Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen

Part 5

Chapter 53,800 wordsPublic domain

De Pandora had telkens met zwaren mist en storm te kampen. Na Upernavik verlaten te hebben was Sir Allen Young dwars door Melville-baai--dat oord der verschrikking voor de walvischvaarders, die er ontelbare schepen in het ijs verloren--naar de Carey-eilanden gezeild, waar hij vruchteloos naar een steenhoop zocht, welke brieven van de Engelsche expeditie onder kapitein Nares kon bevatten. Van deze eilanden, die in Smith Sound liggen, werd westwaarts gekoersd door Lancaster Sound en Barrow-straat, ten einde langs Prince of Wales-land om de Zuid den westelijken doortocht te vinden. Het was een hachelijke tocht, want het was reeds laat in het seizoen, en de onafzienbare ijsmassa kon, zoodra de wind omliep, het schip tegen den wal plat drukken. Als een blindeman kon de Pandora enkel als het ware op den tast doorgaan, want ze ging langs onbekende kusten, op welke ze ieder oogenblik kon vastgezet worden, en nu en dan zag men, gelijk Beynen dit beschreef, "een spookachtige glimp van de benauwende ijsmassa aan stuurboordzijde, die de bemanning telkens aan haar gevaarlijken toestand herinnerde."

In Peel-Sound gekomen, doorkliefde de Pandora wateren voorheen door geen ander schip bezocht, dan wellicht door de verongelukte Erebus en Terror. De kusten waren eens, tijdens een sledetocht, door Sir James Ross in kaart gebracht. De compassen waren in die streek volkomen onbruikbaar, en men berekende den waren koers, dien het schip voorlag, door met den sextant den boog te meten tusschen een voorwerp recht vooruit en de zon, wier richting gevonden werd in tabellen der Engelsche admiraliteit, welke de ware richting der zon voor elk uur van den dag in de poolstreken aangeven.

Indien het mogelijk ware geweest tot Ballot-straat door te dringen, zou veel gewonnen zijn, doch de wind bleef tegen, zelfs overdag begon zich het jonge ijs te vormen--het was reeds den 3den September,--en zoo men de Pandora niet wilde laten vastvriezen en overwinteren in Peel-Sound, wat tot niets gediend zou hebben, moest men terugkeeren, juist nu de doortocht oogenschijnlijk binnen het bereik van kapitein Young gelegen had. "Toen dan ook het schip ieder oogenblik gevaar liep in het ijs beklemd te geraken, besloot onze kapitein tot den terugtocht," schreef Beynen. "Hij was innig teleurgesteld, en wij waren het niet minder. Het waren prachtige avonden geweest, waarop wij de ondergaande zon bespied hadden, als zij de toppen der met sneeuw bedekte bergen in een schitterend scharlaken rood kleed hulde en haar laatste stralen, van achter een bergrug, lange, grillige schaduwen liet werpen op het onafzienbare ijsveld der la Roquette-eilanden.

"Geen rimpeltje vertoonde zich dan op de donkere spiegelgladde oppervlakte der Sound. Het water door zijn eigen maaksel als het ware in boeien geslagen, zwoegende onder den zich zelf opgelegden last, lag vermoeid stil in zijn ijzeren kluisters; en waar de zon, in zacht purperen luister, de duizend grillig uitstekende oneffenheden van die onbewegelijke ijsmassa bescheen, verbeeldde men zich aan den zoom te staan van een onmetelijk kerkhof, waarboven de wit marmeren grafzuilen zich in grooten getale verdrongen, allen gehuld in dat geheimzinnig phantastisch licht van de plechtig stille schemeruren der poolwereld.

"Maar nu waren wij op onzen terugtocht en het bleek spoedig dat het daarvoor hoog tijd was. Onder dicht gereefde marszeilen liep de Pandora Peel-Sound weer uit, en passeerde op den avond van 4 September Limestone-eiland. Nauwelijks waren wij er voorbij, of wij zagen aan bakboord een uitgestrekt ijsveld aankomen, dat dreigde het schip den terugtocht af te snijden.

"Daar kapitein Young tusschen de sneeuwdriften door echter een smal open vaarwater tegen het landijs aan meende te zien, besloot hij te trachten daarvan dadelijk gebruik te maken en kaap Rinnell te bereiken voor het naderend ijs hem zou insluiten, daar een storm uit het N. W. het ijsveld snel naar de kust dreef.

