Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen
Part 14
Het was fel koud. Het dek was eenzaam en verlaten. Er was een man op den uitkijk en de roerganger stond op zijn post. Ik had op en neer loopend mij pogen te verwarmen, toen ik gewaarschuwd werd dat het avondeten gereed was.
Langs een steil laddertje daal ik in een oogenschijnlijk donkeren afgrond, en, als ik weêr vlakken bodem onder de voeten voel, bespeur ik dat ik in een klein, rookerig, onbeschrijfelijk warm vertrek ben, waarin een aan koperen kettingen slingerend lampje te vergeefs beproeft een zwak lichtschijnsel te werpen.
Een oogenblik aarzel ik een stap verder te doen en blijf aan den voet van 't laddertje staan, daar het mij een onbegonnen werk scheen, om plaats te zoeken in dit lage, berookte, met visschers volgepropte verblijf, waar ik geen voet dacht te kunnen verzetten zonder iemand of iets ongerief te veroorzaken, doch toen mijn oogen een weinig aan den rook en de duisternis begonnen te wennen, en ik aller blikken op mij gericht zag, nam ik het besluit, een wanhopende poging te wagen. Ik greep stevig de onder het bovendek gespannen touwen vast, en, juist toen het scheepje een valschen kaaier maakte, liet ik mij neervallen op de knieën van een der rustig hun pijpje rookende visschers.
Verontschuldigingen werden gemaakt noch verwacht. Men knikte mij toe en schoof een weinig op, en werkelijk er bleek nog plaats voor mij te zijn op een leege scheepskist.
Gaandeweg begin ik mij rekenschap te geven van hetgeen ik zie.
In het midden staat een lage platte kachel, die tot kombuis dient en waarover een plank wordt gelegd, wanneer ze als tafel gebruikt wordt. Boven de kachel hangt het heen en weer slingerend olielampje en rechts een ronde Amerikaansche scheepsklok.--Uit rook en schemering komen enkele fiksche geuzenkoppen aan het licht, naarmate het lampje recht of links slingert. Een twaalftal flinke, breedgeschouderde visschers zitten op lage scheepskisten rakelings om en tegen de kachel, terwijl ze met den rug leunen tegen hun slaapplaatsen, die voor allerlei benoodigdheden tevens tot bergplaats dienen. Dit werd ik gewaar, toen ik den ouden kok met de grootste voorzichtigheid, geheel gekleed, uit zijn kooi zag kruipen, wat hem bijzonder moeielijk gemaakt werd door de acht zakken met victuali, welke het grootste deel der ruimte in beslag namen. Doch een zeeman weet zich te behelpen.
Bij elke slingering van het scheepje schommelden en zwaaiden links en rechts tallooze oliepakken, zuidwesters en zeelaarzen, die tegen de zwart berookte wanden waren gehangen.
Schijnt een en ander ook minder frisch in dit volgepropte hokje, waar we het avondeten gingen gebruiken, dan is dit zeker in geen enkel opzicht het geval met de gezonde, trouwhartige gezichten, die mij van alle zijden vriendelijk toeblikken. Wanneer die kloeke, krachtige mannenkoppen met hun zuidwesters, stoppelbaarden en neuswarmertjes--gelijk ze hun korte pijpen noemen--achtereenvolgens in den rookdamp zichtbaar worden, verbeeldt men zich onwillekeurig verplaatst te zijn te midden van een groep zeevolk uit de 16de eeuw.
Die jonge flinke figuur, met het breede litteeken boven het linkeroog--herinnering aan een gevecht met een naijverigen Engelschen visscher--is de schipper van het vaartuig, het hoofd van ons allen, mijn vriend Albert Koster.
Hij is 26 jaar oud en zwalkte al 15 zomers en winters onafgebroken rond over de zilte wateren, waarop hij zich steeds deed kennen als een ervaren visscher, deed eeren als een kloek zeeman.
Toen Albert Koster vijf jaar geleden trouwde, was hij reeds als een knap visscher bekend, en schitterde bij feestelijke gelegenheden op zijn borst de groote zilveren medaille, welke hem voor het redden van schipbreukelingen geschonken was.
Wilt ge weten door welke heldhaftige daad Albert die medaille verkreeg?
