Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java
Part 13
Aan dit doel behoorde de eerste helft van elken zondag te zijn gewijd, en de kerken zouden steeds blijven, hetgeen de school was voor het kind, den jongeling: een tempel der wijsheid en der kennis voor iedereen, maar bovenal voor de middel- en lagere klassen des volks, die het meest behoefte hebben aan onderrigt. De priesters behoorden hunne eigenlijke, schoone roeping: "volksleeraren te zijn," te beseffen en bovenal naar wijsheid en kennis te streven en die den volke leeren! Want God is alwijs!
21.
God is goed; uit alle deelen der schepping straalt ons de goddelijke liefde te gemoet: Wij moeten er naar streven om goed te zijn.
Wij moeten geen dier kwellen, maar in tegendeel goedaardig zijn jegens alle levende wezens en elk diertje het genot zijns levens gunnen. Wij mogen geen onschadelijk dier dooden, welks bestanddeelen--gedood zijnde--ons geen nut aanbrengen.
Wij moeten onze medemenschen liefhebben en welwillend zijn jegens iedereen. Wij moeten het lijden en de ellende, overal waar wij zulks ontwaren, pogen te verzachten en de armen ondersteunen. Wij behooren anderen, die minder bezitten dan zij noodig hebben, mede te deelen van hetgeen wij meer hebben, dan wij behoeven.
De stem van het goddelijk bewustzijn in ons binnenste,--het geweten,--zegt ons duidelijker, dan wij in leerstellingen kunnen zamenvatten, hetgeen regt en hetgeen onregt is; volgen wij de stem van het geweten, die reeds vóór duizende jaren, even goed als nog heden, den mensch toeriep: "Gij zult niet begeeren eens anderen goed, niet echtbreken, niet dooden, niet stelen, niet bedriegen, geen valsche getuigenis afleggen, het verhevene en heilige niet bespotten en u zelven, uw eigen, van God herkomstigen geest niet beschimpen en vernederen door afgoden te aanbidden."
Menschenliefde jegens iedereen--indien zij werkelijk ons gemoed doorgloeit--verheft ons hoog boven de dieren; zij veredelt ons in onze eigene oogen en verschaft ons, wanneer wij haar beoefenen, de reinste vreugde, meer dan aan dengene, die het voorwerp er van is. Dat toch deze bloem geen enkel oogenblik van ons gansche leven in ons verwelke!
Die ons het leven gaven, ons voedden, liefhadden en verzorgden, toen wij nog jong en hulpeloos waren,--onze ouders,--moeten wij beminnen tot aan hunnen dood en steeds blijven eeren. Zijn onze ouders behoeftig en hebben wij rijkdommen verworven, zijn wij tot waardigheden opgeklommen, dan behooren wij hen met ons gelijk te stellen, hen tot ons op te heffen en hen te ondersteunen. Hij is een verachtelijk mensch, die zich schaamt te belijden, wie zijne ouders zijn. "Een oog, dat den vader bespot en de moeder veracht, zal door de raven uitgehaald en door de jonge arenden verslonden worden." Dat leerde bijna negentien honderd jaren geleden de man uit Nazareth, wiens boezem zoo warm voor waarheid en deugd gloeide en datzelfde staat nog heden geschreven in het geweten van elken mensch.
