Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen

Part 13

Chapter 134,029 wordsPublic domain

"Alles was goed gegaan," schreef hij, "tot 6 uur, toen de nevel zeer onverwacht optrok en het uit het kraaiennest bleek, dat de Willem Barents rondom in zwaar ijs zat. In het Oosten hing een scherp oranjekleurige ijsgloed en van Oost tot Zuid tot Z. Z. W. zag men duidelijk een zwaar "pack" zonder een enkele opening. Alleen in 't N. O., Z. W. en Westen hingen donkere waterluchten, maar in het Noorden was ook veel en zwaar ijs. Het is duidelijk dat het gezicht hiervan ieder zeer onaangenaam verraste, maar daar er gehandeld moest worden, werd bijgedraaid en met alle aandacht met den langen kijker het ijs in alle richtingen nauwkeurig opgenomen, waarop de kommandant besloot te trachten in eene oostelijke richting loef te houden, hopende dat de wind zou noordelijken en het schip zoodoende de gelegenheid geven om den zoom van dit ijs om de Z. O. door te breken. Dit in eene Z. W. richting te beproeven, scheen minder raadzaam, daar men ondervonden had dat het ijs om de West dichter lag en zwaarder was dan het ijs om de Oost, terwijl de oostenwind bovendien steeds meer ijs om de West dreef, zoodat het dáár moest opstoppen en het schip, in die richting koersend, dus als 't ware met groote vaart in een val liep, waar het later misschien moeielijk uit zou kunnen komen. Daarom besloot de kommandant te beproeven in eene oostelijke richting loef te houden en dus om de Oost te blijven opwerken. De omstandigheid dat in dit gedeelte der Barents-Zee de generale strooming van het ijs om de Z. W. loopt, wijst dan ook op een Z. oostelijken koers om er uit te komen. Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het wak, waarin de Willem Barents zich nu bevond, lag vol verspreide schotsen, waarvoor men telkens moest afhouden en dus loef prijs geven. Daarenboven nam het wak snel in omvang af, zoodat weldra om de drie minuten moest gewend worden, wilde het schip nog de eenige opening bereiken, die uitgang naar meer water beloofde, en zelfs dit bleek weldra onmogelijk te zijn. Telkens door schotsen belemmerd, kon het scheepje geen oogenblik vaart schieten. Niettegenstaande het neêrhalen der stagzeilen voor iedere wending en het afduwen tegen ijs met alle krachtsinspanning van het vier man tellende wachtvolk, weigerde toch nagenoeg iedere wending. Blijkbaar ging dit werk de krachten van het moedig scheepsvolk te boven en steeds meer en meer raakte het scheepje in het net van schollen en ijshoogten verward. 't Mocht al een kwartier langer of korter duren, men moest eindigen met door het ijs ingesloten te worden. Het kon niet missen dat dit zou gebeuren, als ten minste de wind zoo staan bleef.

"Ook werd de ijsblink in het O. en Z. O. steeds meer helder, terwijl daarentegen de lucht in het Z. W. er steeds gunstiger uit ging zien. Inderdaad, zoo op het oog te oordeelen, zou men niet zeggen dat het ijs zich aldaar meer en meer ophoopte, zooals men aanvankelijk vreesde. Er hingen veelbelovende waterluchten, ja over het meest verwijderde ijs was met den kijker zelfs onmiskenbaar water te zien en toen de mogelijkheid zich eenmaal aan den kommandant opdrong, dat de sterk doorstaande wind wellicht aan lij eene opening zou breken, waardoor het schip voor den wind er waarschijnlijk met groote snelheid uit kon loopen, werd met vernieuwden moed aan dit denkbeeld vastgehouden en besloot de kommandant dadelijk dien weg te beproeven.

"Den geheelen voormiddag drong de Willem Barents, met den breefok bij, nagenoeg vóór den wind om de Z. W. Van top beloofde die richting 't meeste water en in het kraaiennest werd scherp uitgekeken om, die richting volgend, van 't eene wak in 't andere door te dringen. Lt. Speelman, die de wacht had, stond in de ton het schip te besturen. Ook nu had men vele voor- en tegenspoeden. Nu eens scheen er meer en meer water te komen, dan weder bleef men stilzwijgend overal op ijs staren. Te 11 uur begon het te sneeuwen en toen te 12 uur de zon weder eens doorkwam, bleek het dat aan verder doordringen niet meer te denken viel. De Willem Barents bevond zich in het midden van een door zeer zwaar ijs gevormde baai, waarvan de naar het Oosten gekeerde opening meer en meer door het ijs, dat om de West dreef, werd opgestopt. Alleen in het Zuiden liepen wakken en lanen in het "pack" een heel eind om de Zuid, maar daar zij, van top te zien, niet naar open water voerden, was het dus volgens een der eerste stelregels der ijsvaart (never enter promising leads or lanes in the pack without seeing open water beyond) niet raadzaam in die richting zich met het schip in den onafzienbaren ijsdam te wagen.

