Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen

Part 3

Chapter 33,893 wordsPublic domain

Bij de eerste landing der troepen was Beynen echter niet mede gegaan, waaraan we eene aanschouwelijke beschrijving van dat belangrijk krijgsbedrijf te danken hebben. Hij was weer aan boord van Zr. Ms. Zeeland gekomen en aanvankelijk aangewezen om een peloton der landingsdivisie van zijn schip--namelijk het tweede peloton mariniers--aan te voeren. Doch eene noodzakelijke wijziging van dit bevel hield hem aan boord. Hij schreef den 11den December 1873:

"Aan alles komt een einde, en dus ook aan het vervoeren van choleralijders, en zoo brak dan ten laatste de dag van actie aan, waarnaar wij ruim een half jaar lang hadden uitgezien. Den 9den December zou de landing plaats hebben, en dat nu niet op het vorige punt, maar de marine en de transportvloot zouden 's nachts in de meeste stilte met ongedekte vuren om Pedropunt gaan, ten einde 's morgens vroeg de troepen aan wal te zetten.

"'s Nachts om 3 uur was het alarm aan boord, en de Zeeland verliet de reede van Atjeh. Het was een heerlijke, kalme, heldere nacht, en verrukkelijk om te zien, hoe al die schepen naast elkander stoomden en bij het doorkomen van den dag op de hun aangewezen plaatsen lagen.

"De marine was in twee divisiën gesplitst: de landings- en de dekkingsdivisie. De eerste, onder den kapitein-luitenant-ter-zee Binkes, zou uitsluitend troepen landen en hen beschermen, terwijl de dekkingsdivisie--bestaande uit de grootste schepen--onder kolonel Van Gogh, door een goed onderhouden granaatvuur de verbindingslijn tusschen Groot-Atjeh en de landingsplaats zou afsnijden.

"Daar twee van onze officieren op de sloepen geplaatst waren, viel ik als oudste adelborst het eerst voor den dienst in en bleef dus aan boord van de Zeeland. Hoe gaarne ik ook in de sloepen was medegegaan, heb ik zulks niet willen vragen.

"Elke dienst toch moet goed vervuld worden en ieder zou natuurlijk het belangrijkste willen bijwonen; ik zou met dezelfde toewijding, zoo het noodig ware geweest, dag en nacht choleralijders vervoerd hebben, als dat ik mijn matrozen had aangevoerd bij de landing, indien mij deze eer was te beurt gevallen.

"Ik bleef dus aan boord. Om vier uur ontbeten wij allen flink met spekpannekoeken en hard brood, en bleven toen tot het licht was geworden in de batterij. Ik had bovendien de wacht als officier; het was dus dien dag gezellig dienst presteeren, en ik troostte mij er mede dat deze dienst wellicht even nuttig was voor het land als menige andere.

"Om negen uur 's morgens zagen wij de landing plaats hebben. Welk een aantal sloepen! Langzaam maar zeker, gedekt door het vuur van het landingseskader en voorafgegaan door de gewapende marinesloepen, naderden zij den wal onder een vrij hevig schieten van den vijand, totdat eindelijk de sloepen den wal bereikten, en de eerste Nederlanders, door het water wadend, Atjeh's grond betraden. Ik vergeet het heerlijk schouwspel nooit van die drie of vier eerste mannen, voorafgegaan door een luitenant, die op het land sprongen en onmiddellijk de eerste hoogte bestormden, waar ze handgemeen werden met den vijand.

"Toen de volgende sloepen, onder een goed onderhouden vuur van de marinesloepen en gevolgd door de muziek van de kolonialen, aan den wal kwamen, schaarden soldaten en matrozen zich in linie van bataille en en colonne rukten ze met versnelden pas langs het strand om de West. Zij naderden ons nu meer en meer, en wij zagen de troepen, met de bajonet op, als een glinsterende, kronkelende slang door het bosch en over de begroeide hellingen zich een weg banen, terwijl de voortroep met stormpas vooruit was gerukt en onder onze oogen drie vlaggen van de benting haalde, hetgeen met een driewerf hoezee! vol geestdrift van al de schepen begroet werd.

