Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 14
Om regtvaardig te zijn, moeten wij er naar streven om aan ieder te geven naar gelang van zijne persoonlijke behoeften. De mate nu van behoeften hangt af van voormalige gewoonte. De grondregel, waarnaar wij ons moeten gedragen in onze handelwijze jegens anderen, is dezelfde die Jezus van Nazareth zoo schoon heeft vervat in de navolgende woorden: "gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doe hun desgelijks."
Niet alles echter is ellende, dat ons als zoodanig toeschijnt. Wie zou durven beweren, dat de gier, die in de dorre, van alle boom- en struikgewas verstokene woestijnen van Egypte op de rottende overblijfselen van kameelen aast, minder gelukkig is dan de kolibri, welke in het bloesemrijkste boschje rondfladdert en den zoetsten honig uit de bloemen zuigt? of dat de bedelaar, die, in lompen gehuld op den openbaren weg de hand uitstrekt om eene aalmoes te vragen, ellendig is, wanneer hij met een vijftigtal penningen des avonds huiswaarts keert en zijne aardappelen, met zout en vet toebereid, nuttigt? Hetgeen hij meer dan vijftig penningen heeft verkregen, zal hij besparen, maar niettemin op nieuw den volgenden dag gaan bedelen; zijne lompen heeft hij lief gekregen, het bedelen is hem tot behoefte geworden, hij gevoelt zich gelukkig. De rijke man daarentegen, die, met ridderorden behangen, daar ginds in dat groote huis woont, feesten aanrigt, waarop alle fijne wijnen paarlen, terwijl de tafel onder den last der spijzen buigt, zegt niet, dat hij gelukkiger is dan de bedelaar!--hij weet hoedanig hij de schatten heeft verworven, waarmede hij pronkt, hoe hij aan de veêren is gekomen, waarmede hij zich heeft gesierd; benijdt hem niet, het aangename bewustzijn van pligtsvervulling en tevredenheid kruiden zijne spijzen niet op den rijk voorzienen disch,--de wroeging van een boos geweten vervult zijnen boezem! God is regtvaardig!
En wanneer wij een koopman zien, die gedurende 20 jaren op een grooten voet leefde, maar bankroet is gegaan en nu als klerk op een kantoor een sober loon verdient, wachten wij ons hem voorbariglijk te beklagen; wij kunnen niet in zijn binnenste zien en weten niet, welke daden hij in het geheim heeft gepleegd. De ontbering kan nuttig voor hem, het ongeluk eene school van wijsheid voor hem zijn, waaruit hij, naar den geest en het verstand gelouterd, kan te voorschijn treden en gelukkiger worden dan hij te voren was.
Hieruit moeten wij deze leering trekken, dat wij nimmer den moed behooren te verliezen, wanneer ons een ongeluk overkomt, dewijl wij niet kunnen weten, waartoe het nuttig is. Met geduld moeten wij ons onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is, maar wakker en werkzaam zijn, want "God helpt, die zich zelven helpt."--Heeft het ongeluk vooraf zijne komst niet aangekondigd, ook het geluk kan onverwacht komen!
Orde houdt de maatschappij te zamen. Het wetboek is daar om voor hare instandhouding te waken, terwijl de wereldlijke arm des geregts de plaatsbekleeder is der goddelijke geregtigheid in den staat.--Gelijk in de natuur steeds vele kleinere dingen zich om een grooter scharen en vele planeten om eene zon draaijen, ja, alle zonnen, met alles wat leeft en zich om haar beweegt, ook weder gezamenlijk om eene nog oudere, grootere zon moeten draaijen en ten laatste alle dingen naar eene enkele grondoorzaak leiden, zoo heeft zich ook in de maatschappij reeds van oudsher het beginsel van eenheid doen gelden. De beste regeringsvormen zijn die, waarin de schepping zoo veel mogelijk is nagevolgd.--Een God, een Koning!--Maar God regeert de wereld niet willekeurig. Zijne ministers en staatsbeambten zijn de natuurkrachten, die hij schiep, en zijne grondwet zijn de onveranderlijke, vaste wetten, waarnaar hij de natuurkrachten laat werken. Wij moeten ordelievend zijn, de wetten des vaderlands gehoorzamen en onzen koning eerbiedigen.
Wij moeten er naar streven om deugdzaam te zijn, zonder op eenige andere belooning te rekenen dan die, waarmede de deugd, de getrouwe pligtsvervulling, zich zelve beloont: een goed geweten.
