Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 11

Chapter 113,613 wordsPublic domain

Al hetgeen in de natuur aanwezig is, staat met elkander in het innigste harmonische verband. Hoe naauwkeuriger wij de verschijnselen onderzoeken, des te eenvoudiger worden zij en laten zij zich tot een steeds geringer wordend tal van krachten terugbrengen, die, gelijk de electrieke en magnetische kracht, ja, misschien het licht en de warmte daar onder begrepen, insgelijks weder zamenloopen in eene eeuwige, alom verbreide kracht.--In het uitspansel draaijen kleinere om grootere wereldbollen en deze grooteren om nog grooteren, maar ook deze grootsten kan men zich niet voorstellen als stil of in rust staande; ook zij moeten zich wederom draaijen om nog grootere bollen, - - - er moet een allereerst of allerlaatst middelpunt zijn, waarom alles zich wentelt en zich beweegt.--De opgaande zon doet dagelijks duizenden van werkingen ontstaan in het luchtruim, op de oppervlakte der aarde, in het dieren- en plantenrijk, welke toch allen gezamenlijk slechts kinderen zijn van een eenige oorzaak: der op de aarde vallende lichtstraal.--Alle planten en dieren zijn geschapen naar eene gelijkvormige type, naar een plan, dat de gansche schepping door is gevolgd. Ja, door alle tijdperken der aardvorming, door alle op elkander gevolgde, onderscheidene formatiën kan men, in de fossile fauna's, en flora's, aanvangende met het overgangsgebergte en voortgaande tot aan de hedendaagsche schepping, dezelfde harmonische wet naspeuren. Een alles omvattend plan van ontwikkeling is zigtbaar in al de onderscheidene plant- en diervormingen, waarvan de eene uit de andere is voortgesproten, totdat de mensch, het toppunt van al het bewerktuigde, in wiens ligchaam al die honderd duizend andere of vroegere uitgaven van die type tot een meer volkomen geheel zijn vereenigd, bezield met een vonkje van het goddelijke licht, op het tooneel trad.--De overeenkomst in geestelijken aanleg van alle menschen, de overeenstemming, welke wordt opgemerkt in de eigenschappen huns gemoeds, zij wijzen ons op eene oorzaak. Er bestaat slechts Eene grondoorzaak van alle dingen, slechts Een ondeelbare God.

10.

Dewijl God de grondoorzaak van al het bestaande is, de maker der oneindige schepping,--dewijl hij eenig is, kan zonder hem niets ontstaan, kan zonder hem niets zijn, niets worden. God is almagtig.

11.

Alle dingen in de natuur, die wij met behulp onzer zintuigen waarnemen, dragen den stempel eener zoo doelmatige innerlijke inrigting, dat hun voortbestaan verzekerd is gedurende tijdperken, wier duur onze verbeeldingskracht niet in staat is te bevatten. Reeds bij het onderzoeken van onzen aardbol en van zijne gebergten kunnen wij millioenen van jaren terugtreden, zonder ooit de teekenen van steeds voortgaande ontwikkeling uit het oog verloren te zien gaan en zonder iets te ontdekken, dat grond geeft om te zeggen: hier staan wij aan den aanvang der dingen.--In de hemelsche spheren bewegen zich, naar onveranderlijke op de zwaartekracht berustende wetten, trawanten om planeten, planeten om zonnen en daar tusschen liggen de loopbanen van kometen, onder welke er gevonden worden, waarvan een enkele omloop 1500, ja, 3000 jaren vordert. De zonnen bewegen zich op hare beurt rondom centraalzonnen, welke toch evenmin als de anderen stil staan kunnen, maar weder om andere hemelligchamen of zwaartepunten moeten draaijen. Zij staan echter op zulk een verbazenden afstand van onze aarde, dat zij zich aan ons oog slechts voordoen als kleine lichtende punten (vaste sterren), die gedurende den loop van een jaar deels volstrekt niet van plaats veranderen, denzelfden stand ten opzigte van andere naburige sterren behouden, deels slechts eenige weinige seconden in den boog voorwaarts gaan. Millioenen van jaren moeten gevorderd worden, alvorens dergelijke sterren eenen enkelen kring om hare centraalster kunnen beschrijven; en wie zou durven beweren, dat zij in het wezen zijn geroepen om hare baan slechts eenmaal en niet millioenen malen af te leggen?--Waar ons ongewapend oog aan den hemel niets meer zag dan blaauwe lucht, daar ontdekten wij, met behulp van telescopen, nog sterren en nevelvlekken en ter plaatste waar ons oog, met deze telescopen gewapend, niets dan eene ledige ruimte scheen te zien, ontdekten andere waarnemers met hunne reusachtige telescopen, nog verder van ons verwijderde nevelvlekken en sterregroepen, welke zich op zulk een verbazenden afstand van onze aarde bevinden, dat het licht, hetwelk van de 20 millioen mijlen van ons verwijderde zon toch binnen den tijd van 8 minuten tot ons komt, honderd duizenden van jaren noodig heeft om van daar onze aarde te bereiken. Wij zouden, deze verwijderde hemelligchamen derhalve thans niet kunnen zien, indien zij niet reeds voor honderd duizenden van jaren aanwezig waren geweest.--Even grenzenloos als ons de uitgestrektheid der ruimte aan den hemel toeschijnt, zoo grenzenloos doet zich insgelijks de verdeelbaarheid van de ruimte vullende stof in kleinere deelen voor, die wij zoo fijn niet kunnen verdeelen om--zelfs met de sterkste vergrootingswerktuigen--de kleinste, de oorspronkelijke deeltjes, de atomen waar te nemen. Indien wij in de schepping noch aanvang, noch grenzen kunnen ontdekken, geen einde daarvan kunnen bedenken, moet hij, die de schepping in het aanwezen heeft geroepen, zonder aanvang, zonder einde--oneindig, eeuwig, onvergankelijk zijn.

