Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen

Part 4

Chapter 43,855 wordsPublic domain

Hij had al zeilende en vechtende telkens meer liefde gekregen voor de Nederlandsche marine, en zijn wapenbroeders in het schoone corps, waartoe hij de eer had te behooren, zullen uit de enkele brieven, welke ik van hem aanhaal, zien, welke geestdrift de kennis, moed en zeemansdeugden der officieren van de koninklijke marine bij hem opwekten.

Doch hij merkte op dat, door het schier uitsluitend varen op stoomschepen over bekende wateren, en het ontzenuwend dienen in den Indischen archipel het scheepsvolk veel zeemanschap en vooral veel zeemansgeest had verloren. Met het oog hierop wilde hij dat toch elke richting zou gevolgd worden, welke als tegenwicht kon dienen tegen het noodzakelijke, maar minder leerzame dienen en rusten in Indië, ten einde dus de eigenschappen en krachten te kweeken, die het zeevolk van Tromp en De Ruyter onderscheidden.

In de eerste plaats achtte hij daarom verkenningstochten in de Noordelijke IJszee noodig, als bij uitnemendheid geschikt om bij koninklijke marine en handelsvloot nieuwen zeemansgeest te wekken.

Hij had niet veel gelezen over dit onderwerp, toen hij in Nederland terugkeerde, maar hij had dit denkbeeld als bij ingeving. Hij wist nog weinig, maar dacht des te meer. Zijn zucht om naar het Noorden te gaan was aanvankelijk slechts een onbestemd verlangen, en op het zeilschip, dat hem naar zijn dierbaren huiswaarts bracht, bleef hij er steeds aan denken, hoe het hem mogelijk zou wezen zijn ideaal te bereiken en iets voor zijn land en de marine te doen.

Te huis gekomen, wendde hij zich in Februari 1875 tot den kapitein ter zee, M. H. Jansen, staatsraad voor marinezaken, wiens roemrijke loopbaan als zeeofficier en wiens geloof in de Noordpoolvaart, als kweekschool voor de marine, Beynen bekend waren. Hij vroeg den kolonel of hij hem niet het voorrecht kon verschaffen met een der Engelsche expeditiën naar het Noorden te worden gezonden... doch men hoore hoe kolonel Jansen mij deze eerste ontmoeting zelf in een brief mededeelt:

"In het vroege voorjaar van 1875 werd mij een kaartje binnengebracht waarop stond: L. R. Koolemans Beynen, luitenant-ter-zee, die mij wenschte te spreken. Ik had zijn naam nooit vroeger gehoord. Met vriendelijk, modest, innemend gelaat vroeg hij mijn hulp om een reis naar de poolgewesten te maken.

Dit nam mij nog meer voor hem in; maar mijn sympathie daalde toen ik hem vroeg of hij iets van de groote gevaren en moeielijkheden kende, en er wat over gelezen had, en hij ten antwoord gaf: neen, niets!

"Nu zeide ik: neem dan eerst deze boeken naar huis mede, lees ze aandachtig en kom daarna nog eens terug.

"Ik gaf hem al mijn boeken over ijsvaart mede van 1595 tot op onzen tijd, waarmede hij blijkbaar gelukkig wegging. Veertien dagen later kwam hij zijn verzoek herhalen, want, zeide hij, "nadat ik de boeken met ongeduld verslonden heb, is de aandrang in mij nog veel grooter geworden om naar het Noorden te gaan."

Zijn wensch werd vervuld. Wel waren al de plaatsen op de Alert en Discovery--de schepen door de Engelsche regeering naar het Noorden te zenden--reeds bezet, doch kolonel Jansen had in April, van zijn vriend den geograaf Clements Markham,--nu Sir Clements Markham en oud-president van het Britsche Aardrijkskundig Genootschap--vernomen dat de beroemde noordpoolvaarder Sir Allen Young voornemens was in Juni een ontdekkingstocht te gaan maken in de Noordwestelijke IJszee. De heer Markham vroeg aan Jansen: "Can you suggest the name of a Dutch officer with the necessary tastes and qualifications who would, with the sanction and approval of his government, like to accompany Captain Allen Young on his Arctic Voyage?"

