Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 12

Chapter 123,686 wordsPublic domain

Men moet zich God niet voorstellen als eene kracht, welke van de natuur gescheiden, buiten haar gelegen is, maar in tegendeel als eene kracht in haar aanwezig, als de algemeene geest in de natuur--als de wereldgeest. Op het eerste gezigt zal het velen kunnen toeschijnen, dat deze geestelijke kracht uitsluitend in 's menschen verbeelding bestaat, eene bloote hersenschim is, zonder inderdaad te zijn--dat zij niets anders is dan een denkbeeld, dat ons voorstellingsvermogen zich heeft gevormd door het afleiden van gevolgen uit de verschijnselen in de natuur, waarvan wij den oorsprong en het voortbestaan niet kunnen verklaren, en dat wij om die reden onze toevlugt nemen tot eene nog onverklaarbaarder oorzaak, welke wij God noemen. "Deze oorzaak echter ligt," naar het beweren der atheisten, "in de natuur zelve en onze God is niets anders dan het abstracte denkbeeld der werkelijke natuur in onzen geest." Naar deze wijze van beschouwen zouden wij zelven even zeer een deel zijn der Godheid als de trouwe hond, die ons op onze wandeling vergezelt, of als de woeste, bloeddorstige wolf, die ons dreigt te verslinden,--even zeer als de koe, die in gindsche weide graast, of als de bliksem, die uit de wolken te voorschijn komt, of de planeet, die, door eene onzigtbare hand gedreven, rondom de zon draait.--Met andere woorden: "de natuur heeft hare oorzaak in zich zelve en er bestaat niets buiten de stof en de krachten, welke daaraan onafscheidelijk zijn verbonden en waardoor deze stof tot verschillende onbewerktuigde en bewerktuigde ligchamen vervormd wordt."

Maar deze bewering is niet slechts in strijd met het verstand, dat zegt: "ik ben, ik denk, ik heb mijzelven echter niet geschapen, er moet derhalve een nog hooger verstand, eene nog hoogere, denkende kracht zijn dan ik"--er wordt buitendien nog een regtstreeksch bewijs gevonden voor het bestaan van God, namelijk, zulk eene uiting der algemeene oorspronkelijke kracht, welke zich aan ons op eene regtstreeksche wijze te kennen geeft.

Deze regtstreeksche uiting der oorspronkelijke kracht zullen wij nu pogen te verklaren, nadat wij alvorens die hoedanigheden Gods hebben opgenoemd, welke wij door gevolgtrekking uit de verschijnselen in de natuur afleiden.--Deze regtstreeksche uiting doet zich aan ons voor als eene allerhoogste kracht, die alle andere krachten beheerscht, waaraan al, dat overigens bestaat, onderworpen is en niets zich kan onttrekken, ja, zonder welke niets gedacht kan worden, dewijl het denken zelfs alleen in en door deze kracht mogelijk wordt gemaakt. Zonder de immer wakende, nimmer ophoudende aandrift dezer kracht zou de gansche wereld ophouden te zijn. Is de aanwezigheid van ruimte eene voorwaarde om het bestaan eener ligchamelijke wereld mogelijk te maken, maar welke de geest niet behoeft, wij kunnen ons noch ligchaam, noch geest voorstellen zonder deze kracht.--Deze kracht is met den bliksem, welke de lucht doorklieft, zij begeleidt den mensch in het graf, zij kruipt vóór den worm op den bodem heen, zij ijlt den klank vooruit, ja, zij is sneller dan het licht en moge de lichtstraal, die van de zon uitgaat, 42000 mijlen in ééne seconde doorloopen om, zoo snel mogelijk, de oppervlakte der aarde te bereiken, deze kracht echter is nog acht minuten voor hem aldaar.--Ofschoon deze magtigste van alle krachten zuiver geestelijk, ja, onligchamelijker is dan eene gedachte, wij zien niettemin elken oogenblik het bewijs, dat zij aanwezig is; zij rust nooit, ja, staat nimmer het duizendste deel eener seconde stil. Hoort gij de klok slaan?--Een,--twee. Tusschen beide slagen verliep tijd;--elke slag vordert tijd en de vlugtigste gedachte, die bij ons opkomt, doet nog tijd verloopen. Niets kan buiten den tijd treden en niemand kan zich zelfs het geringste gedeelte van een oogenblik aan den invloed des tijds onttrekken.--De tijd brengt alle krachten eerst aan het werken en stuwt alles, dat bestaat, onwederstaanbaar voort. Men kan zich hem niet anders voorstellen, dan voortijlend; hij beleeft en overleeft alles.