Dan zullen wij zien, dat de deugd nimmer ongelukkig is, maar in tegendeel dikwerf door de menschen geëerd en met wereldsche goederen gezegend wordt.
Wij moeten de ondeugd haten en de zonde vlieden, maar geene straf zoo zeer vreezen als die, waarmede elke slechte daad zich zelve straft: een kwaad geweten.--Een kwaad geweten brengt de begane zonden aan den dag en dan wordt de ondeugd, de misdaad gestraft door den arm der wereldlijke geregtigheid.
Indien wij eene zwakheid hebben begaan, indien ons beter zedelijk ik door de gebreken, die ons ligchaam aankleven, is verwonnen geworden, indien wij eene onregtvaardigheid gepleegd en gezondigd hebben, maar berouw gevoelen over onze overijling of slechte handelwijze, innig, waarachtig berouw er over gevoelen: dan is de zonde ons vergeven.
Indien wij berouw gevoelen over het onregt door ons gepleegd en het vaste voornemen opvatten, voortaan regtmatig te handelen, dan mogen wij met het volste vertrouwen de toekomst te gemoet gaan, ook dan wanneer de wereldlijke straf der wet daarvoor op ons is toegepast. De orde in den staat eischt, dat de wet voltrokken worde.
Indien de orde en zekerheid in den staat daardoor niet op het spel zijn gezet, zal een goede vorst den misdadiger genade schenken, en daardoor het schoonste bewijs geven van de magt, die hij bezit.--Dewijl alle misdaden deels haren grond hebben in aangeboren ligchamelijke onvolmaaktheden of gebreken, hoofdzakelijk echter in verkeerde opvoeding en gebrek aan beschaving en--bij een dergelijken aanleg--door ongelukkige uiterlijke omstandigheden ligt veroorzaakt worden, behooren wij medelijden te hebben met de misdadigers en trachten hen te verbeteren of te genezen.
Wij moeten echter nimmer gelooven, dat een sterfelijk wezen, al zet hij eene driedubbele bisschopsmuts op het hoofd, in staat is ons eene enkele zonde te vergeven.
God alleen kan ons de zonden vergeven en zijn eenige plaatsbekleeder op aarde is: het geweten, dat in den boezem van elk mensch woont.
De goeden en de boozen dragen hunnen hemel en hunne hel met zich om. Zij zullen hunnen hemel en hunne hel met zich nemen; want hunne ziel is onsterfelijk.
Laat ons niet droomen van een anderen hemel of eene andere hel. Wat aan gene zijde des grafs ligt, is voor ons verborgen. Stellen wij ons vertrouwen op den Onvergankelijke en dragen wij hiervoor zorg: dat wij een hemel in onzen boezem hebben! en zeggen mogen, dat wij voortdurend er naar gestreefd hebben om regtvaardig te zijn! Want God is volkomen regtvaardig.
23.
God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig: ons streven moet zijn in al onze handelingen getrouw en waarachtig te wezen.
Wij moeten waarachtig zijn in woorden en daden, en nimmer huichelen. Hetgeen wij doen, moeten wij ook leeren kunnen, en overeenkomstig onze leer behooren wij ook te handelen.
Wij behooren ons niet zoodanig te gedragen, noch te kleeden (behalve wanneer dit geschiedt uit scherts), dat wij iets schijnen te zijn, dat wij werkelijk niet zijn; want nemen wij den schijn aan van iets, 't geen wij niet zijn, dan bedriegen wij de menschen.
Wij behooren ons woord te houden en derhalve niet ligtvaardig te beloven, zonder vooraf te overleggen of wij onze belofte kunnen houden.
Den band der vriendschap en der liefde, dien wij hebben gesloten, behooren wij heilig te bewaren.
Wij moeten den leugen haten als de verachtelijkste zonde, die ons in onze eigene oogen vernedert.
Wij moeten niet leeren: andere menschen even lief te hebben als ons zelven; elken dag, ja, elken oogenblik zien wij, dat wij niet in staat zijn om zulks te doen; geven wij niettemin voor, dat wij dit doen, dan maken wij ons schuldig aan huichelarij.