12.

Maar een geest, die eenig, almagtig, zonder begin en einde, dat wil zeggen, eeuwig is, de maker van al dat aanzijn heeft, moet ook alom tegenwoordig zijn en voor hem kan niets verborgen wezen. God is alom tegenwoordig en alwetend.

13.

Wanneer wij de wijze gadeslaan, waarop de natuur voor de instandhouding zorg draagt, zoowel van de afzonderlijke wezens, als van de soorten (waartoe deze behooren), is de bewondering, welke ons vervult, niet geringer dan die de harmonie van het geheel ons inboezemde,--de band, welke alle dingen in de natuur verbindt, het een van het andere afhankelijk maakt of met duizend andere dingen in betrekking stelt. Wij weten niet wat meer onze verbazing moet wekken, de eenvoudigheid der middelen, waardoor de menigvuldigste gevolgen te weeg gebragt worden, of de doelmatigheid van alle inrigtingen, die wij ontwaren, en die de voortdurende instandhouding van al het bestaande ten doel hebben.--Elk orgaan van een levend schepsel, elk afzonderlijk wezen, elke soort is zoodanig ingerigt en zoowel met de andere organen, afzonderlijke wezens en soorten, als met alle andere deelen van het geschapene in verband gebragt, dat het doel, dat is, de instandhouding der soort door levensgenot van elk afzonderlijk wezen, volkomen wordt bereikt. Dezelfde doelmatigheid, welke de ontleedkundige en physioloog bewondert bij de beschouwing van den inwendigen bouw van het menschelijk en dierlijk ligchaam, zoo mede van de wederkeerig op elkander invloed uitoefenende verrigtingen der verschillende organen, diezelfde doelmatigheid vindt de sterrekundige in de hemelsche spheren; ja, de feiten, welke opgeteld kunnen worden om de wet der doelmatigheid in de schepping aan te toonen, zijn even talloos als de dingen in de natuur, even onuitputtelijk als de natuur zelve, want elk plantje, elk wormpje, elk vogeltje, gelijk de mensch en elk deel, elk orgaan des menschen levert daartoe de menigvuldigste bewijzen. Ten einde de waarheid hiervan aan te toonen, zullen wij slechts een paar voorbeelden aanhalen uit de vele duizenden, die daarvan voorhanden zijn.