Wij zijn groot gebragt en opgevoed door onze ouders of, indien zij vroegtijdig zijn gestorven, door menschenvrienden, die hen vervingen. Wij zijn in zoo verre ons bestaan verschuldigd aan de liefde en zorg onzer ouders en behooren derhalve ook onze kinderen lief te hebben, te verzorgen en op te voeden.--Wanneer gij hoort, dat eene moeder haar jong geboren wicht van het leven heeft beroofd, houdt haar dan geen geschreven woord, bijbel, gebeden- of wetboek voor, spreekt niet van verloochening des vleesches,--want juist daardoor hebt gij haar tot zondares gemaakt; gij hebt haar huichelarij en schijnheiligheid geleerd, hetgeen haar bewoog hare zwangerschap voor het oog der wereld te verbergen, totdat zij eindelijk doof werd voor de stem der natuur;--neen, hangt een nest met jonge vogelen voor hare gevangenis op, dan zal de kindermoorderes zien met welk eene liefde de dieren der wildernis voor hunne jongen zorgen, hoe zij ijlend naar hen toevliegen, hoe zij zelfs de schuwheid voor den mensch hebben afgelegd en rondom de kooi fladderen, waarin hunne jongen zich bevinden,--hoe zij hun in den snavel voedsel toevoeren, dat zij in veld en beemd hebben bijeenvergaard:--welligt zijn zij zelven hongerig, maar zij voeden er zich niet mede, zij houden het onaangetast in den snavel en brengen het van eene verwijderde plek derwaarts om het hunne jongen te geven;--zij vliegen weg, maar ziet, zij komen weder,--zij verlaten hunne jongen niet, zelfs toen het nest door menschenhanden werd weggeroofd, zij hebben het toch gevolgd;--zij steken hunnen snavel tusschen de tralien door, ten einde hunne jongen te voederen, ja, zij zouden gaarne in de kooi trachten binnen te dringen om bij hunne jongen te blijven, die nog zoo naakt en hulpeloos zijn, - - heeft nu uwe leer der "heiligmaking, van de verloochening des vleesches, verloochening van de stem der natuur," nog niet het laatste overblijfsel van dit gevoel, dezer stem, in het gemoed der kindermoorderes verstikt, dan zal zij zich voor de vogelen schamen en--weenen.
Heeft het dier aan de wet der liefde tot zijn gelijke voldaan, wanneer het voor zijne jongen zoo lang zorgde, totdat deze zelven in staat zijn voor hunne eigene instandhouding te waken, op den met rede begaafden mensch rust de meer gewigtige pligt om insgelijks voor de zedelijke opvoeding zijner kinderen, voor de ontwikkeling des geestes, zorg te dragen en hen in datgene te onderrigten, waarin de hoogste kracht des menschen ligt: in kunst en wetenschap.--Bij de opvoeding der kinderen moeten wij twee hoofdgrondregelen tot rigtsnoer nemen; ten eersten moeten wij door voldoende zorg, eenvoudige opvoedingsstoffen zonder prikkelende middelen, doelmatige wijde kleeding, zindelijkheid, later door allengs toenemende oefening van alle spieren door middel van de verschillendste ligchaamsbewegingen, door hen te gewennen aan de vrije lucht en de afwisseling van het weder--voor de krachtige ontwikkeling des ligchaams zorg dragen, en ten tweede moeten wij het kind, na voorafgaand onderrigt in de taal, datgene leeren, hetwelk als eene onbetwiste en zekere waarheid algemeen is aangenomen en erkend, namelijk: wiskunde en de verschillende takken der natuurwetenschappen, benevens de geschiedenis van het menschelijk geslacht; dit als de hoofdzaak behandeld wordende, mag gepaard gaan met het onderrigt in de algemeene zedeleer. Wij behooren echter zorgvuldig te waken, dat het kind, hetzij jongeling of meisje, geene vooroordeelen, geene godsdienstige begrippen of leerstellingen worden ingeprent, alvorens het zelfstandig denken en onderzoeken kan, en wij moeten derhalve elke handelwijze ten stelligste afkeuren, die, gelijk de doop en de besnijdenis, reeds het kind in de wieg met een kruis, een toekomstigen Messias of ander dogma stempelt, waardoor de geest van het kind reeds aan banden gelegd, in ketenen geklonken wordt, alvorens hij volkomen is ontwaakt, waardoor elke vrije ontwikkeling belet en de mensch gedwongen wordt zijn gansche leven door tot deze of gene bepaalde sekte te behooren. Aan den tot man opgewassen, met al de vereischte kennis der stellige wetenschappen toegerusten jongeling (zoo mede aan de jonge dochter) moet de keus worden overgelaten om zich voor eene der veelvuldige geloofsbelijdenissen te verklaren of, indien hem geene van allen bevredigend voorkomt, den Schepper der natuur op eigene wijze, naar eigene overtuiging, te aanbidden, maar nimmer moet men het kind geloofsstellingen leeren of inprenten, alvorens het rijp geworden is om zelf daarover te oordeelen.
