Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java

Part 10

Chapter 103,482 wordsPublic domain

God is de Vader. Jezus Christus is Gods eenig geboren Zoon. De Heilige geest is de geest der waarheid, die van den Vader uitgaat. Deze drie Goden, Vader, Zoon en Heilige geest, zijn de eenige waarachtige God en wij moeten hun eene gelijke goddelijke waardigheid toekennen.--Want deze drie zijn een.--Dit begrijpen wij, wel is waar, niet, maar wij moeten ons verheugen, dat wij God dus uit zijn woord tot zaligheid hebben leeren kennen; p. 53 en 54.

God is het eenige volmaakte en allerhoogste wezen, een overal tegenwoordige, alwetende, onveranderlijke en getrouwe, onafhankelijke en almagtige, goedertierende, barmhartige, lankmoedige, heilige, regtvaardige en eeuwige Geest.--Hij onderhoudt en bestuurt alles, ook alle onze daden, door zijne voorzienigheid; p. 54 tot 57.

Behalve de Goddelijke Drieëenheid bestaan nog andere wezens, volkomener dan wij, namelijk goede en booze engelen. De goede engelen zijn voortreffelijke hemelgeesten, ten dienste der geloovigen. Maar de kwade engelen verleiden gaarne de menschen; p. 61.

Wij zijn sedert de ongehoorzaamheid van den eersten mensch Adam ellendige zondaren en worden uit onze ouders verdorven geboren. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen en zoo zijn aan den dood alle menschen onderworpen geworden. Wij zijn van nature ten kwade geneigd en uit het binnenste van ons hart komen voort kwade gedachten.--De zonde is snoode ondankbaarheid tegen God en zal zwaar gestraft worden in een onuitblusschelijk vuur, dat geen einde heeft.--Door de zonde worden wij dus allerellendigst en zouden zonder Gods genade onherstelbaar verloren geweest zijn; p. 61 tot 63.--Want God was boos op ons en toornig.

Maar Gods toorn bedaarde. Want hij is goed en barmhartig en zond ons in zijne goedertierenheid een Zaligmaker, een vlekkeloozen heiligen Verlosser; hij zond ons zijn eenigen Zoon!--Deze heeft door zijn gehoorzaam lijden en sterven de straf onzer zonden gedragen, en door dit lijden en sterven is God nu met ons zondaren verzoend en schenkt ons genade, vergeving der zonden. Gods zoon heeft zich voor ons ten offer gebragt aan den Vader; p. 64 tot 66.

Gods zoon is nu weder in den Hemel, waar hij voor onze belangen bij den Vader zorgt. Hij is onze getrouwe voorspraak bij den Vader. Hij brengt ons in den hemel, en hij is de eenige Zaligmaker, zonder wien wij niet behouden kunnen worden; p. 66 en 68.

Maar die zaligheid zal eerst dan volkomen zijn, wanneer Jezus komen zal, om de dooden op te wekken en het laatste oordeel te houden.--De ure komt, in welke allen, die in de graven liggen, zijne stem zullen hooren en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de Opstanding des levens,--zij zullen zalig gesproken worden en eeuwig bij Christus en al de Heiligen leven, en die het kwade gedaan hebben, zij zullen uitgaan tot de Opstanding der verdoemenis! p. 67.

Om zalig te worden moeten wij in Jezus gelooven, ons bekeeren; wij moeten hartelijk en ootmoedig bekennen, dat hij onze eenige, algenoegzame en vrijwillige Zaligmaker is, op wien wij vertrouwen. Zonder dit geloof is geene zaligheid; p. 69.

Wij moeten ons op Heiligmaking toeleggen en Jezus boven alles, zelfs boven ouders en kinderen, liefhebben; p. 73 en 74.

Wij moeten alle menschen, zelfs onze vijanden liefhebben. Wij moeten het kwaad en de beleediging ons aangedaan, aan onzen naaste altijd gaarne vergeven; p. 74 en 75.

Wij moeten nederig zijn, ons zelven verootmoedigen, onze geringheid en onwaardigheid gevoelen, ons zelven verloochenen en onzen naaste liefhebben gelijk ons zelven; p. 76 tot 79.