"Het was de eenige kans, die ons overbleef, wilden wij niet den geheelen winter in Peel-Sound opgesloten blijven, en daar de duisternis snel begon te vallen, werd er zoo hard mogelijk gestoomd.

"Het was een verschrikkelijke nacht; de wind wakkerde aan tot een hevigen storm, vergezeld van hagel en sneeuwjachten, en de Pandora baande zich slechts met groote moeite een weg, terwijl we den witten glans van het ons insluitend ijs aan de eene zijde, en de hooge met sneeuw bedekte kust dicht bij ons aan de andere hadden. Slechts een enkele maal gedurende dezen stormachtigen nacht vertoonde zich aan den hemel een ster, die den man aan het wiel een vast punt verschafte om op te sturen. Bij het toenemen van den wind daalde de thermometer tot 18° Fahr. en het schuim der zee, als het over het dek spatte, bleef er als ijs op liggen. Te middernacht lag de sneeuw een voet hoog op het dek, terwijl het uitzicht bijna onmogelijk werd door de warrelende sneeuwjacht, welke door den hevigen wind uit de plooien der zeilen gedreven werd. Zoo had de Pandora tot drie uur haar weg vervolgd, toen wij plotseling een ijsveld recht voor ons zagen, en wel zoo dicht, dat wij door het roer te boord te leggen er slechts even vrij van liepen. Gelukkig trok de nevel bij tijds een weinig op, en nam de kommandant waar, dat de Pandora in de onmiddellijke nabijheid was van kaap Rinnell, die, gedeeltelijk met sneeuw bedekt, zich in de nachtelijke duisternis spookachtig voordeed. Slechts voor een enkel oogenblik deed zich deze verschijning aan ons oog voor; het volgende oogenblik heerschte weer de diepste duisternis. Zoo bleef de Pandora drie angstige uren aan den wind liggen, toen het weer opklaarde en van top eenige beweging in het ijs werd waargenomen, waardoor wij de zwakste plaats er van gewaar werden. Oogenblikkelijk werd het schip in die richting verder gestuurd, en het slaagde er in, meerder zeil voerende en met volle kracht stoomende, door de zwakste plaats van het ijs heen te breken, en het open vaarwater van Barrow-straat te bereiken.

"Onder dichtgereefde marszeils stoof de Pandora nu, voortgestuwd door stormweêr uit het W. N. W. door Barrow-straat en Lancaster Sound, zonder eenig ijs meer te zien, ofschoon daarom gedurende de donkere nachten niet minder goed moest uitgezien worden. Het is in zulk weêr ongeloofelijk moeielijk een slechts weinig boven water uitstekende ijsmassa te onderscheiden van de wit gekrulde toppen der golven, terwijl een aanzeiling van zulk een vaak diep onder water uitstekende ijs-schol de noodlottigste gevolgen voor schip en bemanning kan na zich slepen.

"Den 7den September was de Pandora weer in het open North-water, en besloot kapitein Young nog eenmaal een poging aan te wenden om eenig spoor van de gouvernementsschepen te vinden, door opnieuw de Carey-eilanden te onderzoeken.

"Nooit te voren hadden ontdekkingsschepen op deze hooge breedte zoo laat in het jaar de zee nog bevaren. Vóór den 5den September hadden zij steeds hun winterkwartieren weder betrokken. En de noodzakelijkheid hiervan toonde het schip zelf spoedig aan. Onze kommandant had dan ook de voorzorg genomen alle zeilen dicht te reven, en dit was ook goed, want nu waren zij volkomen onhandelbaar.

"Want en stagen waren geheel met ijs bezet; de romp van het schip was één ijsklomp, de zeeën vielen, als zij over de verschansing kwamen, als ijs op het dek neêr, zoodat men slechts met veel moeite over het beweeglijke, gladde dek kon voortkomen, en de zeilen waren zoo stijf als een plank geworden, zoodat b.v. het neerhalen van den kluiver een niet op te lossen vraagstuk was. En dan bovendien zwaar weêr uit het N. N. W., vergezeld van hevige sneeuwstormen, en een hooge, korte, moeielijke zee."

