Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen
Part 2
"Goede tijding vond ik hier helaas niet! Het was de eerste keer dat ik in den vreemde een brief van huis kreeg, zonder er vaders hand in aan te treffen. Wel heb ik enkele malen brieven van huis gekregen, waarin vader of moeder, door drukte verhinderd, slechts enkele regels hadden geschreven, maar nooit heb ik geheel en al vaders hand er in gemist. Dit maakt mij bezorgd en ik zie met onrustig verlangen uit naar volgende berichten. Wat zullen die aanbrengen? Een hartkwaal kan lang duren, maar ook een plotselingen afloop hebben, terwijl ik hier niets, totaal niets voor vader kan doen. Ik weet ook niet, of deze keer nu wel die onherroepelijk laatste keer zal zijn; maar toch, ik weet dat iedere herhaling op dien leeftijd, onder die omstandigheden een schrede nader is tot het einde van alles, tot den dood. En toch, die dood, nog onlangs onder zulke treffende vormen hier door mij aanschouwd, moge ons allen een onherstelbaar verlies berokkenen en ons in diepe droefheid dompelen, zeker ben ik er van, ja, zeker, dat die voor onzen geliefden vader geen verschrikkingen meer heeft.
"Wanneer men zoo'n levensbaan achter zich heeft, wanneer men zoo weinig voor zich zelf, zoo veel voor anderen geleefd heeft, wanneer men kan wijzen op zoo'n onafgebroken streng rechtvaardig streven naar wat goed en edel is; wanneer men armen en weezen jaren lang met zoo'n geheele toewijding, met zoo'n groote liefde gediend heeft; wanneer men kan terugzien op een leven, in verschillende richtingen zoo nuttig werkzaam in uitgebreiden kring; wanneer men ruim dertig jaren met zoo'n grenzenlooze liefde 't hoofd is geweest van een gezin, waarvan bereids vijf zonen de maatschappij zijn ingetreden, slechts strevend de naam van zoo'n vader tot eere te strekken; wanneer men kinderen en kleinkinderen zoo zonder zorgen achter kan laten en 't geheele godsdienstige leven slechts één voorbereiding was tot dien laatsten stap die voert naar heerlijker sfeeren, waarlijk, waarlijk dan kan men in volle gerustheid uitroepen: "Dood, waar is uw verschrikking?" Moge mijn vader dan ook gerust dat tijdstip zien naderen, toch blijft voor ons, vooral voor mij, zwerver te midden van een koud, hardvochtig wereldburgerschap, die stonde de bangste van het leven.
"Maar laat ons niet 't ergste vreezen; waar leven is, is hoop en ik zoek weer als altijd troost in dat geheime voorgevoel dat mij steeds influistert dat ik al de mijnen in gezondheid terug zal zien.
"Indien ik nu slechts tijding, slechts spoedig weer tijding ontvang!"
Opgeleid door dezen vader, en door een moeder, wier geestdrift voor het vaderland en wier zachtmoedige vroomheid hem in zijn jeugd op een ideaal van nederige plichtsvervulling en zelfverzaking wezen, groeide Laurens Beynen op als een echte Hollandsche jongen volgens het hart van "Hildebrand." Hij ging op de catechisatie bij Ds. Gunning, en als hij mij schertsend soms in zijn brieven zijn "schoolvriend" noemde, dan was het omdat ik--doch tien jaar vroeger dan hij--van Ds. Gunning [2] mijn godsdienstige opleiding ontvangen had, en wij geheel overeenstemden in onze dankbare herinnering aan dien waardigen en beminnelijken leeraar, wiens warme overtuiging en bezielend woord op ons beiden even diepen indruk had gemaakt. Mijn vroegere leermeester schreef mij kort geleden met aandoening over Beynen: "Op mijn catechisatie zie ik hem nog voor mij, den lastigen, aardigen jongen van wien ik zooveel hield, ook als zijn kleine levendigheden mij soms noodzaakten hem een woord van bestraffing toe te spreken, dat steeds zoo goedig werd aangenomen. Hij kon zoo goed, zoo schrander vragen en twijfelen, en soms opponeeren, maar dan ook eerbiedig en aandachtig steeds naar mijn tegenrede luisteren. Ik hoop óók meê zijn oog naar boven gericht te hebben. Steeds ben ik hem de hartelijkste genegenheid blijven toedragen."