Wij moeten leeren alle menschen lief te hebben en ons zelven meer dan anderen. Leeren wij dit, dan kunnen wij zulks nakomen en wij zijn waarachtig.--Ik ken een bekwamen, braven man, die door ongelukken tot armoede en ellende is vervallen, en sedert vele jaren te vergeefs alle pogingen heeft beproefd om zich weder te herstellen. Niets heeft echter kunnen baten. Om voor goed geholpen te zijn, behoeft hij 2000 gulden; eene geringere som kan hem niet redden. Ik ben in het bezit van dergelijke som, maar indien ik haar aan hem afsta, stort ik mij zelven in het ongeluk. Ik houd derhalve mijn geld in kas of bezig het in mijne eigene zaken. Heb ik nu mij zelven niet meer lief dan genen?--Indien iemand mij met de wapenen in de hand aantast, en ik mijn leven alléén redden kan door den aanvaller te dooden en ik redde mijn leven: heb ik mij zelven dan niet meer lief gehad dan genen?--Of wordt er iemand onder ons gevonden, die zich zelven in het verderf wil storten om een ander te helpen? die zich wil laten vermoorden, opdat een ander het leven zal behouden?--En indien zoo iemand onder ons werd gevonden, welk nut zou hij gesticht hebben door zich zelven op te offeren, dewijl toch één van beiden verloren gaat? Daardoor had hij immers niet getoond den andere even lief te hebben als zich zelven, maar in tegendeel dat hij zich zelven minder lief had dan genen! Zou hij op die wijze niet zondigen tegen den eersten pligt, die ieder mensch is voorgeschreven, den pligt van zelfbehoud?
Wij moeten derhalve de vroeger opgegeven grondstellingen der liefde tot onze naasten opvolgen, maar de leer "onze naasten lief te hebben als ons zelven" verwerpen, omdat het opvolgen van dit voorschrift eene natuurlijke onmogelijkheid is, en dewijl eene leer, die onophoudelijk van elken kansel gepredikt, in alle Christelijke geschriften wordt aanbevolen, maar die nog nimmer opgevolgd kon worden en ook nooit, zoo min nu als in het vervolg, nagekomen zal worden,--slechts leiden kan tot schijnheiligheid, huichelarij en valschheid.--Zijt waarachtig en getrouw aan u zelven!
De afschuwelijkste en verachtelijkste soort van huichelarij is de schijnheiligheid, welke iemand pleegt wanneer hij degenen, die hem zien, wil diets maken, dat hij in het gebed tot God spreekt, terwijl hij inderdaad aan niets hoegenaamd denkt of geheel andere gedachten koestert dan hij voorwendt, ja, met onheilige denkbeelden is vervuld;--dit is eene soort van schijnheiligheid, die, helaas! bij de Christenen veel algemeener wordt gevonden, dan bij de belijders van eenige andere godsdienst. De reden daarvan is: 1o. de zoo even genoemde omstandigheid, dat de Christen in zijn binnenste de onmogelijkheid gevoelt (die zijn mond weigert te bekennen) om de eerste grondregelen des Christendoms in het leven na te komen, zoo als: zijn naaste lief te hebben als zich zelven, zijne vijanden wel te doen en hen van harte te vergeven, zich op heiligmaking toe te leggen, alle aardsche lusten te dooden, zich zelven geheel en al te verloochenen, enz., en 2o. dat de Christenpriesters een herhaald, lang en vurig bidden, bidden, bidden! als het krachtigste hulpmiddel ter bevordering van tijdelijk en eeuwig geluk voortdurend aanprijzen. Daar het echter eene uitgemaakte waarheid is, dat de mensch slechts zeer zelden zoo diep geroerd is, in zulk eene heilige stemming verkeert, dat hij zich opgeheven gevoelt tot God, en hij niettemin een half dozijn malen daags behoort te bidden, vouwt hij de handen zamen, slaat aandachtig de blikken nederwaarts, zet een onnoozel gezigt--en houdt zich als of hij bidt.
Die een medebelijder is der natuurlijke godsdienst en zedeleer van den regtzinnig geloovigen mensch, moet het werktuigelijk aframmelen van vooraf geleerde gebeden onvoorwaardelijk afkeuren en slechts dan God bidden, wanneer hij een wezenlijken, innerlijken aandrang daartoe gevoelt, onverschillig of deze zich zelden of menigwerf, elken dag, elke week of slechts eens in de veertien dagen openbaart.
De Eeuwige en Onvergankelijke kent al onze behoeften en wenschen en geen enkele onzer gebeden--ja, al baden wij op onze knieën drie weken lang zonder ophouden, en bij honderd duizenden te gelijk,--is in staat om te bewerken, dat hij een haar breedte afwijkt van de eeuwige wetten, waarnaar hij de wereld regeert.