Wij moeten veel gebruik maken van het gebed; p. 80.

Wij moeten God dikwerf danken en met volharding bidden, en wanneer wij in Jezus naam bidden, dan zal God onze gebeden verhooren; p. 83.

De Hervormde kerk heeft zich van de Roomsche om derzelver dwalingen afgescheiden; p. 80.

Gij moet u laten doopen om christen te worden.--In den Doop leert en verzekert God ons de afwassching onzer zonden; maar zij alleen worden zalig, die de belofte Gods, in den doop aan hen gedaan, geloovig aannemen; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden; p. 88.--De ontvangen Doop verpligt ons om christen te zijn, zelfs indien wij nog jonge kinderen waren, toen wij gedoopt werden.

Gij moet dikwerf het avondmaal gebruiken.--Want het gebroken brood en de geplengde wijn beteekent en verzekert ons, dat Christus ligchaam gebroken en zijn bloed vergoten is tot vergeving der zonden, p. 90.

Elk der vermelde stellingen had Nacht nader toegelicht door er langere of kortere verklaringen bij te voegen, die ik echter, even als de bijbelplaatsen, welke hij voorlas, onnoodig heb geacht hier mede te deelen. Hoe dienstig toch deze ophelderingen moesten beschouwd worden voor Javasche toehoorders, even overtollig zou eene herhaling er van hier in Nederland zijn, waar elk scholier met deze leer bekend is. Geen enkele maal hadden de Javanen mijn broeder in zijne rede gestoord; allen, zelfs de kinderen, hadden opmerkzaam toegeluisterd; hunne op elkander gelegde handen rustten op hunnen schoot en velen verhieven ze van tijd tot tijd en bragten de vingertoppen eerbiedig aan het voorover gebogen voorhoofd (dat wil zeggen, zij maakten een Sembah), zoo menigwerf de naam Toean Allah (God) werd genoemd.--Nadat Nacht zijne rede had geëindigd, vroeg ik hem of hij mij wilde vergunnen nog eenige woorden er bij te voegen; dit mij bereidwillig toegestaan zijnde, sprak ik de Javanen op de navolgende wijze toe:

Geliefde Javasche Vrienden! Hetgeen mijn broeder Nacht u zoo even heeft voorgedragen, is de leer der Christelijk Hervormde kerk, gelijk zij in Negara-Wolanda (Holland) overal wordt geleerd en gepredikt. Zij steunt op den Heidelbergschen Catechismus, die op zijne beurt den bijbel tot grondslag heeft; ongeveer twee derde gedeelte der bewoners van Holland belijden deze leer. Dewijl echter de bijbel door de onderscheidene geloofsmannen, priesters, op zeer verschillende wijze wordt uitgelegd, is niet slechts de Hervormde kerk in zeer vele sekten verdeeld, maar er bestaat nog eene andere groote hoofdkerk, welke de Katholieke of Roomsch-Katholieke kerk wordt geheeten en deze telt het overige derde gedeelte der bewoners van Nederland tot hare belijders.--Naar de wijsselijk gestelde bepalingen onzer grondwet mag ieder gelooven, hetgeen hij als zoodanig wil aannemen; ditzelfde is ook aan u vergund. Wenscht gij misschien Katholieke Christenen te worden, dan moet gij gelooven: dat in het brood en den wijn bij het avondmaal het werkelijke vleesch en bloed van Jezus wordt genuttigd, die voor meer dan 1800 jaren is gestorven,--dat de Paus (zoo noemen de Katholieken hunnen opperpriester, die te Rome, dat is ver van Holland, woont) de stedehouder Gods op aarde is, wiens uitspraken onfeilbaar zijn en wien gij onvoorwaardelijk moet gehoorzamen, ja, die het regt heeft al uwe zonden te vergeven of te doen vergeven;--gij moet vlijtig ter biecht gaan; vervolgens moet gij geloof hechten aan de wonderdadige kracht der relikiën en de heiligen aanroepen, welke bij God in den hemel uwe voorspraak zijn,--hoofdzakelijk echter moet gij, behalve God den VADER en den Zoon, ook de heilige Maria aanbidden; want zij was de--MOEDER--van--Gods--Zoon.

