Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen

Part 11

Chapter 113,674 wordsPublic domain

"Er bestaat kans met een Zweedsch stoomschip eenige regelen naar het vaderland te verzenden, en ik gevoel behoefte daarvan in de eerste plaats gebruik te maken, om een oogenblik met je te gaan praten, opdat gij in het vaderland een der eersten zoudt zijn, die mocht vernemen dat tot op dezen dag de Willem Barents gelukkig en voorspoedig de Noordelijke IJszee bevaren heeft en dat de geliefde driekleur 14 dagen lang stout en fier gewapperd heeft in de voor ieder Nederlander zoo historierijke kustwateren van het gure barre Spitsbergen. De goede gelukster, welke de oude vlag zoo vaak op alle zeeën beschenen heeft, is ook zeer blijkbaar met ons geweest. Ge zult van kolonel Jansen een uitvoerige beschrijving ontvangen van ons wedervaren, maar een ding wil en moet ik u zeggen, en dat is hoe gelukkig wij allen aan boord van de Willem Barents zijn, en hoe voorspoedig tot dusverre zoowel het wetenschappelijk als het nautisch werk hier aan boord steeds is uitgevallen. Wij hebben moeielijke dagen gehad, maar met ware voldoening mag ieder er op terug zien.

"Gehard en sterk als een pooltocht een mensch maakt, zijn wij vol veêrkrachtig verlangen om de moeielijkheden, welke ons in de Nova-Zembla-wateren wachten, te gaan opzoeken.

"Wat stel ik er mij vaak een genoegen van voor om je al onze avonturen en wederwaardigheden, bij den huiselijken haard, rustig na den eten te zitten vertellen.

"Het is werkelijk waar, op mijn ruwe nachtwachten verbeeld ik mij meermalen weer de walsmuziek te hooren en je kinderen te zien dansen en springen, en die muziek van 't huishouden van den vriend klinkt den zeeman in hoogst aangename harmonie met de hard doorslaande windvlagen. Telkens als ik de portretjes van uw kinderen ophaal en bekijk, denk ik aan dien gezelligen avond van den 3den Mei, toen ik te midden van al die verbazende drukte der laatste dagen voor het uitzeilen, nog eens zoo rustig en aangenaam met u ben geweest.

"Wat was het verschil in het begin groot! Dat leven in Amsterdam met al zijn gemakken en genoegens, en toen op eens, tijdens donkere nachten, met vier man wachtvolk bij harden wind en stortregens de nieuwe en nog zoo stijve zeilen reven. Toch zou ik beide levens niet willen ruilen! Als ik kiezen moest tusschen het altijd in Amsterdam zijn en het altijd blijven varen, dan koos ik zonder mij te bedenken het laatste. Het eenvoudige gezonde zeemansleven heeft zoo verbazend veel voor, vooral als men, zooals wij, aangenaam en gezellig onder elkander is. Ook onder de bemanning zijn goede stevige kerels, in de eerste plaats onze beide Marker visschers.

"Mij komt het vaak voor of in hen nog dezelfde groote eigenschappen schuilen, welke ons zeevolk bezielden in de 17de eeuw. Bedaard, schrander, ijverig, eenvoudig, en daarbij geestig en gevat. Beiden zijn verbazend sterk, iets wat, zooals gij begrijpen kunt, nog al vaak te pas komt, en de jongste, die het nooit moede is te halen en te trekken, heeft dan ook om zijn gewilligheid en kracht den bijnaam gekregen van het "hand-stoomliertje."

"Wat staan zij verbaasd over alles wat zij hier zien. Verbeeld je bij voorbeeld hun verwondering, toen ik hen midden in het ijs op een eilandje bracht waar duizende ganzen, die daar hun broedplaats hadden, voor hunne voeten opvlogen, en wij in enkele minuten zoovele versche eieren verzamelden, als wij maar met eenige mogelijkheid bergen konden. Zakken, tasschen, zeelaarzen, alles werd met eieren volgepakt, en als iemand struikelde en viel, dan had men een "omelette au marin."

