Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen

Part 18

Chapter 181,654 wordsPublic domain

Ja, vroom en vroed gelijk de vaadren, Wier voetspoor gij weer hebt gedrukt! Zij reikten u den eerelauwer, Uit hun nog groenen krans geplukt. Gij deedt voor eeuwenoude glorie Het hart des volks weer hooger slaan, Herleeft ter zee onze oude luister, Met u vangt dan dit tijdperk aan.

De "Willem Barentz" hijscht--wij willen 't-- Dra Hollands vlag weer als 't symbool, Dat de oude geest zijn vleuglen uitslaat En wakker streeft van pool tot pool. Gij moogt dat scheepje niet verzellen, In zege deelen noch in strijd; Toch werkt ge op scheepsvoogd en gezellen, Bezielend of ge aanwezig zijt.

Dus gaat er ook van dezen doode Een levenwekkende adem uit, Den killen ijskorst weer ontdooiend, Die menig hart voor geestdrift sluit. De driekleur wappert nu in 't Noorden, In 't Zuiden straks--doch wáár ontplooid, Die 't eerst na eeuwen ze er ontrolde, Neen, 't dankbaar volk vergeet hem nooit.

Rijst eenmaal binnen de Amstelmuren 't Walhalla, dat te aanschouwen geeft In wie de roem van vroeger eeuwen, Het leven onzer natie leeft, Dan naast de Ruyter en de Trompen Dees jongen Tromp een plaats geboôn: "Zeevaders" noemde hij die oudren, Wèl was hij hun een waardig zoon!

Maar doen wij meer nog, doen wij beter, Dat ieder schip van Neêrlands vloot In officiershut en vooronder Zijn beeltnis toone, en 't hoofd ontbloot, Spreke elk in geestdrift bij 't aanschouwen: "Wij volgen op de ontsloten baan, "Ons voorbeeld zullen we in u eeren, "Die, jong, zooveel reeds hebt gedaan."

Wageningen. C. Honigh.

INHOUD.

Blz.

Voorrede 7 Inleiding 13 Zijn jeugd 21 In Atjeh 28 Naar het Noorden 50 De tochten op de Pandora 57 Met woord en daad 111 Des zomers op de Noordzee 126 Op de Willem Barents 150 In den mist 164 In 't westijs 168 In 't kraaiennest 173 In 't oostijs 187 Laatste winter in het vaderland 193 's Winters op de Noordzee 203 Laatste maanden 237 Bijlagen 258

AANTEEKENINGEN

[1] "Zeevaders" was een geliefkoosde uitdrukking van Beynen, als hij van de zeelieden der 17de eeuw sprak.

[2] Ds. Gunning--die later hoogleeraar te Leiden werd--was ons een leermeester geweest, wien het zoo geheel ernst was met zijn adspiratie tot den oneindig liefdevollen Verlosser, van wien hij ons sprak, dat hij, in welke opvatting we ook later van hem verschilden, ons onvergetelijk bleef, zoodat ons beider vriendschap voor hem ook ons tot een bracht.

[3] Mac Gahan, die een paar jaar later zoo beroemd werd door zijn schrijven in het oosten als correspondent van de Daily-News, was de vriend en vertegenwoordiger van den heer Bennet, den eigenaar van de New York Herald, die 2000 £ gegeven had voor den tocht van de Pandora. Luitenant Lilingston, die als eerste officier medeging, had ook 2000 £ bijgedragen, doch het schip was gekocht en in orde gemaakt op kosten van kapitein Allen Young zelven. Hij hoopte den westelijken doortocht te vinden, en iets te ontdekken van de overblijfselen van Sir John Franklin, die dertig jaar geleden naar het hooge Noorden gestevend en daar met al de zijnen omgekomen was.

[4] "Rotches" is de Engelsche benaming. Onze Groenlandvaarders noemden deze vogels "Rotges" of "Rotte Hedges" naar het geluid 't welk zij maakten: rottet, tet, tet, tet.