Het tegenover gestelde van dezen grondregel is sedert vele eeuwen en wordt nog op den huidigen dag in praktijk gebragt. Deze omstandigheid alleen maakt het verklaarbaar, dat op dezen oogenblik nog vele millioenen van menschen aan leerstellingen hechten, die als heilig vereeren, waarover de latere nakomelingschap zich in dier voege zal verwonderen, dat zij zal vragen: "Hoe toch was het mogelijk, dat millioenen van menschen gedurende duizende jaren konden gelooven, hetgeen tegen het gezond verstand, ja, volkomen in strijd is met alle wetten der natuur?--Waren zij, die vóór ons deze aarde bewoonden, nog niet met verstand begaafd?"--waarop welligt een bearbeider van de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zal antwoorden:
"Wel degelijk waren zij met verstand begaafd of, juister gesproken, de kiem er van was in hen gelegd; maar op dezen kiem entten zij met geweld het onverstand, zij zetteden een stempel op het kind en prentten het weeke, voor elken indruk vatbare kinderlijke gemoed gedurende zestien of meer jaren dagelijks en onophoudelijk in: datgene als een onaanrandbaar heiligdom, zoowel voor het tijdelijke als eeuwige geluk te vereeren en te aanbidden, hetwelk wij heden, nu de komeet van 1807 wederom zigtbaar is, welks omloop Bessel, op een verschil van 25 jaren na, tamelijk juist berekende, reeds lang als eene groote dwaling hebben leeren beschouwen. Want slechts weinigen van onze toenmalig levende voorvaderen konden zich in hunnen rijperen leeftijd weder vrijmaken van de indrukken, ontvangen in hunne jeugd, die zoo lange jaren hadden geduurd; bij de meesten bleef de vorm des stempels, waarmede zij reeds bij den doop, even als jonge schapen, werden geteekend, hun gansche leven door zigtbaar, (al was die ook door verloop van tijd meer of min onduidelijk geworden). [11]--Danken wij derhalve den Heer der Schepping! dat wij de waarheid en den eersten en voornaamsten hefboom van alle ontwikkeling, van alle wetenschap, van alle maatschappelijk geluk, in zijne volle waarde hebben leeren erkennen en in zijn zuiveren vorm aangewend hebben: het schoolonderwijs, de opvoeding onzer jeugd."
Ons zelven moeten wij echter het meest liefhebben,--meer dan andere menschen. Dit is niet alleen regtmatig, maar dit is onze pligt, namelijk, de pligt van zelfbehoud. Ons ligchaam toch, waarin de ziel woont, werd ons door den algoeden Schepper der natuur geschonken, opdat wij zouden leven, en geen ander mensch kan of zal in zulk eene mate--zoo goed--voor ons zorgen als wij zelven in staat zijn zulks te doen. Onze grondregel, met betrekking tot de liefde jegens onze naasten (zie vroeger bladz. 160), luidde aldus: Wij behooren anderen, die minder bezitten dan zij noodig hebben, mede te deelen van hetgeen wij meer hebben dan wij behoeven.--Dezen grondregel moeten wij in overeenstemming trachten te brengen met de pligten jegens ons zelven.
Wanneer wij zien, dat iemand in nood verkeert en er hoop bestaat, dat hij door ons kan geholpen worden, zonder dat wij zelven er door verloren gaan, dan moeten wij trachten hem hulp te verleenen, al is zulks van gevaar vergezeld.
Wij moeten ons echter ook zelven in eere houden en ons door niemand laten beleedigen of beschimpen. Indien iemand u een slag in het aangezigt geeft en uw geweten u zegt, dat gij deze beleediging of deze bestraffing hebt verdiend, ga dan beschaamd heen naar eene afgezonderde plaats en--verbeter u. Draagt gij echter in uw binnenste het bewustzijn om, dat gij die oorveeg niet hebt verdiend, eisch dan van den beleediger, dat hij u vergiffenis vrage en weigert hij zulks: geef hem die oorveeg terug en een andere tot zijne straf er bij.
Wij moeten alle menschen liefhebben en onze vijanden zelfs niet haten. Grootmoedigheid verheft en veredelt den mensch. Wij behooren pogingen aan te wenden om onzen vijand te overtuigen, dat hij onregtmatig heeft gehandeld. Ziet hij het begane onregt in, gevoelt hij er berouw over, dan moeten wij hem vergevensgezindheid betoonen en hem op die wijze tot vriend trachten te maken. Gelukt dit echter niet en gaat hij voort met ons te verontrusten, dan moeten wij hem onschadelijk trachten te maken. Kunnen wij dit niet, wordt hij gevaarlijk voor ons, dan behooren wij hem met alle magt te bestrijden en, indien hij ons dooden wil en wij niet in staat zijn ons leven op eene andere wijze te redden, dan hebben wij het regt hem te dooden. (Zie over de practische toepassing dezer grondstellingen in het midden der 19de eeuw, den krijg tusschen Rusland en de westersche mogendheden.)