"Vooral ook met het plaatsen van den grafsteen op het oude verlaten kerkhof van Amsterdam-eiland waren de beide Markers zeer ingenomen, en ik moet trouwens zelf ook erkennen dat ik zelden zulk een ernstigen, aangenamen plicht vervuld heb. Het was slecht weer geweest en bij Zeeuwschen-uitkijk hadden we onder den hoogen wal voor anker gelegen. Wat lag het scheepje dien nacht rustig in dat hoekje, achter al die hooge trotsche bergmassa's! Buiten op zee hoorde men het loeien van den storm en het bekende geluid der harde windstooten en aan boord heerschte de grootste stilte, slechts afgebroken door den eentonigen zachten voetstap van den wachthebbenden matroos op het dik besneeuwde dek.

"Honderden stormmeeuwen, den strijd op zee moede, hadden zich in eene dichte massa aan lij van het scheepje neêrgevleid, om in 't vlakke water aldaar uit te rusten van de al te zware rukwinden daar buiten. Het sneeuwde onafgebroken, waardoor zelfs de steilste bergwanden met sneeuw werden bekleed en de geheele omgeving een heerlijk grootsch wintergezicht aanbood.

"Toen het weer na een paar dagen beter werd, koersten wij naar Amsterdam-eiland. [9]

"'t Was een heerlijke avond, en nog eenmaal deed de barre gure noordkust zich op haar vriendelijkst voor. Maar het leven en de bedrijvigheid van vroeger waren nu vervangen door het vroolijk geklapwiek der tallooze ijsduifjes, papegaaibekken en lommen, die aan 't anders zoo gure natuurtooneel iets opgewekts en levendigs gaven.

"Recht vooruit lagen het eiland Vogelenzang en "het eiland met de kloof," waar Barents tijdens zijn derde reis het eerste land maakte en Spitsbergen Nieuwland doopte. Daar bezuiden lag "de Zeeuwsche Uitkijk," waar die uit Middelburg en Veere reeds in 1617 hunne traankokerij oprichtten, toen de machtige Kamer van Amsterdam hun het verblijf op Amsterdam-eiland nog niet ontzegde.

"Lang duurde dit heerlijk schouwspel niet, want kort daarop wikkelde de geheele kust zich in haren grauwen avondnevel, die, zich tot ver op zee uitbreidend, het de Willem Barents moeielijk maakte haar weg naar Amsterdam-eiland te vervolgen. Als 't ware geblinddoekt, koerste men, scherp uitkijk houdend en goed naar branding uitluisterend, benoorden het eiland Vogelzang om, passeerde den noordelijksten hoek er van op ongeveer 7 kabellengten en zeilde met een gereefde marszeilkoelte langs de Oostkust van Amsterdam-eiland de Hollandsche baai binnen.

"Het woei zelfs zoo hard, dat vóór men ten anker kon komen, nog het voorschoenerzeil moest gestreken en 2 reven in 't achterzeil gestoken worden, waarna de Willem Barents, in een zware bui, dicht bij de overblijfselen der oude traankokerijen van Smeerenburg weldra het anker liet vallen. Onbekend met het vaarwater, was de Willem Barents ten gevolge den harden wind bijna te ver de straat, die Amsterdam-eiland van het Deensche eiland scheidt, binnen geloopen, want nauwelijks waren de zeilen gestreken en lag het schip op den wind gezwaaid, of van alle kanten werden rondom ons klippen ontdekt, waarvan de grootste (waarop, volgens een oud Hollandsch kaartje, het schip de Oliphant eens gezeten had) slechts enkele meters aan bakboord achteruit boven water uitstak.

"Zoodra het schip veilig en wel ten anker lag, gingen de officieren en manschappen naar den wal om het oude Smeerenburg te bezoeken.

"Wat waren er van die eenmaal zoo druk bezochte levendige plaats, weinig sporen meer overgebleven! Wat was die vlakte doodsch en verlaten, waar eens jaren lang zulk een vroolijk gewoel had geheerscht!

"Had men zich voorgesteld, nog veel van het oude Smeerenburg terug te vinden, dan zou de teleurstelling groot geweest zijn.

"Voor 't kale en verlaten strand lag alléén het Nederlandsch schoenertje ten anker en door sneeuwjacht en mist slechts gedeeltelijk zichtbaar, maakte de lage, vlakke kust, "omtrent een kleine musquetschoot breed," een zeer doodschen indruk.

"De achtergrond bestond uit hooge, donkere bergmassa's waardoor het eentonig strand er nog vlakker en onbeduidender uitzag dan het inderdaad was.