't Was op een stormachtigen najaarsdag dat de vischsloep, waarop Albert als matroos voer, onder dichtgereefde zeilen langs een masteloos wrak dreef, welks gezagvoerder--een vreemdeling--te vergeefs om hulp smeekte. De woeste stortzeeën sloegen reeds van alle kanten met donderende slagen en stooten over het wrak heen, en Albert's schipper durfde zijn vaartuig niet aan bijna gewissen ondergang ten prooi geven, door het zinkende schip nabij te komen.
Het was een wanhopig gevoel voor iemand als Albert, geen hulp te kunnen verleenen en machteloos toe te zien dat zeelieden overwonnen wierden door den oceaan, en voor zijn oogen zouden verdrinken. Hij en een kameraad boden zich dan ook aan, om in de kleine jol de hooge zeeën te gaan trotseeren en naar het wrak te roeien, om de schipbreukelingen te redden. De zee stond echter zoo hol dat de schipper nadrukkelijk dit waagstuk verbood.
Tranen van smart en spijt stonden den koenen zeelieden in de oogen, toen eindelijk de vreemde kapitein, om een laatste beroep te doen op de Hollandsche visschers, zijn tweejarig dochtertje in de armen nam en, tegen de verschansing opklouterend, haar omhoog hield. Nauwelijks was het kleine kind gezien of Albert en zijn vriend sneden de sjorringen los, lieten de jol te water, en roeiden over de razende golven naar het wrak, van waar zij in twee tochten de geheele bemanning redden. De zeeman, die dit deed, is Albert.
Naast hem zit de oude, ervaren stuurman Leen Ketting, met zijn eerlijk, verweerd gelaat, die reeds een halve eeuw de stormen der Noordzee heeft getrotseerd, en daarop dan ook thuis is, als in de straten van zijn dorp.
"Die ouwe man is altijd bezorgd," pleegt Albert schertsend te zeggen, en naar mijn inzien was het recht verstandig gehandeld toen de doortastende jonge schipper zoo'n bekwamen, zorgvollen stuurman tot rechterhand koos.
Leen Ketting en de 65-jarige kok Jan Noordzij, die al in '30 als vrijwilliger meê uittrok en twee jaar op 't fort Bath diende, zijn de eenige oude visschers aan boord, en het overige jonge volk is het nooit moede om naar de tallooze verhalen en zeemanslegenden te luisteren, waarvan zij beiden een schier onuitputtelijken voorraad bezitten.
Een der visschers, Berthie genaamd, is een Vlaardinger, de overigen zijn allen van Pernis op IJselmonde, een sierlijk dorpje, welks bewoners reeds eeuwen geleden als stoute, ondernemende visschers vermaard waren.
Van oudsher stonden de Pernissers bij het zeevolk als bijzonder godsdienstig bekend, en het tegenwoordig geslacht eert ook in dit opzicht de nagedachtenis der vaderen door hun voorbeeld te volgen.
De dagen, dat er niet gevischt wordt, houden zij elken avond eene korte godsdienstoefening, en des Zondags (op welken dag zij nimmer visschen) heeft dit bovendien ook 's morgens plaats.
Daar wij niet vischten, maar naar de vischgronden zeilden, had heden de gewone godsdienstoefening eenvoudig en ernstig plaats.
Twaalf in linnen zakjes geborgen bijbels worden rondgedeeld, en als de hoofden ontbloot zijn, leest Albert een psalm voor, die weldra door allen wordt aangeheven.
Berthie leest daarop een kapittel uit het Evangelie van Johannes; er wordt opnieuw een psalmvers gezongen en de schipper besluit de plechtigheid met een toepasselijk gebed uit de Godvreezende Zeeman of de Nieuwe Christelijke Zeevaart, waarvan in 1725 de vijfde druk te Amsterdam het licht zag.
Nadat de bijbels opgehaald en weggeborgen zijn, gebiedt Albert: "Bidden, kleine Jan," en hoewel ik te vergeefs moeite doe, den aangesprokene op den donkeren achtergrond te ontdekken, hoor ik een zwakke slaperige kinderstem halfluid het "Onze Vader" bidden, waarna het avondeten wordt opgedischt.
Heden bestaat het maal uit gebakken visch, welke gevolgd wordt door een mengsel van gort en stroop, dat met bier tot eene soort soep is bereid.
Aan het eerste gerecht geef ik de voorkeur, en volg het algemeene voorbeeld om uit een grooten, op de kombuis staanden, vertinden koperen schotel een moot visch te pakken, wanneer ik spoedig de verrassende ervaring opdoe, dat men gebakken visch, wil men er goed van smullen, uit de hand moet eten.
Borden, vorken of messen zijn dan ook aan boord eene ongekende weelde.