Wanneer ik nu ten laatste nog in herinnering breng dat dr. L. R. Beynen--de oud-rector der Latijnsche school te 's Hage--de peetoom was van Laurens Koolemans Beynen, en hem van zijn jeugd af aan tot vriend en raadsman strekte, dan kent men de liefelijke omgeving waarin hij opgroeide. Toen hij met de Barents uitzeilde schreef zijn oom dr. Beynen hem: "Houd God steeds voor oogen. Blijf in 't geen gij geleerd hebt, wetende van wien gij 't geleerd hebt. Ga voort met voor vaderland, koning en wetenschap te ijveren en te werken!"
Hij haalde in een brief aan mij die woorden later aan, zeggende: "God, vaderland en koning te eeren is mij sinds mijn eerste jeugd geleerd!"
Op het Instituut te Willemsoord deed hij ijverig zijn best en, gelijk prof. Kan in zijn waardeerend schrijven in het tijdschrift van het Aardrijkskundig genootschap mededeelt, scheen zijn liefde voor de geschiedenis des vaderlands hem daar te zijn bijgebleven. Althans zijn eerste pennevrucht, geleverd voor den almanak der adelborsten, draagt den titel: "Een groot man. Herinnering aan den vice-admiraal Jan Evertsen, gesneuveld in 1666," en voert het motto: "Examinez ma vie et jugez qui je suis," woorden, die alleszins bij de beoordeeling van Beynen zelven van toepassing zijn. Overste Steffens, die tegenwoordig commandant van Zr. Ms. opleidingsschip Wassenaar is, schreef mij na Beynen's dood: "Ik heb altijd veel van hem gehouden, reeds sints den tijd dat ik hem, met het roode kraagje als adelborst, op de schoolbanken van het Instituut voor mij heb zien zitten. Er zat leven in hem. Hij behoorde niet tot de blokkers, maar ik gevoelde dat er uit hem een flink zeeman zou groeien. Toen het bekend was dat hij met de Pandora zou medegaan, heb ik de overtuiging uitgesproken, dat hij daar op zijn plaats zou zijn. Beynen was een voorbeeld voor velen niet alleen wat liefde voor het gekozen vak betreft, maar ook wat bescheidenheid en beminnelijkheid als mensch betreft."
In het Koninklijk Instituut te Willemsoord bleef zijn aandenken geëerd, en toen de mare van zijn overlijden bekend werd, ontving de kommandant P. ten Bosch reeds den volgenden dag van de adelborsten het verzoek, om het portret van Beynen te mogen plaatsen in hun zaal, als een blijk hunner vereering. En ik kan de verleiding niet weerstaan nog een ander bewijs te geven van de warme toegenegenheid, door Beynen gewekt bij onze flinke aanstaande zee-officieren. Namens het corps adelborsten van het Koninklijk Instituut werd mij, nadat Beynen's levensbeschrijving in de Gids was verschenen, o.a. het volgende geschreven, waaruit blijkt met welke nobele plannen voor de toekomst onze adelborsten, op Beynen's spoor, hun schoone carrière zullen beginnen:
"Ik kan u de verzekering geven dat de daden en werken van dien onvergetelijken "Zeeridder" altijd bij ons in levendige herinnering zullen blijven en zijn edele, echt mannelijke persoonlijkheid ons steeds als een heerlijk ideaal, schier onbereikbaar, zal voor oogen staan, als het ideaal van den Hollandschen zeeman, van den zeeman, waardig een eervolle plaats in te nemen in de rijen onzer roemrijke "zeevaders"."
Nadat Beynen het Instituut verlaten had, waar zijn naam dus in eervolle herinnering wordt gehouden, en waar hij eenige trouwe, hartelijk geliefde vrienden won, maakte hij een oefeningstocht op de Urania, en werd hij, na tot adelborst 1e klasse benoemd te zijn, in September 1871 geplaatst op Zr. Ms. wachtschip de Rijn, te Hellevoetsluis. Zijn eerste zeereis maakte hij in het voorjaar van 1872 aan boord van Zr. Ms. Wassenaer, waarmede hij naar de kust van Guinea ging. Hij werd op de Afrikaansche kust voor het eerst door ijlende koortsen aangetast, waaraan hij later nog enkele keeren lijden zou bij tropische hitte. Op de terugreis naar het vaderland hersteld, ging hij in Augustus van dat zelfde jaar aan boord van de Wassenaer in de Noord-zee kruisen, en kreeg hij gelegenheid Edinburgh en de Schotsche Hooglanden te bezoeken, vanwaar hij aan zijn ouders even aardige als levendige brieven schreef. Maar hij bleef verlangen naar meer bedrijvigheid en moeielijker werk, en zijn vurige wensch werd dus vervuld toen hij in 1873 naar Atjeh werd gezonden.
