Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen

Part 17

Chapter 173,786 wordsPublic domain

Toen de mare van zijn dood in Amsterdam bekend werd, voerde men op het Caecilia-concert de derde symphonie van Beethoven uit, en ik weet dat de treurtonen van de marche funèbre menigeen aan Beynen deden denken. En dit te recht, want Beethoven heeft die symphonie gedicht ter eere van een edel mensch; en zoo iets aan Beynen waardig herinnert, dan is het die treurmarsch, waarvan de doffe doodsgalm onmerkbaar overgaat in een lied van liefde en hoop en heerlijke verheffing.

En wat is het slotaccoord der symphonie, als men den ridderlijken jongen man herdenkt? Een gedicht van Longfellow, door mijn vriend C. Honigh voor mij vertaald, moge het aangeven:

Op IJsland's eenzaam onherbergzaam strand Doolde eens de zanger. Stil, als in gebede, Zon hij er op een slotaccoord, waarmede Hij 't boek kon eind'gen, rustend in zijn hand.

De meeuw verliet in cirkelvlucht de reede, De golven ploegden voren in het zand, Nog blonk soms 't avondrood op zee en land, Schoon reeds der wolken schaduw zich verbreedde.

Daar spoelde een riem aan, waar de dichter stond, Gebroken wel, maar 't opschrift was gebleven: "Toen 'k werkte aan u, was ik vaak moede en mat."

't Was hem als een, die 't lang verloorne vond; Hij heeft in 't boek als slotwoord 't opgeschreven, En wierp de pen weg die geen nut meer had.

Ja, de riem waarmede hij roeide, en waaraan hij met stalen volharding en heerlijke geestdrift werkte op de stormachtige zeeën en in de woeste branding, is ten laatste gebroken;--ja, de hersens die slechts tot ééne gedachte zich inspanden: de toekomst der Nederlandsche marine;--ja, het hart, het reine, zelfopofferende hart, waarmede hij zijn land zoo innig beminde,--dat ik soms geneigd was met Vondel's woorden hem toe te roepen:

"Hebt ge Holland dan gedragen onder 't hart!"--

ze zijn ten laatste bezweken. Hij had in korten tijd te veel gevergd van hart en hoofd.

De riem, waaraan de jonge zeeridder met het leeuwenhart zwoegde, is gebroken. God nam hem tot zich, en, gelooft ons, zijne vrienden, die hem beschouwden als een dierbaren broeder, die hem liefhadden en vereerden, die wisten dat zijn zenuwgestel geschokt was, en hem daarom belet hebben weder naar het Noorden te gaan, gelooft ons: zoo ooit een jonge held, rust weigerend, op het slagveld gesneuveld is, zijn leven verliezend uit toewijding aan zijn land, dan is Beynen dus bezweken. In de branding is de riem in zijn handen gebroken!

Maar zijn geest leeft voort, en, landgenooten, gij allen kunt helpen, om dien voort te laten leven in Nederland.

Zie, de geestdrift van hen, die tehuis zitten, terwijl de Beynens en Schuylenburgen voor het land hun hartebloed geven, is goedkoop genoeg, en kan het gevolg zijn van een oogenblikkelijke opwinding; één woord van een man, die door daden mocht toonen hoe lief hij zijn land heeft, vermag honderdmaal meer, maar wij kunnen allen slechts roeien met de riemen, waarover wij beschikken. Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen, van wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!

Ieder werke mede met de kracht, waarover hij beschikt, tot eer van het land!

Ik kan niet zeggen hoe dankbaar ik zou wezen, indien er twintig, indien er tien, indien er vijf van de lezers van dit leven van Beynen--die tot nog toe niets deden--voortaan wilden medewerken om voor de marine die groote oefenschool van de IJszee, de oefenschool van Nelson, Heemskerk en De Ruyter, open te houden.

Telkens vraagt men nog wat het nut dier tochten is; doch als u de argumenten niet zoo spoedig in gedachten komen, zeg dan: "Kom, laat ons op ouderwetsche wijze nog eens gelooven op gezag; ik geloof in het nut dier tochten voor den zeeman, omdat de Engelsche minister van marine onlangs zeide: "de Noordpoolreizen zijn een school voor ons zeevolk, daar ze het opvoeden in het kalme zelfvertrouwen, dat alleen de bestrijding van gevaar kan geven."