Het moedige waagstuk van kapitein Allen Young om nauwelijks uit het ijs gered, nogmaals om den Noord te gaan en, tegen den storm in, Smith-Sound in te stoomen werd beloond. Op het zuidoostelijkste der Carey-eilanden werd een cairn, eene steenhoop ontdekt, welke er niet was bij het vroeger bezoek. Vrijwilligers werden gevraagd om aan wal te gaan, wat zeer gevaarlijk was, want het stormde, de branding was fel, en de rotsklippen steil. Luitenant Lilingston en Beynen boden zich aan. De top, welke 170 meters hoog was, werd slechts met de grootste inspanning door hen bereikt, daar zij telkens tot aan de heupen in de broze sneeuw zakten en teruggleden. De koude noordenwind, die over en langs dien top huilde, deed hun kleeren tot een vasten sneeuwklomp bevriezen, doch zij volhardden, en vonden boven in de cairn een tinnen koker, waarin een verzegeld pakket, dat aan de Engelsche admiraliteit was geadresseerd.

Nu werd de steven gewend, en liep de Pandora voor den storm weg om de Zuid en kwam reeds den 19den September te Disco. Daar moest het ontdekkingsjacht vier dagen blijven wegens noodweer, en had Beynen gelegenheid het leven der Eskimo's te leeren kennen, waarvan hij in zijn verslag een aanschouwelijke beschrijving gaf.

Door N. W. stormen voortgejaagd, liep de Pandora reeds den 16den October te Portsmouth binnen.

In het vaderland teruggekeerd, werd Beynen op non-activiteit gesteld en schreef hij voor den minister het verslag van de reis, dat het volgende jaar door het Aardrijkskundig Genootschap werd uitgegeven, en waaraan ik een en ander ontleende. Het verslag eindigt met de volgende kenschetsende woorden: "Wel is het jammer, dat in ons vaderland de schoone ondernemingstochten naar het hooge Noorden tot het verledene behooren. Onze vroegere poolreizen waren toch van groot belang, niet alleen voor de wetenschap, maar ook vooral als een uitstekende leerschool voor die stoute zeelieden, die de eer van ons land zoo vaak op alle zeeën van den aardbol ophielden. Zouden hedendaagsche poolreizen die voordeelen niet meer bezitten?

"En is het dan niet in het belang der zeevarende natiën om zulke ondernemingen te steunen en aan te moedigen, der wetenschap tot gewin, den handel tot voordeel, en zich zelven tot roem en eer?"

Toen dit verslag gereed was, werd hij geplaatst op het wachtschip te Hellevoetsluis, waar hij den 1sten Januari 1876 aan boord kwam. Hij bleef hier aan het werk, om zich meer en meer te bekwamen voor tochten naar het Noorden. Hij schreef den 12den Januari:

"Ik bestudeer op het oogenblik meteorologie uit het boek van prof. Mohn, dat in het Duitsch vertaald, werkelijk prachtig is. Nu en dan, als ik iets lees dat mij van belang voorkomt om te weten en te onthouden, schrijf ik het over. Ik vertaalde dezer dagen ook eene lezing van luitenant Weyprecht, in Gratz gehouden, welke inderdaad zeer belangrijk is. Ook heb ik mij op de hoogte gesteld van het plan van den voor Parijs gesneuvelden franschen zeeofficier Gustave Lambert. Het spijt mij dat ik er de overtuiging door gekregen heb, dat hij niet voldoende op de hoogte der Noordpoolzaak was, en ik geloof dan ook dat zijn roemvolle dood hem behoed heeft voor tal van teleurstellingen. Zijn onbekendheid met de ijsnavigatie brengt hem tot geheel verkeerde conclusies. Hij gelooft o.a. aan een open Poolzee, ontstaande: "d'après les lois de l'insolation"!

De brieven raadplegende door hem geschreven in de enkele weken, welke hij in het vaderland doorbracht eer hij op nieuw naar het Noorden ging, werd ik getroffen door al hetgeen hij in dien tijd gelezen en bewerkt heeft, om op het gebied der Noordsche aardrijkskunde zich te huis te gevoelen. Tevens bestudeerde hij meteorologie, daar hij met het doen van weerkundige waarnemingen zou belast worden op de Pandora; hij poogde uit professor Tyndall's boek iets van de formatie van gletschers te leeren, en hij was verdiept in een Duitsch werk van Erman over het aardmagnetisme.

