Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen

Part 15

Chapter 154,068 wordsPublic domain

De Castor is op den rand van de Visschersbank, en wat zou men een geweldigen strijd om het bestaan aanschouwen, indien men door het donkere water in de diepte kon zien. Doch men kan zich toch een denkbeeld vormen van hetgeen daar, in den zwarten afgrond van water onder ons, plaats grijpt. Welk een strijd op leven of dood wordt er gevoerd! De visschen zwemmen op den rand van de bank de diepte in en uit, en het krioelt er van allerlei soorten.

Als de lijn omhoog wordt gehaald, galmt een der visschers:

"Daar komt er een!"

en een schelvisch komt het eerst naar boven. Toen de schelvisch de oppervlakte naderde, zag men op den blinkenden rug doffe plekken zonder schubben.

"Hier zit kabeljauw!" roept de visscher. "Ze hebben de schelvisch beet gehad en hij is maar krap aan hun bek ontkomen."

Even later klinkt het weêr: "daar komt er een!" en aan het wilde rukken en trekken aan de lijn voelt de visscher dat er een groote visch aan spartelt. Weldra schemert een zilverwitte vlek in het water. De witte schim vlucht links en rechts, doch neemt meer en meer den vorm van een kabeljauw aan, en een met een schepnet gewapende visscher vangt hem op in het water.

Als de kabeljauw op het dek wordt geworpen, ziet men dat hem geheele stukken uit het lijf zijn gebeten. Deze gaten zijn gemaakt door nog grooter visschen of door de zeewolven.

Wij hebben eens zulk een zeewolf aan boord gehad. Hij was zoo groot als een kleine zeehond en had scherpe, fijne tanden, en een gladde, glanzende huid.

Alleen de ijlbotten hebben zelden of nooit beten. Ze schijnen door snelheid aan de visschen, en door plat langs den bodem te fladderen, aan de zeewolven te ontkomen.

Soms wordt een kabeljauw opgetrokken met een schelvisch in den bek, die er slechts met den staart uitkomt. "Hij heeft zich door een schelvisch laten bedotten!" zegt de visscher. Toen hij het dier ophapte, heeft het haakje, dat de schelvisch vasthield, hem in den kop of onder de vinnen gepakt.

Van den schelvisch, welke in den bek van den kabeljauw geweest is, "zijn we vies," verklaart de visscher die den kabeljauw van de beug afneemt, en den schelvisch, met een gebaar van afschuw, over boord werpt. Nauwelijks slaat de visch op het water of de zeemeeuwen schieten toe, en betwisten elkander den buit. Fladderend en met de vleugels slaande, cirkelen ze boven den visch, en de gelukkige, die het eerste beet krijgt, wordt door de anderen vervolgd en nagejaagd.

Intusschen wordt de eene kabeljauw na den ander opgehaald en op dek geworpen aan de voeten van Leen Ketting, waar ze, spartelend en met den staart slaande, op en neer springen en, na bevrijd te zijn van den in het verhemelte vastzittenden hoek, en een kleine operatie te hebben ondergaan, levend in de bun worden geworpen, waarin ze rusteloos rondzwemmen.

De kleine operatie wordt snel en vlug door Leen gedaan, ten einde den visch in het leven te houden.

Door het snel inpalmen der grond- of beuglijn is de luchtblaas van den kabeljauw dermate met lucht gevuld, dat het hem onmogelijk zou zijn opnieuw naar de diepte te schieten, en hij, in de bun geworpen, zoo lang boven op het water zou blijven ronddrijven, tot hij stierf.

De operatie van Leen Ketting heeft dus ten doel, de luchtblaas te ontlasten van te overvloedige lucht, hetgeen hij doet door den visch vlak voor zich op dek te leggen en met een scherp puntige naald achter de voorvin een gaatje te prikken, dat in de luchtblaas uitkomt.