De gekookte visch met aardappelen eet men uit van teen gevlochten langwerpige mandjes en de cement (snert), boonen of biergort uit groote ronde houten nappen.
Niet de reeders, maar de visschers zelven zorgen op de Pernisser sloepen voor hun proviand, die uit geen karige beurs gekocht wordt.
De voeding is krachtig en de verschillende artikelen zijn van de beste hoedanigheid, waardoor het verklaarbaar wordt, dat de visschers dagen en nachten achtereen hun moeielijk bedrijf bijna onafgebroken kunnen blijven voortzetten, zonder er bij te bezwijken.
In den zomer bestaat het eten voornamelijk uit aardappelen, rijst, gort en spek, en in den winter uit meelpudding, bruine boonen, groene erwten en visch, terwijl in November elke sloep een vet varken van plus minus 600 pond slacht, waarvan elke reis een gedeelte wordt aan boord genomen.
Na het avondeten wordt de wacht aan dek (die overdag meestal uit één, 's nachts uit twee man bestaat) afgelost, en velen gaan naar kooi, anderen rooken hun pijpje of spelen domino--het eenige spel dat veroorloofd is, daar kaarten door den schipper niet aan boord geduld worden.
Toen de Castor de Doggersbank begon te naderen, werd om het half uur het lood over boord geworpen. De roerganger laat daartoe het scheepje even aan den wind loopen; de flappende zeilen schudden dien wind van zich af; de korte zeeën stoppen in enkele minuten de vaart--en het 25ponds lood heeft spoedig de diepte doen kennen.
Op ongeveer 56° N. Br. ligt de Doggersbank, door de visschers "'t Zand" genaamd. Zij heeft eene peervormige gedaante en strekt zich in Z. Z. W-lijke en O. N. O-lijke richting uit. De westelijke helft is het breedste gedeelte.
De diepte neemt van het Westen naar het Oosten vrij geleidelijk toe van 9 tot 28 vaâm, wat den visschers het middel aan de hand geeft om te bepalen waar zij op de bank zijn.
In hoe korter tijd men "'t Zand" over is en hoe grooter diepte men loodt, des te oostelijker bevindt men zich, en een verschil van één vaâm in diepte wordt gerekend een verschil in lengte van 4 mijl aan te geven.
De Castor liep op 16 vaâm de bank over en had heden, op den avond van den 2den Februari, de groote Visschersbank, die benoorden "'t Zand" op 56° 30' N. Br. ligt, bereikt, waar zij onder klein zeil om de Oost bleef drijven, daar de visscherij eerst na middernacht een aanvang neemt.
De overige mannen begaven zich nu ook ter rust, want het zijn vermoeiende dagen, die in aantocht zijn, wanneer men hard werken moet en slechts weinig slaap bekomt.
Er worden geen andere visschers in den omtrek gezien, en het doet goed de reden hiervan te hooren. Alléén onze Hollandsche beugers durven in het hartje van den winter hun beug in zulk diep water neer te laten of "te schieten", gelijk onze visschers zeggen. Overal op de Visschersbank vindt men ongeveer 40 vaâm water en er is slechts één plekje, waar niet meer dan 26 vaâm staat, waarom het dan ook bij ruw weer door de zeelui zooveel mogelijk wordt vermeden, want het is genoeg bekend hoeveel arme visschers juist daar schip en leven lieten.
Meer dan ergens anders kan de zee hier spoken en razen, en de visschersverhalen spreken van verbazende grond- en stortzeeën, die het ongelukkig daartusschen verzeilde vaartuig van alle kanten bestoken en onderdompelen, en de kleine vischsloepen door water overstelpt doen zinken.
Het is nu één uur 's nachts geworden, en Albert heeft zich naar dek begeven, en laat Berthie, die aan het roer staat, dit even aan lij draaien om de diepte te looden. Ik was met hem op dek gegaan om het lood uit te werpen.
De nacht is bijzonder donker; grauwe zware luchten verbergen achter een loodkleurigen sluier het licht van maan en sterren, en ontnemen aan de geheele omgeving zelfs de geringste kleurschakeering.
Het vriest sterk, en de droge Oostenwind, door niets in zijn vaart gestuit, waait doordringend koud over het lage open scheepje, dat stampt en slingert op de hooge golven.
"Zeven-en-twintig vaâm!" zegt Albert met een huivering tot Berthie; "dit heb ik hier nog nooit geworpen, acht-en-twintig is steeds het minste geweest!"