Kapitein Young schreef ook aan kolonel Jansen, zeggende: "Knowing the great interest that His Majesty the King of Holland has so graciously taken in scientific matters and also that the Dutch nation has always taken so prominent a part in the explorations of the Northern Seas, I write to you to say that I should feel much honored if his Majesty the King and his Excellency the minister of marine should desire to appoint an officer to accompany my expedition with the view of studying the navigation of the Western arctic Seas." Z. M. de koning gaf het gevraagde verlof en de minister van marine Van Erp Taalman Kip werkte met hartelijke belangstelling mede, daar hij den jongen luitenant in staat stelde om Sir Allen Young's uitnoodiging aan te nemen en met hem op de Pandora een ontdekkingsreis te gaan maken.

Hij had zich hiertoe zooveel mogelijk voorbereid, door onder leiding van kolonel Jansen alles wat op de ijsvaart betrekking heeft, te bestudeeren, en uit zijn verslagen kan men bespeuren hoe grondig hij onmiddellijk de wetenschappelijke studie der pooltochten heeft opgevat, eer hij de praktische ervaring ging opdoen, welke zijn land ten goede zou komen.

Hij bekommerde zich niet om hetgeen een reis op de Pandora hem zou kosten maar rustte zich voor eigen rekening uit, en verkocht daarvoor "een papiertje," zooals hij lachend zeide. Terwijl hij op reis was droeg kolonel Jansen zorg dat hij bij zijn terugkeer "het papiertje" weer zou kunnen inkoopen, waartoe eenige belangstellenden de som vergrootten, welke Mr. O. F. baron Groeninx van Zoelen reeds vroeger, in een schrijven aan het bestuur van het Aardrijkskundig Genootschap, had aangeboden, wanneer een officier der Nederlandsche marine op een poolschip mocht medegaan om zich in de ijsvaart te oefenen.

Het heeft moeite genoeg gekost om Beynen, die schier al te weinig om geld gaf, over te halen dit bedrag aan te nemen. Zijn ijver om mede te gaan kan blijken uit den volgenden brief aan mij van kolonel Jansen: "Door een toevallig verzuim was de toestemming van kapitein Young mij zeer laat ter hand gesteld, zoodat ik niet dacht, dat er voor Beynen nog tijd genoeg zou zijn, om zijn uitrusting in gereedheid te brengen. Ik was dan ook op het punt van kapitein Young voor zijn vriendelijk aanbod te bedanken, toen Beynen juist bij mij kwam. Acht dagen, zeide hij, is meer dan ik noodig heb om mij gereed te maken. Wij gingen dadelijk naar den minister van marine, die evenwel 's konings toestemming niet wilde vragen, zonder zeker te zijn dat kapitein Young met Beynen genoegen nam. Toen zeide Beynen: Mag ik naar Londen gaan, om het hem te vragen? De minister vond dat goed. Het was toen 3 uur en te 5 uur voer hij reeds naar Harwich en keerde den volgenden dag terug, zonder te denken aan de kosten, en na hetgeen hij voor zijn uitrusting noodig had, op aanwijzing van kapitein Young, in Londen besteld te hebben. Zoo was Beynen."

IV.

DE TOCHTEN OP DE PANDORA.

De opkomende zon bestraalde met een rooden gloed de glinsterende gletschers, die van de hooge steile gebergten van Groenland's Westkust in de zee nederdalen. Tallooze ijsbergen dreven op het donkere water van de zee van Baffin, waardoor de kleine stoomboot de Pandora in den zomer van 1875 zich een weg baande. Indrukwekkend was de kalmte en rust der natuur; men hoorde slechts een zacht geluid als van een verre branding, wanneer de golfjes, welke de schroef van de Pandora in de IJszee woelde, onder de uitgeholde randen van de kristallen ijsvelden krulden en kabbelden tegen de blinkende kanten der ijsschotsen.

Op het dek van het schip ging Beynen heen en weder. Hij stevende voor het eerst naar het Noorden, onder den roemvollen poolvaarder Sir Allen Young, die reeds twintig jaar geleden, aan boord van de Fox gepoogd had den Noordwestelijken doortocht te vinden en door het ijs langs het Noorden van Amerika, van de eene wereldzee in de andere te komen.

De Pandora, die zeil kon voeren en daartoe barkstuig had, was den 28sten Juli straat Davis ingezeild en kliefde den volgenden ochtend hare met schuim bedekte golven. "Trillend onder den druk harer zeilen scheen zij als bezield met diezelfde wilde vervoering, welke ons eigen hart zoo hoorbaar deed kloppen," schreef Beynen, de verrukking herdenkende van zijn eerste zeilen te midden van het Noordsche drijfijs.