Met de hand langs den visch strijkende, drukt hij zoodoende de lucht uit het lichaam, die door het geprikte gaatje hoorbaar ontsnapt, waarna de visch in de bun wordt geworpen.

Naarmate de lijnen binnen boord worden gepalmd, worden zij weder klaar opgeschoten, om 's nachts gereed te zijn wanneer de hoeken van nieuw aas worden voorzien.

Behalve kabeljauw, lengvisch en bot, komen schelvisschen in grooten getale naar boven. De eerste drie soorten worden in de bun gedaan, doch de schelvisschen worden in gereedstaande manden geworpen, en later in de ijskamer weggeborgen.

Dit ijs is in groote massieve brokken aan boord, die eerst in den ijsmolen tot fijne brokjes moeten gemalen worden, in welke (op grof zand gelijkende) massa de visch geborgen en daardoor voor bederf behoed wordt.

De bun, midscheeps, waarin het zeewater in- en uitstroomt, ziet er vreemd uit, als men een paar uur lang aan het ophalen geweest is.

In het midden hangt een bos lengvisch met den kop in het water, anders "schavielt" hij zich dood tegen de wanden der bun. Langs de zijden is de bun gegarneerd met ijlbot, die aan den staart hangt. Liet men de dieren vrij, dan wrongen ze zich dood tegen de wanden, of ze gingen op de gaten liggen, waardoor lucht en water binnendringen. De staarten van de blanke, zilverwitte botten worden vuurrood, doch het dier blijft zes dagen lang in het leven. In de bun zwemmen de kabeljauwen op en neer, allen gewond, met gescheurde bekken, en velen sterven dan ook en worden in zout gepakt.

Om het inhalen van de lijn met al die zware visschen uit het fel bewogen water, waarop het scheepje danst en huppelt, mogelijk te maken, moet de schipper het dwingen langzaam over de beug te drijven, wat veel oplettendheid, kennis en zeemanschap vordert.

Naarmate wind, stroom of weêr verandert, moeten ook de zeilen gewijzigd worden.

Bij handzaam weêr gaat zulks vrij gemakkelijk, doch bij windstilte of storm wordt het al spoedig zeer moeielijk.

Ieder oogenblik moet met het scheepje en met de zeilen gemanoeuvreerd worden; er zijn geen handen genoeg aan boord, en als wind en zee opsteken, en de schipper alle aandacht noodig heeft om het inhalen der beug onafgebroken te kunnen doen voortgaan, zegt hij zegevierend: "Ja! ja! je moet zoo'n draad naloopen als een ondeugend kind."

Soms, bij stormweêr, kunnen de twee man, die de beuglijn inpalmen, het niet alléén af en zijn drie, vier, ja soms vijf man noodig om de lijn binnen boord te halen; met zooveel vaart drijft het scheepje dan nog over de lijn heen, hoewel alle zeilen reeds geborgen zijn.

Wind, zee en stroom doen het vaartuigje snel voortdrijven en maken het koude werk lastig en verbazend vermoeiend. Men stelle zich deze bezigheid slechts voor.

Naarmate de zee toeneemt, slingert het scheepje meer en meer, zoodat men op het bevroren glibberige dek zich slechts met groote moeite op de been kan houden.

Sneeuw of hageljacht wisselen elkander met pijnlijke hinderlijkheid af, en de strenge vorst verandert de wanten der visschers in klompen ijs.

"Kleine Jan" zorgt dat een groote ketel warm water steeds op dek gereed staat, waarin van tijd tot tijd de visschers de wanten doopen, om ze te bevrijden van al het ijs dat er zich aan vastzet.

Het binnen boord nemen der jonen vooral is te moeielijker, naarmate meer zee staat, en als zij aanhoudend "onderklauwen," is het bij nevel of sneeuwjacht moeielijk te zien in welke richting zij liggen.