[5] "Ik wensch u mede te deelen hoe gelukkig wij ons rekenen, dat we zulk een goed en ijverig officier als luitenant Beynen aan boord hebben. Ik kan werkelijk niet genoeg ten zijnen gunste zeggen, want hij is ijverig en oplettend, en een bijzonder aangename kameraad aan boord. We zijn allen hartelijk met hem ingenomen en hij is ons van het grootste nut."

[6] "Luitenant Beynen gaat ons verlaten, tot leedwezen van al zijn kameraden en van de geheele bemanning van de Pandora. Hij heeft zich in elk opzicht onderscheiden. Wat mij betreft kan ik zeggen dat ik, indien ik weer naar de IJszee terugkeer--wat zeer mogelijk is--niets liever zou wenschen dan dat hij weer met ons mede ging. Ik hoop echter in zijn belang dat vóór dit geschiedt, door de Nederlandsche regeering een expeditie naar het Noorden zal worden uitgerust en dat Beynen dan een der hoofden zal zijn, want indien het welslagen eener onderneming verkregen kan worden door talent, geestkracht en zeemanschap, dan ben ik overtuigd dat hij elke onderneming zal doen gelukken."

[7] De heer Schorer, later commissaris des konings in de provincie Noord-Holland en vervolgens vice-president van den Raad van State, was vol geestdrift voor de tochten naar het Noorden. Hij is ons vaderland nu helaas ontvallen, die edele man, die geboren regeerder.

[8] Het bevel over de expeditie was opgedragen aan den luitenant t/z. 1e klasse A. de Bruyne, wien als officieren waren toegevoegd de luitenants t/z. 2e klasse L. R. Koolemans Beynen en Jhr. H. M. Speelman, welke laatste de magnetische waarnemingen zou verrichten. Dr. Sluijter, die reeds in 1876 zoölogische onderzoekingen in de Noordzee hielp doen, maakte de reis als natuurkundige mede, terwijl Dr. P. J. Hymans van Anrooy, officier van gezondheid van het Indische leger, zich als geneesheer bij de expeditie aansloot. Van het belangelooze aanbod van een jeugdige Engelschman, den heer W. J. A. Grant, met wien Beynen op de Pandora gediend had, een amateur-photograaf, die aangeboden had de reis vrijwillig mede te maken en alle photografische toestellen en benoodigdheden voor de expeditie mede te brengen en bij terugkomst alle clichés aan 't comité af te staan, werd met ingenomenheid gebruik gemaakt. De bootsman B. Witteveen, de timmerman E. F. Vogelaar en de kok J. de Bruyn behoorden tot het personeel der Koninklijke Nederlandsche Marine en de rest der bemanning bestond uit twee matrozen van het loodswezen te Vlissingen, B. G. Baljé en J. Kamermans, uit twee visschers van Marken, J. Roos en A. de Waart, en een tonnenlegger uit 't Nieuwediep, D. de Wit.

[9] Hier en daar vul ik zijn brief aan met zijn verslag.

[10] In het ijs of in het kustwater ontkleeden de wachtdoende officieren bij het naar kooi gaan zich nimmer.

[11] Zie in de eerste bijlage achter het boek het Lied van de Barents.

[12] De Castor, waarop ik de reis naar de vischgronden medemaakte, is een der voortreffelijke schepen van de Maatschappij Neptunus, wier directie zoo vriendelijk was mij de vergunning te geven mede te gaan.

Door het verdienstelijke initiatief van de heeren Ch. Bosch en P. E. Tegelberg werd op den 1sten October 1876 de Maatschappij tot Exploitatie van Zeevisscherij "Neptunus" te Nieuwediep opgericht, onder directie van de heeren Den Dulk en Van Oosterenterp, terwijl de heeren Bosch Reitz en Tegelberg als commissarissen optraden.

De directeuren hadden reeds van 1872 den groothandel in visch op binnen- en buitenland gedreven, en deden dezen aan de Maatschappij over, zoodat reederij en vischhandel vereenigd werden onder één naam.

Het maatschappelijk kapitaal bedraagt 120.000 gulden, zijnde 120 aandeelen à 1000 gulden, verdeeld in 2 seriën.