II.
IN ATJEH.
Het was in den tijd, die verliep tusschen het verlaten van Atjeh door de eerste expeditionaire macht en de eerste krijgsbedrijven van de tweede expeditie, dat Beynen op Zr. Ms. fregat Zeeland, onder bevel van den kapitein ter zee Van Gogh (thans in 1879 kommandant der zeemacht in Indië) naar Atjeh gezonden werd.
Aan boord van dit schip schreef hij in Juni 1873:
"Al sedert vier dagen liggen wij op de reede van Atjeh. Onbeschrijfelijk vreemd en doodsch is de indruk, dien men ondervindt als men op een reede komt, waar men niet verwelkomd wordt door allerlei soorten van prauwen van bevriende eilanders met vruchten enz. Wij kwamen dicht bij den vijandelijken wal ten anker. De kust is zwaar begroeid en daarachter ligt hoog bergland.
"Nu stelt gij u zeker voor, dat de toestand hier is als volgt:
"De geheele kust geblokkeerd door de Nederlandsche zeemacht, terwijl Atjeh een nietsbeduidend, in verval geraakt staatje is. Dat denkt men in Holland, maar 't is mis, geheel mis! Atjeh is niet in verval, en de Atjehers vechten als leeuwen. Het is een groot, sterk slag menschen, die, na hun geweer afgevuurd te hebben, tegen het sterkste snelvuur der Beaumont-geweren inloopen, met twee klewangs gewapend. De kolonialen hebben zich prachtig tegen hen gehouden.
"De Atjehers zijn steeds druk in de weer. 's Nachts ziet men van het dek al hun nachtvuren tegen de helling der bergen, wat een zeer eigenaardig gezicht is.
"Onze kolonel werkt maar altijd rusteloos voort, met het gevolg dat het hier hoe langer hoe beter wordt, wat de blokkade betreft. Daar een onzer officieren adjudant van den kolonel is geworden, moest ik als oudste adelborst op het admiraalschip officiersdienst doen. Omdat er hier verschillende gevallen plotseling op de wacht voorkomen, zag ik er eerst tegen op, maar ik vond het toch heerlijk. Het was Zondag den 16den Juli 1873 dat ik mijn eerste wacht als officier deed.
"Toen ik op de dagwacht kwam, kreeg ik over--d.i. deelde de naar kooi gaande officier mij mede--dat er in de Malakkastraat een schip even zichtbaar was, doch dat men er nog niets verders van wist. Ik keek mijn oogen uit, maar ik kon niets anders van het schip verkennen als dat het dubbele marszeilraas had, een witten gang en sloepen aan bakboord. Toen ik echter uit het manoeuvreeren begreep dat het schip op de reede wilde komen, liet ik dadelijk den eersten officier waarschuwen. De overste kwam onmiddellijk op 't dek. Hij wilde juist de officierssloep doen strijken, toen het schip afhield, de Turksche vlag vertoonend, die veel op de Atjehsche gelijkt. De overste, ziende dat het dek zwart van volk was, vertrouwde de zaak niet, en liet de twee groote sloepen bewapenen, die hij door twee gewapende barkassen naar het schip liet sleepen.
"Het was een Turksch schip, Nedjah genaamd, dat, ons salueerend, ankerde onder den vijandelijken wal. Wij maakten meer stoom, lieten de ketting met een boei er op slippen en hielden op de reede op en neder, vlak langs het Turksche schip, met de batterij slagvaardig. Dit alles geschiedde in enkele oogenblikken. De Turksche kapitein kwam aan boord, vergezeld van een Maleischen tolk, en nu bleek het een Arabisch schip te zijn van Mekka, kapitein Mahjeddin, met ruim 450 hadjis aan boord, waaronder veel Atjehers. Daar de kapitein bewees dat hij van de blokkade niets wist, lieten wij hem vrij gaan, doch gaven hem last, zonder eenig verkeer met den wal, onmiddellijk het anker te lichten en de geblokkeerde wateren te verlaten, wat hij deed, terwijl de Siak hem volgde om toe te zien dat hij het bevel nakwam, en de stoombarkassen jacht maakten op prauwen, die het waagden uit den wal te houden om de Nedjah aan boord te komen.
"Wat heb ik het getroffen op mijn eerste wacht als officier!