"Den volgenden morgen werden de marinesloepen naar wal gezonden, met de mariniers, van welke ik er 50 aanvoerde, ten einde de kampong in de rugzijde van den waterkant aan te vallen. Bij hoogwater gingen 25 van onze gewapende sloepen naar land; wij naderden zoo dicht mogelijk en sprongen toen gepakt en gezakt over boord, waadden verder en stelden ons langs de kust op. In goede orde marcheerden wij op, toen ons geseind werd om halt te houden. De vijand had de kampong ontruimd, ze was door onze troepen bezet en wij moesten naar boord terug. Ik mocht dus dezen dag Koning en vaderland nog niet in het vuur dienen.

"Ten laatste mocht ook ik iets doen voor het land, en de eer der marine helpen ophouden. Een paar dagen later werd er 's morgens geseind, dat gewapende sloepen zich in de Kali moesten samentrekken. Toen de geheele sloepenbrigade gereed was om onder overste Bunnik de rivier op te roeien, vernamen wij dat het gemunt was op Kotta-Djawa, waar de vijand zich met kanonnen verschanst had. Terwijl wij de prachtige rivier opvoeren, hoorden we voortdurend het snelvuur der kolonialen op den oever, en het eigenaardige schrille krijgsgeschreeuw van de Atjehers. Op den bepaalden tijd waren wij voor Kotta-Djawa, waar wij plotseling beschoten werden uit twee bedekte bentings aan weerszijden van de rivier. Verschillende onzer sloepen raakten vast op een versperring, door den vijand in de Kali gelegd, zoodat wij spoedig gekwetsten hadden. De sloepen beantwoordden kalm en goed mikkende het vijandelijk vuur. Onze granaten sprongen onophoudelijk in de bentings. Mijn peloton was aangewezen om de voorhoede uit te maken, en zoo rukte ik met mijn mariniers in tirailleurslinie de kampong binnen, doch de vijand was gevlucht. Elk huis werd doorzocht, doch alles bleek in haast verlaten te zijn. De overste bepaalde nu, dat de mariniers onder kapitein Sutherland aan wal zouden blijven, terwijl de matrozen in de sloepen voor dreg zouden blijven liggen. De benting was ontzaglijk sterk, op zijn Europeesch aangelegd met bomvrij logies. Acht stukken waren op de wallen geplant, terwijl de zwaarste stukken de Kali bestreken. Wij maakten ons bivak zoo goed mogelijk in orde; sloegen hutten op en namen alle mogelijke voorzorgen van veiligheid. Den eersten nacht in het bivak vergeet ik nooit. Gekleed en met de wapens in handen, lagen wij op den grond en deden geen oog toe, daar duizenden muskieten op ons aanvielen. Het was een heerlijke nacht, waarin wij alleen verontrust werden, doordien de vijand boven 's winds van ons zijn eigen huizen in brand stak, zoodat de rook en groote vlammende vonken over ons bivak heen vlogen. Wij wisten dat wij op een vooruitgeschoven post in het vijandelijk land waren en pasten dus dubbel op.

"Om vier uur was het reveil, en de luitenant-ter-zee Van Stein werd met mij en tien mariniers op verkenning uitgezonden. We kwamen terug met twee schapen, geiten en een slachtos, zoodat we ons van een voldoenden voorraad versch vleesch voor ons kleine troepje hadden voorzien. Vervolgens moest ik met een corvée een weg naar de Kali kappen, de bamboeheggen herstellen en het bivak voltooien. 's Avonds had ik van 6-12 uur de wacht, en sliep toen tot 4.30, zonder dat de muskieten mij den slaap konden ontrooven.

"Om zeven uur kwam een kapitein van den Staf de rivier op en meldde aan onzen kapitein, dat het halve derde bataljon vooruitgezonden was, eerst om de zuid en dan op het kompas om de west. Een kompagnie van ons moest derhalve om de oost trekken, ten einde deze troepen te ontmoeten en hun den weg naar de benting te wijzen.