"Ik geloof in het nut dier tochten voor den zeeofficier, omdat een man als Sir Henry Rawlingson verklaarde: "de tochten naar het noorden hebben in vredestijd dien geest van onversaagdheid, van ondernemingszucht, van zelfverloochening gekweekt en onderhouden, welke zoo onontbeerlijk is voor een waar zeeofficier."

"Ik geloof ten laatste in het nut dier tochten voor het vaderland, omdat kolonel Jansen, die onze marine lief heeft en weet wat haar ontbreekt, die tochten aanbeveelt; omdat Beynen zoo van hun nut overtuigd was, dat hij zijn levensgeluk, zijn denkkracht en hart er voor opofferde; omdat mannen als De Bruyne en Speelman tot twee keer het roemrijk voorbeeld hebben gegeven; omdat luitenant Calmeyer, vol frissche zeemansgeestdrift, ten tweeden male zich als vrijwilliger aanbiedt; omdat luitenant Van Broekhuijzen, die het Willemskruis op het moedige hart draagt, na in den zomer van '79 gezien te hebben hoe groot de gevaren zijn, hoe ontzaglijk de verantwoordelijkheid is, toch den derden wil leiden, als Nederland's volk maar het geld geeft; omdat kloeke, jonge geleerden als de doctoren Sluyter, Lith de Jeude, Hymans van Anrooy en Faasen, met bewonderingswaardige toewijding, als vrijwilligers zeemansdienst deden op de Barents, ten einde op zee kennis te vergaren; omdat de waardeering van alle geographische genootschappen zoowel als van zoölogen en weêrkenners toont hoeveel deze tochten reeds voor de wetenschap deden; omdat geleerden en eenvoudige zeelieden zich om strijd aanbieden; omdat tal van zeeofficieren er om bedelen, de eer te mogen hebben voor het vaderland het leven te gaan wagen in de Poolzee."

Wilt ge het nut dier tochten beseffen?

Stelt u voor dat Zweden op het oogenblik met een machtige zeemogendheid in oorlog was. [14] De kust is geblokkeerd door de vijandelijke vloot, die den toegang tot de havens geheel verspert. Doch wat beduidt die rookwolk ginds in het verschiet? Het is de Vega die terugkeert van haar roemrijken tocht door het Noorden naar het Oosten. Nordenskjöld ziet de vijandelijke schepen, doch hij zegt tot kapitein Pallander: "Hijsch de Zweedsche vlag in top," en hij houdt fier en koen op de blokkeerende vloot aan. En wat geschiedt er? Ziet, gepantserd schip, torpedoboot en monitor, wijken links en rechts, ze maken ruim baan voor het pionier-schip, der wetenschap....., en ze salueeren de vijandelijke vlag!

Die wetenschap en handel dient, is de weldoener van alle volken.

En zegt nu niet: "Indien die tochten nuttig zijn, dan moest het land ze zelf betalen!"--Nu betalen de vrijwilligers uit ons zeevolk ze, en dit is schooner! Indien het land het deed, moest het op grooter schaal geschieden, ontzaglijk veel kosten, en voor onmiddellijk tastbaar nut dient reeds zoo veel uitgegeven te worden. Wij zorgen er al vast voor, dat er ervaren zeelieden zullen zijn voor een grooter schip met stoomvermogen, dat later, gelijk Beynen hoopte, zoowel de zuidelijke als de noordelijke poolzeeën zal onderzoeken; de regeering zal ten slotte ongetwijfeld medegaan en een jaarlijksche kruistocht in de IJszee tot oefening der marine onontbeerlijk achten, doch laat het volk driemaal toonen dat het offers voor het schoone doel overheeft... driemaal is scheepsrecht!

En weet ge, landgenooten, waarom ik het bovendien zoo gelukkig vind, dat tot nu toe ons volk vrijwillig zijn zeelieden naar de Barentszee zond?--Omdat dit zulk een voortreffelijken indruk maakt in den vreemde; omdat men in het buitenland, waar men zelden van Nederland hoort, verneemt wat we nog in het Noorden vermogen, want alle naties stellen belang in de IJsvaart. En het doet goed om in den vreemde te hooren zeggen, gelijk mij het geluk te beurt viel in Engeland van een onbekende te vernemen: "Voorwaar! de Hollanders zijn niet ontaard; ze zenden nog op kosten der burgerij vrijwilligers naar de poolzeeën; de oude heldenaard en vaderlandsliefde zijn nog krachtig in uw roemrijk kleine land!"