"Gelukkig noordelijkte de wind meer en meer, waarop de kommandant besloot af te wachten tot hij bewesten het Noorden was geloopen, om dan langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, te beproeven door het ijs terug te keeren en weder Oost te maken. In afwachting daarvan zou met het schip op en neer worden gehouden, wat wel is waar vermoeiend voor de bemanning was, doch het ongerust worden bij het scheepsvolk zou beletten (keep your ship moving as long as possible).

"Zoo hield men op den achtermiddag het schip vlot in een groot door ijs gevormd wak, waarin het aan de loefzijde op en neer hield, telkens voor losdrijvende schotsen afhoudende. Bij toenemenden wind werd een rif in de beide schoenerzeilen gestoken. Te 4 uur kreeg de kommandant de wacht en nam zijn plaats boven in de ton weder in. De wind, die N. t. W. was, wakkerde sterk aan, en zoodra die in eene oostelijke richting in het ijs eene opening brak, drong de kapitein er met het schip dadelijk in door en had, toen hij de wacht aan luitenant Speelman overgaf, reeds twee mijlen Oost gemaakt. Reeds te half tien 's avonds was het duidelijk dat het schip uit het zware westelijk ijs in het lichtere oostelijke ijs was gekomen en begon Speelman dan ook weder te gelijk O. en Z. te maken, en bij het doorkomen van enkele zware buien uit 't N. N. W. vloog de Willem Barents weldra den zuidelijken ijsrand te gemoet. Voortgezweept door een zwaren storm uit 't N. N. W. laveerde ons schip bij dikke sneeuwjacht door zeer verspreid drijfijs heen, en te 8 uur 's morgens had de kommandant het laatste ijs achter zich gelaten.

"We hadden het moeielijk genoeg gehad.

"De krachtig doorkomende windstooten schoven het ijs steeds dichter en dichter inéén, totdat het ten laatste zoo goed als onmogelijk scheen ooit weder het open water te zullen bereiken.

"Onze flinke kommandant de Bruyne kwam in die dagen maar zelden omlaag; eene aanhoudende dikke mist maakte de onzekerheid nog grooter, en naarmate de bemanning meer uitgeput geraakte, moest de vertrouwen inboezemende bedaardheid van den gezagvoerder toenemen, hoe afgemat, uitgeput en hopeloos hij zich zelf ook gevoelde.

"Rustige kalmte en bedaarde doortasting waren alléén bij machte een zoo gemakkelijk te beganen misslag te voorkomen en schip en bemanning weder veilig in de open zee terug te brengen.

"Dagen van spanning, vol zorgen en toewijding, vol moed en geloof, welk een heerlijken indruk hebt gij in ons gemoed achtergelaten!

"Nimmer zal de herinnering aan die dagen bij ons worden uitgewischt, en innig hopen wij dat Neerlands driekleur nog meermalen fier zal ontplooid worden ook langs die kusten en stranden door onze voorvaderen ontdekt.

"De reis der Willem Barents was een eerste welgeslaagde schrede op een van ouds door Nederlandsche zeelieden roemvol betreden pad.

"Moge zij door velen gevolgd worden!

"Reeds nu heeft deze bescheiden poging om den roemvollen naam van ons zeevolk niet te doen tanen, overal in den vreemde gunstig gewerkt; met belangstelling werden de verrichtingen gevolgd en met ingenomenheid werd de uitslag vernomen.

"Op nieuw bieden zich officieren en matrozen aan om hunne beste krachten te wijden aan de eer en de belangen van het Nederlandsche zeewezen. Moge het vaderlandsche publiek door een ruime geldelijke bijdrage toonen, dat het dit waardeert en op prijs stelt.

"Geen groote ontdekkingen, geen groote poolexpeditiën, maar een met volharding voortgezet wetenschappelijk onderzoek van de zee, die den naam draagt van een onzer grootste zeevaarders."