Veronachtzaming van ons eigen ligchaam is zonde, en zelfmoord de grootste zonde.
Wij behooren zorg te dragen voor ons ligchaam, wij moeten het behoorlijk voeden met spijs en drank en wij moeten ons--op eene geoorloofde, deugdzame wijze--al dat genot pogen te verschaffen, hetwelk wij tot ons ligchamelijk welzijn behoeven en waartoe wij de middelen bezitten.
Daar echter onmatigheid den mensch tot een dier verlaagt, en zij hare eigene straf medebrengt, namelijk, tegenzin, berouw, uitputting of ziekte, moeten wij in alles matig zijn. Het genot, dat wij door elk onzer zinnen kunnen smaken, verandert door onmatigheid in het tegendeel, ja, de toonen der welluidendste muziek zouden eindelijk ons oor vermoeijen, zelfs pijnlijk aandoen, indien wij ze den ganschen dag en onophoudelijk moesten hooren. Houden wij daarentegen de matigheid in het oog, dan oefenen alle ligchamelijke genietingen--het genot des gevoels, van het gehoor, des gezigts, van den reuk en van den smaak--niet slechts een weldadigen en bevredigenden invloed uit op het ligchaam, maar insgelijks op het gemoed; zij verzwakken den geest niet, maar versterken hem en stellen hem in staat nog edeler genot te smaken: om de diepzinnigste wetenschappelijke vraagstukken te kunnen bepeinzen.
In een zwak of ziekelijk ligchaam kan geen sterke of gezonde geest wonen. Van onze vroegste jeugd af moeten wij ons derhalve er op toeleggen om het ligchaam te versterken en alle mogelijke zorg aanwenden om het volkomen te ontwikkelen. Het nuttigen van spijs en drank onderhoudt het leven, maar oefening der krachten maakt ons sterk. Aan elke school zonder onderscheid behoorde eene inrigting te worden verbonden voor ligchaamsoefening, alwaar de jeugd in de gelegenheid werd gesteld door loopen, springen, klauteren, schommelen, werpen, kaatsen, kegelen, worstelen, zwemmen, paardrijden--in één woord, door de verschillendste ligchaamsbeweging de spierkracht te oefenen. Deze ligchaamsbewegingen moeten op rijperen leeftijd op eene doelmatige wijze worden voortgezet. Wij behooren veel beweging te nemen in de vrije lucht, en niet voor elk windje of elke regenvlaag te gaan schuilen. Wij moeten pogingen in het werk stellen om eene meer doelmatige wijze van kleeden in te voeren, die de natuurlijke schoonheid van den ligchamelijken vorm voordeeliger doet uitkomen, zoomede om de naauw sluitende, stijve keurslijven bij de vrouwen in onbruik te doen geraken.--Reinheid des ligchaams is een der meest geschikte middelen ter bevordering van de gezondheid. In elke stad, in elk dorp behoorde een badhuis te zijn. Indien, bij voorbeeld, van een viertal kroegen, dat menigwerf in één klein dorp wordt gevonden, er twee gesloten en door een badhuis werden vervangen en het geld, daar vroeger aan genever verdronken, nu werd besteed tot het nemen van een koud of warm bad, dan zou zulks niet slechts nuttiger zijn voor de maatschappij, maar tevens aangenamer genot opleveren aan ieder afzonderlijk lid er van. Indien gij iemand ziet, die in een prachtig huis woont en fraai en zindelijk gekleed gaat, maar ten opzigte van zijn eigen ligchaam de reinheid uit het oog verliest, waarmede vergelijkt gij hem?--Wanneer het den Mohammedaan in zijn wetboek wordt voorgeschreven zich herhaaldelijk te wasschen, behoorden de bewoners van het koudere noorden, zelfs van den geringsten stand, hieraan een voorbeeld te nemen en het als een hunner godsdienstige pligten te beschouwen, minstens éénmaal per dag die deelen des ligchaams te wasschen, welke naar de voorschriften der zindelijkheid zulks het meest behoeven en zich althans eens per week te baden. Daardoor zouden vele ziekten voorgekomen worden en het opkomende geslacht een krachtigeren wasdom verkrijgen.