De Nederlandsche vlag, die door vrijwilligers der marine op kosten der burgers op den ijsschoener geheschen is, getuigt voor ons volk. Wanneer ze wappert in de zeebries op het donkerblauwe water der Poolzee, tusschen de blinkende ijsschotsen, dan is ze een symbool: het symbool van ons frisch en krachtig volksbestaan, van onzen eerbied voor de traditie, van onze hoop op de toekomst.

En zegt nu niet: "Wat baten symbolen? Ze helpen ons niet in gevaar! er gaat geen kracht van uit!" Want er is juist weinig, wat zulk een reusachtige beweegkracht is, als een symbool waarin men gelooft.

Aan hen die de tochten geen sympathie waardig achtten, omdat ze nog geen geld hielpen verdienen en slechts een symbool zijn, zoude ik een vraag willen herhalen, welke ik vroeger, mij woorden van Robertson herinnerende, eens stelde:

Waarom is het dat ginds op die breede vlakte, waar twee legers den grooten kamp voor het vaderland strijden, ééne enkele plek vooral onze aandacht trekt. Waarom zijn aldaar de dichte drommen van den aanstormenden vijand reeds tot vijfmaal toe teruggeslagen? De grond davert en dreunt van de herhaalde charges der vijandelijke huzaren; dichtgezaaid liggen om die plek de lijken der dapperen; doch nog steeds bliksemen de sabels der officieren, flikkeren de bajonetten der soldaten in de zonnestralen, die, tusschen de jagende wolken van kruitdamp door, die kleine plek bestralen. Het onophoudelijk ratelen van het musketvuur, het donderen der zware kanonnen vermag aldaar zelfs niet het juichen te overstemmen der bezielde helden, die vol heerlijke geestdrift hun kostelijksten schat met hunne borst beschermen.

Hoe onberekenbaar groot, mijn practische vriend, die het belang van alles berekent naar het geld dat het opbrengt, moet wel de waarde zijn van den schat, die dus door edele mannen met hun hartebloed verdedigd wordt! Wat mag het wel wezen, dat met onweerstaanbare kracht die dapperen ginds tot duizend heldendaden drijft?

Het is omdat daar de vlag, de heilige driekleur van de vaderen, geplant staat!

Gaat nu, o practische berekenaars, naar die oude krijgers heen en vraagt hun: waarom, mijn vrienden, stelt ge u dus in groot gevaar voor eenige vierkante meters dunne zijde, die veel door weer en wind geleden hebben? en ik geloof, dat gij een antwoord krijgen zoudt dat u verbaasde.

Het edele instinct dier bewogen gemoederen zou bewezen hebben welke stem de ware is: de stem die zegt: deze lap bedorven zijde komt uit een winkel en is geen geld meer waard, of de koninklijke stem van poëzie en vaderlandsliefde, die uitroept: het is het symbool van ons volksbestaan, het is de vlag, het zijn de kleuren van het regiment, de roem van het leger en de eer van het land!

Welnu, Nederlanders, dit symbool, deze vlag, deze heilige driekleur der vaderen, is door Beynen opgeheven: hij, de onversaagde ijsloods van de Barents, heeft haar geheschen in het midden van de streken, door de vaderen ontdekt; hij heeft haar geplant in het midden van het nog niet geheel heroverde kamp en hij heeft er zich op geworpen om haar te verdedigen!

Daar staat de vlag! Wie helpt ons haar daar handhaven, haar daar verdedigen?

Indien men het niet reeds doet uit dankbaarheid aan de marine, uit liefde voor ons land,--laat men het dan doen ter herinnering aan een jongen held, aan een hart zoo edel, rein en onzelfzuchtig als er ooit een voor ons volk klopte.... ter herinnering aan een geestdrift, een toewijding, die honderden heeft bezield....

Wij hebben Beynen en zijn streven herdacht; wij hebben ons den jongen zeeridder weder voor oogen gesteld, wiens leuze de leus van Tromp was:

"Mijn hart en hand Zijn voor mijn land!"

en dan kunnen wij slechts eindigen met een woord, dat zijn geheele leven samenvat:

Groeie en bloeie de Nederlandsche Marine! Leve het Vaderland!

BIJLAGEN.

I.

HET LIED VAN DE BARENTS.