De Pollux en Castor kwamen in 1877 in de vaart, de Rhea en Saturnus in 1878.

Ongetwijfeld behooren deze sierlijke schoenertjes tot de schoonste vaartuigen onzer Noordzee-vischvloot en verdienen de namen der bekwame schippers, door wie ze bestuurd werden, gemeld te worden.

De Pollux wordt gestuurd door schipper A. Verschoor. ,, Castor ,, ,, ,, ,, A. Koster. ,, Rhea ,, ,, ,, ,, C. Noordzij. ,, Saturnus ,, ,, ,, ,, L. v. Veelen.

De bemanning bestaat bijna geheel uit Pernissers, moedige forsche visschers, zooals wij gezien hebben, die zelfs bij stormweêr visschen.

De equipages varen uitsluitend "op zegen", dat wil zeggen op deel, volgens eene regeling tusschen kapitaal en arbeid, zooals van oudsher te Pernis in zwang was.

Deze belangwekkende regeling, door langdurige praktijk allerdoelmatigst bevonden, is aldus:

Het schip krijgt 72 deelen of lijnen.

De schipper 16, 7 matrozen ieder 12 en de 5 jongens naar grootte van 10 tot 2, namelijk van de netto besomming, dat wil zeggen van hetgeen overblijft na aftrek van de gemaakte kosten: zijnde het huurgeld van de beug, de victualie, het ijs, het vischaas, het havengeld, het sleeploon, fooien, steenkolen, enz. enz.

Als voorbeeld diene het volgende:

Van half October tot half December 1878 maakte de Castor 5 reizen (4 naar Grimsby en 1 naar Vlaardingen).

De bruto-besomming bij elkaar was f 3640.00 De onkosten, die reederij en visschers hiervan eerst betaalden, bedroegen f 1269.39 Het deelgeld bleef dus f 2370.61 Hiervan kreeg de maatschappij 72 deelen f 914.-- Albert de schipper 16 deelen f 203.-- 7 matrozen ieder 12 deelen f 1064.28 Een jongen 7 deelen f 88.09 Een jongen 5 deelen f 63.05 Kleine Jan 2 deelen f 25.04

Hoe meer men vangt, hoe minder onkosten men maakt, of hoe geringer schade men bekomt, des te grooter worden dus de aandeelen niet alleen van de reederij, maar van ieder visscher.

De groote verdiensten der schoeners is hare groote bezeildheid, waardoor zij de visch spoedig levend binnen brengen en in korten tijd van en naar de verste vischplaatsen kunnen gaan.

't Zijn keurige scheepjes, wel bezeild, goed zeehoudend, en onze bekwame schippers kunnen er mee lezen en schrijven.

Het Nieuwediep, met zijn schoone, altijd stroomende haven, ligt voor de visscherij zeer gunstig. Trekt men eene lijn van benoorden de Doggersbank, waar zij meest visschen, tot naar Midden-Duitschland, waar 't grootste débouchée is, dan loopt die lijn vlak over 't Nieuwediep. Moge 't Nieuwediep eens worden wat Grimsby voor Engeland is!!

De Maatschappij "Neptunus" drijft een uitgebreiden vischhandel op binnen- en buitenland.

De puike hollandsche krimpvisch krijgt overal in Europa ingang. Zoowel naar het buitenland als naar de steden en dorpen van ons vaderland zendt de maatschappij visch aan particulieren wanneer men ze per telegraaf of post bestelt.

[13] Zie Bijlage II achter in 't boek.

[14] Dit werd geschreven in Maart 1880 toen de Vega, van haar altijd gedenkwaardigen tocht teruggekeerd, door de Noordzee naar Zweden spoedde.

[15] Deze mededeelingen geven in kort weer wat luitenant van Broekhuyzen in zijn lezing in Zeemanshoop over de resultaten van de reis opmerkte.

[16] "'t Behouden Huys", dus noemden Barents en zijne lotgenooten de hut, waarin zij op Nova-Zembla in 1596 overwinterden.