In het planetenstelsel bewegen zich de vaste (digte) hemelligchamen, de planeten, in bijna kringvormige ellipsen en op zoodanige afstanden van elkander om de zon, en in de ligging harer banen wordt zoo groote overeenstemming waargenomen (het vlak, waarin zij zich elk afzonderlijk bewegen, helt niet te zeer naar dat van anderen), dat eene botsing dier ligchamen onderling niet mogelijk is.--De kometen echter bewegen zich in zoodanig in de lengte uitgestrekte parabolische ellipsen, zij doorkruisen het planetenstelsel in zoo vele verschillende, ja, in alle mogelijke rigtingen, dat zij de planetenbanen doorsnijden kunnen, of gelijk het geval was met de Bilasche komeet ten opzigte van den loopbaan der aarde, die zeer nabij kunnen komen. Dewijl nu het aantal kometen zoo groot is, dat nog voortdurend nieuwen zigtbaar worden, die men vroeger nimmer had gezien, zoo behoort eene botsing eener komeet met de aarde of met eene andere planeet niet tot de onmogelijkheden. Velen zijn van eene buitengewone grootte.--Welk eene vreesselijke gebeurtenis zou het zijn, indien eene dergelijke botsing plaats greep! welke de vernieling van een der beide, welligt van beide hemelligchamen onvermijdelijk ten gevolge zou hebben,--namelijk, indien de komeet een digt, hard ligchaam ware gelijk onze aarde. Maar daarvoor is zorg gedragen; want juist deze kometen, welke de ruimte, besloten tusschen de zon en de banen der om de zon draaijende planeten, in zoo vele verschillende rigtingen doorsnijden, zoodat eene botsing met een derzelven plaats hebben kan, zijn de minst gevaarlijken van alle hemelligchamen! De massa, waaruit zij bestaan, verzwakt en breekt zelfs niet het licht eener daar achter staande ster, is nog dunner dan de dunste lucht, zoodat wij ons te midden van den staart of de kern eener komeet zouden kunnen bevinden, zonder zulks in het minst te kunnen bespeuren.--Nog duidelijker bewijs voor de wet der doelmatigheid zien wij in die inrigting van het planetenstelsel, welke de massa der hemelligchamen in verhouding tot hunne afstanden en den tijd van omloop zoodanig regelde, dat hare storingen (perturbatien), dat wil zeggen, de afwijkingen die zij, ten gevolge der wederkeerige aantrekking, van de ware elliptische loopbaan maken, zich van zelf weder moeten herstellen. Dit is gebleken uit de onderzoekingen van Laplace, die de analyse van het oneindige (waarvan Newton en Leibnitz het eerst de regelen hebben vastgesteld) toepaste op de storingen der beide planeten, die het grootst van massa zijn, namelijk, Jupiter en Saturnus. Deze, op zich zelf beschouwd, geringe storingen, nemen in den loop der eeuwen steeds toe en zouden eindelijk, indien zij, gelijk Newton geloofde, voortdurend grooter werden, op eene onfeilbare wijze de vernietiging der genoemde hemelligchamen, ja, van het gansche planetenstelsel ten gevolge hebben, of wel "de scheppende almagt moest door buitengewone maatregelen de begane fout verbeteren." Later echter bleek het uit de analyse, dat de scheppende almagt haar werk van den aanvang af zoodanig had ingerigt, dat er niets aan veranderd behoefde te worden en dat die storingen (de veranderingen der groote assen, derhalve de gemiddelde afstand dier planeten van de zon) niets anders zijn dan slingeringen binnen bepaalde grenzen, dat echter het totaal der seculaire veranderingen van de groote assen gelijk nul is, zoodat het instandblijven dezer hemelligchamen voor eeuwig verzekerd schijnt.

De doelmatigheid, waarmede het dierlijke en menschelijke ligchaam in al zijne deelen en organen is zamengesteld, wekt onze hoogste bewondering. B. v. De armslagader (arteria brachialis) splitst zich, aan de buiging van den elleboog, in twee hoofdtakken: in de spaakbeen- en ellepijpslagader (a. radialis & ulnaris). Zij ligt zeer oppervlakkig en kan--ook bij aderlatingen--ligtelijk gekwetst worden. Ver boven het punt van verdeeling zet zij echter dieper liggende neventakken af, die zich met terugloopende vertakkingen van de spaakbeen- en ellepijpslagader vereenigen. Het nut van dergelijk zamenstel loopt niet terstond in het oog. Heeft er echter eene kwetsing van den hoofdtak, der brachialslagader, plaats of ontstaat er een slagadergezwel (aneurysma), waardoor het onderbinden van den hoofdstam gebiedend wordt gevorderd, ten einde eene doodelijke bloedstorting te verhoeden, dan komt de bestemming dier zij- of neventakken in het helderste licht! Want waren zij niet aanwezig, dan zou de gansche benedenarm verloren zijn en ten gevolge van gemis aan bloedstoevoer moeten versterven,--nu echter heeft er eene langzame verwijding dier neventakken plaats, de toevoer van bloed naar de spaakbeen- en ellepijpslagader geschiedt nu door middel der neventakken, die derhalve den voormaligen hoofdtak vervangen en de arm kan behouden blijven.