Er was een soldatenlied: "Naar Atjeh! naar Atjeh!" dat Beynen dikwijls zong en aan mijn kinderen leerde. Wie het gedicht heeft, en wien de zangwijze te danken is, heb ik niet te weten kunnen komen. Op die melodie, en gebruik makende van enkele uitdrukkingen in dat soldatenlied, schreef ik ter zijner herinnering "Het lied van de Barents."

Tot twee keer gaat Beynen met Young om de Noord, En "Tromp" noemt bewond'rend hem ieder aan boord. "O! makkers, oud Holland's vlag ligt hier ter neêr! bis. "Wie ontplooit haar met mij op een ijsschoener weer!

"Naar 't Noorden, naar 't Noorden, heel d' aard zal het zien, "Wat Holland, oud Holland nog 't hoofd durft te biên, "Hoe 't volk aan verleden en toekomst gehecht, bis. "Geen gevaren ontziet voor zijn eer en zijn recht!

"Ja, Neêrland! uw zeelui beminnen 't gevaar, "In d' ijszee gehard valt geen taak hun ooit zwaar; "En kost het ook velen, wij geven als rouw bis. "Hun het ridderlijk grafschrift: Beleid, Moed en Trouw!"

Zijn jonge stem trilt wijl naar 't Noorden hij wijst, Zijn geestdrift wekt vuur, en een heldenschaar rijst; De Barents zeilt weg, Holland's vlag wappert grootsch, bis. "Om de Noord!" roept de Bruyne, "met Beynen als loods!"

De Barents breekt nu door het ijs keer op keer, Want Beynen wees Neêrland het strijdperk der eer; Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint, bis. En wij minnen eens 't land zoo als hij 't heeft bemind!

II.

HET WETENSCHAPPELIJK NUT.

Nu wij voor nieuwe tochten--mocht het zijn op een zeilschip met stoomvermogen--het geld en de sympathie van onze landgenooten komen vragen, mogen we met dankbaarheid getuigen dat het kleine poolschip de aanmoedigende eerbewijzen welke de hoofdstad van het vaderland het bij zijn eerst vertrek bracht, ruim verdiend heeft. Mag ik in enkele woorden er aan herinneren wat de Barents voor de wetenschap gedaan heeft? Ik weet wel dat menige gemoedelijke natuur, die niet ontstemd zou zijn zoo al die ijver enkel traan en hoopen glimmend robbenvel betrof, zucht: "Och die wetenschap! wat zijn de tijden toch veranderd!" 't Is zeker, tijden en omstandigheden veranderen, en wij met hen, want elke tijd heeft eigen eischen. Eerst toog men naar het Noorden en zocht nieuwe handelswegen naar de Oost. Toen men op deze reizen links en rechts de waterstralen op zag spuiten, die aan den zeeman toonden hoe vischrijk 't Noorden was, togen groote vloten met Neêrland's vlag in top naar Groenland, Spitsbergen en Jan Mayeneiland heen en bloeide Smeerenburg. Toen de gejaagde walvisch zich terugtrok in het ijs, volgde men moedig 't groote dier en maakte tochten op met ijs bedekte zeeën, en weldra werd het de eer wie 't verste Noordwaarts trekken kon. In onzen tijd doet voor het eerst de wetenschap zich gelden, en zijn streven is toch voorwaar niet het minst edele van de vier. Men wist vóór de reizen van de Willem Barents niet veel meer van de Barentszee dan dat er ondoordringbaar ijs in het Noorden dier zee lag, op welker ijsschollen de stoomboot Tegethoff werd rondgevoerd om op Frans-Joseph-eiland te stranden. [15] Alles wat uit deze zee werd medegebracht door de Barents is nieuw en heeft wetenschappelijke waarde. Wij kennen nu door menigvuldige loodingen overal de diepte en den grond. De meteorologische waarnemingen zijn trouw en aanhoudend gedaan, doch deze moeten natuurlijk jaren achtereen herhaald worden eer ze belangrijke uitkomsten kunnen geven.