"'t Was een heerlijke ochtend. Aan stuurboord van ons hulde de opkomende zon de hooge besneeuwde bergtoppen met hun diepe donkere schaduwen in een rooden gloed, waartegen 't zilverwitte drijfijs grillig afstak, en rondom ons in alle richtingen werd de gewone eentonigheid der zee aangenaam afgebroken door die kristallen ijsmassa's, waarmede zij als bezaaid scheen, en die, naderbij gekomen, de meest fantastische vormen en gedaanten vertoonden.

"De met schuim bedekte zee wierp zich al joelend en juichend in de diep uitgeholde gleuven dier lichtblauw gekleurde schotsen, die ze reeds als haar gewisse prooi beschouwde, daar zij ze langzaam en als het ware spelend naar 't zoele Zuiden dreef. 't Zilverwit van deze doorzichtige gevaarten werd aangenaam afgewisseld door 't lichtgroen en helderblauw, dat zich diep in hun binnenste verschool, doch nu helder uitblonk, beschenen door de vriendelijke stralen der opkomende zon."

Deze woorden van Beynen doen ons iets gevoelen van de frissche geestdrift, waarmede hij de IJszee het eerst binnenzeilde.

Het was eenige dagen na dezen schoonen ochtend, dat hij op het dek heen en weder ging, terwijl de Pandora bij windstilte langs Groenland noordwaarts stoomde. Met bewondering zag hij op naar de steile kust van Groenland, welke gedurende den korten zomer van het Noorden, door haar weêrgalooze schoonheid en door de machtige vormen van haar fiere hoogten de harten treft der moedige zeelieden, die naar de IJszee varen. Groenland's kust is een gebroken getande lijn van hooge, woeste bergen, die steil oprijzen uit het water, en hun zware, met gletschers bedekte zijden schier loodrecht meer dan 3000 voet omhoog heffen. Op deze bergen tooveren zon en dampkring de meest zonderlinge, ongestadige lichtspiegelingen, de zeldzaamste mengelingen van tinten en kleuren, gelijk Mac Gahan, Beynen's reisgezel en vriend, in zijn aantrekkelijk boek Under the Northern Lights schoon beschreven heeft. Een dunne nevelsluier omhangt in breede en doorzichtige plooien de bergwanden, als wilde hij hun koude, ruwe naaktheid aan het oog onttrekken; doch tevens vangt dit reusachtige toovernet van mist en nevel het zonlicht op; het houdt de zonnestralen gevangen in zijn mazen, en dit net der Noordsche feeën hecht zich nu, als door liefkoozende streelende handen hun omgeslagen, aan de stroeve, stugge, woeste bergen, op welke de ijskoning troont, en omringt hun toppen met een lichtend waas, een stralend vlies van lichtrood en van purper, dat bijna onmerkbaar zich vermengt met den ongestadigen bleekgelen flikkerschijn der gletschers langs der bergen zijden. Scherpe, blinkende ijsnaalden ziet men hier en daar uit den dunnen nevel opwaarts rijzen, stralende in de middernachtszon. Zij zijn bergtoppen, de hoogste golven van die machtige zee van ijs, vier duizend voet diep, welke Groenland overweldigd heeft.

Dit groote vasteland is in werkelijkheid niets dan een reusachtige diepe gletscher, door een rand van bergen omzoomd, welke de kustlijn vormt. De woestenij van ijs, welke door honderd voet breede kloven in elke richting doorsneden wordt, is onbegaanbaar en door geen menschenvoet betreden; doch zoo men de geheimzinnige hoogvlakte eens bestijgen kon, en hier en daar een hoogte, een heuveltje gewaar werd, zou men tot zijn verwondering ontdekken, dat die onbeteekenende verhevenheden de toppen zijn van hooge bergen, die boven de ontzaglijke ijsoverstrooming, welke de dalen gevuld heeft, uitsteken.

Zoo Zwitserland duizende malen grooter ware en ijs tusschen de bergen wierd gegoten, totdat slechts de hoogste toppen er uitstaken, zou het er uitzien gelijk Groenland.

Toch was dat groote vasteland eens vruchtbaar, groen en overdekt met bloesem en struiken en weelderigen plantengroei. Men vindt er groote bosschen van verkoolde boomen, en de versteende overblijfselen van dieren, die slechts in een warm klimaat kunnen bestaan. In Lancasters Sound haalt men uit de diepten van het koude water versteende koraal en sponsen op, en de steile bergkust van het door ijs overstroomde Groenland ontleent zeker een deel van den machtigen indruk, dien ze maakt, aan haar geheimzinnig verleden, aan de wonderen, grooter dan die der Duizend-en-ééne Nacht, welke de wetenschap ons weet te verhalen van het hooge Noorden.