"Het is nu November en sinds eergisteren waren er goede voorteekenen voor den zoo verlangden N. O. Passaat. Gij kunt u niet voorstellen welk een aangename verrassing het was, toen ik, op dek komend, hedenmorgen zag dat wij in plaats van Z. W. nu N. O. voorlagen.
"Bijna vijf maanden lang hadden wij onophoudelijk Z. W. voorgelegen, en dit gaat hier altijd gepaard met nat, slecht weder, en nu lagen wij, voor het eerst sinds ik hier ben, N. O. en woei ons een heerlijke, koele, droge, geurige wind tegen, terwijl de zon zoo vroolijk en vriendelijk scheen, aan alles kleur en tinten gevende. Zij verdreef de donkere wolken van de toppen der bergen en liet de scherpe kruinen zich sterk afteekenen tegen het hemelblauw. Wat ook heerlijk genoemd mag worden is, dat nu de schaduwen van de zee zijn weggejaagd, ik een blik kan werpen in het heldere blauwe water onder ons, waar tallooze schitterend gekleurde visschen in onze vreugde over de zon en het weder deelen. De hooge steile donkere kust had onmiddellijk een vriendelijken tooi aangenomen. De krachtige stralen der tropische zon drongen in de diepste kloven van het gebergte door, en we zagen die heerlijke groene wouden, welke Insulinde zoo geheimzinnig aantrekkelijk maken. Zacht glooiend liepen de lichtgroene berghellingen, hier en daar door donkerzwart-groen geschakeerd, tot het strand af, waar de zilverwitte branding haar eeuwig lied zong, terwijl haar tot nu toe zoo donderende tonen zachtkens en geleidelijk overgingen in die stille welluidende alleenspraak der fluisterende golven, welke steeds begrepen worden door hen, die smart kennen.
"Hoe heerlijk schoon is God's schepping, en wat doet het treurig aan dat wij die vruchtbare vallei moeten gaan doorweeken met bloed van inboorlingen en Europeanen.
"Den 17den November moesten wij den wal naderen en werd er een benting door ons beschoten, waaruit batterijen het ons lastig maakten. Wij verdreven den vijand, doch wat mij het meeste trof, was het gezicht van een eenvoudigen kampongbewoner, die onder ons hevigst vuur met echt Indische kalmte en waardigheid op het strand langs de zee liep, terwijl hij met deftige, statige bewegingen met de armen de geheele kustlijn bezwoer, oogenschijnlijk vast overtuigd, dat hij daardoor zijn schoongelegen visschersdorp behoeden zou voor vernieling.
"Ik ben tijdelijk op Zr. Ms. Schouwen overgeplaatst, welk schip deel uitmaakt van het eskader, dat Sumatra's westkust blokkeert. Het bevalt mij hier aan boord weder zeer goed, vooral daar ik hier officiersdienst doe en 's morgens en 's middags van 4 tot 8 wacht heb, wat zeer aangenaam is, daar wij veel zeilen, loerende op drie Turksche schepen, die hier gepasseerd zijn met ammunitie voor Sumatra.
"Den 14de heb ik een grap gehad. Luitenant v. d. Heuvell en ik kregen last om de Karang-Baba-baai op te nemen en in kaart te brengen. De baai ligt bezuiden Atjeh-head, waar onze kommandant de batterijen moest vernielen. Nadat wij twee dagen van 's morgens vroeg tot donker er mede bezig waren geweest, konden wij de baai in kaart brengen, maar de kommandant wist de plaatsen nog niet waar de batterijen stonden. Nu kreeg ik last om met mijn sloep vlak langs den wal te houden in de hoop dat men op mij zou vuren. Op de vermoedelijke plaats der batterij gekomen, roeide ik vlak den wal in tot voor de brekers op het rif, en wierp daar de dreg in den grond om niet in de branding te geraken. Ik kon nu de Kali prachtig opnemen, doch de vijand was te slim om door schieten zijne batterijen, die in het groen verborgen waren, te verraden. Zelfs toen ik met mijn geweer eenige schoten loste op het strand, hield de vijand zich roerloos. Wind en zee namen toe, en ik hield meer op zee naar luitenant Van Broekhuyzen, die met onze kleine vlet in de golven lag te hakken, zonder er veel vaart in te kunnen krijgen.