De observaties van zoutgehalte en temperatuur der zee van de oppervlakte tot den bodem, hebben ons de stroomen leeren kennen. Men weet thans dat de golfstroom zich over een groot gedeelte der Barentszee uitbreidt, zijn warmte afgevende bij de ijsgrenzen, die daardoor tijdens den zomer meer en meer naar het Noorden gedrongen worden. Het warme water bevindt zich alleen aan de oppervlakte in een ondiepe laag, die dunner wordt naarmate de stroom zich meer uitstrekt. Het is voor het eerst gebleken dat de golfstroom in de Barentszee niet ver om de Noord dringt. Men heeft enkele kapen sterrekundig kunnen bepalen, de kaart van Frans-Joseph-land gewijzigd, een paar nieuwe kapen namen gegeven en baaien opgenomen en in kaart gebracht. Men heeft honderde grondsoorten uit de diepten der zee opgehaald, te Leiden aan de geleerden ter hand gesteld; de verzamelingen van de zoölogen hebben veel nieuws opgeleverd. Men heeft kunnen waarnemen dat sedert 1840 op verschillende plaatsen de horizontale intensiteit van de magneetnaald is toegenomen op andere verminderd, en de magnetische waarnemingen worden zoo belangrijk geacht, dat men ze te Hamburg gebruikt bij het samenstellen van eene magnetische kaart der geheele wereld. Men heeft de belangwekkende ontdekking gedaan, dat de schepen die verleden zomer te vergeefs hebben gepoogd de Jenisei en de noordelijke Russische riviermonden te bereiken, dit benoorden Nova Zembla hadden kunnen doen. Als de eene weg versperd is door het ijs, is bijna zeker de andere open.

De tocht naar Frans-Joseph-land heeft nieuw terrein aangewezen voor de Noorsche visschers. Bij de komst van de Barents in Noorwegen werd met belangstelling geïnformeerd naar het aantal walrussen en zeehonden door de officieren gezien, en verschillende walrusjagers zullen hiervan dezen zomer partij trekken.

Eindelijk heeft de tocht van de Barents Engeland's eerzucht gewekt en zullen wij spoedig in de Barentszee een zeer gewenschten en zeer noodigen mededinger en bondgenoot krijgen.

De Engelsche admiraal MacClintock, de beroemdste aller nu levende Noordpoolvaarders, heeft een paar weken geleden in de vergadering van het Engelsche aardrijkskundig genootschap betuigt: "dat niets zoozeer de kennis der poolzeeën vermeerdert als het geduldig, systematisch onderzoek der Nederlandsche zeelieden, wien het genootschap bij deze betuigt dat het zich verheugt in het succes dat zij met zoo geringe middelen hebben verkregen, waarvoor ze hun dank zegt, en eert."

Landgenooten, ge ziet dus dat het wetenschappelijk nut dier tochten groot is. En op hun eigenaardig belang voor een handeldrijvend volk heeft prof. Kan, in zijn studie over L. R. Koolemans Beynen, de aandacht gevestigd toen hij zeide: "Welk een voordeel handel en scheepvaart van 't onderzoek der arctische gewesten konden plukken, bleek volgens Beynen uit het vinden van den nieuwen handelsweg, door prof. Nordenskjöld naar de monding van de Ob en Jenisei geopend, een weg, waarvan Nederland z. i. zeker niet minder dan eenige andere natie de voordeelen zou kunnen trekken. Terwijl hij minder hechtte aan de voordeelen van de exploitatie der kriolieth- en steenkolenmijnen (die op de kusten van Groenland zijn overigens uitvoerig door hem in zijn eerste verslag beschreven), verwachtte hij meer van de winsten, door de visscherij te verkrijgen, vooral wanneer daarvoor de juiste terreinen werden opgezocht. Daartoe vestigde hij, zooals wij boven met een enkel woord zagen, uitdrukkelijk de aandacht op de visscherij in de Zuidpoolzee, waarvan men ook in Engeland zoo groote verwachtingen koesterde, een zee, waar Ross tusschen 1839 en '43 een groot, donker soort van walvisschen had gevonden en waar hij tot op 71° Z. B. den geheelen dag blaasstralen aantrof. Twijfelde men nog, of dit Zuidpoolbekken aan de verwachting zou kunnen beantwoorden en ook voor Nederland winsten afwerpen, men zou den regel der voorouders volgen, er heengaan en onderzoeken.