In de maand Mei ging hij weder, met 's konings toestemming, op het verzoek door Sir Allen Young aan den minister van marine gericht, naar Engeland, en zeilde hij den 31sten dier maand voor den tweeden keer met de Pandora naar de IJszee.

Bij het begin der reis schreef hij aan boord van het ontdekkingsvaartuig o.a. het volgende aan kolonel Jansen:

"Ik voel zoo vaak hoe oneindig veel ik mis, hoe weinig ik weet, en bij herhaling is het verlangen bij mij opgekomen, dat, van den beginne af, aan oudere meer ervaren en kundiger handen de plicht om dit alles te doen ware toevertrouwd. Ik had dan met mijne geringe krachten kunnen helpen en steunen, maar zou dan in het tweede gelid gestaan hebben en dus op eene plaats welke mij beter voegde. Zeer vaak is dit gevoel zoo sterk geweest dat ik er mij verdrietig door voelde. Dit zal nog wel dikwijls het geval zijn, en ik kan dat bewustzijn alleen weren door zoo hard te werken als ik maar vermag. Ter wille van het groote belang der zaak voor ons geliefd vaderland hoop ik mij vast te houden aan uw raad, om ook in deze zelfbeheersching te oefenen.

"Maar welk een heerlijke taak dan ook, te mogen medewerken om den ouden sluimerenden heldengeest van ons volk te doen herleven! Dit is een leven waard van teleurstellingen en zorg, en zeker, die zullen in overvloed op dien weg te vinden zijn. Maar ik hoop den moed te hebben om met waarachtige toewijding, met volkomene zelfverloochening en vooral zonder denkbeeld van eigenbaat, met mijne geringe krachten voor dat doel te werken. En toch dit is niet gemakkelijk, want zulk een plicht, ernstig aanvaard, eischt vaak dat men wat ons innig lief is prijsgeeft en opoffert!... Alles moet men echter over hebben voor een doel dat--eens bereikt--tot roem en eer zal strekken van koning en vaderland. Moge dan ook deze nieuwe reis op het vreemde ontdekkingsschip een heerlijke leerschool zijn voor mij, die vruchten draagt voor mijn geheele volgende loopbaan.

"Eén ding is zeker, dat ik onder alle omstandigheden als een waar Nederlandsch zeeman mijn plicht stipt hoop te vervullen, en mij door geen gevaren, ontberingen en moeielijkheden zal laten afschrikken in zeeën, die voorheen getuigen zijn geweest van zoo menige kloeke daad onzer stoute voorvaders!"

Beynen diende weder onder Sir Allen Young, den eigenaar van het schip, doch er was een nieuwe eerste officier aan boord, genaamd Arbuthnot. Luitenant Pirie deed de reis op nieuw mede, en luitenant Alois von Becker, van de Oostenrijksche marine. Dr. Hörner en de heer Grant, die als vrijwilliger en photograaf medeging, waren de verdere officieren.

De reis ging voorspoedig totdat de Pandora in straat Davis was gekomen. "Reeds verheugden wij ons in 't vooruitzicht van binnen enkele dagen Disco te bereiken," schreef hij, "toen de wind naar het noorden draaiend ons tegen liep.

"Tien dagen achtereen moest de Pandora nu opwerken. Meestal was het helder zonnig weder, doch iederen avond tegen 10 uur, als de zon haar kracht verloor, koelde de atmosfeer dermate af, dat de vastgehouden waterdamp zich als een dicht floers om de Pandora hulde, hetgeen het uitkijken zeer moeielijk maakte.

"Het waren kille onaangename nachtwachten, waarin het hard woei. Door de korte, moeielijke zeeën slingerde het scheepje zoo hevig, dat men zich voortdurend aan iets moest vasthouden om op het dek staande te kunnen blijven, en wanneer men in die positie gedurende vier uren, met een kouden noordenwind in 't aangezicht, onafgebroken staat te turen in den dichten nevel, waaruit telkens in de onmiddellijke nabijheid van het schip reusachtige ijsbergen als spookgestalten opdoemen, dan laat het zich begrijpen dat de wacht ons onder zulke omstandigheden dubbel lang schijnt.

"Den 29sten Juni bij het aanbreken van den dag verkenden wij het eerste land in het oosten en sedert werden de met sneeuw bedekte toppen van Groenland bij helder weêr niet meer uit het oog verloren."

