles is ons sedert lang bekend. Gij hebt gezegd: dat wij er naar streven moeten om Gode gelijk te worden, om deugdzaam te zijn en onze medemenschen lief te hebben; ook dat weten wij sinds lang en dit staat mede zeer schoon beschreven in den Koran. Wijders heeft de Heer Nacht [16] gezegd: dat de Albarmhartige uit drie Goden bestaat, een Vader, een Zoon en een Heiligen Geest, van welke een op aarde moet gekomen zijn om zich voor het menschdom op te offeren en allen, die in hem gelooven, van hunne zonden te verlossen en in den hemel te brengen; dit nu kunnen wij niet begrijpen. Dit zou onregtvaardig gehandeld zijn van den Albarmhartige, dewijl wij niet daaraan gelooven. Wij gelooven veeleer, dat alleen de deugdzame mensch die goede werken doet of berouw koestert over zijne zonden, in den hemel komt, en dat de Albarmhartige een Eenig groote God is. Mijne landslieden, hier om mij verzameld, hebben mij den last opgedragen den zeer geëerden Heer Nacht te verzoeken, het hun niet euvel te duiden, dat zij geene Christenen willen worden en niet wenschen zich te doen doopen, uitgenomen Lapiah, de bediende van den Heer Nacht.

LAPIAH. Neen; ik ook niet. Mijn Heer heeft mij gezegd dat elk Christen zijne medechristenen even lief moet hebben, als zich zelven; dat heeft hij echter niet willen doen. Mijn Heer rookt dagelijks twaalf manilacigaren; ik ben ook een liefhebber er van en heb slechts twee van de twaalf voor mij gevraagd, maar heb ze niet kunnen krijgen. Mijn Heer is rijk genoeg en ik heb hem slechts om 5 gulden toelaag per maand tot mijn loon verzocht, ten einde, na den afloop der reis, mij nog eene vrouw te kunnen aanschaffen; maar op het hooren van dit voorstel is mijn Heer boos geworden en heeft mij toegevoegd: maak je weg, lummel! Jij behoeft geen Christen te worden. Wat helpt nu zulk een fraaije leer, indien zij slechts in boeken te lezen staat en er niet naar gehandeld wordt? Om die reden blijf ik liever hetgeen ik ben.

NACHT. Luister eens Lapiah; gij zijt steeds vriendelijk door mij behandeld geworden, maar nu zie ik dat gij een onverbeterlijke deugniet zijt en het, naar ik vrees, voortdurend blijven zult, onverschillig of gij u Christen of Mohammedaan laat noemen. Bij het opvolgen van het gebod "hebt uwe naasten lief gelijk u zelven", kan en mag niet uit het oog worden verloren dat een ieder verschillende behoeften heeft, hetgeen zoo veel wil zeggen als: "iedereen lief te hebben naar de mate waarop hij aanspraak heeft." Dat ik deze leer inderdaad navolg, hiervan zal ik u terstond het bewijs leveren: gij zult dagelijks twee van mijne manilacigaren hebben; daarenboven zult gij maandelijks 5 gulden toelaag bekomen en behouden, zoo lang gij uwe vrouwen liefderijk bejegent en u goed gedraagt. Maar--Christen zult gij niet worden, dewijl gij niet in staat zijt den verheven zin dier leer te bevatten, dewijl gij haar verkeerd uitlegt en, met baatzuchtige oogmerken, slechts misbruik er van wilt maken.

(In mijne gedachten liet ik op deze woorden volgen: "ongeveer gelijk dit sedert het jaar 3 maal 1 is 1 een tamelijk algemeen, loffelijk gebruik geworden is.")

IMAM. Ik ben zeer beducht, achtingswaardige Heer! dat zulks met het grootste gedeelte mijner landgenooten het geval zijn zou. Duidt mij de aanmerking niet ten kwade, maar eene leer, die eerst moet uitgelegd en verklaard worden, alvorens haar toe te kunnen passen, kan geene volle, van God afkomstige waarheid zijn, zoo als trouwens mijn Heer uw broeder Dag zelf reeds heeft gezegd.

NACHT. Daar hebt gij het!--Ware deze heer Imam met zijn Koran en gij met uw "Evangelie der natuur" er niet tusschen beide gekomen, dan zouden de goede Javanen de Christelijke leer stellig schoon gevonden en aangenomen hebben.