Wij moeten ons ligchaam niet verloochenen, maar het in eere houden en God den Heer danken, dat hij het zoo fraai en doelmatig heeft gevormd. Wij mogen ons ligchamelijk genot verschaffen; want dat wij zouden genieten, lag in de bedoeling des Scheppers, toen hij ons het aanzijn schonk, dewijl hij alle organen onzes ligchaams zoodanig heeft zamengesteld, dat alle natuurlijke verrigtingen, welke strekken moeten tot instandhouding, zoowel der individuen als der soort, waartoe zij behooren, met een behagelijk gevoel gepaard gaan. Hij schiep ons tot het smaken van geluk en genot, zoowel naar het ligchaam als naar den geest. Degenen, die zeggen: "verloochent u zelven, doodt alle zinnelijke lusten en begeerten, arbeidt aan uwe heiligmaking, legt u ontberingen op, bestrijdt uw vleesch door onthouding, door vasten en kastijden, opdat uwe onsterfelijke ziel des te vlekkeloozer worde en het goddelijke licht des te helderder in u schijne"--zijn of huichelaars of dweepers, die zondigen tegen de weldadige bedoeling des Scheppers, want zij dienen toch te weten, dat in een door vasten en kastijden verzwakt ligchaam geen krachtige en gezonde geest kan wonen.
Indien gij honger hebt, u voedsel kunt verschaffen en u toch er van onthoudt, dan zondigt gij. Alleen de arts, niet de priester, heeft het regt u de onthouding er van voor te schrijven.
Het is de pligt der overheid om openlijke volksspelen en volksvermakelijkheden, gepaard met doelmatige ligchaamsoefeningen, met alle krachten aan te moedigen. Het volk zou dan tevredener zijn, zijne pligten met meer vreugde nakomen en niet zoo dikwerf, gelijk thans het geval is, verstrooijing zoeken in de geneverflesch, die, helaas, in vele oorden, onder vele klassen der maatschappij, zijn eenige troost, zijn eenig geluk is!--Wanneer toch de arme man zes dagen lang heeft gewerkt om zich "in het zweet zijns aanschijns zijn dagelijksch brood" te verschaffen en de zevende dag komt eindelijk aan, welke vreugde biedt hem deze dag?--Vooreerst de vreugde in de kerk te gaan, om treurige, droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikatiën aan te hooren over onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke liefde; ten tweede de vreugde in de kerk te gaan, om treurige, droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikatiën aan te hooren over onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke liefde; ten derde de vreugde om uit de kerk te gaan en--reeds bij de eerste schrede, die hij buiten de kerkdeur doet, de onmogelijkheid in te zien om eene enkele dier voorschriften na te komen en eindelijk--ten vierde, gedurende de vier of vijf uren van den dag, die nu nog overblijven, het genoegen om onbevredigd in zijn binnenste te zijn en nergens iets te vinden, dat het ledige in zijn gemoed vervullen en genoegdoening kan geven aan eene onbestemde, maar niettemin duidelijk gevoelde behoefte!--Zou die behoefte ook misschien de genever zijn?--Neen; waarheid is het in plaats van dwaling, natuurlijke godsdienst die voor het gezond verstand begrijpelijk is en het gemoed vervrolijkt, waaraan hij in de kerk behoefte heeft--en gezellige vreugde, openbaar vermaak, spel met ligchaamsoefening, genot is het, dat hij buiten de kerk wenscht te smaken, en aan het smaken van zulk maatschappelijk genoegen, vooral der lagere volksklassen, die dit het meest noodig hebben, behoorde minstens de tweede helft van elken zondag te worden gewijd.--De mensch is door God geschapen om te genieten en het volk heeft er behoefte aan. Gij, die de kermissen hebt afgeschaft, gij hebt het goede met het kwade te gelijk weggenomen en, indien gij het heil des volks werkelijk zoekt, dan zijt gij nu verpligt iets beters er voor in de plaats te stellen. Het ware te wenschen, dat het veelzijdig nut, 't welk de schouwburg kan verspreiden, meer algemeen werd erkend en gewaardeerd, en dat zelfs in de kleinere steden volksschouwburgen werden opgerigt. Of zou iemand durven beweren, dat er een krachtiger middel gevonden wordt tot verheffing van het zedelijke gevoel bij het volk, dan het opvoeren van tooneelstukken, waarin zedelijke waarheden worden ontwikkeld?--Want daarbij is toch het nuttige vereenigd met het vermakelijke, met een aangenaam tijdverdrijf!