Toen zij den 6den Juli Disco-eiland naderden, en de Pandora, voor het eerst sinds zij Engeland verliet, stoom opmaakte om onder lij van het hooge bergland te kunnen vorderen, schreef Beynen het volgende aan kolonel Jansen:

"Op de hondenwacht passeerde luitenant Pirie het eerste drijfijs en toen ik te 4 uur 's ochtends de wacht van hem overnam, zag ik dat het ijs telkens in hoeveelheid en omvang vermeerderde. Ik nam de gewone maatregelen: liet van top uitkijken in welke richting de zee er het meest vrij van ijs uitzag, minderde zeil, liet de brassen over en weêr achter de hand klaar leggen, en toen ik de overtuiging had gekregen dat het meer dan enkele losse (van het land gedreven) ijsschotsen waren, liet ik kapitein Young waarschuwen. De zee was spoedig geheel er meê bedekt, en de oude, grillig uitgegroeide en verweerde ijsmassa's lieten ons weldra niet den minsten twijfel, of we waren in een door zwaren wind uit het land gedreven stroom Spitsbergen-ijs geraakt.

"We koersten derhalve om de West, ten einde er zoo spoedig mogelijk uit te zijn, waarin we, na drie uur vechtens met het ijs, slaagden. Op sommige plaatsen waren de dreigend hooge schotsen zoo dicht op elkander gepakt, dat een botsing niet te vermijden was. Dan werd de zwakste plaats uitgekozen voor den aanval, en de dichtgereefde marszeilen--de eenige die wij voerden--werden bovendien nog opgegord om de vaart te verminderen en de aanraking zoo zacht mogelijk te doen plaats hebben, opdat de ijsschotsen tijd en gelegenheid mochten vinden aan weêrszijden uit te wijken...

"Het is nu de avond van 6 Juli, om negen uur. Ik kom zooeven van de wacht en zit in mijn eigen kleine hut om mij een weinig met u te onderhouden. We hebben prachtig weder. Een stijve bries uit het W. N. W. doet de Pandora met een 6 mijls vaart tegen de witgetopte golven oploopen. De lucht is helder blauw, en de zon, welke ons zelfs te middernacht niet verlaat, veroorzaakt de heerlijkste tinten, de meest phantastische schaduwlijnen op de vele groote ijsbergen, welke ons aan alle zijden omringen. Tal van vogels volgen al spelend ons kielwater en hier en daar blaast een walvisch vergenoegd een straal water in de lucht.

"Ik ging omlaag om mijn gevoel te uiten. Het geheele schouwspel stemde mij tot nadenken, want wij zijn thans op voor Nederlanders klassieken grond. Aan stuurboord van ons liggen de Visch- en Honden-eilanden, en recht vooruit verrijst duidelijk het zwarte land van Disco boven den horizon. Wij zijn aan den ingang van Discofjord en al die eilanden, baaien en kapen zijn eenmaal getuigen geweest van de koene daden onzer oude zeevaarders. In die tijden, toen de Hollandsche vlag ook aan deze zijde van den Poolcirkel nog de meest geëerde, meest gevreesde en zeker talrijkst vertegenwoordigde was, had men jaren dat meer dan 150 schepen in deze wateren rondkruisten. Welk een levendigheid en vertier in deze nu zoo doodsche en verlaten zeeën! Het is daarom met een bijna droevig en zeker weemoedig gevoel, dat ik die roemrijke dagen herdenk, nu ik onder Engelsche vlag die klassieke wateren bezeil... Zou het voorspoedige Holland van onze dagen niet meer in staat zijn tot wat het weleer in ongunstiger omstandigheden vermocht?

"O! mocht er weer nieuwe ondernemingszucht in het dierbare vaderland komen: moge het voorbeeld van Venetië het tot waarschuwing strekken."

Uit de merkwaardige kolenmijnen van Kudliseat vulde de Pandora haar voorraad met 50.000 kilo aan. De officieren hieuwen de steenkool uit de rots in groote stukken die dan naar beneden rolden op het strand, van waar zij door de matrozen aan boord gebracht werden. Tot tweemalen toe werden de werkzaamheden een eind verplaatst, schreef Beynen, omdat de kool aldaar gemakkelijker te bekomen was; het zware werk werd door officieren en manschappen met lust en ijver verricht. En een nagenoeg onafgebroken arbeid van 's morgens 5 tot 's avonds 8 uur is onder gewone omstandigheden voldoende om een mensch naar rust te doen verlangen!