"Dat de heer Beynen bij 't ondernemen van den eersten Nederlandschen pooltocht, waarbij de eischen der wetenschap en het plaatsen van gedenksteenen op den voorgrond traden, deze denkbeelden niet telkens weder uitsprak, moge niemand verwonderen. Daarom verloor hij ze toch geenszins uit het oog. Dat hij o.a. zijn studiën over Siberië en de daar bestaande handelstoestanden intusschen steeds voortzette, is schrijver dezes meermalen gebleken; dat hij aan de toekomst van den nieuwen handelsweg geloofde, kan blijken uit het verslag der eerste reis van de Willem Barents, waarin hij zijn nauwkeurig opnemen en beschrijven der Matotsjkin Sjar daarmede motiveert, "dewijl deze straat, met het oog op het toenemend handelsverkeer tusschen Europa en de Siberische rivieren, een veel gevolgd vaarwater belooft te worden."

De hoofdcommissie voor de IJszeevaart, welke de tochten blijft leiden, bestaat uit de heeren: J. D. Fransen van de Putte, O. Baron van Wassenaer van Catwijck, M. H. Jansen, H. de Bruine, E. N. Rahusen en Charles Boissevain.

III.

Het gedicht van Longfellow luidt dus in het Engelsch:

Once upon Iceland's solitary strand, A poet wandered with his book and pen, Seeking some final word, some sweet Amen, Wherewith to close the volume in his hand. The billows rolled and plunged upon the sand, The circling sea-gulls swept beyond his ken, And from the parting cloud-rack now and then Flashed the red sunset over sea and land. Then by the billows at his feet was tossed A broken oar; and carved thereon he read, "Oft was I weary when I toiled at thee;" And like a man, who findeth what was lost, He wrote the words, then lifted up his head And flung his useless pen into the sea.

IV.

Toen het Engelsche geogr. genootschap de tijding van Beynen's dood vernam, schreef de president, lord Northbrook--oud-onderkoning van Britsch-Indië en thans minister van marine--het volgende aan den president van het IJszeevaart-comité:

1 Savile Row Burlington Gardens W. 25 Nov. 1879

Sir!

In my own name, and on the part of the council of the Royal Geographical Society, I hasten to convey to you, and to the Dutch Arctic Committee, our feelings of regret at the sad news which has just reached us, of the untimely death of Lieutenant Koolemans Beynen.

In conveying to the Committee our expressions of sympathy, we desire at the same time to record our sense of the great loss which geographical science and research have sustained, and to assure you that the distinguished services of Lieut. Beynen were highly appreciated in England.

I have the honour to be

Sir, your most obedient servant

Northbrook.

President Royal Geographical Society.

Monsieur Fransen van de Putte Chairman of the Arctic Committee, the Hague.

Indien ik al de brieven wilde aanhalen, waarin zoovele mannen en vrouwen, op wie wij Nederlanders fier zijn, hun innig leedwezen over Beynen's dood, hun hartelijke waardeering en bewondering van zijn fier karakter en edel streven deden kennen aan zijn moeder, betrekkingen en vrienden, dan zou ik aan dit boek een groot aantal bladzijden moeten toevoegen. Nicolaas Beets en mevrouw Bosboom-Toussaint, om een paar voorbeelden te noemen, drukten uit hoe zij die poëzie liefhebben en edele gedachten eeren, den jongen zeeman en zijn streven op prijs stelden, en officieren, staatslieden en burgers van elken stand bewezen eveneens hoe ze den vaderlandlievenden enthousiast hadden lief gekregen.

C. Honigh zond mij het volgende gedicht ter herdenking van den dierbaren vriend.

L. R. KOOLEMANS BEYNEN.

"Laat hen, die kunnen schrijven, dan schrijven! die kunnen varen van wal steken! die offers kunnen brengen op het altaar van het vaderland, hun zilver of goud geven!"

Chs. Boissevain.

Benijdbaar, wien het mocht gebeuren, Dat heel een natie bij zijn dood Een rouwklacht slaakte en in dat treuren Haar diepstgevoelde hulde bood! Dat lot wordt slechts door hem verworven, Die heel een leven kennen deê, Maar 't uwe ook was 't, schoon vroeg gestorven, Gij, jonge kampioen ter zee!

Geen stoet ontelb're, ontroostb're vrinden Heeft tot aan 't graf uw baar verzeld U werd, gelijk den kloeken Barents, Het veld van roem ook 't doodenveld. Vond deze eenmaal in 't barre Noorden Een schuilplaats in 't "Behouden Huys" [16] Gij vondt uw graf in 't gloeiend Oosten, Maar, vrome held, ook gij zijt thuis!