Maar het was niet aan deze wonderen dat de jonge Hollandsche zeeofficier dacht, die heen en weer ging op het dek van het kleine schip, dat in de donkere wateren van de zee van Baffin langs Groenland's Westkust stevende, om te pogen den noordwestelijken doortocht naar Amerika te vinden, en in één zomer om den Noord van Southampton naar San Francisco te stoomen.

De omgeving stemt hem wel tot nadenken, doch niet aan Groenland's, maar aan Nederland's verleden dacht hij. Met een diep weemoedig gevoel herdacht hij die vervlogen tijden, toen Holland's driekleur ook in deze wateren nog het sterkst vertegenwoordigd was, toen vloten van meer dan honderd zeilen, met stoute ondernemende zeelieden bemand, uit deze nu verlaten zeeën jaarlijks schatten wisten op te halen voor 't jong gemeenebest.

En er was aanleiding voor die gedachten.

Hij was te Upernavik aan wal geweest, de laatste Deensche nederzetting onder de Eskimo's, die op een met mos bedekte, langzaam naar het water afhellende heuvelenrij gelegen is, welke van alle zijden door hooge, steile, kale bergwanden wordt ingesloten. Het dorp bestaat uit zeven houten huisjes, loodsen en voorraadschuren, en uit enkele Eskimo-hutten van steen en aardzoden opgetrokken.

Onze Hollandsche zeeofficier was door de Eskimo's op de welwillendste, meest gastvrije wijze ontvangen, en tot zijn niet geringe verbazing had hij bespeurd dat zij de herinnering aan de vroegere veelvuldige bezoeken onzer voorvaderen nog in hun taal bewaren.

Ze hebben toch voor "de blanke mannen" in het algemeen slechts ééne uitdrukking, namelijk: Kabloena, doch voor Hollanders hebben zij den afzonderlijken naam van Arpanjak, d.i. mensch die den walvisch doodt.

Op beide tochten landde Beynen te Upernavik, en telkens las hij de grootste verwondering en belangstelling op de gelaatstrekken der Eskimo's, wanneer men hun mededeelde dat hij een Arpanjak was. Hij werd bekeken en in oogenschouw genomen door groot en klein, en als hij langs de hutten ging, vertelden de ouders aan de kinderen: "Daar gaat de Arpanjak!" Men sprak hem toe onder dien vreemdklinkenden naam, en trachtte hem door gebaren en teekenen aan 't verstand te brengen, dat andere Eskimo's, die nu reeds lang ter ruste waren gelegd in den bevroren grond van Groenland, hun hadden verteld, dat zij van hunne ouders veel van de Arpanjaks gehoord hadden.

Een stokoud man kwam zelfs uitsluitend aan boord om hem te vertellen, hoe de vader van zijn moeder een schip van den Arpanjak gezien had, dat om den Noord ging, en dat vóór hun tijd een groot aantal der schepen van de Arpanjaks jaarlijks Groenland's haven binnenliep.

Vóór het vertrek der Pandora kwam een jonge Eskimo, die van den priester een weinig schrijven had geleerd, den Hollandschen officier op het Engelsche schip vragen om enkele Hollandsche woorden op papier neêr te schrijven, en met de meest mogelijke belangstelling sloegen de andere Eskimo's luitenant Beynen gade, toen hij "Arpanjaks" voor hen schreef.

Later kwam een andere Eskimo aan boord en haalde, toen hij in de kajuit was toegelaten, uit eenige oude zeehondenvellen zeer geheimzinnig eene ouderwetsche matrozentabaksdoos voor den dag, welke hij aan luitenant Beynen overhandigde, zeggende: "Arpanjak!"

Tot zijn verwondering las Beynen op de doos: "'t Gezelschap van de jonge vrouw is de jongman zelden moê." Boven deze woorden was een afbeelding van een schip, dat zeilreê lag, terwijl op het strand een zeeman van zijn liefje afscheid nam. Deze doos, welke van de 17de eeuw dagteekent, was niet lang geleden in een oud Eskimograf gevonden. Waarschijnlijk was zij als een groote schat te gelijk met den eigenaar begraven. Al deze bijzonderheden en de verhalen, hem op den tweeden tocht door den tolk Christie--een Eskimo--gedaan, gaven Beynen de vaste overtuiging, dat het verhaal der stoute tochten van onze voorvaderen als een traditie van een vroegeren heldentijd onder de Eskimo's bewaard is gebleven, en dat de tochten van den "Arpanjak" door de vaders aan de kinderen verhaald worden in den langen winternacht, welken zij, gelijk wij weten, door vertellingen pogen te verkorten.