"De kompagnie, waarvan ik het tweede peloton van 60 man aanvoerde, begaf zich dadelijk onder bevel van kapitein Sutherland op weg, en ik moest weer de voorhoede uitmaken. In behoorlijke orde met spits, voorwacht, hoofdtroep en zijdekkingen marcheerden wij op. Het moest langzaam gaan, want het terrein was zeer bezwaarlijk. Ik was echter zoo gelukkig een meer open terrein te vinden, dat om de oost liep en dat volgden wij nu een eind ver, totdat wij in sawahvelden uitkwamen. Hier liet de kapitein mij met mijn peloton, dat het meest rust noodig had, als steunpunt achter, waarop hij kon terugtrekken, en hij marcheerde verder. Toen de kapitein uit het zicht was, deed ik een ronde langs de postenketen en ontdekte een pad in het bosch, dat onbezet was gebleven. Ik liet daar een dubbelen post achter en maakte een patrouille om het terrein iets meer te verkennen. Plotseling hoorden wij iets, en, in het groen verscholen, verkende ik een troep van 14 kolonialen, die van het pad langs de Kali waren afgedwaald. Het waren allen neger-soldaten, maar ik wist mij toch begrijpelijk te maken en hun den weg te wijzen. Om 11 uur kwam de kapitein terug, zonder onze troepen ontmoet te hebben, en nu trok ik met mijn peloton in oostelijke richting op, terwijl het eerste peloton onder den kapitein en luitenant Van Stein zich op mijn plaats opstelde.

"Ik moet bekennen, dat, toen ik mij te midden der sawahvelden op onbekend terrein bevond, wetende dat alles wat nu geschiedde op mijn verantwoordelijkheid was, dit mij wel eenigszins een vreemde gewaarwording gaf. Maar ik bracht mij in herinnering alles wat ik mijzelf geleerd had van hetgeen een infanterieofficier in zulk een geval moet doen, en dan steunde ik op mijn beetje gezond verstand en bleef dus maar kalm, terwijl ik behoedzaam voortsloop, van elke bedekking gebruik makende. Toen ik een goed terrein vond om mijn hoofdtroep in stelling te laten komen, liet ik halt houden. Ik had in de verte een gong gehoord en liet, na posten uitgezet te hebben, een patrouille onderzoek instellen. Ze kwamen met het bericht dat we in de buurt van een grooten kampong waren, wat ik al gedacht had door de menigte klapperboomen, welke ik zag.

"Daar ik zekerheid wilde hebben of die kampong bezet of verlaten was, besloot ik er mij zelf van te overtuigen, om zeker te zijn dat ik niet door overdreven berichten op een dwaalspoor wierd geleid. Met vier oude soldaten kroop ik door de hooge halmen en naderde uiterst behoedzaam den boschrand. Eerst zag ik een kat, toen een hond, en ten laatste hoorde ik duidelijk stemmen in den kampong. Ik wist nu genoeg en trok terug op onzen hoofdtroep om den kapitein te waarschuwen en zijn orders te vragen. Een mijner zijposten, die tusschen twee sawahvelden op den uitkijk stond, werd toen echter iets gewaar, en nu zag ik een paar zwarte kolonialen, gevolgd door een Europeesch sergeant, uit het bosch kruipen. Wij verkenden elkander spoedig, en ik liet mij bij den Overste Engel, die dicht achter de spits marcheerde, brengen, wien ik mededeelde dat ik tot een compagnie mariniers behoorde, die last had zijn troepen te ontmoeten. De overste was verblijd dat wij elkander ontmoet hadden, daar hij den vorigen dag een vergeefschen tocht gemaakt had, en zeide dadelijk tot mij: "Mijnheer, ik wensch u hartelijk geluk met ons behaald succes!" waarop ik niet veel wist te antwoorden.

"Ik schrijf dit alles zoo uitvoerig om mij later al die kleine bijzonderheden te kunnen herinneren, daar ik dit de belangrijkste gebeurtenis vond tijdens mijn verblijf in de vallei van Atjeh."

De 21-jarige adelborst had dan ook wel reden om dit eerste onafhankelijk optreden in herinnering te houden. De ontmoeting in dit uitgestrekte, onbekende, moeielijke terrein, nadat enkel op het kompas gemarcheerd was, had plaats juist zooals gewenscht was, en het kalme beleid, waarvan in het eenvoudig verhaal blijken genoeg voorkomen, kenschetst vooral den jongen zeeman, die op zijn gezond verstand vertrouwt. Twee dagen later werd op hetzelfde terrein een transport met begeleidende troepen overrompeld en vernietigd.

Na twee keer in het vuur te zijn geweest, nam Beynen deel aan een aanval op de hoofdplaats van het rijk Pedir op de Noordkust, waar zijn colonne het acht uur lang hard te verantwoorden had, bij welken aanval de adelborst Schuylenburg de wond kreeg, waaraan hij overleed. In sloepen waren ze de rivier opgeroeid en, na aan wal gestapt te zijn, slaags geworden met den vijand, die zoowel hun linker als rechter flank omtrok en van achter boomen en struiken op hen vuurde.