Ter naauwernood had ik deze woorden uitgesproken, of boven het lage gordijn, dat op den achtergrond der hut was uitgespannen, verhief zich een man, wiens hoofd met een witten tulband was omwonden. Wij waren beide, zoowel Nacht als ik, zeer verwonderd in dit kleine gehucht zulk eene verschijning te zien, maar loochenen konden wij het niet,--zijne kleederdragt toonde zulks duidelijk aan,--het was een Mohammedaansche priester. Hij hield eene Maleische overzetting van koranteksten in zijne linkerhand en met oogen gloeijende van een onheilspellend vuur en zijne regterhand dreigend opwaarts heffende, zoo dikwerf een der alhier cursief gedrukte woorden zijn mond ontrolde, riep hij met eene fanatiek luide, half zingende, half gillende stem:

Gelooft aan God en aan zijne gezanten, doch spreekt niet van eene drieheid. Er is slechts een, eenige God.

(Koran, 4de soera.)

Maar hoe vele bewijzen er in den hemel en op de aarde ook mogen gevonden worden voor de eenheid Gods, gij zult die uit het oog verliezen en u steeds verder daarvan verwijderen.

De meesten, die aan God gelooven, aanbidden te gelijk afgoden.

(Koran, 12de soera.)

Zij zeggen: de Albarmhartige teelde eenen zoon; maar daarmede spreken zij godslastering, en weinig verschilde het, dat de hemel werd vaneengereten en de aarde zich opende, en de bergen instortten, dewijl zij het durfden wagen den Albarmhartige kinderen toe te schrijven, dien het niet voegzaam is kinderen te verwekken. Niemand in den hemel en op de aarde mag den Albarmhartige naderen, dan slechts om zijn dienaar te willen zijn.

(Koran, 19de soera.)

Na deze onverwachte slotrede verlieten wij zwijgend de hut; stil, bijna beangst slopen de Javanen weg. Nacht verkeerde blijkbaar in eene onaangename stemming en was met zich zelven in tweestrijd. Ik was nog minder bevredigd dan hij, ja, ik was treurig gestemd en gevoelde geene neiging om te slapen. Nacht trad onze hut binnen. Ik begaf mij naar den rand der kloof, waar ik mij in den maneschijn nederzette. Ik trachtte harmonie en rust voor mijne ziel te putten uit de beschouwing der natuur, der levende schepping van den goeden God en--vond die. Terwijl, op mijn verzoek, de Gamelan de toonen van zachte melodiën in de verte deed hooren, die plegtig en droefgeestig schoon door het eenzame dal weêrklonken,--terwijl elk geruisch in de diepste nachtelijke stilte verzonken lag, viel ook ik eindelijk in slaap. Mijne bedienden wekten mij niet, maar legerden zich, om mij voor gevaren te hoeden, rondom mij en--zij sliepen nog, toen ik den volgenden morgen op dezelfde plaats ontwaakte.

Gedurende den loop des daags hadden wij ons met kruidkundige en geologische onderzoekingen onledig gehouden en waren nu weder bijeenvergaderd in dezelfde hut, alwaar Nacht gisteren avond zijn evangelie gepredikt had. Het was reeds 6 ure en nog was onze bode niet teruggekeerd. Gisteren was ik een toehoorder van Nacht geweest, nu zag ik hem in de rij mijner toehoorders en bemerkte insgelijks den Mohammedaanschen priester, die zijn incognito nu had afgelegd, onder de overige Javanen.--Ik deelde hierop den Javanen, deels bij wijze van korte uittreksels, deels met uitvoerige verklaringen, het navolgende mede.

Voor mij op eene bank had ik eene aard- en hemelglobe, een sextant en kunstmatigen horizon, een verrekijker, een chronometer, een barometer, een thermometer, een psychrometer, een kompas, een kunstmagneet, een microscoop, een aräometer van Nicholson, een driezijdig prisma, eene draagbare camera obscura, een daguerréotypetoestel, een kastje met scheikundige reagentia en andere dergelijke werktuigen der toegepaste wetenschap, als zinnebeelden van mijn geloof, ten toon gesteld.

II. HET EVANGELIE VAN DAG.

KORTE ONTWIKKELING DER NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER. OF GELOOFSBELIJDENIS

van den Regtzinnig Geloovigen Mensch.