Is het wonder, dat die heldenvereering der Eskimo's voor den Arpanjak een onuitwischbaren indruk maakte op den jongen Hollandschen zeeofficier, die onder Engelsche vlag Eskimo's aan boord ontving?

En die indruk werd zelfs dieper en dieper, naarmate hij meer van het Noorden zag, en overal de meest afgelegen baaien, kapen en eilanden door Hollandsche namen vond aangeduid.

Vol stemmen is het Noorden toch voor volken, die sinds eeuwen hier de zee bevaren. De IJszee, steeds veranderend van vorm, doch steeds dezelfde, wekt een ernstig gevoel bij hen, voor wie zij een getuige is, die van vorige eeuwen spreekt, daar zij de voetstappen bewaart der kloeke mannen van het voorgeslacht. Roerende herinneringen aan het machtig verleden zijn niet slechts "het behouden Huis" op Nova Zembla; niet slechts de vele plaatsen op Spitsbergen en Mayeneiland, waar Hollandsche ontdekkers en walvischvaarders op hunne avontuurlijke tochten plachten te verwijlen, maar ook de kusten van Groenland en bovenal de zwarte kruisen met verweerde grafschriften, welke zoo in het Oosten als Westen der IJszee nog op den huidigen dag getuigen dat Hollandsche matrozen daar het leven lieten.

Hoezeer de streken die hij bezocht dezen indruk maakten op Beynen, kan blijken uit den volgenden brief, dien hij den 6den Augustus aan boord van de Pandora schreef:

"Van nacht ben ik voor het eerst den poolcirkel gepasseerd. Ik vind het aangenaam te bespeuren dat ik hier aan boord van nut ben en zoodoende mijn tol betaal voor het aan boord zijn. De dokter zegt dat men mij clever vindt; maar ik kan niet nalaten op te merken, wat de Engelschen dan wel zeggen zouden van zoo vele onzer Hollandsche zeeofficieren, die vrij wat meer weten.

"Men heeft mij vereerd met den naam Old Tromp, naar onzen grooten admiraal, die in Engeland nog zeer geëerbiedigd is, maar Mac Gahan, de correspondent van the Herald, [3] die om de reis te beschrijven mede gaat en een alleraangenaamst mensch is, heeft voorgesteld mij Young Tromp te noemen, omdat ik de jongste aan boord en dus genoodzaakt ben, volgens luitenant Lilingston, om als de gezondheid eener dame wordt gedronken, op te staan en in haar naam te danken.

"Mac Gahan geeft mij elken dag een uur les in het Engelsch. Ik leer hier honderde dingen, die mij naderhand bijzonder te pas zullen komen.

"Eer ik eindig, moet mij nog een zaak van het hart. Ik heb uit gesprekken aan boord opgemerkt, dat onze oorlog met Atjeh in Engeland den eerbied voor ons vaderland niet heeft vergroot. Men is niet voldoende bekend met hetgeen gedaan is, en oordeelt dat wij niet genoeg geestkracht getoond hebben.

"Het is een sobere belooning voor zoo vele vroolijk verdragen ontberingen en den waarachtig betoonden heldenmoed van onze dappere soldaten.

"Ik begrijp nu echter tevens beter dan voorheen hoe waar de woorden zijn, door Petermann geschreven: "Ik weet niet welke inzichten men betreffende deze zaken in Engeland huldigt, maar wel weet ik nu zeker, dat voor ons buitenlanders de daden en werkzaamheden van noordpoolvaarders en ontdekkers als sir James Ross en Dr. Livingstone onze achting voor Groot-Brittannië veel meer hebben doen toenemen, dan hun tocht naar Koemassie tegen de negers, welke millioenen thalers gekost heeft.

"'t Is geloof ik juist opgemerkt. Naarmate ik meer hoor en lees wat men in den vreemde denkt, word ik ook meer doordrongen van de overtuiging, dat het van het grootste belang en voordeel voor ons vaderland zou zijn, om zijn oude plaats te hernemen te midden van al de vreemde zeevaarders, die jaar in jaar uit roem vergaren voor hun geboortegrond in het hooge Noorden.