De tijd is de onzigtbare drijfveer, welke God aan de zigtbare schepping mededeelt. Alleen door tusschenkomst van den tijd is het mogelijk, dat nog iets anders dan God bestaat. De tijd is de overgang Gods in de wereld.

Groot derhalve is de dwaling dergenen, die zich voorstellen, dat God rust, dat hij werkeloos is, sedert hij de wereld heeft geschapen, dewijl hij, gelijk zij beweren, "de natuurkrachten en wetten in zijne plaats laat regeren";--deze krachten en wetten toch zijn geschapen, zijn derhalve niet zelfstandig, zouden niet kunnen blijven bestaan, indien de eeuwige, oorspronkelijke kracht niet aanwezig ware, waaruit zij voortvloeijen. God is de geest, de ziel in de natuur, welke elk oogenblik des tijds, gisteren gelijk heden, onophoudelijk voortgaat de schepping te bezielen, tot beweging en werkzaamheid op te wekken. De tijd staat geen oogenblik stil. God rust nimmer. God is voortdurend werkzaam.

Het voorafgaande bevat in algemeene en korte trekken de leer der kennis van God geput uit de natuur. Het volgende is de kennis van God toegepast op het menschelijk leven of de zedeleer, waarvan hier insgelijks slechts de hoofdgrondstellingen in algemeene korte bewoordingen medegedeeld kunnen worden.

Er is geen bewijs tegen de waarheid dezer leer, noch in den hemel, noch op de aarde.

Gelijk er slechts Een God is, kan er slechts eene waarheid,--slechts eene ware godsdienst en zedeleer zijn en dit kan geene andere wezen, dan die uit de natuur en hare verschijnselen--de voortdurende openbaring Gods,--is afgeleid. Hierop berust het evangelie van den regtzinnig geloovigen mensch.

18.

Door de beschouwing van ons zelven en van de schepping, die ons omringt, zijn wij tot de kennis gekomen, dat eene denkende, met rede begaafde kracht, een geest, eene ziel in ons ligchaam woont, in staat om de taal der schepping te verstaan. De schepping sprak tot ons door middel onzer vijf zinnen, als door den mond van even zoo vele tolken; zij gaf ons te kennen, dat wij slechts een klein, van alle zijden afhankelijk lid in de groote, oneindige schepping zijn en dat de Maker dezer schepping één almagtig, eeuwig, alomtegenwoordig, alwetend, alwijs, goed, regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en voortdurend werkzaam God is.--Hij is de eeuwige, die noch een begin had, noch een einde zal hebben, de denkende en alles bezielende kracht in de natuur, waarvan onze eigene, denkende geest een flaauw afschijnsel, als het ware een twijgje van den boom des levens, een straal van het algemeene, groote, geestelijke licht is.--Kunnen wij nu het eigenlijke wezen dezer goddelijke kracht, die wij ons onligchamelijk, als geest moeten voorstellen, niet begrijpen, wij gevoelen niet te min, dat onze menschelijke geest met den goddelijken geest verwant moet zijn, dewijl wij overigens in de gansche schepping niets vinden, waarmede wij onze redelijke ziel zouden kunnen vergelijken. Onze geestelijke natuur staat derhalve in betrekking tot God, is met hem verwant en het streven van geheel ons leven moet daarheen zijn gerigt om op Hem te gelijken.

19.

Hij echter is almagtig; dat kunnen wij niet zijn, want wij zijn slechts eene kleine schakel in de groote keten der schepping, die hij aaneenverbindt. Hij is eeuwig en ons leven omvat eene zoo korte, ons vooraf zelfs geheel onbekende handbreedte tijds. Hij is alomtegenwoordig en wij zijn slechts op eene enkele plek te gelijk aanwezig en hebben maanden tijds noodig om slechts een vierde gedeelte van den omvang dezer kleine aarde te doorreizen. Hij is alwetend en wij weten slechts hetgeen wij door middel onzer vijf zinnen ervaren en in ons geheugen ingeprent hebben; hetgeen nevens ons voorvalt op eene plaats, die door een enkelen wand van ons is gescheiden, kunnen wij niet weten; den dag van gisteren kenden wij eergisteren niet; de dag van morgen is voor ons een geheim en hetgeen ons de dag van overmorgen baren zal, blijft ons heden en morgen nog onbekend.--Maar God is mede alwijs, algoed, regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en voortdurend werkzaam en deze vijf hoedanigheden zijn het, die ons den weg aanwijzen, dien wij behooren te bewandelen. Vijf woorden vatten den inhoud zamen der zedeleer, die wij behooren te volgen. Wij moeten er naar streven om wijs, goed, regtvaardig, getrouw en waarachtig en werkzaam te zijn.