Deze bewonderenswaardige doelmatigheid, die wij in de gansche schepping, zoowel in het groote geheel als in elk afzonderlijk deel er van ontwaren, getuigt van een goed geordend, diep doordacht plan; zij bewijst, dat het verstand van het wezen, hetwelk deze schepping in het aanzijn riep, den hoogst mogelijken graad van volkomenheid heeft bereikt, zij bevestigt de Alwijsheid Gods.

14.

Wanneer wij ons eigen ligchaam beschouwen en onzen onderzoekenden blik in de overige ruimte der schepping werpen, dan ontwaren wij, dat alle levende wezens zoodanig zijn geformeerd, dat het aanzijn hun genoegen, geluk verschaft. Wanneer wij spijs en drank nuttigen, waarvan de instandhouding van het menschelijk leven afhangt, dan genieten wij. Aan elke andere natuurlijke verrigting onzes ligchaams is het behagelijke gevoel van genot verbonden. Ziekte kan stoornis te weeg brengen in deze wet, maar het tal dergenen, dat gezond is, 't welk geniet, is oneindig grooter dan dat der zieken en lijdenden. Het herstel der gezondheid, het ophouden der ellende is een nieuw genot. Het kontrast toch, dat tusschen een smartelijk en een aangenaam gevoel bestaat, verhoogt het genot van het laatstgenoemde. Om die reden genieten de armen dikwijls meer dan de rijken, die in overvloed leven.--Wanneer wij, door inspanning uitgeput en door dorst gekweld, ons door middel van een koel bad verfrisschen of met een koelen drank laven, dan genieten wij; wanneer wij, vermoeid zijnde, ons op onze legerstede nederleggen, dan genieten wij, terwijl wij uitrusten of inslapen. En wanneer wij gesterkt weder ontwaken en de gansche schepping als op nieuw geschapen ons tegenlacht, dan genieten wij. Elk dier, ja, zelfs het kleinste wormpje, naar gelang van zijnen aard en zijne bewerktuiging, verheugt zich in zijn aanwezen, het geniet. De kikvorsch, die gedurende een warmen zomeravond in het water kwaakt, geniet; de nachtegaal ondervindt genot, wanneer hij in de takken van het geboomte zit en zingt, en gij, die hem hoort, gij luistert met verrukking naar den zilverklank zijner stem en geniet. De vogel, die zijne jongen voedert, het hondje, dat zijne kleinen zoogt, geniet en de moeder, die haren jeugdigen lieveling toelacht en op haren schoot wiegt, ondervindt het zaligste genot.

God schonk den mensch de heerschappij over al het gedierte en gaf aan zijn ligchaam schoonheid van vormen, waarvan de aanblik insgelijks genot verschaft. Ter voortplanting der soort koos Hij de scheiding des geslachts en verbond aan de zinnelijke drift, welker bevrediging aan het dier slechts eene aangename gewaarwording verschaft, in den mensch den band der vriendschap en der trouw. Daardoor, schonk hij aan de stervelingen het edelste genot: de liefde. Wij kunnen den blaauwen hemel niet aanschouwen, ons oog kan niet weiden over de groene beemden, over de bergen met hunne watervallen, rotsen en wouden, zonder te genieten, ja, wij weten niet aan welke der vele duizende van bloemen, die wij in den tuin, in het woud en op het veld aantreffen, wij de voorkeur zullen geven, allen vinden wij ze schoon, het aanschouwen er van geeft ons genot. Veel zeldzamer komt ons iets onder de oogen, hetwelk wij leelijk vinden of dat ons afschuw inboezemt. De overgroote meerderheid der dingen in de natuur is in harmonie met ons schoonheidsgevoel, hetwelk de Schepper zoodanig heeft ingerigt, dat het beschouwen der natuur ons genot verschaft.