Waarlijk, men moet er niet licht over denken, om bij hooge zee en stormweêr een beug van 15.000 meter lengte, verbazend zwaar gemaakt door de visch die er aan hangt, uit eene diepte van 30 tot 50 vaâm op te halen.

Loopt alles meê, dan heeft men 's avonds om 7 uur, na ruim 11 uren onafgebroken inpalmen, de beug weder binnen boord, doch als de grondlijn breekt (wat meermalen voorkomt), of een of ander ongeval eenig oponthoud veroorzaakt, loopt het al spoedig heel wat in den nacht.

Men moet dan "eten op stootgaren," dat is, nu en dan inderhaast een beetje eten naar binnen slaan, zonder dat het werk behoeft afgebroken te worden. Onverschillig of men al dan niet tijd heeft gevonden om te slapen, begint men 's nachts om half twee weêr de lijnen te azen, want den volgenden morgen om half drie moet de beug weêr geschoten worden.

Het is verbazend hoe zeer iedere visscher dit verlangt, en hoe moeite noch ontbering hen afschrikt, om iederen dag (zooals zij zeggen) "een schot te doen."

Toch is dit niet altijd mogelijk, en er zijn voorbeelden dat men na 5 dagen en nachten slaven en zwoegen, zonder ooit nachtrust te hebben genoten, slechts twee schoten gedaan heeft.

Bij mist of ontijd durft de onverschrokken Albert zijn beug in 40 vaâm te schieten, rekenende op de waarachtige visschers-geestdrift van zijne stilzwijgende scheepsmakkers, en welke inspanningen ook gevorderd mogen worden, zij blijven juist zoo lang doorwerken, totdat de beug weder binnen boord is.

Meermalen, als de beuglijn gebroken is en de duisternis dreigt in te vallen, moet de kleine jol over boord en het tweede gedeelte der beug door 4 mannen, die in de jol op zee gaan dobberen, gelicht en in de boot genomen worden.

Koud werk, waarbij de geheele bemanning vol spanning is, uit vrees dat de sloep met de bemanning bij de invallende duisternis zoek zal raken of omslaan.

Gelijk ik in den beginne opmerkte, bestaat de verdienste onzer hollandsche beugers voornamelijk hierin, dat zij zoo véél lijnen in één etmaal durven schieten, en dat wel in zulk een diep water.

De Engelschen bijvoorbeeld schieten hunne beug, die nauwelijks 10.000 meter lang is, in 23 à 24, hoogstens in 30 vaâm diepte.

Hun vischwant, hunne jonen, alles is lichter en zwakker.

Albert van de Castor is waarlijk geen grootspreker, en hij erkent, zoo vaak als men 't maar hooren wil, dat de Engelschen de Hollanders in vele zaken te slim af zijn; maar in het beugen, neen, dan staan zij ver bij de Hollanders ten achter. "'t Zijn me beugers, die Engelschen," kan hij met eigenaardigen spot uitroepen: "Je kunt hun beug met de hand uit zee lichten, en één sloep der onzen brengt gewoonlijk in denzelfden tijd evenveel visch aan, als drie of vier der hunnen."

Misschien is dit wel de oorzaak dat zij zoo dikwerf van de veel talrijker Engelschen te lijden hebben.

Het is natuurlijk onmogelijk om zelfs bij helder weêr het uiteinde der beug te zien, en nu gebeurt het meermalen dat naijverige Engelschen de jonen stelen, en de lijnen met de daaraan zittende visch binnen boord halen of vernielen en weg doen drijven.

Schelden en met steenen gooien is een vaste aardigheid der ruwe Engelschen, en wanneer onze visschers door aanhoudende oostenwinden gedwongen worden te Grimsby binnen te loopen en aldaar hun visch te verkoopen, worden zij niet alléén aan den wal, maar zelfs bij hunne schepen "gemollesteerd," gelijk onze visschers zeggen, die een even vinnigen haat tegen "de gemeene Engelschen" voelen alsof wij nog in de dagen van Tromp en De Ruyter leefden.