20.

God is alwijs: Wij moeten er naar streven om wijs te zijn.

Bij dit streven moeten wij vier algemeene grondstellingen tot rigtsnoer nemen.--1o. Wij moeten ons gewennen, over al hetgeen wij waarnemen, zelf na te denken en dit te onderzoeken.--2o. Wij moeten niets zeggen, niets bedrijven, zonder vooraf de gevolgen van hetgeen wij zeggen of doen zullen, naauwkeurig te hebben overwogen.--3o. Wij moeten elke zaak van hare beide zijden beschouwen. Wordt, b. v., iets goeds van iemand verhaald, wordt een geschrift als een voortreffelijk werk geprezen, dan behooren wij ons te verheugen, dewijl wij iets goeds hebben vernomen, zonder het daarom onvoorwaardelijk te gelooven; wij behooren het eerst dan als waar aan te nemen, wanneer de persoon of het boek ons een genoegzaam belang inboezemde, zoodat wij ons geneigd gevoelden door eigen onderzoek ons van de waarheid van het gezegde te overtuigen. Wordt echter iets kwaads van iemand verhaald, of wordt een geschrift als slecht en verderfelijk veroordeeld, dan moeten wij zulks niet gelooven, wij moeten eerst de verdediging van den beschuldigden persoon hooren, wij moeten het geschrift eerst lezen en dan besluiten.--4o. Wij moeten alle onvoorwaardelijk of blind geloof verwerpen, als zijnde zulks den redelijken mensch onwaardig. Wij moeten geene voorschriften en leerstellingen, onverschillig of zij gezegd worden te moeten doorgaan als goddelijke openbaring of niet, aannemen en opvolgen, indien zij niet vooraf, onder het voorzitterschap van het gezond verstand, zijn onderworpen geworden aan de vuurproef der natuurwet; komen zij ons, na dit onderzoek, redelijk, dat wil zeggen, begrijpelijk voor en in overeenstemming met de wetten der natuur, eerst dan moeten wij er geloof aan hechten, ze als waar aannemen en opvolgen.--Die deze vier grondregelen niet tot rigtsnoer zijner handelingen neemt, zal zijn gansche leven door een dwaas blijven, die aan den leiband zal loopen van ieder, die meer verstand heeft of sluwer is dan hij.

Niet alle menschen bereiken een gelijken graad van volkomenheid, wat betreft hunne ligchamelijke en geestelijke ontwikkeling. Terwijl vele menschen dom voortleven en sterven, verheft zich bij anderen de kennis van het ware en schoone tot geestdrift; terwijl eenige menschen den tijd in eene logge rust doorbrengen, gevoelen anderen zich voortdurend aangespoord tot werkzaamheid; terwijl velen de uitgebreidste kennis, die zij bezitten, zelfs bij de beste bedoelingen, welke hen bezielen, niet kunnen mededeelen, hebben anderen de gaaf verkregen hetgeen zij weten zoodanig in te kleeden en voor te dragen, dat het snel den weg naar het hart der menschen vindt. De mededeelingen, door dergelijke begaafde personen gedaan, hetzij deze mondeling of in geschrifte geschieden, moeten wij in eere houden--onderzoeken en--indien zij blijken proefhoudend te zijn, als waarheid aannemen en opvolgen.

Gij begaafden echter, die vermeent waarheden te hebben ontdekt, welke andere menschen niet algemeen genoeg kennen; zoo mede gij die door meerdere ervaring of door eene betere opvoeding meer kennis hebt vergaderd dan andere menschen, gij zijt verpligt van het uwe aan anderen mede te deelen. Dit is eene zedelijke wet, welke Jezus van Nazareth reeds voor meer dan 1800 jaren voor waar erkende en leerde, toen hij sprak: "Laat uw licht schijnen voor de menschen, opdat zij uwe goede werken zien en uwen vader, die in de hemelen is, verheerlijken."