"Al moge Nederland niet meer als voorheen een der invloedrijkste landen van Europa zijn, daarom kan het toch in den vreemde evenzeer geëerd worden als in die oude tijden, toen de beschaafde wereld met klimmende bewondering de Hollandsche schepen stevenen zag langs de verste stranden.

"De minister Gladstone zeide eens dat niets voor een maritieme mogendheid van meer belang is, vooral in tijd van vrede, dan alles wat zeelieden aanmoedigt tot het doen van koene daden en stoute waagstukken, die den handelsgeest met nieuw leven bezielen en de nationale geestdrift opwekken.

"Is dit in het algemeen waar voor zeevarende mogendheden, hoeveel te meer is dit dan niet van toepassing op ons geliefd vaderland!

"Hoe meer men in de vele schoone bladzijden van ons zeewezen den zilveren draad volgt, die ten allen tijde daardoor heen is geweven door nautische ondernemingszucht, hoe meer men het betreurt, dat in de laatste jaren dit voor ons vaderland zoo roemvolle terrein tevergeefs gewacht heeft op Nederlandsche arbeiders.

"Zou Nederland zich langer onthouden? Nederland, dat zijn nationale grootheid bijna uitsluitend te danken heeft aan zijn zeelui; dat gewoon was zijn zonen den weg te zien wijzen over alle zeeën van den aardbol; dat reeds eeuwen geleden de wimpels heeft zien wederkeeren, die vroolijk gewapperd hadden langs tot nu toe niet weergevonden kusten? Zou Nederland, dat alles vergetende, kalm blijven toezien hoe die verre stranden één voor één door vreemde zeevaarders wierden teruggevonden? kalm blijven verdragen dat de daar achtergelaten reliquieën door vreemde schepen in hunne havens wierden binnengebracht; zou het mogelijk zijn dat Nederlanders niet bloosden als ze hoorden dat de graven hunner groote zeevaarders in het hooge Noorden slechts door vreemde kleuren wierden gegroet?

"Zou dit mogelijk zijn? Zou Nederland werkelijk de eenige maritieme mogendheid zijn, die achterbleef, waar Engeland, Amerika, Rusland, Zweden, Noorwegen, Oostenrijk, ja zelfs Duitschland in een edelen wedstrijd voorgaan, om den sluier op te lichten, waarachter nog zoo veel voor de wetenschap verborgen bleef?

"Wat heeft Duitschland gedaan?--Niettegenstaande het in de laatste jaren drie groote oorlogen te voeren had, en het volgens Petermann noch schepen, noch geld bezat en particuliere krachten het moesten doen, zijn er toch drie expedities naar het Noorden gezonden. Zou Nederland het kalm blijven aanzien, dat die machtige nabuur meer en meer den roem verduistert, die ons vaderland zich voorheen op zoo waardige wijze en ten koste van zoo vele dure offers verworven heeft? En dat nog wel terwijl er zoo weinig noodig is om dit te verhoeden? Ik zeg weinig, want nog is de gouden aureool, door onze brave voorvaders voor de Nederlandsche driekleur gewonnen, niet verbleekt. Nog sluimert er in den vreemde (zooals ik hier dagelijks kan ondervinden) de eerbied voor onze groote mannen, en er is slechts weinig noodig om alle natiën weer met lof te doen gewagen van onzen alouden ondernemingsgeest.

"Nieuwe tochten zullen zelfvertrouwen geven aan ons volk en eerbied wekken bij onze buren. Schatten worden er jaarlijks besteed, om onze onafhankelijkheid te waarborgen door forten en kanonnen. Dit is onontbeerlijk, doch niettemin is er iets nog sterker dan forten en vertrouwenswaardiger dan inundatiën, en dat is het gevoel van achting en eerbied, dat wij voor ons volk wekken in Europa, door aan de spits te gaan op wetenschappelijk gebied, door kloeke tochten van ontdekking en nasporing.

"Om in 't leven te blijven, moeten wij getrouw zijn aan onze traditiën en als weleer ons behoud zoeken op de zilte baren, die onze kust besproeien. En dit vermogen wij. Wij bezitten tal van hoogst bekwame zeeofficieren en flinke degelijke zeelui. Men geve hun slechts de gelegenheid, en ik ben er van overtuigd dat onze vaderlandsche zangen weer spoedig weerklinken zullen langs de verste stranden."

Slechts zelden is het zulk liefelijk weder in de poolstreken als op dien heerlijken ochtend toen Beynen het eerst de IJszee binnenzeilde.