Berthie zwijgt, want hij weet dat de Castor zich op dit oogenblik op de gevreesde plek der Visschersbank bevindt, waar, nog pas vier jaren geleden, ook Albert's vader is gebleven te gelijk met den vader en de beide broers van Harmens, die nu rustig omlaag ligt te slapen.
's Avonds was de sloep nog gezien, maar 's nachts had het al heel boos gewaaid en 's morgens had men te vergeefs naar de Pernisser uitgekeken, waarvan men nimmer meer taal of teeken vernam.
Albert heeft ook geen woord meer gezegd, maar is stilzwijgender dan ooit omlaag gegaan, waar hij tot twee uur in het vóóronder bezig is om met behulp van "kleine Jan" het aas voor de hoeken klaar te maken.
Het aas bestaat uit zoogenaamde prikken of negenoogen (petromyzon fluvialis), kleine alen 0.3 meter lang, die op onze bovenrivieren zich in stroomend water onder groote steenen vastzuigen, en van daar naar Vlaardingen of Pernis worden afgevoerd.
Zij zijn zeer duur, tegenwoordig een schelling het stuk, maar de kieskeurige kabeljauw is er bijzonder fel op, en onze visschers kunnen er in dezen tijd van het jaar niet buiten, al is er ook veel zorg noodig om ze in het leven te houden.
Zij moeten daartoe in zoetwater worden meêgevoerd in een grooten warbak, waarin het water aanhoudend in beweging moet gehouden worden, want anders zuigen zij zich in zeer korten tijd tegen de wanden aan dood.
Op zee is de beweging van het schip hiertoe voldoende, maar zoodra het vaartuig stil ligt, moet "kleine Jan" polsen, dat is, midden op den warbak staande, uren achtereen met twee stokjes in het water roeren.
"Kleine Jan," 12 jaar oud, klein voor zijn leeftijd, met een zuidwester op en een oliepak aan, is een gewichtig en onmisbaar persoon aan boord.
Het is verbazend wat zoo'n dreumes dagelijks verricht.
Hij staat om één uur te gelijk met den schipper op, en doodt de prikken, voordat Albert ze in gelijke stukjes snijdt.
De Vlaardinger jongens doen dit, door het dier in den kop te bijten, maar "kleine Jan" vindt dat te bitter en slaat ze liever, eerst met den kop en dan met den staart, tegen den ijzeren kombuisrand dood.
Daarna zet "kleine Jan" koffie, port het volk, veegt het logies aan, vult den kolenbak, onderhoudt het vuur, helpt het vischwant klaren, zorgt voor de prikken, kookt het eten, zet de thee en bidt hardop, "want anders zou de jongen het Onze Vader heelemaal vergeten," zeggen de visschers.
Het aas, dat "kleine Jan" gereed maakt voor de haken, is verschillend in winter, voorjaar en zomer. Men moet den smaak van koning kabeljauw raadplegen.
Van half October tot Februari bezigt men hiertoe prikken en gezouten sardijnen, en daarna tot Paschen versche haring, bij Tessel gevangen. 's Zomers bezigt men aan den Helder gevangen en in tonnen gezouten geep.
Zoodra Albert het versneden aas in negen bennetjes gelijkelijk heeft verdeeld, staat het volk op, kruipt door een schuif uit het logies naar "het deken," waar ieder visscher voor zijn eigen bak het ontvangen aas aan de hoeken gaat slaan.
Vóór zich steekt hij in het scheepsboord een ouderwetschen "kaarssteker," waarin een vetkaars brandt, en naast zich heeft hij een mand, waarin 20 lijnen liggen, waaraan hij het aas moet slaan, welk werk het azen van de beug heet.
Doch wat is "het deken," wat is "de bak" en wat "de beug?" zal menigeen vragen.
Om te weten wat "het deken" is, volge men de visschers slechts uit het volkslogies voor in het schip naar het dek. Het is een vreemd schouwspel. Vlak bij de donkere zwarte zee is het dek van de schoener, welke een zeer lage verschansing heeft. Die geen zeemansbeenen heeft en zich niet weet vast te houden, loopt allerlei slechte kansen aan boord van zulk een visscherssloep. Dit zeg ik niet om kwaad te spreken van de Castor, want het is een sieraad onzer visschersvloot, en een handig, goed zeehoudend, snelzeilend vaartuig, doch zijn inrichting is niet voor vervoer van passagiers geschikt!