De redelijke geest, welke de mensch bezit, verheft hem boven alle dieren, doet hem op God gelijken. Nevens de zorg, welke wij voor ons ligchaam behooren te dragen, moeten wij derhalve er naar streven om onzen geest met kennis te verrijken en trachten om wetenschappelijke ontwikkeling onder alle standen der maatschappij te bevorderen. Wij behooren zorg te dragen, dat die wetenschappen, welke ons tot zekere (positive) kennis brengen, de natuurwetenschappen, na voorafgaande beoefening der taal- en wiskunde, benevens de geschiedenis der menschheid, bij voorkeur in alle scholen worden onderwezen en dat elke burger van den staat door de uit zijne godsdienst afgeleide wet verpligt zij, zich bekend te maken met den hoofdinhoud van de verschillende takken der natuurwetenschappen, opdat hij in de inrigting van het zonnestelsel even zeer als in de organen van het menschelijk ligchaam, gelijk mede in het planten- en dierenrijk de doelmatigheid van alle gemaakte inrigtingen leere bewonderen en daaruit de wijsheid en goedheid des Scheppers in zijne werken leere kennen. De eigenlijke natuuronderzoekers echter--de mineraloog, botanicus, zoöloog, de ontleedkundige, physioloog, geoloog, scheikundige, physicus, meteoroloog en de sterrekundige--zouden het niet beneden hunne waardigheid behooren te achten, met allen ijver er naar te streven om hunne wetenschap in eene steeds eenvoudiger en meer algemeen verstaanbaar wordende taal te verklaren en meer of minder volledige en grondig behandelde opstellen daaromtrent te leveren, op zulk eene leest geschoeid, dat zij onder het begrip vallen van de verschillende meer of min beschaafde klassen der maatschappij;--hierbij zou steeds het oog moeten worden gehouden op de voornaamste uitkomsten door het natuuronderzoek verkregen, met aanwijzing van het nut, 't welk uit de toepassing er van in het praktisch leven zij te trekken, opdat ook de minder ontwikkelden, de handwerksman en de daglooner, den weldadigen invloed der verlichting zouden gevoelen en niet langer, tot nadeel der meer verstandigen, bijgeloof en dwaalbegrippen zouden aankleven. Voor de verspreiding van dergelijke werken, zoo veel slechts immer mogelijk verrijkt met afbeeldingen ter opheldering der behandelde onderwerpen, behoorde de staat zorg te dragen.