"De voormalige plaatsen der 7 Kamers (die van Amsterdam, Rotterdam, Middelburg, Vlissingen, Enkhuizen, Delft en Hoorn) waren evenwel nog goed te herkennen aan de overblijfselen der cirkelvormige muurtjes, waar de traanketels blijkbaar op gerust hadden.

"Men stelle zich verder voor: een wit besneeuwde vlakte, waarvan alléén dicht aan den waterkant de sneeuw is ontdooid, en die smalle strook gronds bezaaid met gebroken roode dakpannen, Hollandsch puin, verbazend groote stukken walvischbeen, sloepriemen, half vergaan touw, en hier en daar enkele graven, dan heeft men een weinig aanlokkelijk, doch vrij juist begrip van wat er van die weleer zoo druk bezochte plaats is overgebleven.

"Het kerkhof aan 't noordelijk uiteinde van het strand was zoo mogelijk nog treuriger; de meeste kisten waren opengebroken, de grafkruisen omgewaaid en doodshoofden en beenderen lagen alom verspreid.

"Niet zonder moeite vermocht men eenige grafkruisen te ontcijferen, waarop stond:

Hier ligt begraven Jan Fred. Meyrot van Pruysen, is in den Heer gerust, den 19den Juli op het schip Evenwicht, commandeur Cornelis Dek, 1778.

of: Hier leijt begraven Uurjaen Klaesz Kromon van Son...

of: Hier leijt begraven Hendrijk Selden van Gestack, is gestorven schip Frouw Anna Kommand. Derk Driewes, 1742. enz., enz.

"De kisten werden met de halfvergane deksels weder dichtgetimmerd, de kruisen op nieuw opgericht en den volgenden dag, op het hoogste punt van den grafheuvel te midden der graven, een groote steenhoop gebouwd, waartegen met eenige helling de uit het vaderland meêgebrachte steen werd geplaatst, waarop te lezen stond:

†

In Memoriam. Spitsbergen of Nieu-land ontdekt tot 79° 30' n. Breedte door de Hollanders. Hier overwinterden 1633-34 Jacob Seegersz en zes anderen. Hier overwinterden en stierven 1634-1635 Andries Jansz. van Middelburg en zes anderen.

"Laat in den avond even vóór middernacht, werd door de geheele bemanning een laatst bezoek aan deze plaats gebracht, bij welke gelegenheid de kommandant in korte woorden het navolgende zeide:

"Mannen! door het oprichten van dezen steen vervullen wij een wensch van de Nederlandsche natie, die hier op deze oude begraafplaats van reeds lang gestorven "Vaderlandsche zeelui," een kennelijk huldeblijk wil plaatsen, ter herinnering aan de koene daden en den kloeken ondernemingsgeest onzer onverschrokken zeevaarders. Eeuwen heeft hun asch hier reeds gerust en als wij rond ons kijken, blijkt dat van vele dier graven nog slechts weinig is overgebleven, maar wat niet vergaan is en wat niet zal vergaan zoolang Hollands vlag nog fier op alle zeeën waait, dat is de achting en eerbied waarmede hun nakomelingen de herinnering in eere houden aan die mannen, die eeuwen geleden zooveel gedaan hebben voor de eer en welvaart van 't geliefde Vaderland."

"Het was een vreemd schouwspel, die 14 gezonde, levenslustige zeelieden op die doodsche grafheuvel van lang gestorven, vaderlandsche zeelieden, daar op dat verre, vreemde strand, druk aan het werk te zien om een taak der liefde te vervullen, en ik kan je verzekeren, dat--zoo er ook al in Nederland personen bestaan die er mede spotten--er geen onder die 14 mannen was, die niet ernstig onder den indruk was van het werk dat verricht werd.

"Onwillekeurig dacht ik aan je warm betoog, hoe uit die door ons geplaatste steenen een kracht kan uitgaan, welke het volk opwekt, en hartelijk en innig hopende dat wij het samen zullen mogen beleven, dat die kracht het geliefde vaderland eenmaal tot zegen worden zal, blijf ik, vertrouwend op de toekomst, uw liefhebbende vriend, die u thans uit de Noordelijke IJszee den beloofden langen brief toezendt."