Zeker is het, dat zelfs de stilzwijgendste Pernisser visscher welsprekend wordt, zoodra hij uit gaat weiden over de mishandelingen, die hij van de Engelschen te lijden heeft.

Onder de vele verhalen trof mij 't volgende:

Een Pernisser visscher moest het te Grimsby aanzien, hoe een nieuwe tros van zijn schipper moedwillig zou doorgekapt worden.

Een dertigtal Engelschen poogden dit te doen, en hij alléén, met den rechter arm gekwetst in een draagband, stond er bij om den tros te bewaken.

Al sarrend gingen de Engelschen te werk, tot opeens Hojel (zoo heette de dappere Pernisser), bleek van woede, met de linkerhand drie of vier Engelschen op zijde stoot, den arm op den tros legt en den met een bijl toeschietenden Engelschman toeroept: "Kap dan maar eerst mijn arm af, jou engelsche smeerlap!"

Onbeschaafd en ruw zijn vele engelsche visschers, wier zelfzucht weergaloos is, maar ze weten, als alle echte Engelschen, moed te huldigen, pluck te waardeeren. Hartelijk begonnen ze allen den Hollander toe te juichen; ze gaven drie cheers voor den gehaten mededinger, die hun de visch voor den neus wegving, en ze lieten den nieuwen tros van zijn schipper verder al dien tijd ongemoeid.

Het zijn ferme kerels, die hollandsche visschers! Er klopt een mannenhart onder die boezeroenen. Van hun jeugd af is de Noordzee hun woning, en bij mist of ontij zijn zij overal in de zee thuis, dank zij hun scherp geoefend zeemansoog, dat werkelijk buitengewoon is. Zelfs bij mistig weêr zien zij de jonen op een verbazenden afstand, en bij het langs de kust varen, toen ik nauwelijks de torens van Egmond kon ontdekken, wist Albert al dadelijk op te merken, dat er 30 bomscheepjes op 't strand stonden, zoodat er blijkbaar 7 in zee waren.

Opmerkelijk is het, hoe weinig nachtrust zij behoeven. Wordt er niet gevischt, dan kunnen zij de wijzers rondslapen, maar nauwelijks is 't visschen mogelijk, of met onverstoorbare toewijding kunnen zij dag en nacht doorvisschen. Zij zijn gehard tegen weêr en wind, sterk, kloek, arbeidzaam en eenvoudig.

Groote kinderen, die hun eigen krachten niet kennen, zijn ze aan wal, waar de maatschappij hun vreemd is.

Vooral zijn ze gul, hartelijk en vroom, en zonder er zelfs bewust van te wezen, zijn zij de bewaarders der deugden onzer "zeevaders." In gedachten, kleeding, wijze van voeding, opvatting van godsdienstige en maatschappelijke toestanden, in alles komen zij volkomen overeen met ons zeevolk van 200 jaren geleden, en dit is niet stelselmatig aangekweekt, maar ze hebben van vader op zoon die begrippen en opvattingen geërfd, waardoor de oude zeden en gewoonten voortleven.

Van de vaderlandsche geschiedenis weten zij bijna niets.

Zelfs De Ruyter en Tromp zijn bij hen onbekende grootheden; ze weten van hun daden, maar niets van hun namen, en ik herdenk nog met verbazing het gezegde van een hunner, toen wij over die groote zeevaarders spraken:

"Ja! ja! 't waren vrome zeehelden in die dagen. Daar heb je die Erasmus, die te Rotterdam staat."

Maar al kennen ze de geschiedenis niet, de traditie leeft in hen.

Het zijn Geuzen, fijn gereformeerd en bijzonder godsdienstig. Uit tal van legenden en zeemansverhalen blijkt echter hunne bijgeloovigheid.

Vooral Leen Ketting had er een onuitputtelijken voorraad van.