Gelijk elke wetenschap en elke tak van wetenschap zijne geestdriftvolle beoefenaars heeft gevonden, die meer dan anderen geschikt waren om den bloei er van te bevorderen, ditzelfde is insgelijks het geval geweest op het gebied der godsdienst en zedeleer. Abraham, die voor meer dan 3800 jaren, Mozes, die 400 jaren later in Egypte en Syrië, Zoroaster, die voor ongeveer 2700 jaren in noordoostelijk Persië en Gautama (Boedha), die voor 2400 jaren in Indië, zoo mede Kong foe tse, die slechts 100 jaren na dezen in China predikte, waren mannen die met geestdrift dit gebied van kennis hebben bewandeld, evenzeer als Jezus van Nazareth, die vóór 1830 jaren onder de Joden en Mohammed, die vóór 1240 jaren onder zijne landslieden in Arabië optrad en hen leerde. Vele andere minder algemeen beroemd gewordene mannen zijn na hen gekomen. Hetgeen van de leer dezer vroegste godsdienst- en zedeleeraren tot op ons is overgekomen, zult gij met vrucht lezen, indien gij den inhoud der vroeger medegedeelde, tot leiddraad strekkende grondstellingen niet uit het oog verliest en het kaf van het koorn weet te onderscheiden. Indien gij daartoe in staat zijt, zult gij zelfs in de oudste godsdienstige geschriften, even als in den bijbel, menige goede zedeles en voortreffelijke leefregelen vinden, die gij met voordeel kunt opvolgen. Jezus van Nazareth beval boven alles luide en schoon aan het betrachten der menschenliefde en hij ijverde tegen de schijnheiligheid der toenmalige priesters. Gij kunt deze leer met vrucht toepassen op de hedendaagsche priesters. Nadeelig echter is het voor uwe vorming, indien gij geen ander boek leest dan den bijbel; op die wijze wordt gij eenzijdig van oordeel, bijgeloovig, onverdraagzaam, schijnheilig-vroom, gij verliest zelfs den goeden smaak en in het gezellige leven wordt gij voor anderen onuitstaanbaar.--Is dan de wereld, sedert Jezus zijne leer verkondigde, niet meer dan 1800 jaren ouder geworden? Bevat deze achttien honderd jaren lange geschiedenis van het menschelijke geslacht niet vele gewigtige lessen en ervaringen? Is de beschaving der menschheid sedert dien tijd niet vooruitgegaan en heeft het onderzoek der natuur niet tot ontdekkingen geleid, zijn niet waarheden aan het licht gebragt, waarvan destijds nog niemand zich eenig denkbeeld kon maken? En wat is nu het geval; van al deze uitkomsten en vruchten der nasporing, der beschaving en der gansche 1800 jaren lange geschiedenis vindt men in den bijbel niets.--Maar ook niet alle godsdienstleeraren, welke in verschillende tijden zijn opgetreden, of die nog heden bij duizenden leven, zijn mannen door de waarheid met geestdrift vervuld. De leer, welke velen belijden, wijkt zoodanig af van alle natuurwetten, zij druischt zoo zeer in tegen het gezond verstand, dat de verkondigers van dergelijke leerstellingen niet anders kunnen zijn dan a. dweepers, dat wil zeggen, kranken naar het gemoed en den geest, of b. bedriegers; meestal gaan zij aan beide kwalen te gelijk mank: of wel zij pleegden bij hun optreden reeds bedrog en de opgang, dien zij maakten, vervoerde hen tot geestdrijverij, of zij waren aanvankelijk dweepers, die zich later tot het plegen van bedrog lieten overhalen. Tot de eerstgenoemde soort behoorde onder anderen Joe Smith, de profeet der Mormonen.--Leest gij nu geen ander boek dan dien eenen bijbel en zwelgt gij buitendien nog met volle teugen fanatiek-narcotische dranken in, zoo als, bij voorbeeld: "de Opstanding der dooden, het Boek der toekomst, het Brood des levens, de Kruisiging, de Christusregering voltooid, het Visioen der opstanding, de Verschijning aan meer dan vijf honderd, de Slaande engel!" enz., enz.,--niets dan heldendichten, ingegeven door eene koortsachtige phantasie, die zich van alle banden heeft ontslagen, dan ontvlamt het koude vuur der dweepzucht in uwen boezem en uwe ziel verdroogt gelijk eene mummie, gelijk het groene veld, waarover de sirocco waait, door den droogen adem "van het woord," dat gij eeuwiglijk en eeuwiglijk op nieuw op denzelfden oudjoodschen Prophetentoon verneemt;--gij zijt dan gelijk een schaap op de dorre heide; een booze geest, die u aan den leidband heeft gebonden en u tot zijn doel wil gebruiken, voert u gedurig rond in een kring en--aan alle kanten ligt de schoonste groene weide! namelijk, de schepping, de levende openbaring Gods, maar waarin gij o, arme schapen! nimmer zult grazen, indien een goede geest zich niet over u erbarmt en u haalt uit den kring op de dorre heide.--Ik zal u eenige der goede geesten opnoemen en raad u aan hunne geschriften te lezen; daarin zult gij zekere waarheden vinden, welke nuttig voor u zijn, u zullen verkwikken en die op elke bladzijde de hoedanigheden van den algoeden Schepper der natuur uit zijne werken verkondigen. Algemeen verstaanbare geschriften in onze taal zijn onder anderen de volgende.--De volmaaktheden van den Schepper in zijne schepselen beschouwd, ter verheffing van God en tot bevordering van nuttige natuurkennis. Nieuw bewerkt door F. Kaiser, C. I. Matthes, J. van der Hoeven, H. C. van Hall en E. A. Beima. 1849-1852.--F. Kaiser, de sterrehemel. 1853.--F. Kaiser, populair sterrekundig jaarboek voor 1854.--Album der Natuur, een werk ter verspreiding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei stand. 1852-1853.--Practische Volksalmanak of jaarboekje ter verspreiding van kennis der toegepaste wetenschappen onder allerlei standen der Maatschappij. 1854--P. van der Burg, eerste grondbeginselen der natuurkunde. 1853.--D. Lubach, eerste grondbeginselen der natuurkunde van den mensch (over het zamenstel des menschelijken ligchaams en de verrigtingen van zijne deelen). 1853.--C. I. Matthes, de lucht en de verschijnselen van onzen dampkring.--Handleiding tot de kennis der natuur; schoolboek; uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. 1851; benevens vele andere natuurkundige werken door diezelfde Maatschappij uitgegeven, bij voorbeeld, Volks wis- en werktuigkundig lees- en leerboek, Volks-meetkunde, Volks-scheikunde, het kind in zijne eerste levensjaren, enz.--P. Harting, de magt van het kleine, zigtbaar in de vorming van onze aarde. Utrecht, 1849.--Sommer, beschrijving van 't Heelal.--M. I. Schleiden, populaire voorlezingen over de plant en haar leven. Amsterdam, 1853.--Sporen van de natuurlijke Geschiedenis der Schepping. Uit het engelsch door van den Broek, met een voorwoord van G. I. Mulder. Utrecht, 1849.--J. L. de Bruijn Kops, Beginselen der Staathuishoudkunde. Leiden, 1850.--F. W. Hoffmann, overzigt der Algemeene Aardkunde, een leer- en leesboek voor alle standen. 1853. Buitendien bestaan er nog vele andere populaire, bevattelijk geschreven werken over de natuurwetenschappen, die elk geleerde, ieder in zijn vak, den onderzoeklievende gaarne zal opgeven. Leest die; zij zijn door goede geesten geschreven.