Hoofdzakelijk bestemd om de gevangen visch (kabeljauw, ijlbot, lengvisch en schelvisch) versch aan te brengen, is het geheele middengedeelte van het vaartuig in beslag genomen door de bun,--een grooten, gedeeltelijk door de zijden van het scheepje zelf gevormden bak, waarin het zeewater door tallooze gaten naar binnenstroomt, zoodat het water even hoog den bak vult als het vaartuig diep ligt.
Aan weêrszijden van deze bun is eenige ruimte overgebleven, welke "het deken" genoemd wordt, waar men het vischtuig bergt en de visschers de beug in gereedheid brengen, voordat zij in zee wordt gezet.
Daarachter heeft men de ijskamer, die bestemd is om de in de bun gestorven visch in het ijs voor bederf te bewaren, welk ijs in groote brokken aan boord gebracht, eerst in den ijsmolen moet worden fijngemalen.
De beug, welke de visschers nu bezig zijn gereed te maken, is een van vischhaakjes of hoekjes voorziene dunne lijn, die met tien dreggen op den bodem der zee wordt vastgelegd.
Zij wordt verdeeld in 9 of 10 "bakken"; een bak bestaat uit 20 lijnen elk 75 meter lang en voorzien van 23 fijne dwarslijntjes (0.5 meter lang), sirennen genaamd, elk met een vischhaakje aan 't uiteinde.
De beug, die stijf wordt uitgezeild, is dus 15.000 meter lang, ongeveer den afstand tusschen Leiden en den Haag, en er zijn 4500 hoeken aan.
Om de ligging der beug aan te geven, heeft men boven iedere dreg op zee een houten boei drijven, "joon" genaamd, die door de "baaklijn" met de dreg is verbonden.
Op de jonen prijken vlaggetjes, die door vorm en kleur onderling verschillen, en waarvan enkele, bij mistig weer, door lantaarns worden vervangen.
Hierdoor is de schipper ten allen tijde in staat te zien, op welke hoogte der beug hij zich bevindt.
Het azen duurt ongeveer twee uur; ieder heeft de handen vol en er wordt weinig bij gepraat. De beugvisscher is rustig en bedaard, en, onder het werk, zelden of nooit luidruchtig vroolijk, maar hij is met geheel zijn hart bij wat hij verricht, wetend dat een verkeerd aangeslagen aas den visch verjaagt.
De visscher, die met zijn lijnen klaar is, gaat een kommetje koffie drinken en tegen vier uur roept de schipper "alle handen" aan dek, om de beug over boord te zetten.
Nu begint "het schieten van de beug," dat is het uitzeilen van de lijn, welke 15.000 meter lang is en op den bodem geankerd moet worden.
De schipper beslist of weer en wind kans geven dat de beug zal worden ingehaald. Het is altijd mogelijk de beug te schieten, doch het inhalen is oneindig bezwaarlijker en de geheele beug kan dan verloren gaan, een verlies dat de visschers zelve te betalen hebben.
Wat tot het uitzetten en inhalen der beug noodig is kan wellicht slechts een zeeman naar waarde schatten, en toch is het goed een poging te doen, om onze broeders op het land eens te doen beseffen, wat voor flinke kerels onze zeelieden zijn, over welke krachten ons vaderland nog kan beschikken.
Hoe mijn vrienden van de Castor dag aan dag, week aan week, werken en durven, blijkt als men nagaat wat ze doen.
In anderhalven dag zeilen ze bij redelijk weder naar de vischgronden.
Daar aangekomen, azen ze de beug, die om vier uur 's nachts wordt uitgezet.
De schipper zelf grijpt het roer en dwingt met de zeilen de sloep met een 2 of 3 mijls vaart te loopen. Een gedeelte der bemanning is dus steeds bezig aan de zeilen, met het bijzetten of wegnemen van stagzeil, met halen en trekken. Anderen, en dat wel de voornaamste visschers, werken aan het overboord zetten van de lijn met al zijn haken. Een hunner brengt zijn bak aan, waarin de twintig van aas voorziene lijnen zoodanig liggen opgerold of opgeschoten, dat zij zonder stoornis of in de war te geraken, kunnen uitloopen.
De eerste bak wordt aan stuurboord achteruit op het boord gesteld, zoodat hij gedeeltelijk over de lage verschansing heen steekt.