"Ik herinner mij onder anderen een verhaal van mijn vader," zeide hij eens, "die een reepschieter aan boord had, die zijn ziel aan den Böze had verkocht.

"Op zekeren avond, 't was een koude winteravond toen het vroor dat het kraakte en want en scheepje een ijsklomp geleken, stond mijn vader aan het roer, toen onverwachts de reepschieter aan dek kwam snellen en mijn vader toeriep: "Neen, schipper! nu kan ik het beneden niet langer uithouden, want de Böze zelf zit bij de kombuis en die wil me meênemen."

"Mijn vader deed een kort gebed, en daardoor aangemoedigd, ging hij zelf naar omlaag en zag in 't rookerige logies, waarin de geheele bemanning lag te slapen, den duivel zelf de handen boven de kombuis warmen.

"Toen mijn vader dit zag, werd hij dan toch wel zoo kittig boos, dat hij den Böze toeriep, wat hij bij hem aan boord kwam doen, en toen de duivel zeide: "ik kom den reepschieter halen, die zijn ziel aan mij verkocht heeft en die dus in mijn dienst is," antwoordde mijn vader hem onbedeesd, "dat hij zelf hem betaalde en hij dus in zijn dienst en van niemand anders was." Ja, hij sprak hem zoo flink aan, dat de duivel, toen hij van boord ging, den reepschieter twee jaar uitstel schonk.

"En de Böze hield woord ook. Gedurende twee jaar werd de reepschieter niets meer van hem gewaar en hij en mijn vader waren 't geval schoon vergeten: doch dit was bij Satan helaas niet het geval, want juist dien zelfden dag, twee jaar later, lag mijn vader met zijn hoeker voor Maassluis, waar de reepschieter hem in de jol naar den wal bracht, aan niets denkend.

"Eerst 's avonds keerde mijn vader aan boord terug, waar hij tot zijn groote droefheid vernam dat de reepschieter verdronken was en de jol zonder iemand er in langszijde aan boord was gedreven.

"'t Was bijster duidelijk. De Böze had woord gehouden en had den reepschieter, na twee jaar uitstel, weggehaald."

Zoo leven er nog in Pernis wonderlijke verhalen van zekeren Mees Kroon, die met een helm geboren was, en zich dan ook door bijzondere slimheid onderscheidde.

Als scheepsjongen voer hij met zijn vader op een klein bezaantje (klein vaartuig) en kwam hij eens met zulk een dikken mist voor 't Bokkengat te Hellevoet, dat zijn vader zelf er niet binnen dorst en juist gereed was weêr in zee te steken, toen een groote koopvaarder, met rijke lading uit Indië gekeerd, plotseling in den dikken nevel langs zijde schoot, en de kapitein, die stormweêr verwachtte, riep: "Schipper, kunt ge mij ook binnenloodsen?" De oude ervaren schipper durfde daaraan niet denken, maar zijn zoon Mees Kroon praaide:--"jawel kapteintje, gooi me maar een lijntje toe."

In een oogwenk was Kroon aan boord; hij nam onmiddellijk het roer zelf in handen en stuurde onverschrokken den wal in, tot eindelijk de kaptein zeide: "Maar loods, waar zijn wij toch omtrent?"

"Laat hier gerust je anker maar vallen," gaf onze jeugdige visscher ten antwoord. "We zullen hier niet ver verwijderd zijn van 't Hellevoetsche havenhoofd." En werkelijk, toen den volgenden morgen de mist voor 't eerst optrok, lag de koopvaarder veilig en wel vlak bij 't Noorderhoofd, en hadden zij de haven van Hellevoet open voor zich.

Een anderen keer wilde men beproeven Mees Kroon om den tuin te leiden en zijne knapheid op de proef te stellen.

Toen men in de Noordzee voer, had men op Doggersbank grond gelood en dien in stilte bewaard en weggeborgen.