Indien wij nu de Barents nog even vergezellen "in den mist" en "in het ijs," dan krijgen we een duidelijk denkbeeld van den eersten tocht van dit roemrijk scheepje.

VIII.

IN DEN MIST.

Het is moeielijk aan hen, die nimmer in de IJszeeën geweest zijn, een flauw denkbeeld te geven van al het onaangename van een poolmist,--schreef Beynen in zijn verslag. "Uren, dagen, weken lang bleef de Willem Barents in zulk een nevel varen, wat zelfs den vroolijkste aan boord stil, somber en in zichzelf getrokken maakte. Buiten het schip zag men niets als een grauwe dampmassa, die lucht en zee ineen deed smelten en er alle kleur aan ontnam.

"Hoewel de temperatuur der lucht om en bij het vriespunt bleef, waren tuig en zeilen aanhoudend kil, nat en doordrong die aanhoudende dampmassa zelfs de warmste kleeren. Beneden in het schip was het niet droog te krijgen. De met mist bezwangerde atmospheer condenseerde tegen het koude bovendek en veroorzaakte in het logies een voortdurenden drupregen. Op de bedden konden geene lakens meer gebruikt worden, op de matrassen zat de schimmel vingerdik, zoodat men dag en nacht in eene geheel natte omgeving leefde.

"De eerste dagen verleenden de goedsluitende oliepakken nog een weinig bescherming, doch ook zij bleken weldra niet bestand te zijn tegen den alles doordringenden vijand. In dit reservoir van killen waterdamp moest de bemanning der Barents nu onafgebroken de meest verschillende waarnemingen verrichten, die voornamelijk bestonden in het peilen van de diepte der zee, het nagaan van de temperatuur er van op verschillende diepten, en het dreggen met het sleepnet. Om dit werk behoorlijk te kunnen doen begon het wachtvolk dan ook reeds 's morgens om 4 uren het schip er voor in gereedheid te brengen. Er werden twee reven in het achterzeil gestoken, ten einde het zeil hoog genoeg te kunnen hijschen om den schoorsteen op den stoomketel te kunnen plaatsen; de groote rol, waar het zware dregtouw om heen was gewonden, werd opgetuigd om bij het over boord gaan van het sleepnet geleidelijk te kunnen afloopen; de stoomketel werd vol water gepompt en het vuur er onder ontstoken. Dan ging het sleepnet te water en werd het sleepgetouw tot ongeveer drie- viermaal de diepte der zee uitgezeild, waarna men een zwaar gewicht langs de lijn naar beneden liet zinken tot het tegen een daarvoor op het dreggetouw bevestigden stok bleef zitten en het sleepnet naar den bodem der zee hielp zinken, wat bespoedigd werd door de vaart van het schip te verminderen, door stagzeil en voorschoenerzeil te bergen en hoog aan den wind te sturen. Had het sleepnet den bodem bereikt, dan deed men het langzaam over den grond schrapen en begon men 's morgens ongeveer om 9 uur met de stoomlier de lijn weder in te winden, zoodat na ruim een half uur het sleepnet binnen boord werd gehaald dat te midden van veel slijk en modder de meest vreemdsoortige diersoorten bevatte. Terwijl Dr. Sluyter uren lang die koude slijkmassa doorzocht, ging luitenant Speelman, daarin bijgestaan door Dr. Hijmans voort met het waarnemen der temperatuur van de zee op verschillende diepten, waartoe hij de "Negretti en Zambra's reversible deepsea thermometer" of "Eckmann's apparatus" gebruikte, met welk laatste instrument men tevens tegelijkertijd het soortelijk gewicht van het zeewater kan bepalen.