"De vijand kwam nu opzetten," schrijft hij in een brief van 1 Januari 1874, "en vocht ongelooflijk dapper; als ik het zelf niet gezien had, zou ik het bijna niet gelooven hoe zulk een voorvechter tegen ons pelotonvuur kwam inloopen, al dansende en springende en met zijn twee klewangs zwaaiende, totdat hij dood nederstortte. Sneller en met grooter overmacht naderde de vijand. Nu moesten alle mariniers gaan liggen en enkel de onderofficieren en scherpschutters voortreden. Kalm en juist begonnen zij snelvuur te geven. Dit hielp ontzaglijk. Achtereenvolgens zagen wij die dappere kerels, gewond, waggelend vooruitsukkelen en eindelijk languit in het zand tuimelen. De artillerie konden we niet in positie krijgen door den aard van het terrein, dat een moeras was. Intusschen daalde door de eb het water meer en meer in het ellendig riviertje, en we moesten dus met de booten aftrekken, als we die niet op het droge wilden laten. De vijand beschoot ze reeds, en er vielen gewonden. We trokken dus terug naar de booten en de mariniers deden dit op de meest uitmuntende wijze. De sloepen moesten door de rivier worden getrokken door matrozen, die tot het midden in het water liepen. Dit vorderde langzaam, zoodat ik met mijn sectie ruim een uur achter de dijkjes stand moest houden. Hierbij verloren wij twee dooden en twee gekwetsten. Nu waren de sloepen behouden en trokken wij langzamerhand terug, al vurend, door moerassen, kreken en bijna ondoordringbaar nipa-nipa, meer dan eens tot over de borst door den modder wadende. De geest onder de soldaten bleef steeds even voortreffelijk. Ten laatste kwam er een echt tropische regenbui, en we liepen te rillen in den modder, maar de regen verdreef den vijand, wiens kruit op de pannen van zijn vuursteengeweren nat werd. We hebben toch flinke soldaten! Met zoo weinig volk, in zulk terrein, terwijl de rivier ons in den steek liet, zoo te retireeren, zegt wat ten voordeele onzer manschappen, die ordelijk, bedaard en vroolijk bleven. Het was een branitocht, en onze generaal Van Swieten gaf er een speciale dagorder voor. Intusschen vind ik het hoogst onaangenaam dat mijn eerste ernstige ontmoeting met den vijand een terugtocht moest wezen. Maar ik kon er niets aan doen. Het is een treurig gezicht zoo zijn manschappen te zien neerstorten, maar het gevecht animeert onbegrijpelijk. Van mijn sectie zijn er velen gevallen. Wij voerden onze gesneuvelde krijgsmakkers mede naar het schip en zetten hen den volgenden dag in zee met militaire eerbewijzen over boord. Wat mijn dappere mariniers aangaat, men mag mij met de derde sectie, voor mijn part, gerust overal heenzenden; ik vertrouw volkomen op hen en zij op mij. Doch terwijl ik eenige dagen gewone dienst op de reede deed, zijn mijn mariniers, helaas! zonder mij weer naar den wal gezonden.

"Het dooden van zijn medemenschen is echter een smartelijk, een verschrikkelijk werk.

"Ik heb daarbij grooten eerbied voor die wilde natuurmenschen, die met zulk een opoffering en moed het schoone land dat zij bewonen, verdedigen.

"Het is mijns inziens een hoogst noodzakelijke oorlog, maar uit een menschlievend oogpunt meer dan treurig, en ik vind het verschrikkelijk, dat dit dooden van dappere kerels noodig is voor ons vaderland. Doch wij zijn de dienaars van vorst en regeering en zullen onzen plicht betrachten als een braaf zeeofficier betaamt.

"Soms ziet men echter veel, wat zeer pijnlijk is en het hart doet krimpen.

"Na de bloedige bestorming van Moesapi vond men te midden der gesneuvelde Atjehers het lijk van eene beeldschoone inlandsche vrouw. In de eene hand klemde ze nog een lans, in de andere een klewang. Een kogel had haar in het hart getroffen.