"De Atjehers hadden mij echter goed gezien en hielden mij in de gaten, en toen ik den volgenden morgen bezig was aan den Noordhoek van de baai een kreek op te looden, werd mijn sloep van achter de struiken plotseling door een heftig geweervuur beschoten. Ik had last om op te nemen en niet om te vechten en ik ging dus met mijn sextant door, doch toen de vijanden op het strand kwamen en daar bedaard gingen knielen en op hun gemak op mij aanlegden, terwijl een hunner het waagde met de Atjehsche vlag te wapperen, kon ik niet nalaten mijn Beaumont op te nemen en tien schoten op de heeren te lossen, wat genoeg was om het geheele strand schoon te maken, zoodat ik met mijn bezigheid kon voortgaan, ofschoon ze bleven schieten uit het bosch, zoodat er vele kogels over en naast de sloep vielen, zonder iemand te kwetsen. Een paar uur later kwamen we heelhuids weer aan boord.
"Dit was een aardig avontuurtje.
"Alles is nu trouwens genoegelijk, want wij hebben gelukkig onzen inslag uit Batavia gekregen, na 4 1/2 maand eigenlijk gebrek te hebben geleden, zoodat wij nu weer dik beginnen te worden. Gelukkig dat het Roode Kruis ons meermalen bedacht, hoewel er natuurlijk door het groote aantal monden niet veel voor ieder was. Dat weinige zal ik toch mijn geheele leven door blijven gedenken. Ik kan u niet genoeg mijn bewondering te kennen geven over de wijze, waarop de marine tijdens de blokkade groote ellende zonder mopperen doorgestaan heeft. Men kan er zich van verre geen denkbeeld van maken, maar als men weet wat op die kleine scheepjes, vooral op de Westkust maanden en maanden lang geleden is, zonder eenige afleiding of verademing en zelfs zonder voldoend voedsel, dan krijgt men grooten eerbied voor de mannen, die zoo gewillig en blijmoedig hun edelste krachten ten beste geven in het belang van ons dierbaar vaderland. Dat ziet niet op mij; o! neen, dat weet gij wel beter, maar op die kloeke officieren en manschappen, die maanden lang, terwijl ze de kust blokkeerden, met stormweer te kampen hebben gehad op scheepjes, die steeds water schepten, zoodat men--en dat is geen mopje, ik verzeker het u--meer in het water dan op het droge leefde.
"Verschillende equipages zijn dan ook afgewerkt en geheel uitgeput, maar steeds vol goeden moed.
"Dit zijn zaken, die met geen goud betaald kunnen worden, en land en volk zijn en blijven, ook weer bij deze expeditie, aan de marine ontzaglijk veel verplicht."
De adelborst, die met zulk een geestdrift sprak van de officieren der marine, die hem een voorbeeld gaven; de jonge man, die nooit klaagde en ontevreden was, maar steeds bewonderde en liefhad, zou spoedig zelf de ernstige zijde van het beroep zijner keuze zien.
Op de blokkeerende vloot barstte in December 1873 de cholera uit.
"De gele vlag waait thans ook aan boord van Zr. Ms. Zeeland," schrijft hij, "en het is steeds een treurig iets zulk een ziekte als de cholera aan boord te hebben van een schip, waar men alles zoo haarfijn hoort en ziet. Ik moet over de reede varen met flesschen karbolzuur om te desinfecteeren, en om choleralijders met de sloep te vervoeren. O! die ziekte! die ziekte! welk een vijand! Soms als ik juist op een schip aanlegde, zag ik een lijk over boord gaan, en het gebeurde ook wel dat lijken voorbijdreven... 's Morgens deed ieder schip een sein om mede te deelen hoeveel lijders er aan boord waren, en dan voer de boot rond om alle zieken te gelijk over te voeren naar het tijdelijk hospitaal op het eiland Nassy.
"Ik zelf ben met een groot gedeelte van mijn mariniers van den wal teruggekeerd met de cholera. Daar ik het in dienst gekregen had, voorzichtig was geweest met water drinken en mij niet aan noodeloos gevaar had blootgesteld, schikte ik er mij kalm in. Doch mijn arme soldaten zijn door de kogels gespaard om te zekerder door de cholera te sterven. Het peloton, dat ik aan wal aanvoerde, is gedecimeerd. Zoo iederen morgen mis je weer deze of gene van je troep, een vriend of een kennis, en vraag je dan: "waar is die en die?" dan is het steeds hetzelfde: "vannacht op post in elkaar gezakt!" of: "aan de ziekte overleden." Ik ben echter weer in zooverre hersteld, dat ik de overgeblevenen kan voorgaan.