"Tegen dat luitenant Speelman hiermede gereed was, sloeg het twaalf uur, kwam het ander kwartier, bestaande uit drie man, aan dek en werd met de geheele bemanning zeil gemaakt, ten einde den gedurende het dreggen verloren tijd weder in te halen. De reven werden uit het achterzeil gestoken, het water uit den ketel gespoten, de schoorsteen omlaag genomen en te één uur geschaft. 's Middags werd alles weder afgetuigd en het dek gespoeld, wat hoog noodig was, daar het slijk van het sleepnet en het roet van den stoomketel het geheele schip met een dikke laag vuil hadden bedekt. Hiermede was men tegen 4 uur klaar gekomen waarna verder, ook gedurende den nacht, na iedere 5 mijl grond werd gelood, en de temperatuur van het water op den bodem der zee werd waargenomen. Daar de stoomketel dan niet was ontstoken, moest de lijn met de hand of door middel der handlier worden ingewonden, wat gewoonlijk een klein driekwartieruurs vorderde. Daarbij moesten nog ieder uur waarnemingen worden gedaan omtrent de kracht en richting van den wind, omtrent den toestand van zee en lucht, omtrent de temperatuur van het zeewater aan het oppervlak, enz. enz., terwijl nog herhaaldelijk met een door professor Stamkart uitgevonden instrument de locale intensiteit van het aardmagnetisme bepaald werd. Zoo ging het dagen en weken onafgebroken voort, zonder dat ooit een enkel helder zonnestraaltje de doodsche sombere omgeving kleurde.

"Toch werd het werk zelfs door de matrozen met ijver en lust verricht; het was alsof ieder door aanhoudend werken de sombere stemming wilde verdrijven, waarin het aanhoudend natte kille weer de gemoederen bracht. Men dacht aan niets dan aan het nemen van waarnemingen, men stond, om zoo te zeggen, er meê op en ging er meê naar bed, en er zijn voorbeelden dat officieren 's nachts droomend opsprongen met den uitroep, dat het soortelijk gewicht van het water 1029 was.

"Er ontstond een edele naijver omtrent de beste en nauwkeurigste wijze van observeeren; men ging er bijna toe over elkander onderling te controleeren, men getroostte zich gaarne voor iedere waarneming het grootste ongemak, ja werkelijk soms was het alsof eene observatiekoorts de geheele bemanning der Willem Barents had aangetast."

Dus volgden achtereen vele etmalen, waarin steeds nacht en dag moest gewerkt worden in somberen mist en killen waterdamp, maar jeugd en geestdrift heerschten aan boord. Kommandant de Bruyne ging kalm, hartelijk en met een onverstoorbaar goed humeur allen voor in vroolijk werk en rustelooze waakzaamheid, en onder de zonnige dagen van hun leven zullen Beynen's vrienden op de Barents steeds de vele dagen en nachten rekenen toen ze kruisten in de Barentszee, terwijl het mistte op het dek en drupregende in het logies.

IX.

IN 'T WESTIJS.

"Er is niets dat meer opwekkend is dan eene zeewacht aan boord van een handig zeilscheepje te midden van veel ijs,"--zeide Beynen in zijn verslag, en als wij ons den fieren jongen zeeman weer voor oogen willen stellen, dan hebben wij die woorden slechts te herhalen. Zij kenschetsten hem.

De Barents had bewesten Spitsbergen het ijs den 11den Juni het eerst gezien. "'s Nachts op de hondenwacht ontdekte men eindelijk werkelijk het eerste zilverwit gekleurde drijfijs," schreef hij, "en spoedig was de Willem Barents er aan alle kanten door omgeven. De officieren waren, om een ruimer blik te hebben, boven in 't tuig geklommen en beschouwden stilzwijgend het vreemde en grootsche natuurtooneel.

"Daar lag dan nu die groote, breede, machtige ijsstroom vóór hen, die jaar in jaar uit onafgebroken langs de oostkust van Groenland het ijs uit het Poolbekken wegvoert in onafzienbare velden van éénjarig ijs, die over eene uitgestrektheid van mijlen zóó effen en vlak zijn dat de Nederlandsche walvischvaarders daaraan den naam van veldijs gaven, waaraan zij deden denken.

"Die groote velden worden echter niet eerder aangetroffen dan nadat men een eind weegs door schollen en vlaarden is heengedrongen, die ontstaan door den hevigen strijd welken de onstuimige zee met den ijsrand voert, wat de officieren in 't kraaiennest dan ook spoedig met eigen oogen aanschouwden.

"De lucht staat buiig en de telkens invallende sterke windstooten zweepen de met spoed toesnellende golven met ongekende kracht tegen het weerstandbiedende ijs, dat zich al meer en meer tot een dichte massa samenpakt.

"De strijd tusschen den machtigen oceaan en het zware ijs is ontzagwekkend grootsch. De wind jaagt de zeeën het ijs te gemoet en met eentonig gelijkmatige snelheid volgt de eene golfslag op den ander en breekt met donderend geweld op de weerstand biedende ijsmassa's, die hij met schuim overdekt.