Toen men nu dagen daarna in 't Engelsche Kanaal voer, en lang door tegenwind werd opgehouden, kwam men op zekeren dag met den grond van Doggersbank naar Kroon toe, zeggend:

"Mees Kroon, we hebben zoo even deez' grond gelood, kunt ge ook zeggen waar we met het schip staan."

"'t Is te donker om 't goed te zien," zei Kroon, die te kooi lag, "doch laat het mij maar eens even proeven."

Eerst rook hij er aan, proefde het zeer zorgvuldig, en zeî toen bedaard:

"O! fijne grond van 't Doggerszand, Hoe kom jij in 't Kanaal te land?"

Deze verhalen werden na het avondeten gedaan, doch onder het werk wordt niet gesproken.

Onze beugers zingen aan boord nooit (behalve psalmen bij het kerkhouden), doch twisten op 't zelfde vaartuig ook nimmer onderling.

Ieder weet precies zijn taak, en wat hij op zich genomen heeft te doen, verricht hij met voorbeeldige stiptheid.

't Is eene kleine republiek aan boord, waarin de bevelen van Albert met meer dan militaire vlugheid worden uitgevoerd, wat evenwel niet belet dat Harmens soms ongevraagd uit het pijpje van Albert zit te rooken, en kleine Jan zonder eenig vertoon van ontzag naar omhoog praait, waar de schipper slaapt: "Albert! Albert! thee is klaar!!!"

Straffen komen niet voor; Albert is baas aan boord; er is wel een stuurman, maar hij heeft niets boven de overige matrozen vóór, dan dat hij bij den schipper achter slaapt, en zoo noodig hem vervangt.

Wanneer de equipage voor eene nieuwe "teelt" of seizoen voltallig is, wordt om de verschillende betrekkingen, als stuurmansmaat, kok, klimmer enz., met dobbelsteenen gegooid, welke betrekkingen dan ook min of meer voordeelen afwerpen.

De beugers zijn weinig bespraakt, zeide ik reeds, maar zij denken veel: "Aan hun vader, die nooit weer thuis kwam, aan zijn oudsten jongen, die met een stuk water overboord spoelde, of aan de broers, die nimmer van de reis terugkeerden."

Arme, dappere, eenvoudige visschers, vroeg of laat wordt de Noordzee (dat onmetelijke kerkhof) ook hun graf.

Zij weten het wel, die kloeke harten, maar van hun jeugd af zijn ze met dit denkbeeld vertrouwd geraakt.

"Zoo lang ik vaar," zegt Albert, "werden er maar drie visschers te Pernis aan den wal begraven. De rest bleef op zee."

Weten wij wel, dat de visch, die wij eten, zoo duur betaald is?

's Winters blijft men gewoonlijk 10-14 dagen in zee, om na één dag toevens opnieuw in zee te steken; maar 's zomers blijft men 5 weken lang uit; dan wordt de kabeljauw in tonnen zout opgeborgen en als laberdaan naar Duitschland en de Middellandsche zee vervoerd.

Doch tegen Paschen keeren alle schepen naar Pernis terug en blijft de geheele visschersbemanning zes weken aan den wal. Dan heerscht er blijdschap en vreugde alom.

Als de witstengen in de Pernisser haven liggen, weet de heele omstreek het onmiddellijk, en dan tooien de meisjes der omliggende dorpen zich, en stroomen naar Pernis.

Met Paschen is het daar feest! Wie dan een visscher krijgt is wel af, want hij heeft veel geld en weet koninklijk te onthalen en edelmoedig feest te vieren.

In de tien dagen dat wij uit waren, was de geheele opbrengst ruwweg f 1500.-- [12] Ieder matroos of gewoon visscher kreeg ruim f 71.--"Jelui zult rijk worden!" zeide ik tot een mijner nieuwe vrienden, toen hij mij bij het huiswaarts zeilen 's nachts op dek vertelde wat hij met deze reis dacht te verdienen.