Maar aan boord der Pandora kende men geen vermoeienis! Beynen schreef: "Het vreemde van het voortdurend dag zijn, dat zoo lang men er niet aan gewend is, zich tegen geregelde slaaptijden verzet, deed zich ook nu gevoelen; in plaats dat de vermoeide ledematen rust namen, leverde het onafgebroken geweervuur, dat 's nachts de eenden en andere vogels uit hun slaap deed opschrikken, op nieuw een bewijs, dat het gezonde Noordsche klimaat het menschelijk gestel als het ware weet te verstalen.

"Den 14 Juli 's avonds met kapitein Young op Disco-eiland jagende, stieten wij onverwachts op een klein Eskimo-kamp.

"Het bestond uit twee zomertenten, die aan den voet van een steilen bergwand waren opgeslagen.

"Vijf of zes kayaks waren op 't strand gehaald en een familie van 12 Eskimo's hield zich met verschillende huiselijke werkzaamheden bezig. Terwijl een oude vrouw het zeehondenvleesch voor den maaltijd bereidde, arbeidden de mannelijke Eskimo's aan het herstellen van eenige kayaks, terwijl de vrouwelijke familieleden zich onledig hielden met het verwerken van gedroogde huiden. Stil en kalm werd dit alles verricht, en slechts nu en dan, wanneer een der Eskimo's met een goeden buit van de jacht terugkeerde, ontstond er eenige drukte en beweging. Het was een vreemd, schilderachtig geheel, dat kleine rustige Eskimo-kamp, en volop genoten wij het heerlijk schoone natuurtooneel met zijne eigenaardige stoffeering. Verderop waren de stilte en kalmte, die alom heerschten, indrukwekkend, en slechts nu en dan werden deze afgebroken door het klagend geschreeuw van de rustelooze zeemeeuw of het zachte geluid als van verre branding, dat de golfjes aan onzen voet veroorzaakten, als zij zich stoeiend en spelend onder den uitgeholden rand eener kristallen ijsmassa krulden.

"De tusschen de rotsen gesmolten sneeuw, die zich als een zilveren draad door een bed van donkergroen mos slingerde, vloot statig en langzaam naar het kale strand, waar zij zich een opening lekte door den ijsklomp, die haar het bereiken der zee scheen te willen betwisten. De zon, die laag aan den hemel zich traag langs den noordelijken horizon voortbewoog, vergulde nog maar alleen de wit besneeuwde kruinen der hooge bergtoppen, waardoor het zwarte land van Disco een nog donkerder en grimmiger tint dan gewoonlijk verkreeg. En wanneer men voor een oogenblik heên staarde over het spiegelgladde watervlak, dan werd het oog geheimzinnig geboeid door de gletschers en bergtoppen van Groenland's westkust, die door luchtspiegeling in duizend grillige gedaanten vervormd, ons den indruk gaven alsof moeder natuur met onze stille verrukking den spot wilde drijven.

"Die heerlijk schoone natuurtooneelen in straat Waaigat, zoo geheel verschillend van wat men in andere hemelstreken ontmoet, zullen dan ook voor allen die ze mochten aanschouwen, onvergetelijk blijven, en geheel daarvan vervuld keeren wij naar de Pandora terug.

"Nadat de Eskimo's die ons bij het kolen laden behulpzaam geweest waren, behoorlijk betaald en bovendien nog met verschillende geschenken overladen waren, werd de reis verder voortgezet. Met ruim 170 ton steenkolen aan boord, stoomde de Pandora langzaam om de Noord."

Toen de Pandora den 22sten Juli de gevreesde Melville-baai naderde, bleek het een slecht ijsjaar te zijn. Zoover Beynen uit het kraaiennest zien kon, strekten zich, ten noorden van het schip, in alle richtingen de zoo beruchte ijsschollen en velden van Melville-baai uit. Aanschouwelijk heeft hij beschreven hoe de Pandora in het ijs bezet geraakte en door het kloek besluit van kapitein Young gered werd.

"De wind woei den 26sten Juli uit het zuidwesten, dus uit den ongunstigsten hoek, daar hij dan al het ijs der baai in elkaâr schuivende den doortocht zeer bezwaarlijk maakt. Toch scheen in den beginne alles zeer voorspoedig te zullen gaan.