XII.

LAATSTE WINTER IN HET VADERLAND.

Na boos weder gehad te hebben op de Oostkust van Nova Zembla, waar deze van kaap Nassau tot aan IJskaap toe op één grooten gletscher gelijkt, waardoor slechts hier en daar een brok land dringt, en na negen dagen met mist en hooge zee en storm gekampt te hebben in die gevaarlijke nabijheid, besloot de kommandant van de Barents den 5den September naar het vaderland te stevenen. Kaap Nassau was in een dichte sneeuwbui boven winds uit het oog geraakt; de wintervorst naderde, dr. Sluiter, de bekwame, ijverige zoöloog, lag zwaar ziek in zijn vochtige, duistere slaapplaats, en alles dwong tot de huisreis. Toch werd besloten nog eerst te onderzoeken hoever de noordelijke ijsrand zich uitstrekte, en voortgestuwd door een stijve bries uit het W. N. W., ging de Barents nog eens noordwaarts, en ontmoette het ijs op 78° 7' N. Br. Een hevige storm uit het Z. W. noodzaakte kommandant de Bruyne weder uit het ijs te sturen, en na geworsteld te hebben met aanhoudenden tegenwind en stormweêr viel het kleine schoenertje, dat zich zoo prachtig gehouden had, den 12den Oktober te IJmuiden binnen.

Officieren en bemanning werden met veel warmte welkom geheeten in het vaderland. Hun kloeke tocht naar het Noorden werd algemeen gewaardeerd en Beynen was recht gelukkig dat de proeftocht zoo wel geslaagd was. Toch was hij de vroolijke, levenslustige jonge man van vroeger niet meer. Men kon bespeuren, dat de groote verantwoordelijkheid, welke hij, bij ijsdrang en noodweer, gevoeld had dat op hem rustte, hem had aangegrepen. Onbeschrijfelijke moeite kostte hem het stellen van zijn verslag. Hij vertoonde zich nergens, doch sloot zich op in zijn kamer om er aan te werken, en met compressen koud water om het gloeiende hoofd gebonden, poogde hij zijn verslag zoo te schrijven, dat het hem voldeed.

"Vindt ge mijn beschrijving van ons vechten tegen het ijs niet lauw water?" schreef hij mij; "zeg mij toch wat ik doen moet. Er deugt niets van en ik was dwaas het je zoo te zenden, maar men kan van een vriend houden om zijn dwaasheden en zwakheden, en beschouw het werk, dat ik u toezend, dan ook als een sprekend voorbeeld van het schrijfwerk van een onnadenkenden zeeman, een onpractischen vriend."

Hetgeen hij mij zond was degelijk en goed, doch er ontbrak de levendigheid aan, welke zijn meesleepende verhaaltrant, wanneer hij sprak, onderscheidde. Hij kwam een paar dagen bij mij logeeren, en als hij dan over zijn reis sprak en in vuur geraakte, schreef ik de woorden uit zijn mond op, en wat hij zocht vond hij zelf. Geen woord kwam er dus in 't verslag, of in zijn aardig verhaal "In 't Kraaiennest", dat niet uitsluitend van hem zelven was. Ik heb ze voor mij liggen, de potloodkrabbels, waarmede ik haastig zoo menig kenschetsend woord van hem opschreef, en het is me alsof ik het bezielde woord van den nobelen jongen opnieuw hoor. De reactie, welke kwam na al zijn inspanning gedurende vijf jaren, was groot, en het werken was hem zeer moeielijk geworden, gelijk ik mededeelde. Aan het einde van zijn verslag schreef hij dan ook met volle waarheid: "en hiermede eindig ik mijn taak als verslaggever, die mij zwaarder is gevallen dan de reis."

Toch besloot hij dat verslag met woorden vol van de oude geestdrift, en 't is me of ik hem met vonkelend oog en 't fiere hoofd omhoog gebeurd, nog spreken hoor, als ik herlees:

"Al de waarnemingen en handelingen op de Barents verricht gaven aan ieder aan boord het bewustzijn, dat hij eene belangrijke taak te vervullen had, wekte op tot bovenmatige inspanning en schonk bij welslagen der pogingen de voldoening van ook als Nederlander iets tot het natuurkundig onderzoek der zeeën te hebben bijgedragen, waarin andere zeevarende natiën zich in de laatste jaren zoo verdienstelijk hebben gemaakt. Daarin toch vindt een klein volk eene schoone gelegenheid om in tijd van vrede zich lauweren te verwerven, door veroveringen in het belang der wetenschap te maken.