"Van een mijner vrienden moet ik u echter eerst wat vertellen. Van het begin der expeditie af heeft mijn vriend, de adelborst Schuylenburg, dag en nacht met de ziekensloep gevaren, wat ik slechts een enkelen keer deed. Doch hij kan bijzonder goed met een sloep omgaan, welke hij handig door de branding weet te brengen. Geen moeite is hem te veel; hij biedt zichzelven telkens aan voor het verschrikkelijke werk van het vervoeren der zieken, terwijl men eens zien moest, met welke teedere zorg en oplettendheid hij er voor waakt, dat zoowel choleralijders als gewonden zoo min mogelijk last zullen hebben van de reis in de sloep.
"Heden (11 Dec. 1873) kwam hij bij ons aan boord om zieken af te halen en over te brengen naar de ziekenschepen. Hij en zijn volk hadden in geen drie dagen ander voedsel gehad als nu en dan wat harde beschuit, en hij was niet uit zijn barkas geweest. Wij drongen er op aan, dat hij zich bij ons eens goed wasschen en ferm wat eten zou, doch hij werd te vroeg weer weggezonden. In den afgeloopen nacht was zijn vlet in de hevige branding omgeslagen. Deze vlet is een ondiepe sloep, waarin hij de gekwetsten van den wal naar zijn barkas of de ziekensloep van het Roode Kruis roeit. Toen de vlet vol water was en zonk, gaf Schuylenburg het voorbeeld. Hij en zijn matrozen namen ieder een gekwetste op de schouders, en ze poogden, nu zinkende dan zwemmende, vasten grond onder de voeten te krijgen. Ze liepen het grootste gevaar, maar niemand dacht er aan zijn leven te redden door den gekwetste aan zijn lot over te laten, en ten laatste gelukte het hun den wal te bereiken, zoodat allen gered werden."
Een halve maand later schrijft hij opnieuw over zijn vriend Schuylenburg, die met hem den aanval op Pedir medemaakte en daarbij gewond werd.
"Mijn vriend, de adelborst Schuylenburg, ging ook mede. Terwijl ik tijdelijk als infanterieofficier optrad, was hij weer bij de ambulance, waarmede hij tot in de voorhoede oprukte. Druk bezig zijnde met de gewonden dadelijk in zijn armen op te nemen, om ze in de tandoes te laten vervoeren, stortte hij neer, door een kogel getroffen, die hem het been verbrijzelde. Ach, wat veroorzaakte mij dit een smart!... Welk geduld toonde hij steeds, als hij op al de ziekenschepen bij beurte plaats vroeg voor zijn kranken en, dikwijls onheusch bejegend, steeds vriendlijk volhardde totdat hij den armen choleralijders een rustplaats bezorgd had. Zulke diensten, als hij steeds bewees, zijn niet te beloonen. Maar juist omdat ze zoo weinig opgemerkt worden zijn ze zoo schoon!"
Deze edele jonge held, die in enkele regels zoo aanschouwelijk wordt beschreven door zijn vriend, overleed aan de bekomen wonde.
Den 31sten Januari 1874 schreef Beynen: "Eergisteren stierf na een allersmartelijkst lijden mijn vriend F. W. Schuylenburg aan de gevolgen zijner bekomen wonden bij Pedir, waarbij bovendien nog dysenterie kwam. De laatste dagen had hij de klem. Zijn overlijden heeft mij dieper getroffen dan ik kan zeggen.
"We hebben hem gisteren begraven in den grond, maar al te duur verkregen en ook door zijn bloed gekocht, hopende, zooals overste Binkes het uitdrukte, dat het voor de ouders eenigen troost zou zijn te weten, dat hij ten minste onder de Nederlandsche driekleur en dus op Nederlandschen bodem begraven ligt. Hij rust in het zeestrand, aan den zoom van het bosch; een eenvoudig kruis met vermelding van naam en datum zal voortaan de plek aanduiden, waar onze brave makker zijn laatste rustplaats vond."
Tot de helden, waarop ons vaderland fier kan zijn, behoort de adelborst F. W. Schuylenburg. Zijn vriend Beynen heeft in de brieven aan zijn moeder de beeldtenis van dien jongen ridder der zee bewaard, en er voor gezorgd, dat dit voorbeeld van onzelfzuchtige plichtsbetrachting, van hartelijke toewijding aan zijn naasten en zijn vaderland, niet verloren is gegaan.
Beynen was te zamen met zijn vriend Schuylenburg in het vuur geweest, en de beide adelborsten der marine hadden getoond niet alleen op zee hun Koning te kunnen dienen.