Andere menschenvrienden leidden uit de geschiedenis en hunne eigene ervaring lessen van levenswijsheid af, en verzamelden zedespreuken, die zij in verschillende werken mededeelden. Ook dergelijke geschriften moeten wij in eere houden en hunnen inhoud in ons geheugen prenten. Ik zal uwe aandacht hier slechts op een derzelven bij uitnemendheid vestigen. Leest Benjamin Francklin's "spreekwoorden van den ouden Hendrik of de Wijsheid van den goeden Richard," die onder anderen in onze taal zijn uitgegeven als "Leerrijke keur uit B. Francklin's zedekundige schriften. Uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen" (1843. Amsterdam), een boek, hetwelk in weinige bladzijden een schat van waarheid en levenswijsheid bevat.

De beste en onuitputtelijke bron van wijsheid echter voor iedereen is zijn eigene geest en de levende schepping, die hem omringt en waarmede hij door middel zijner vijf zinnen in betrekking staat. Indien wij de vier eerste onzer algemeene grondstellingen aan het stuurrad plaatsen en de natuur gadeslaan met den mensch, die zich daarin rondom ons beweegt, dan zullen wij in korten tijd in staat zijn zelven de regelen vast te stellen, die wij op ons levenspad, in den omgang met andere menschen moeten opvolgen, ten einde ons voor struikelen te behoeden, ja, bij dit onderzoek kunnen vele dieren der wildernis ons leeren en ons beschamen, indien wij zondigden tegen de voorschriften der spaarzaamheid, der matigheid, der voorzigtigheid, der werkzaamheid en der vlijt, of indien het mogt gebeurd zijn, dat eene moeder de liefde jegens haar jong geboren kind uit het oog verloor.

De roeping der priesters echter moet deze zijn: het ware, het schoone, dat de gezamenlijke krachten van alle menschen op het vereenigd gebied der natuurwetenschappen door onderzoek hebben ontdekt, den volke mede te deelen, op eene wijze, die voor ieder verstaanbaar is en daarbij zoowel in de onderdeelen als in het groote geheel de heerlijkheid des Scheppers aan te toonen; vervolgens te verklaren hoe in al het geschapene, in de verschijnselen en in de wetten der natuur, de hoedanigheden Gods--zijne oneindige wijsheid en goedheid--doorblinken, en hieruit af te leiden de deugden, naar welker bezit wij moeten streven, de zedelijke wet, die wij behooren op te volgen.--De levende natuur in al hare deelen, de geschiedenis der menschheid in al hare verschillende tijdperken, zijn zoo onuitputbaar rijk in bouwstoffen van dezen aard, dat een priester, die dagelijks twee voorbeelden er van wilde uitkiezen, om ze tot tekst voor zijne leerrede, als onderwerp zijner voordragt te bezigen, gelijk zulks thans met één per week het geval is, niet zou behoeven te vreezen, dat de stof zou worden uitgeput, al werd hij 500 jaar oud!