Het is een schilderachtige groep, die de visschers vormen op het achterdek, wanneer zij aan hun ijskoud, verkleumend werk bezig zijn, staande in het water, over de zee gebogen, terwijl de oostenwind hen om de ooren snijdt, en het kille zeewater, vele uren lang, hun langs de handen en armen druipt.
Ze zijn gekleed in rood baai, waarover ze een donker "kiesjak," een boezeroen en een wambuis dragen. Verder hebben ze een bij de knie opgebonden broek van donkerblauw baai, twee paar sajetten kousen en klompen aan. Wanneer het sneeuwt of regent of boos weêr is, gelijk nu, vervangen de zeelaarzen de klompen, en wordt de "oliekas" aangeschoten, zooals ze hun gele geoliede kiel noemen.
Ze zijn echter zoo hard en aanhoudend aan het werk, dat ze vaak niet voelen hoe koud het is. De eene bak met lijnen na den anderen wordt achteruitgebracht, en de daarin opgeschoten lijn uitgezeild. Elke visscher heeft zijn werk. De een zorgt voor de dreggen of ankers, die moeten gezonken worden; een tweede voor de jonen, met de daarbij behoorende vlaggetjes of lantaarns; een derde voor het tijdig wegnemen der afgeloopen bakken, en het aanbrengen van nieuwe; een vierde waakt er voor dat de lijn steeds in orde is en klaar uitloopt, een vijfde houdt de lijn van tijd tot tijd even aan, gelijk een jongen die een vlieger oplaat, om te zorgen dat zij stijf en strak wordt uitgezeild. Wanneer de eerste bak geregeld is uitgeloopen, wordt geroepen: "andere bak!" en het uiteinde van de beuglijn wordt aan de tweede dreg gebonden, te zamen met de baaklijn en joon, welke toonen hoe de lijn over den bodem van de zee ligt, en met de beuglijn van den tweeden bak, die snel in de plaats van den eersten bak geschoven wordt. De lijnen van dezen bak liggen dus met haar tal van zwevende hoeklijnen op den bodem der zee geankerd, en zoo worden alle lijnen gezonken, totdat de geheele beug geschoten is.
Terwijl de visschers dus werken, en anderen telkens zeil meerderen of minderen, volgens bevel van Albert, wordt de groep der over de verschansing gebogen visschers verlicht door de lantaarn, welke kleine Jan ophoudt, om te waken dat de lijn klaar uitloopt. Het geel-roode licht valt op de van den bak afschuivende bochten der beuglijn, en Harmens ziet toe dat dit behoorlijk geschiede.
Er is geen ander licht als dit kleine lantaarntje, dat een eigenaardig schijnsel werpt op de groep breedgeschouderde visschers. Er is nog geen vin te zien. Het blijft donker grauw weêr, guur en koud, doch de zee is niet langer kleurloos, want de lange golven lichten, met een blauwen phosphorischen glans en een soort van paarsch blauw vuur, met gele vonken en tinten van gloeiend paarlemoer.
Te vier uur begonnen, is het leggen der lijn, na drie uur zeilens, om zeven uur afgeloopen, en men kan naar het begin der lijn terugkeeren. Albert laat nu alle zeilen bijzetten, om tegen de beug op te werken en weer op de plek te komen, waar de eerste dreg in zee is gelaten.
Terwijl in iets meer dan een uur het schip dus terugzeilt, schaften de visschers. Het morgeneten bestaat uit bruine boonen of cement, waarbij koffie wordt gedronken. We eten volop, want de eerstvolgende maaltijd heeft eerst plaats als de beug gelicht is, wat van avond op zijn vroegst om 8 uur plaats zal hebben. "De eerste joon is in 't zicht!" we vliegen op dek, en met van haken voorziene stokken wordt de joon aan boord gehaald met de baaklijn, en de daaraan bevestigde dreg, waardoor wij het begin van de grondlijn in handen krijgen. Nu beginnen wij allen met frisschen moed aan het lichten van de beug, aan het inpalmen van de zware 15.000 meter lange lijn.
Het is dag geworden, en als het zeer helder is, kan men met het bloote oog de drie of vier volgende jonen (of beter gezegd, haar vlaggetjes) in de verte op de golven zien dansen.
Doch heden is het mistig, de lucht is betrokken, de koude fel, en we zien slechts één vlag.
In het midden van het schip staan tegen boord drie visschers, die, elkander aflossend, de grondlijn inpalmen en de visschen omhooghalen, want de vangst is goed. Terwijl we de beug uitzetten en er tegenop zeilden, heeft het aas aan de haken de zeebewoners gelokt.