"Ja mijnheer, dat is wel zoo! maar ziet u, het geld is eigenlijk voor vader en moeder! Wij krijgen van hen van elken gulden een dubbeltje, maar als we trouwen willen, dan waarschuwen we met Paschen een jaar te voren, en als we dan met den volgenden Paschen trouwen, dan krijgen we van elken gulden een kwartje. En dan helpen onze kinderen ons later ook weer. En soms brengen we heel wat geld mee. Albert heeft zijne moeder eens f 1000.-- medegebracht, en hij kreeg prompt zijn f 100!"

Zijn dit geen mannen om te waardeeren en lief te krijgen!

En als men dan zelf zeeman is en met hen vaart en werkt, bidt en zingt, dan leert men hen door en door kennen, en ik wensch ieder zulke makkers aan boord, van wie hij zoo veel kan leeren.

Wij, van de marine, verwonderen ons wel eens hoe visschers zoo, zonder sterrekundige waarnemingen te doen, den weg op zee kunnen vinden en de kust kunnen aanloopen, waar ze maar willen. Maar ze kennen den grond van de zee en voelen met het lood hun weg.

Bij het naar huis zeilen verkennen ze zich eerst aan de Doggersbank; het hangt af van de diepte, welke zij looden, of zij Z. ten W., of Z. ten O. naar wal sturen. Vooral bij Z. wind maken ze dat ze goed boven 's winds van het gat blijven, en loopen dan stoutweg juist zoo lang naar wal totdat ze land zien.

Vooral bij mistig weder is het moeielijk om onze lage vlakke kust aan te loopen, maar onze Pernissers doen het met alle zeilen bij, en ze hebben geen vrees voor land voordat ze de koeten zien. Deze vogels--die men niet met meeuwen verwarren moet--vliegen in alle seizoenen enkel in het gezicht van de kust en laag bij het water; ze zijn onwaardeerbare bakens voor de visschers, en behoorden door de wet beschermd te worden, want ze zijn de vrienden, die den zeeman waarschuwen dat hij dicht bij den wal is.

Albert roept omlaag: "de koeten zijn gezien!" en onmiddellijk worden de topzeilen ingenomen en loodt men den grond. Terwijl een visscher dit doet, klinkt het "land!" en we zien het Wijkerduin, met het ronde koepeltje op de noordzijde, flauw door den nevel heen schemeren. We stonden vlak onder den wal in vijf vaâm water.

Iets later zagen we de twee torens van IJmuiden, en toen de twee torens van Egmond.

Het bleef dik weer, doch onverschrokken liep Albert het Schulpengat bij Den Helder binnen, het lood gaande houdend, en zich precies in vijf vaâm water aan den wal vastklampend.

's Avonds om half tien waren we binnen, en reeds om tien uur was de visch opgeslagen, om per spoor naar Duitschland te worden vervoerd.

Straks, toen we in den kouden winternacht voor een killen wind naar huis zeilden, hadden ze na het avondeten afscheid van mij genomen. Terwijl ik weer in hun midden zat in het enge berookte scheepsruim, hadden zij allen eerbiedig den ouden zuidwester van het hoofd genomen, want de oude grijze visscher had hun voorgesteld, om met het oog op mijn aanstaand vertrek naar Indië, een paar verzen uit Psalm 33 mij toe te zingen. Zonder eenig vertoon deden ze dit, en de zware mannenstemmen hieven een "de profundis" aan, dat mij 't oog omhoog deed slaan.

't Is God, aan tijd noch plaats verbonden, Wiens toezicht over alles gaat; Die 't harte vormt en kan doorgronden, Die aller werken gadeslaat. Schilden, bogen, dolken, Dappere oorlogswolken, Wijsheid, moed noch kracht, Kunnen ooit in 't strijden Eenig vorst bevrijden, Zonder 's Heeren macht.