"Meestal slaagt hij er in die ijsmassa's neêr te drukken en er zich zegevierend over heen te werpen, maar somtijds spotten de saamgepakte ijsrotsen met zijne vruchtelooze woede en doen hem in een wolk van spattend schuim in zichzelf terug zinken.

"De zee schijnt in oproer en strijd verwoed tegen de uit het noorden komende ijsvelden, die zich mijlen en mijlen ver uitstrekken. Het kampveld wordt steeds grooter en grooter, en naarmate de oceaan met machtige hamerslagen het ijs naar het westen terugdrijft laat hij een breeden band van schuim en ijs achter, die weldra over eene groote oppervlakte de zee bedekt. In den aanvang is het voordeel aan de zijde van de met kracht aanrollende zeeën. Zij beuken de schollen en schotsen op en over en tegen elkander, splijten ze in tallooze ijsblokken, die zich tegen elkander afronden, en bestoken onvermoeid den machtigen vijand, in wiens gelederen zij steeds dieper en dieper binnendringen. Maar het ijs trekt zich alleen terug om dichter ineengeschoven de aanvallen van den oceaan te beter te kunnen weerstaan en dekt zich aan de zeezijde door een breeden band van kleine harde ijsbrokken, die de woede der aanschietende zeeën geleidelijk breken en de kracht van den golfslag aanmerkelijk verminderen. Hoe wild de zee ook kookt en klotst, de trage onoverzienbare ijsdam blijft ten laatste overwinnaar en zou zich dan ook zeker verder uitbreiden, ware het niet dat het ijs, onderling krijgvoerend, zijne eigene reusachtige krachten verspilde. Want is de strijd, dien het ijs met de golven voert zwaar, hij heeft niets te beduiden vergeleken met de worsteling van het ijs onderling, als de velden door stormwinden tegen elkaar ingedreven, opgestuwd en verbrijzeld worden...

"Zoo ver het oog uit het kraaiennest reikte, zag men nu niets dan met sneeuw bedekt ijs, en verder water en lucht.

"Overal heerschte de grootste rust en het kleine schoenertje geleek, in dit koude wintertafereel, op een laatst achtergebleven vogel, die door zijn gezellen verlaten is.

"Inderdaad, met de gedachten aan het gejoel en het bedrijvig leven dat te midden van die nu stille, doode ijsmassa heerschte, toen hier jaarlijks honderden schepen onder de geliefde driekleur heenvoeren en tienduizend zeelieden er hun mannelijk bedrijf uitoefenden, moest de Willem Barents het voorkomen van eene achtergeblevene hebben; maar de bemanning a/b der Willem Barents, die in de toekomst blikte en dacht hoe ook de oude Barents hier eenmaal eenzaam langs het West-ijs gevaren had en later jaarlijks gevolgd werd door vloten van schepen onder Nederlandsche vlag, zij beschouwde het schoenertje als den vogel, die in de lente het eerst terugkeert, als de pionier die den weg baant voor de geheele vlucht welke volgen zal, en de oude broedplaatsen voor ons volkswelvaren weder zal komen innemen, om er andermaal stoutheid en onverschrokkenheid, wijs beleid en koene voorzichtigheid te vergaderen.

"Dit gevoel, dat de geheele bemanning bezielde, spreidde een bekoorlijken gloed over het stemmige wintergezicht en deed met vernieuwden lust en ijver de taak vervolgen, die haar was opgelegd. Wind en zee waren gaan liggen en boden eene prachtige gelegenheid aan om in de onmiddellijke nabijheid van het ijs eene eerste looding op diep water te verrichten. Deze gaf eene diepte van 1210 vaâm aan, terwijl het lood, eene grijze, witachtige klei bovenbracht, die door Dr. Sluyter microscopisch onderzocht, geen sporen van dierlijk leven bleek te bevatten.

"Nauwelijks was de waarneming verricht of een zacht zuchtje uit het Z. W. deed denken aan het vele dat er nog gedaan moest worden, zoodat het niet lang duurde of de zeilen werden weder ontrold en van den snel toenemenden wind gebruik gemaakt om den tocht snel te vervolgen."