En nog edeler, onbaatzuchtiger in haren aard is de vreugde, welke de beschaafde mensch zich bereidt, wanneer hij de goddelijke vonk, die in hem is gelegd, voedsel geeft, wanneer hij zijn verstandsvermogen aankweekt en oefent;--de dichter verheugt zich, wanneer het hem mogt gelukken, zulke toonen aan zijne citer te ontlokken, die, het schoone en ware bezingende, duizende harten roeren;--de sterrekundige gevoelt, dat de triomf der wetenschap zijn boezem doorgloeit, wanneer de komeet wordt gezien, welker verschijning vooraf door hem is aangekondigd of de planeet ontdekt wordt, waarvan hij door berekening de standplaats aan het hemelgewelf heeft aangewezen;--de geoloog, die licht verspreidt over de donkerste ruimten der aarde, ja, die het gansche ontwikkelingsverhaal des aardbols in het binnenste der gebergten leest,--gelijk mede de scheikundige, die een ligchaam in zijne bestanddeelen ontbindt, hetwelk vroeger steeds als enkelvoudig werd beschouwd, of die aantoont, dat twee ligchamen op gelijke wijze zijn zamengesteld, hoewel zij uiterlijk zeer verschillend van elkander zijn, zij ondervinden genot, even als de physicus, die de identiteit der electrieke en magnetische kracht het eerst door proefnemingen aantoonde, of die de wet ontdekte, welke het hemelgewelf zweven en draaijen doet, welke planeten aan zonnen, en zonnen aan zonnen verbindt; - - ja, zelfs den oogenblik zijns verscheidens van deze aarde maakte de Schepper den mensch gemakkelijk,--want die mensch, die goed en regtvaardig was, draagt het bewustzijn met zich zijnen pligt te hebben vervuld en geeft zich op zijn sterfbed vol vertrouwen over aan den eeuwigen bestuurder der natuur, want van Hem toch alleen kan het licht, dat zijn aardsch omkleedsel zoo lang bezielde en het nu dreigt te verlaten, herkomstig wezen,--het ligchamelijk gevoel wordt bij het sterven meer verstompt, alle smarten verminderen, maar des te levendiger ontwaakt de zielehoop in zijn binnenste, en deze hoop wordt hem in zijn stervensuur nog tot genot.

Waarheen wij onze blikken wenden, overal zien wij, dat alle levende wezens, met den mensch aan het hoofd, bestemd zijn tot genot, zoowel ligchamelijk als geestelijk genot. God is goed; uit alle deelen der schepping, boven en beneden ons, van verre en van nabij, straalt ons de goddelijke liefde te gemoet.

15.

Goed te zijn, zonder tevens regtvaardig te wezen, kan men van een alwijs, alwetend en alomtegenwoordig wezen onmogelijk aannemen. Wij, beperkte menschen, kunnen goed zijn jegens dezen, terwijl wij daardoor tevens eene onregtvaardigheid begaan jegens genen. Schijnt het nu, dat zoodanig iets menigwerf het geval is of geweest is in het leven der menschen en in de geschiedenis, wij moeten gelooven, dat zulks met enkelen of tijdelijk het geval was of ons slechts zoodanig toescheen, dat zulks echter in het algemeen en op eene uitgebreide schaal niet zijn kan en dat het ons in enkele gevallen alléén om die reden zoo toescheen, dewijl wij de wet, waarnaar de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zich regelt, nog niet konden doorgronden. In de schepping echter erlangt het eene door het andere zijne volkomenheid, en alle deelen van het groote heelal staan wederkeerig tot elkander in betrekking. Gebeurt het nu, dat een goed, regtschapen mensch, na zijn leven in kommer en ellende doorgebragt te hebben, van deze wereld scheidt met het bewustzijn het goede te hebben gewild, met een onwankelbaar vertrouwen op zich zelven en met het vaste geloof, dat de geest, welke zijn ligchaam van den aanvang bezielde, slechts een straal van het eeuwige licht is,--hoe durven wij ons dan vermeten om te zeggen, dat God eene onregtvaardigheid jegens dien mensch beging? Hoe kunnen wij weten, waartoe hij uitverkoren was? Wij zijn slechts schakels eener keten en een ieder van ons heeft zijne roeping!--En zien wij niet in de meeste gevallen, dat de goede beloond, de booze gestraft wordt door 's menschen hand? Draagt de heimelijke booswicht zijne straf niet in zijn boezem met zich? foltert hem niet de geheimzinnige innerlijke stem, die hij nimmer geheel het zwijgen kan opleggen, het geweten, dat vroeger of later ontwaakt, ja, hem menigwerf nog in zijn stervensuur tot bekentenis der gepleegde misdaden brengt?--Het geloof staat derhalve bij ons onwrikbaar vast: dat, dewijl de gansche schepping luide Gods algoedheid verkondigt, God ook regtvaardig is.