In 25 HOOFDSTELLINGEN.

ALGEMEENE GRONDSTELLINGEN.

"Wat ieder mensch moet gelooven, behoort ook voor ieder mensch begrijpelijk te zijn."

"Van elke leerstelling moet, door mondelinge voordragt of in geschrifte nader ontwikkeld, het bewijs harer waarheid uit de natuur en de geschiedenis geleverd en zij door voorbeelden aanschouwelijk gemaakt worden."

"Im Anfang war das Wort. Ich kann das Wort so hoch unmöglich schätzen, Ich muss es anders übersetzen. "Im Anfang war die That."

(Göthe.)

1.

De levende mensch is aan de aarde verbonden door de zwaartekracht. Door de longen, waarmede hij adem haalt, is zijn aanzijn verbonden aan de atmospherische lucht. Zijn spijsverteeringstoestel maakt hem afhankelijk van de gansche overige natuur. Hij bestaat en leeft slechts door omzetting van reeds aanwezige organische stoffen in het planten- en dierenrijk, die onophoudelijk in zijn ligchaam opgenomen en er weder uit verwijderd worden.--Van zijn aanwezen verkrijgt hij het bewustzijn door middel van zijne vijf zintuigen, door het vermogen, 't welk hij bezit, om te zien, te hooren, te ruiken, te smaken en te gevoelen. Door middel van deze vijf zinnen staat zijn innerlijk geestelijk wezen in verband met de hem omringende schepping. Berooft den mensch van het zintuig des gezigts, en voor hem heeft het licht opgehouden te zijn, ontneem hem het gehoor en het geluid bestaat voor hem niet meer. De mensch is slechts een gedeelte van een groot geheel, de schakel van eene oneindige keten van oorzaken en werkingen en als een alleen staand wezen niet denkbaar.

2.

Onze vijf zinnen staan in verhouding tot ons binnenste als vijf draden, die in eenen draad uitloopen, aan eenen inwendigen knoop zijn vastgehecht. Naar dezen knoop wordt de indruk, dien wij door de zintuigen van de buitenwereld ontvangen, als in een brandpunt van vereenigde lichtstralen geleid en komt aldaar tot voorstelling, tot begrip. Indien de voorstellingen lang aanhouden of dikwerf worden herhaald, dan laten zij een blijvend beeld na: wij hebben geheugen. Verscheidene of vele begrippen leveren de stof tot de gedachten: wij hebben denkvermogen. Onze gedachten deelen wij aan andere menschen mede door middel van gearticuleerde geluiden, klanken: wij hebben spraakvermogen en ten dienste van de klanken hebben wij teekenen uitgevonden, om die in geschrifte tot volgende tijden over te brengen.--Op gelijke wijze als de verschijnselen in de buitenwereld komt datgene, hetwelk andere menschen zich voorstellen en denken of (welligt reeds vóór duizende jaren) zich hebben voorgesteld en gedacht, op nieuw tot onze voorstelling, namelijk, door middel van ons gehoor en gezigt, indien het in geschrifte tot op ons is overgekomen of door overlevering is bewaard gebleven. Wij hebben voorstellingskracht, begripsvermogen. Wij kunnen denken.

3.

Al hetgeen wij weten, hebben wij aan deze vijf zinnen te danken. Alle kennis, die wij bezitten, is een gevolg der indrukken, welke de voorwerpen en verschijnselen in de buitenwereld door middel onzer vijf zintuigen op ons hebben voortgebragt. Andere eigenschappen der ligchamen, die zich niet door middel dezer vijf zinnen of door een of meer derzelven aan ons kenbaar maakten, kunnen wij ons niet voorstellen en een zesde zin is voor ons geheel ondenkbaar. Al hetgeen wij denken en weten, komt of is slechts door middel van onze vijf zinnen tot ons gekomen. Er bestaat geen andere weg langs welken voorstellingen, denkbeelden in ons binnenste zouden kunnen geraken.

4.