"Terwijl de troepen zegevierend verder trokken, begroeven onze matrozen de gesneuvelden. Al de Atjehers gingen samen in één grooten kuil. Doch toen ze die schoone vrouw daar zagen liggen, die voor haar land gesneuveld was, bedekten ze haar met een kleed; geen onvertogen woord, geen grap werd gehoord, doch zonder dat hun iets geboden was, groeven ze uit eigen beweging een afzonderlijk graf voor haar. Mij schoten de woorden te binnen van Wolfe:

"Slowly and sadly we laid her down, On the field of her fame fresh and gory, We carved not a line, and we raised not a stone, But we left her alone WITH HER GLORY".

"Als ware zij eene Hollandsche vrouw, had die heldin haar land lief.

"Moge ons land met nauwgezetheid van geweten dit rijk besturen, dat door de natuur zoo rijk begiftigd is. Moge dit geschieden in het belang van het vaderland, maar voornamelijk in het belang van die moedige, onwetende inboorlingen, die tot nu toe onderdrukt en uitgezogen werden door vreemde overweldigers. Moge het bloed van onze dapperen niet tevergeefs zijn gestort, en geen toestand worden geboren, waarvan een weldenkend mensch gruwt. Eerst als ik daarvan zekerheid heb, zal ik van ganscher harte deelnemen in de vreugde, welke op het oogenblik geheel Nederland zeker gevoelt over de inneming van den Kraton. Die inneming moet een zegen worden voor Atjeh, gelijk ze een roemvolle bijdrage is tot de geschiedenis van het dierbare vaderland!"

Wie drukt den adelborst, die dus gevoelde en aan zijn moeder schreef, niet in gedachte de hand?

Beynen bleef nog eenigen tijd te Atjeh aan land, doch ten laatste waren er van de 200 man niet zoovele meer ongewond en gezond, dat het veilig was hen daar te laten. Zij werden weder aan boord gezonden, en Beynen kwam juist bijtijds om de laatste eer te helpen bewijzen aan zijn vriend Schuylenburg, die den 29sten Januari overleed. Den eersten Februari overviel Beynen de geduchte Indische koorts. Tien dagen lang herhaalden zich de aanvallen, die hevige congesties veroorzaakten. Het schip was vol zieken; er kon weinig notitie van hem genomen worden, doch ieder deed recht hartelijk wat hij vermocht.

"Terwijl ik daar ziek en moedeloos nederlag, hoorde ik boven mij op 't dek een dagorder van den generaal voorlezen. Ik luisterde, en toen ik hoorde dat de generaal ons mededeelde, dat hij na de inneming van den Kraton uit Holland tal van telegrammen had ontvangen om hulde te brengen aan de opofferingen en dappere daden van zee- en landmacht voor Atjeh, kan ik u niet zeggen hoe heerlijk te moede ik was. Ik werd eerst ijskoud en de tranen sprongen mij uit de oogen. Zulke oogenblikken in het soldatenleven vergoeden veel, zeer veel. Wat zijn er dan ook vele opofferingen door onze dapperen gedaan, wat zijn er schoone daden verricht!

"Het was dien dag een gelukkige dag. Ik kreeg twee brieven van huis, en onze beste, brave kolonel Van Gogh kwam mij opzoeken, met dit gevolg dat 's middags de dokter naar mij toekwam en zeide: "Hoor eens, Beynen, dat gaat zoo niet! De kolonel heeft mij over je gesproken en we hebben gemeend dat verandering van lucht en afwisseling onmisbaar voor je zijn. De frissche zeelucht moet je genezen. Overmorgen gaat Zr. Ms. Soerabaya naar Batavia en dat reisje moet je niet als officier, maar als passagier medemaken. Dan ga je in Batavia in 't hospitaal en zoodra je beter wordt, ga je naar boven (d.i. naar het gezondheidsetablissement Gadok, op de grens der Preanger), om te zien of je geheel herstellen kunt!"

"Gij ziet hoe men voor mij zorgt, maar ik vind het erg onaangenaam zoo de expeditie te moeten verlaten, in plaats van op Zr. Ms. Zeeland, met vlag en wimpel van top, Atjeh te verlaten als alles afgeloopen is, mais qu'y faire!"

De zeereis en de frissche berglucht der Preanger maakten dat de koorts en dysenterie ten laatste overwonnen werden, doch het gestel was zoo geschokt, dat hij naar het vaderland werd teruggezonden.

De geneesheeren stonden niet toe dat hij door de Roode Zee ging, uit vrees dat de hersenkoorts dan terug zou keeren, zoodat hij de reis per zeilschip om de Kaap de Goede Hoop maakte, en den 21sten November 1874 in Holland terugkwam.