16.

Elk voorwerp in de natuur is, hetgeen het schijnt te zijn. [9] De zon bedriegt ons niet, wanneer zij des morgens opgaat; zij verspreidt licht en warmte, gelijk zij voormaals deed. De spijs, die wij nuttigen verkwikt ons, de koele drank laaft ons, gelijk wij zulks verwachten.--Alle verschijnselen in de natuur keeren regelmatig weder en de bewegingen der hemelligchamen herhalen zich met nimmer falende zekerheid. De maan draait zoo regelmatig om de aarde, de aarde om de zon, dat wij de standplaats dezer drie hemelligchamen, zoo mede van alle andere planeten en trawanten ten opzigte van elkander, voor elken dag, ja, voor elken oogenblik van den dag vele jaren vooruit berekenen en opgeven kunnen. De regelmatige terugkeer van deze en van alle andere verschijnselen wordt door ons natuurwet geheeten en de ervaring heeft ons geleerd, dat sedert duizenden van jaren of, beter gezegd, sedert menschen aanwezig waren om de natuur waar te nemen, geen enkele dezer wetten ons bedrogen,--dat geen wereldligchaam ooit in het geringste van zijne baan afweek en geene enkele minuut vroeger of later kwam, dan de wet eischte. [10] Geen vogeltje verloochende ooit zijnen aard, geen insektje zijn instinct: elke plant begint ter zelfder tijd uit te botten en doet elk jaar weder dezelfde bloemen ontluiken, waarmede zij velden en beemden reeds vóór eeuwen sierde.--De zee rijst bij het vloedgetijde, zakt bij de ebbe en gehoorzaamt zoo onveranderlijk getrouw aan de wetten der zwaartekracht (de aantrekkingskracht der maan), dat voor elke plek des aardbols het uur, waarop dit verschijnsel zal plaats grijpen, vele jaren vooruit met naauwkeurigheid kan berekend worden.--Geen ligchaam daalde ooit uit de lucht naar de aarde, dat ligter was dan de hoeveelheid van deze lucht, welke het verplaatst, en geen ligchaam, 't welk zwaarder was dan zij, rees ooit opwaarts in de lucht; nog nimmer bevroor het water bij eenen geringeren graad van koude dan die van nul graad Réaumur; nimmer verloor de kleiaarde de eigenschap om zich met zwavelzuur te vereenigen en aluin te vormen; ligtelijk wordt goud opgelost in een mengsel van zout- en salpeterzuur; ten allen tijde smolt keukenzout in water,--maar nimmer heeft iemand gezien, dat goud in alcohol werd opgelost of dat water zich met olie verbond. Godgeleerden hebben, wel is waar, aan "wonderen" van deze en dergelijke soort geloof geslagen, maar niemand heeft nog ooit de geringste afwijking van eene natuurwet waargenomen.--Dezelfde fouten en gebreken, die den mensch aankleefden ten tijde van Mozes, zij zijn nog heden zijn erfdeel; maar hetzelfde godsdienstige gevoel, dat onze blikken hemelwaarts trekt en ons heden aanspoort de hoedanigheden van den Schepper des heelals te doorgronden en de zedelijke wet voor ons en ons maatschappelijk leven daar uit af te leiden, datzelfde gevoel bezielde den mensch op gelijke wijze reeds vóór anderhalf duizend jaren.--Werwaarts wij onze blikken wenden, wij zien dat aan den hemel en op aarde alles wat daar is,--in het water, in de lucht, in het planten- en in het dierenrijk, in ons zelven,--bestaat en zich beweegt naar onwankelbaar vaste wetten, die nimmer de geringste afwijking toelaten. Alles keert met onveranderlijke trouw weder terug. God is eeuwiglijk dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig.

17.