De zintuigen echter zijn lichamelijke organen, die bij alle individuën niet een gelijken graad van volkomene ontwikkeling bereiken. Buitendien kan aanhoudende oefening hunne verrigtingen bij eenige menschen in eene hooge mate scherpen, terwijl daarentegen gebrek aan oefening of ziekte hunne werkzaamheid bij anderen zeer kan verzwakken of wijzigen. Wij zijn derhalve menigwerf aan vergissing of dwaling onderhevig en mogen niets van hetgeen menschen leeren of leerden, onvoorwaardelijk als waarheid beschouwen, indien wij het niet vooraf getoetst hebben en het, na gedaan onderzoek, niet is gebleken proefhoudend te zijn.

5.

De mensch kan een of meer zintuigen ontberen, zoo als dit b. v. bij de doofstommen het geval is, zonder dat daardoor aan het innerlijk leven eenige hinder wordt toegebragt. Met het ophouden van de werkzaamheid van al de vijf zintuigen echter houdt tevens de mogelijkheid op te bestaan eener uiting van eene innerlijke voorstelling, en een dergelijke toestand kan niet lang blijven voortduren, zonder dat het ligchamelijk leven wordt uitgebluscht. Wanneer de mensch slaapt, leeft zijn ligchaam, wel is waar, voort; de longen, het hart, de lever, de maag, het darmkanaal en alle andere innerlijke werktuigen des ligchaams houden niet op hunne gewone verrigtingen voort te zetten, maar de vijf zinnen zijn als het ware schijndood. De slapende hoort en ziet niet, ruikt niet, smaakt en gevoelt niet;--de vijf draden zijn afgesneden, de voortplanting der indrukken van buiten naar binnen en omgekeerd heeft opgehouden. Slechts onze vijf zinnen maken het ons mogelijk ons in betrekking te stellen met de buitenwereld en doen ons onze gewaarwordingen uitdrukken door gebaarmaking, door spreken en handelen.

6.

Maar de slapende kan droomen, in den droom denken, ja, zich op de levendigste en duidelijkste wijze voorstellen datgene, of wel iets daarmede overeenkomende, hetwelk hij vroeger in wakenden toestand heeft gedacht of zich voorgesteld. Hieruit volgt, dat de leiddraden gewoonlijk, wel is waar, den indruk van buiten, den prikkel overplanten, waardoor de inwendige knoop der gedachten ontvlamt, maar dat er echter in 's menschen binnenste iets aanwezig moet zijn, hetwelk ontstoken kan worden en dat, zelfs wanneer de voortplanting der indrukken van buiten tijdelijk geheel heeft opgehouden te bestaan, denkbeelden zich in ons binnenste kunnen ontwikkelen. Het denkvermogen kan geene eigenschap zijn noch der vijf zintuigen, noch van hunne gemeenschappelijke werking, maar moet tot eene bijzondere, zelfstandige kracht behooren, die werkzaam wordt, zoodra die prikkel zijnen invloed er op uitoefent.

7.

Wij hebben het vermogen, in den innerlijken knoop dier vijf draden vele denkbeelden te gelijk op te vatten, die onderling te verbinden, te vergelijken. Wanneer wij den regelmatigen terugkeer van verschijnselen waarnemen, leiden wij de wet, waarnaar zulks plaats grijpt, daaruit af; wij nemen waar hoedanig het eene verschijnsel afhangt van het andere en leeren de werking van de oorzaak onderscheiden; wij onderzoeken den bouw van ons eigen ligchaam en de krachten, welke het leven er van voortbrengen; wij streven er naar om al hetgeen wij waarnemen, te begrijpen;--wij bepeinzen dit alles,--lossen de moeijelijkste vragen op, berekenen en geven honderde jaren vooruit het tijdstip op, waarop natuurverschijnselen zullen plaats hebben, ja, wij trachten het wezen te doorgronden van datzelfde innerlijke denkvermogen, dat ons in staat stelt tot al de opgenoemde overwegingen; wij hebben het duidelijke bewustzijn van deze kracht, zoo als van ons gansche aanwezen;--en al zien wij ook, dat deze kracht aan aardsch, vergankelijk (spoedig wederom tot zijne elementen terugkeerend) stof, de hersenen, is verbonden, wij bezitten niet te min deze met verstand begaafde, van zich zelf bewuste kracht en noemen haar geest of ziel.