"Moge deze eerste tocht door meerdere tochten ook op grooter schaal gevolgd worden; en mochten de middelen niet toelaten om daartoe een stoomschip te gebruiken, laat ons dan voortgaan te doen wat door de Willem Barents gedaan is en ook zeggen, als de Spartaan tot zijn zoon, die zich beklaagde dat zijn zwaard te kort was: "Zoon, doe een stap nader tot den vijand."

Doch den volgenden "stap nader tot den vijand" zou Beynen niet medemaken. Zoodra hij in het land was teruggekeerd, had de minister van marine Jhr. Wichers, die den heer van Erp Taalman Kip was opgevolgd, hem gezegd dat het varen naar het Noorden nu uit moest zijn en hij in 't voorjaar weder naar Indië had te gaan. Voor zijn loopbaan als zee-officier was dit trouwens beter, en hij gevoelde zelf dat het in het belang van de ijsvaart was dat meer en meer zee-officieren zich zouden bekwamen in die vaart. Zij die een paar reizen gemaakt hadden, deden dus beter plaats voor kameraden te maken, opdat ook anderen die leer- en oefenschool mochten doorloopen. Wij, zijn vrienden, raadden hem met grooten aandrang aan, geen poging te doen om den minister te bewegen hem nog eens verlof te geven naar het Noorden te gaan. Wij zagen hoe zijn gestel geleden had door die "bovenmatige inspanning", waarvan hij sprak en die nu jaren lang geduurd had. In enkele opzichten was het Noorden beter dan het Oosten voor zijn gezondheid, maar zijn zenuwgestel had dringend rust noodig, en geen groote verantwoordelijkheid moest daarom vooreerst weer op die jonge, gewillige schouders gelegd worden.

Ik zag hoe aanhoudende hoofdpijn en slechte spijsvertering hem hinderden, en eens dat hij op een avond bij mij zat, stelde ik hem een plan voor dat mij niet verwerpelijk scheen. "Kunt ge niet wegens uw gezondheidstoestand een paar jaar non-actief blijven?" vroeg ik, "dan komt ge tot rust en kalmte. Er is een betrekking waarin gij gedurende dien tijd met genoegen zult werken, voor je open, en er is bovendien zooveel dat je nu meer dan ooit aan het vaderland boeit."

De verleiding was groot, want het leed geen twijfel dat hij rust in een gematigd klimaat noodig had, maar rust is voor edele enthousiasten juist het eenige wat ze niet voor hun ideaal over hebben. "Repos ailleurs" is hun motto. Mijn voorstel weigerde hij in een brief, waaruit ik enkele woorden wil aanhalen, omdat ze hem doen kennen als geen andere zouden vermogen. Ze zullen zelfs den onverschilligste doen beseffen waarom men Beynen niet ten halve liefhad.

"Mijn plicht is het te werken zoolang het dag is, en naar Indië te gaan. Als ik in de tegenwoordige droevige tijden (waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven) rust ging nemen, terwijl het de schijn had alsof ik meer luisterde naar mijn belang dan naar mijn plichtbesef, dan zou ik door die daad verbazend veel kwaad doen aan het plantje, dat wij pas na zooveel moeite en met zooveel opofferingen gepoot hebben, opdat het later vruchten geve aan ons land. Duizenden zouden zeggen: "daar hebt ge nu die vaderlandlievende geestdrift! Zoodra men er munt uit kan slaan, verlaat men schaamteloos en zonder te blozen, den standaard, dien men zelf heeft opgeheven en dien men eerst zoo heilig beweerd had nimmer in den steek te zullen laten.

"Waarlijk! mijn vriend, ik zou aan de zaak welke wij beide zoo liefhebben, veel, zeer veel kwaad doen, en ik geloof dat het grootste offer dat ik aan de Nederlandsche poolzaak brengen moet, dit is, dat ik het publiek de gelegenheid beneem te beweren, dat geen waarachtige vaderlandsliefde, maar enkel vuig eigenbelang pour parvenir de prikkel was, dien Nederlandsche zeelieden een beroep deed doen op den steun en de medewerking van het geheele volk. Neen, wij officieren, deden het enkel uit liefde voor ons land en ons corps.