Alleen dan is het bidden nuttig, wanneer de biddende daartoe de aandrang bespeurt in zijn gemoed, wanneer hij zich tot den Eeuwige opgeheven gevoelt, en rust en troost in zijn geloof zoekt. Bezielt hem die zucht, is dit gevoel waar en innig, dan ook zal hij troost in het gebed vinden.
Het opzeggen van gebeden, die men van buiten heeft geleerd en die op vastgestelde tijden worden gepreveld, zoo als, bij voorbeeld, bij het opstaan, naar bed gaan, voor het eten, na het eten, een dozijn keeren in de kerk, enz., waarbij aan niets wordt gedacht, waarbij men niets gevoelt, dit heeft volstrekt geene nuttigheid in zich, baart in tegendeel het vroeger opgenoemde nadeel, namelijk, huichelarij, het aannemen van een valschen schijn. Dit wordt eene gewoonte en deze gewoonte spiegelt zich onwillekeurig in alle andere verrigtingen der menschen af.
Handelt naar behooren, leidt een deugdzaam leven, maar waant niet, dat gij aan uwen pligt voldoet, indien gij menigwerf ter kerk gaat of uren lang op uwe knieën gebeden opzegt. Het is waar, naar kerkelijke uitspraken, kunt gij dan vrome menschen heeten, inderdaad echter misschien zeer slechte menschen zijn.
De ervaring leert, dat zij, die het veelvuldigst ter kerk gaan, het langst en het vurigst in het openbaar bidden, veelal de meest gewetenlooze menschen zijn. Sommigen hunner doen zulks alléén, dewijl zij weten, dat zij hunne ondeugden het zekerst achter schijnheiligheid kunnen verbergen, en anderen dewijl zij werkelijk gelooven, dat zij zich met God kunnen verzoenen, indien zij des zondags ter kerk gaan, vurig bidden, belijden dat zij ellendige, diep gezonken schepselen zijn, ja, van berouw vervuld zich ter aarde buigen, weeklagen en "genade! genade! erbarming! voor mij armen verworpen zondaar" roepen;--dan zijn hun (zoo wanen ze) de zonden, die zij in de afgeloopene week hebben begaan, kwijt gescholden; zij hebben immers "God gediend" en--zullen daarvoor gedurende de aanstaande week hunne medemenschen des te slechter dienen en hen op alle mogelijke wijze bedriegen, waarvoor zij dan op den aanstaanden zondag door nieuwe en bitterder jammerklagten, door vernieuwd vertoon van berouw en herhaalde bekentenis, dat zij arme "onverbeterlijke" zondaars zijn, op nieuw vergeving vinden. Deze zullen zich stellig niet verbeteren, maar in hunne berouwvolle jammerklagten steeds nieuwen moed scheppen tot vernieuwde slechte daden.
Niet met bidden--slechts door goed te handelen kan men God dienen.
Indien gij echter bidt, dan zij uw gebed u heilig, gelijk de eerbaarheid aan de jonge maagd. Ontheiligt het heilige niet, door het aan ieders oog bloot te stellen. Bidt in eenzaamheid.
Wij moeten aan de bestendige onveranderlijkheid der natuurwetten gelooven en naar waarheid trachten. Deze waarheid moeten wij hoogachten en beminnen.
Menschen kunnen gedurende langen tijd in bijgeloof en dwaling voortleven, zonder dat zij om die reden juist ongelukkig zijn, maar elk toeval, 't welk de waarheid aan den dag brengt, zal hen doen ontwaken, en dit ontwaken zal te onaangenamer zijn, naar mate de dwaling langer heeft voortgeduurd. Wij behooren derhalve hier naar te streven, om ons zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur bekend en vertrouwd te maken.
Tot de klasse van dwaling en bijgeloof behoort het geloof aan goddelijke openbaring en wonderen, dat wil zeggen, aan dergelijke (hypothetisch aangenomen of op overlevering berustende) gebeurtenissen, die in strijd zijn met de natuurwetten. Er bestaat geene regtstreeksche goddelijke ingeving of openbaring in het binnenste des menschen.--Het is waar, somtijds rijzen denkbeelden bij ons op, wier oorsprong wij niet verklaren kunnen, ten gevolge waarvan het ons toeschijnt, dat zij voortvloeijen uit eene innerlijke, regtstreeksche bron van kennis, zonder in eenig verband te staan met de omringende natuur.--Onderzoeken wij de zaak echter grondiger, dan zien wij, dat ook deze denkbeelden slechts eene terugkaatsing, als het ware de nagalm zijn van hetgeen wij vroeger te eeniger tijd door onze zinnen ervaren hebben,--onverschillig of wij deze ervaring regtstreeks hebben geput uit de levende natuur of uit een boek, dat de gedachtenwereld bevat van een nog levend of vóór langen tijd door den dood van deze aarde gescheiden mensch.--Zeer zeldzaam echter kan iemand iets denken, dat niet reeds andere menschen vóór hem hebben gedacht.