In den nog ongeboren mensch, in de embryo, in de foetus, sluimert deze kracht, die zich in het jong geboren kind eerst dan begint te uiten, wanneer de ligchamelijke organen en zintuigen een hoogeren graad van ontwikkeling hebben bereikt door de levensaandrift, welke zij aan de stof mededeelt. Maar niettegenstaande het vermogen om die kracht te uiten gedurende zeker tijdperk niet bestaat, het aanwezen dier kracht van den oogenblik af dat aan de voorwaarden, vereischt tot het doen ontstaan van een nieuw individu, voldaan is, mag evenmin worden betwijfeld als het geloochend kan worden, dat de slapende, die daar voor ons ligt, denkvermogen bezit, al is het dat hij gedurende den slapenden toestand niet het geringste bewijs er van geeft.

Na den dood houdt de zigtbare uiting des geestes weder op. Daaruit volgt echter niet, dat de geestelijke kracht, welke het stoffelijke ligchaam zoo lang bezielde, niet meer aanwezig is. Wij kunnen niet meer waarnemen of en hoedanig deze zich uit, om de eenvoudige reden, dat wij niets anders kunnen waarnemen, dan hetgeen op onze vijf zinnen werkt. Een geestelijk wezen, of eene verrigting des geestes daarentegen, b. v. een zeker denkbeeld, eene gedachte, welke bij een ander mensch opkomt, valt noch onder het zintuig des gezigts, des gevoels, noch onder dat van het gehoor, van den smaak en van het reukzintuig, uithoofde zulks onligchamelijk is.--En al brengen algemeen in de natuur verbreide chemische en physische krachten, ten gevolge van hare vereenigde werking, in het dierlijk ligchaam dat aanhoudende omzettingsproces te weeg, dat wij leven noemen, waarbij ligchamelijke stoffen in drie- en viervoudige verbindingen worden zaâmgehouden, waartoe zij zich overigens in de natuur nimmer vereenigen en welke in het doode ligchaam zeer spoedig weder uitéén gaan, zoo kunnen echter deze chemische en physische krachten de levenskracht zelve niet zijn. Zij gehoorzamen immers aan eene nog sterkere kracht, die ze, tegen hare gewone neiging, dwingt in het organisch ligchaam bijeen te blijven en vereenigd te werken. Wij gelooven derhalve aan eene onvergankelijke kracht, die, als een met rede begaafde geest, als ziel in ons leeft.

8.

Door ons verstand weten wij al het overige tot ons doel te gebruiken, en het gedierte der wildernis hebben wij aan onze heerschappij onderworpen.--Wij hebben ons echter niet zelf geschapen; eene geringe hoeveelheid organische stof, die, van twee verschillende polen herkomstig, zich vereenigde, werd de aanleidende oorzaak tot ons ontstaan; langzaam ontwikkelde zich onze groei; wij namen toe in grootte en sterkte, de geestelijke kracht, die ons bezielt, verkreeg eene steeds grooter wordende volkomenheid van uitingsvermogen;--maar weldra zullen wij weder terugzinken in het stof, waaruit wij zijn voortgekomen, wij zullen vergaan en ons thans levend ligchaam zal in zoo vele bestanddeelen worden gescheiden, dat na eenige tientallen van jaren ter naauwernood nog een enkel stofje er van ter plaatse zal zijn verbleven, waar het zich vroeger bevond; wij zullen in aarde, water en lucht verspreid worden; andere planten en dieren zullen uit het stof ontstaan, dat thans de deelen van ons ligchaam uitmaakt en--tot dit alles zullen wij niet in het geringste hebben bijgedragen! Wij waren de oorzaak van ons worden niet, wij kunnen ons vergaan niet eene enkele seconde tegenhouden; wij gevoelen ons geheel afhankelijk van eene allergeduchtste kracht, die buiten ons is--en toch zijn wij van ons zelven bewust, eene redelijke ziel leeft en denkt in ons: er moet derhalve eene nog hoogere redelijke ziel zijn dan de onze, welke de oorzaak is van ons aanwezen, zoo mede van dat der gansche schepping. Wij gelooven aan een onzigtbaren, grooten en redelijken geest in de natuur en noemen dien God.

9.