Het instinkt tot voortplanting zijner soort, dat elk dier is ingeplant, gaat bij den mensch gepaard met het veel edeler gevoel van liefde--en bindt op die wijze de beide geslachten zamen. Deze liefde, welke ons verheft boven het dier, dat slechts geslachtsdrift gevoelt, moeten wij rein bewaren en haar heiligen door eerbaarheid.
De band, welke kinderen aan ouders, ouders aan kinderen, zoo mede zusters en broeders onderling verbindt, zou verbroken worden, de reinste vreugde, welke de mensch in den kring van zijn eigen huisgezin,--aan eigen haard,--geniet, zou verloren gaan, de teedere zorg voor de jeugd en hare opvoeding ontaarden in onverschilligheid, de band der trouw tusschen de verschillende geslachten en te gelijk daarmede vele van de schoonste bloemen der beschaving, der edelste deugden, zouden ophouden het menschelijk leven te sieren, zij zouden vervangen worden door zedelijke ruwheid, ja, de geslachtsliefde zou eindelijk worden verlaagd tot bloote dierlijke lust en de orde en tucht in de maatschappij worden vervangen door een woesten chaos,--indien wij het voorschrift der wet "een man en eene vrouw" niet in acht namen. Om die reden moet het genot der geslachtsliefde het geheim van twee personen zijn, de zaamgeknoopte band der liefde--het huwelijk--moet ons heilig blijven en de jeugd zal dezen band veredelen door kuischheid.
Die staat echter zal het welzijn des volks bevorderen, die de wettige vereeniging ook onder de onvermogenden met alle onder zijn bereik staande middelen vergemakkelijkt, en die priester zijn pligt vervullen, die het niet beneden zijne waardigheid acht de waarschuwende stem te verheffen tegen de nadeelige gevolgen van te vroegtijdig geslotene huwelijken, indien de materiële middelen der beide partijen niet toereikend zijn voor hunne behoeften,--maar die, in plaats van de "verloochening des vleesches" te prediken, den armen liever toeroept, dat de mensch slechts door den band der trouw zich boven het dier kan verheffen en dat zij dezen band moeten aaneenhechten, alvorens het genot der liefde te smaken.
Welligt zou op die wijze veel zedelijke ellende worden verhoed. Hebt uwen naaste lief! Want God is goed en alle deelen der schepping getuigen van zijne liefde.
22.
God is regtvaardig: wij moeten pogen regtvaardig te zijn.
Slechts hij kan regtvaardig zijn, die wijsheid paart aan goedheid. Regtvaardigheid is die deugd, welk het moeijelijkst te beoefenen valt, maar zij is daarentegen het schoonste sieraad, vooral van hen, die hoog geplaatst zijn--der magtigen en vorsten--onder de stervelingen.
Wanneer gij een handwerksman nevens den weg ziet liggen, waar hij in de schaduw van het geboomte zijn stukje droog brood nuttigt om later op nieuw zijn arbeid te hervatten--en tegenover hem zit een rijk man aan den disch, waarop een dozijn schotels met groenten, gebraad en fijne pasteijen van allerlei soort hunne geuren verspreiden, waarvan hij niet in staat is de kleinste voor zijn maaltijd te nuttigen, zegt dan niet: "dat is onregtvaardig;" want den arbeider smaakt welligt zijnen maaltijd beter dan gindschen rijkaard zijne pasteijen, en deze behoeftige man, die des avonds naar huis keert en in den kring der zijnen uitrust van de vermoeijenissen des daags, ondervindt stellig meer genot dan de rijke, die nog nooit vermoeid was. Ontneemt gij echter den rijke, die in overvloed is groot geworden, zijne schatten, dwingt gij hem eensklaps droog brood te eten zoo als gindsche handwerksman, dan handelt gij onregtvaardiglijk; want dan zal de rijke zeer ongelukkig en beklagenswaardig zijn, dewijl hij niet gewoon is droog brood te eten,--en indien gij den handwerksman, die, ten gevolge van ziekte of duurte van levensmiddelen, minder verdient dan voor zijne behoefte vereischt wordt, niet mededeelt van hetgeen gij meer hebt dan gij behoeft, dan handelt gij insgelijks onregtvaardiglijk en zondigt tegen de wet der menschenliefde.