Het geloof aan eene regtstreeksche, goddelijke openbaring is verderfelijk, dewijl het de kritiek van het gezond verstand uitsluit en de zoogenaamde geinspireerden verlangen dat zij en hunne leer voor onfeilbaar worden gehouden.--Want gaat men uit van de mogelijkheid van eene dergelijke goddelijke openbaring, dan moet ook toegegeven worden, dat deze openbaring Gods in ieder mensch kan plaats hebben, dewijl wij niet weten kunnen welken sterveling--hetzij bedelaar of koning--God de Heer waardig gekeurd heeft of zal keuren om zijne openbaring te ontvangen. Nu echter kan slechts een van beide gedaan worden: of ieder moet op zijn woord worden geloofd, die voorgeeft goddelijke openbaringen te hebben ontvangen, welke nu door hem als "Gods word" worden verkondigd, aan wier heiligheid geen criticus de roekelooze hand mag slaan; doet gij dat, dan heeft Joe Smith--de stichter van de sekte der Heiligen van den jongsten dag (der Mormonen)--even goed als Mohammed of ieder ander mensch, die later welligt zal optreden, het regt om te zeggen: "ik ben een waarachtig Godsgezant, gelooft aan mijne woorden;" en gij moogt er niet aan twijfelen;--of gij moet de kritiek toelaten en de leeringen dergenen, die voorgeven openbaringen van God ontvangen te hebben, eerst dan als zekere waarheid (als Gods woord) erkennen, wanneer zij (even als alle andere leeringen, welke door den mond eens menschen verkondigd of door 's menschen hand te boek zijn gesteld) door u vooraf onderzocht zijn geworden en gij bevonden zult hebben, dat zij de vuurproef der kritiek van het gezond verstand kunnen doorstaan.--Het is derhalve natuurlijk, dat dan ook de bijbel op dergelijke wijze moet worden onderzocht en zulks doende zult gij de overtuiging erlangen, dat de daarin vervatte leeringen niet slechts hoogst onvolkomen zijn, maar ook openbare en zeer groote dwalingen bevatten, waaruit volgt, dat zij Gods geopenbaard woord niet kunnen zijn.--De leeringen van vele andere menschen daarentegen hebben deze proef werkelijk en met glans doorgestaan, hunne ontdekkingen zijn gebleken waar en juist te zijn, en deze leeringen en ontdekkingen moet gij derhalve, indien gij de vroeger genoemde tweede grondstelling tot rigtsnoer neemt, als goddelijke openbaring beschouwen. Maar het gevolg hiervan zou zijn, dat elke natuurkundige ontdekking, die deze proef glansrijk doorstond, ja, al hetgeen de mensch ooit waars en goeds heeft beleden, uitgevonden of ontdekt, eene goddelijke openbaring zou genoemd moeten worden!--Waarheen voert u dit geloof!
Zegt derhalve niet: "Jezus van Nazareth was het, aan wien God zich heeft geopenbaard; deze openbaring is hier in dezen bijbel vervat en dit is Gods woord;"--want daarop kan ieder te regt antwoorden: "ook aan mij heeft God zich geopenbaard, zoo mede aan dezen, aan genen en aan duizend anderen te gelijk, die hunne vijf zinnen openden om de openbaring te ontvangen en hun verstand gebruikten om haar te verstaan. Hierdoor heeft God sedert eenige honderde jaren,--vooral sedert uwe magt zoo ver gebroken was, dat gij uw starren geloofswaan niet meer iedereen tot een onveranderlijken rigtsnoer voor het gansche leven kondt opdringen, sedert gij geen ketters meer verbranden en niemand meer beletten kondt, de bewonderenswaardige werken der schepping na te vorschen, de levende natuur te onderzoeken,--sedert dien tijd heeft God den mensch zaken geopenbaard, waarvan in uwen bijbel zelfs geen enkele letter wordt gevonden--zoo groot, zoo schoon, zoo heerlijk!--en waarvan gij tot heden niets zoudt vernomen hebben, indien er niet waarlijk godvruchtige mannen waren geweest, zoo als Kopernicus, Galilei, Kepler, Huyghens, Newton, Halley, Linnaeus, Benjamin Francklin, Laplace, Blumenbach, Gay-Lussac, Alexander von Humboldt, Leopold von Buch, Oersted, Berzelius, Humphry Davy, Faraday, Arago, Johannes Müller, Liebig, Elie de Beaumont, G. I. Mulder, Ehrenberg en duizend andere even bekwame natuuronderzoekers, indien deze niet getracht hadden in het ware boek der openbaringen te lezen.