Te St. Helena van een bezoek aan het graf van Napoleon aan boord terugkeerende, ontving hij het bericht dat zijn door hem zoo innig geliefde en vereerde vader overleden was. Hij was nog zwak, en de smartelijke tijding trof hem zoo diep, dat hij de rest van de reis in zijn hut doorbracht.

Een bijna vrouwelijke teederheid onderscheidde dezen moedigen en heldhaftigen jongen! Wat hij in de eenzaamheid zijner hut gedurende de lange reis overdacht, en waartoe hij besloot, zal blijken uit het volgende deel van zijn leven, waarvan ik nu enkele bijzonderheden ga mededeelen.

III.

NAAR HET NOORDEN.

Voor niemand is 't verborgen: Ons heden draagt ons morgen Ontkiemende in den schoot; De wilskracht spreekt uit ijver, Maar--faalt zij--trots den drijver Voert dommelzucht ter dood!

Gedacht,--gewerkt,--gebeden! En vroegst en jongst verleden Zijn lessen afgevraagd, Tot uit het schemerduister Voor aller oog de luister Eens nieuwen morgens daagt!

Het heeft mij vaak leed gedaan dat Potgieter, die in deze en zoo vele andere regelen zijn volk opwekte tot mannelijke daden, niet de vreugde genoten heeft van Beynen te leeren kennen. Deze was een jongen naar zijn hart, die, de traditie eerende, aan heden en verleden lessen vroeg, om met al de kracht, die in hem was, te werken voor een grootsch ideaal.

Er waren woorden van Potgieter, welke Beynen van buiten kende.

Laat mij er enkele van aanhalen:

"Er was een tijd, waarin de weegschaal der volkeren van Europa door hare vorsten niet ter hand werd genomen, of de hollandsche maagd, aan hunne zijde op het rechtsgestoelte gezeten, wierp er mede haar oorlogszwaard of haren olijftak in..."

"Er was een tijd, dat de Hollandsche vlag werd begroet als de meesteresse der zee, waar ook ochtend- of middag- of avondlicht de oceanen van beide wereldhalfronden verguldde; een tijd, waarin hare vlootvoogden den bezem op den mast mochten voeren, dewijl zij, naar de krachtige uiting dier dagen, de zee hadden schoongeveegd van gespuis; en in een der jongste vergaderingen Hunner Edelmogenden hebben welsprekende stemmen de roemlooze ruste van Janmaat beklaagd!"

"Er was een tijd, waarin de Hollandsche handel den moed had, de boeien te verbreken, hem door den beheerscher der beide Indiën aangelegd, en, stouter nog, de ongenade van 's aardrijks uithoeken braveerde om eenen doortocht te vinden, "door natuur ontzegd;" een tijd waarin de winzucht een adelbrief verwierf, door hare verzustering met de wetenschap;--stel u voor, God verhoede dat het ooit gebeure! stel u voor, dat Java ons niet langer zijne schatten in den schoot stortte, en zeg mij werwaarts de dienstbare vloot der Handel-Maatschappij dan hare zeilen hijschen zou; waar de ondernemingslust harer reeders in Noord- of in Zuid-Amerika betrekkingen heeft aangehouden; waar men zich onzer in China nog herinnert; wie ons in Australië kent?"

Deze regels waren Beynen uit het hart geschreven. Hij eerde de Oliviers van Noord, de Jacques le Maires, de Barentsen met de warmste geestdrift: hij had Prins Maurits er lief voor, dat hij het octrooi der Groenlandsvaart aan onze koene zeelieden verleende; hij eerde even hartelijk de Oranjes in het harnas voor 's lands veiligheid en vrijheid strijdend, als de groote zeekapiteins voor 's lands welvaart en grootheid aan het roer.

Hij had innigen eerbied voor de handelaars en reeders van Holland's gouden eeuw, die het mogelijk maakten dat zoovele schepen op avontuur uitzeilden, "omdat zij er hun breeden rug onder zetten," gelijk hij zoo eigenaardig, met een glimlach kon zeggen. Hem wekte ons verleden tot krachtsinspanning, en sinds den eersten dag, dat hij zelfstandig dacht, werkte hij voor zijn ideaal: de wereldzee arbeidsveld als weleer; de poolzee kweekschool van zeemanschap en ondernemingszucht.

Wat hij als jong adelborst had opgemerkt, versterkte hem in deze gevoelens.