"Vooral voor jong Nederland zal een duidelijk blijkbaar geheel belangloos streven oneindig beter (ook in de toekomst) werken en tot navolging en medewerking aansporen."

Ik heb lang geaarzeld eer ik deze regels uit een zeer vertrouwelijken brief overschreef, doch ik heb er toe besloten omdat, zonder dat ik er iets aan toevoeg, door ieder zal begrepen worden, dat Beynen, eer hij zoo kon schrijven, een groote overwinning had behaald op zich zelven, uit heilige toewijding aan 't geen hij zijn plicht achtte.

Hij was een ridder zonder vrees of blaam. Hij overtuigde anderen dat het plicht was zich geheel aan het land en zijn belangen toe te wijden, omdat hij zelf zoo volkomen overtuigd was. Indien hij een profeet was van ideëel plichtsbesef, dan was hij ter zelfden tijd zijn eigen discipel. Hij zag in wat ons land boven alles noodig heeft. Als hij in dien brief spreekt van "deze droevige tijden waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven," dan legde hij den vinger op de wonde, dan duidde hij de ziekte der natie aan, waartegen hij wilde reageeren, terwijl ze hem deed lijden. Onverschilligheid en kwaaddenkendheid moeten overwonnen, en het volk weer innig doordrongen worden van hetgeen het den staat verschuldigd is; het moet zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid waardeeren, gelijk men het zijn gezondheid doet, en niet de dagen van ziekte en zwakte afwachten om er voor te zorgen. De vrijheid heeft twee stemmen, die der bergen en die der zee, en aan die der zee moeten wij de verlevendiging van ons nationaal bewustzijn vragen.

Professor Helmholtz schreef eens dat een microscopist, als hij dieper en dieper in de geheimen der natuur doordrong, ten laatste op een standpunt kwam, waar hij meer aandacht moest vestigen op het instrument dat hij gebruikte, dan op de voorwerpen welke hij waarnam. Dan behoorde hij al zijn geestesgaven aan te wenden om het instrument te verbeteren, om de lensen duidelijker en helderder te maken, en hun vermogen te vergrooten.

Wij hebben in ons vaderland, dat reeds veel gedaan heeft, geloof ik, dat standpunt bereikt. Het komt er op het oogenblik meer op aan om het volk, dat het instrument is waarmede gewerkt wordt, nieuw leven, frissche kracht, verjongd geloof in zich zelf bij te zetten, dan om meerdere kennis te veroveren. Laat men geen volk ongelukkig noemen voor den dag van zijn dood, want er zijn altijd nog duizende kansen op geluk, op herstel, en het voorbeeld door Beynen gegeven zal ons wellicht een van die kansen doen aangrijpen.

Wanneer de breede stroomen, die ons vaderland het aanzijn gaven, roerloos en zwijgend in de winterboeien liggen, zou iemand die de kracht der lentezon niet kende, geneigd zijn te gelooven dat ze voor goed versteend zijn. Doch plotseling hoort men een donderenden klank als van kanonvuur; het ijsveld kraakt en breekt, en 't water met zijn boeien spelend, stroomt vroolijk, tintelende in het zonnelicht, weer naar de zee.

Geweld noch toorn baat iets tegen het ijs dat rivieren stremt, maar vast geloof in 't rijzen van de voorjaarszon, en in den vloed der zee die vrij maakt, dwingt tot geduldige volharding, en noopt ons alles in gereedheid te brengen tegen dat de dooi begint.

Wil men diezelfde heerlijke uitkomst voorbereiden in 't vaderland, en zijne burgers, die door langen voorspoed zijn geboeid, de lendenen weer doen omgorden tot nieuwe krachtsinspanning, dan moet men evenmin met toorn, schimpen en geweld aan 't werk gaan. Dan moet men niet te veel critiseeren en afkeuren, niet te veel klagen en gispen, maar met woord en daad hen helpen, die op frissche bezielende wijze het goede voorbeeld geven.

Er is zeker wel niemand die zijn land lief heeft en aan de toekomst zijner kinderen denkt, die zich niet soms diep ontmoedigd gevoelt, en klaagt over veel dat in onze maatschappij, en de toestanden van ons vaderland verontrustend schijnt. Er is een zekere matheid en vermoeienis, een sleur, een onverschilligheid en gemakzucht welke vele edele kiemen verstikken. Hier en daar ziet men bewijzen van een geest die niet goed is, van een zelfzuchtige begeerte om de toekomst voor zich zelve te laten zorgen, en niet bij tijds te waken voor de krachtsontwikkeling van het volk en de verdediging van het land, voor alles wat het zelfvertrouwen, het geloof en de hoop onzer kinderen kan versterken.