De ontdekking van de ware beweging der planeten, der wetten van Kepler, van de drukking der dampkringslucht door Torricelli,--de ontdekking der undulatie-theorie van het licht, der waarschijnlijkheidsrekening, van de wet der zwaartekracht, welke de beweging der hemelligchamen aan vaste berekening onderwerpt,--de ontdekking der wet van Mariotte: dat de digtheid der lucht evenredig is aan het gewigt, dat er op drukt, of aan de zamenpersende kracht,--de ontdekking der elektrieke hoedanigheid des bliksems, der isothermische lijnen, van het bestaande verband tusschen alle verschijnselen in de natuur, van de indentiteit der electrieke en magnetische kracht, welke den weg heeft gebaand tot het uitvinden der electrieke telegraphen,--de ontdekking der nieuwe classificatie en nomenclatuur der scheikundige verbindingen, der metalen van de alkalien en aardsoorten, van het electrieke licht, van de wijze om electrieke werkingen uit den magneet te voorschijn te brengen, van het diamagnetismus, van het rotatie-magnetismus, der polarisatie van het licht,--de ontdekking der theorie van de opheffing der gebergten en van de betrekkelijke verheffingstijdperken, van de gemeenschappelijke basis (van het proteïne) der eiwitachtige ligchamen,--de ontdekking der galvanoplastiek door Jacobi, even zeer als de ontleding van het witte licht in zijne kleuren, de berekening der loopbaan van kometen, de uitvinding der spiegelsextanten, of de leer over de gisting en over de metamorphosen in de bewerktuigde natuur in het algemeen,----al deze en andere gewigtige ontdekkingen moet gij dan (naar de grondregelen van uw geloof) beschouwen als waarheden, die God aan de opgenoemde mannen heeft geopenbaard,--even goed als gij aanneemt, dat God de zedelijke wet: "gij zult uwen naaste liefhebben," aan Jezus van Nazareth--of dergelijke wetten reeds vroeger aan Mozes openbaarde, welke laatstgenoemde onder anderen de ontdekking maakte, dat het onregtvaardig is te stelen en te dooden.
Dan moet gij insgelijks de werken, waarin de vroeger genoemde ontdekkingen zijn ter neder gesteld, bij voorbeeld, de Libri VI de orbium coelestium revolutionibus, Linnaeus Systeem der drie natuurrijken, Blumenbach's werk de generis humani varietate nativa, het Lehrbuch der Chemie van Berzelius, Humboldt's Kosmos, de Mécanique céleste van Laplace, Newton's philosophiae naturalis principia mathematica en duizend andere voortreffelijke geschriften even zeer als "Gods woord" beschouwen, als uw oud en nieuw testament--en dan behoort gij tevens aan genoemde mannen gelijke eer te bewijzen als aan gene oud-Joodsche schrijvers der christelijk godsdienstige boeken en behoort hen "apostelen, door God bezielde en verlichte profeten" te noemen.--Er behoeft, waarlijk, geen engel uit den hemel te komen om ons te leeren, dat een goede God in de schepping leeft, en dat wij menschen deugdzaam behooren te zijn en onze medemenschen moeten liefhebben om gelukkig te kunnen leven,--die wet staat diep in ons gemoed gegriffeld; ja, dat deze en dergelijke waarheden zoo vroeg werden erkend, strekt juist ten bewijze, dat zij zeer natuurlijk, zuiver menschelijk zijn. God zal zich aan ieder openbaren, die het vooroordeel aflegt, die zijn ontvankelijken geest naar de natuur wendt en met ijver er naar streeft de eeuwige schriftteekenen der schepping te ontcijferen.--Aan die dwazen echter, die hun gezond verstand aan het blind geloof ten offer hebben gebragt, zal God zich nimmer openbaren.