Wanneer wij, die gelooven dat kleine, onafhankelijke staten het zout der Europeesche volkerenfamilie zijn, en bolwerken vormen van gewetensvrijheid en geloof in hooge beginselen, zien en ondervinden dat in alle standen menigeen niet beseft dat krachtsinspanning en eindelooze strijd noodig zijn, om de oude vlag fier te handhaven, dan zouden wij bijna ontmoedigd worden. Doch dit willen we niet, dit zullen we niet. We moeten niet gispen en klagen en veroordeelen en aan anderen de schuld geven; neen, we willen opbouwende kritiek. In plaats van enkel af te keuren wat verkeerd is willen we hen aanmoedigen, steunen en bewonderen die hun plicht doen, die den staat met hunne schouders steunen, die het ideaal eeren, die hun volk tot beweegkracht strekken.

Wanneer men het volk Jan Salie scheldt, dan denkt ieder aan zijn buurman en niet aan zichzelf, en de berisping gaat als een galmend gerucht over onze hoofden. Doch als men Jan Cordaat eert en prijst, dan steekt men de hand in eigen boezem en erkent men: "hij is mijn meerdere, hij zij mij tot voorbeeld."

Moge Beynen's toewijding aan zijn plichtgevoel, aan zijn vaderland dan ook velen opwekken om hem na te volgen, en moge het aantal jonge mannen groot worden die eens met eerbied voor zijn streven zullen zingen:

"Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint "En wij minnen eens 't land zooals hij 't heeft bemind." [11]

De brief, welks bewoording tot deze opmerkingen aanleiding gaf, deed mij inzien dat elke verdere poging om te verhinderen dat Beynen naar Indië ging, vruchteloos zou zijn. Ik vroeg hem of hij een geneesheer wilde raadplegen, en hierop antwoordde hij: "Ik heb een geneesheer over mijne oogen geraadpleegd, het eenige wat mij zorg baart; ik zal overigens voor mijn gezondheid zorgen, dat beloof ik je. Ik wil niet als een wrak uit Indië terugkeeren, en gevoel mij werkelijk nog als een hecht en sterk scheepje dat voor vele diensten gebruikt kan worden. Doch die hoofdpijnen moeten overwonnen. Ik ga daarom mijn trouwe vriendin, de zee, om hulp vragen. Het geheele verhaal van den tocht van de Barents ging heden middag in zee, en daarmeê viel mij een zware steen van 't hart. Om geheel frisch naar Indië te vertrekken, en koning en vaderland daar goed te kunnen dienen, ga ik van 27 Januari tot 14 Februari met een Nieuwedieper sloep beug visschen. Het is een heerlijk vooruitzicht onze visschers te leeren kennen en in hun midden op zee nieuwe kracht op te doen."

Toen hij van dien tocht met de Pernisser visschers terug was gekomen en voor het laatst bij ons dineeren kwam, vertelde hij na den eten bij mij aan huis, op zijn eigen levendige aanschouwelijke wijze, met geestdrift aan mijn jongens zijn wedervaren. Ik had toen met potlood haastig het meest kenschetsende van zijn verhaal genoteerd; dit vulde ik aan met wat hij mij, terwijl we op het dek van de Koning der Nederlanden 's avonds heen en wederliepen, nog mededeelde. Hij had zelf een en ander van zijn tocht opgeteekend, en uit Napels en Indië zond hij mij in een paar brieven nog bijzonderheden omtrent de wijze van visschen en de inrichting van het schip.

Dus kwam het volgende verhaal in de wereld, dat ik slechts geredigeerd heb, doch dat trouw Beynen's eigen woorden wedergeeft.

XIII.

'S WINTERS OP DE NOORDZEE.

(VERHAAL VAN BEYNEN)

Het is een gure Februarinacht in 1879. Dezelfde grauwe lucht, welke zich weken lang over Nederland welfde, hing kil en somber boven de Noordzee. Dezelfde Oostenwind, die onze vaarten en kanalen met ijs bedekte, floot snerpend en fel door het want van de schoenersloep Castor, schipper Albert Koster Hzn., die midden in de Noordzee bij de Doggersbank de golven kliefde, en uit was op de beugvisscherij.