Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen

Part 10

Chapter 103,738 wordsPublic domain

Het korps zeeofficieren vóór de revolutie in 1795 was hoogst gedistingueerd, zeer beschaafd, ervaren en bekwaam. Het werd echter tijdens de revolutie door Peter Paulus ontbonden en vervangen door mannen van minder gehalte, die er zich op beroemden door de kluisgaten aan boord te zijn gekomen. Grof schelden en slaan kreeg toen den boventoon en behield dien eenige jaren. Na 1815 ontstonden er twee stroomingen in het officierskorps der marine. De uit krijgsgevangenschap van de Engelsche pontons teruggekeerde officieren brachten Engelsche uitdrukkingen en indrukken mee. De officieren daarentegen die op de Fransche vloot gediend hadden, waren in de eerste plaats militairen geworden. Zij hadden soldatesquen geest en manoeuvres de force op steeds ten anker liggende schepen geleerd. De Engelsche napraters hadden de meeste zeemanschap en zeemanskennis, doch de stuurman bracht het schip in zee, en de officieren waren niet meer met hart en ziel zeelui gelijk de Trompen en de Ruiters waren. Het eskader, dat we van 1818 tot '30 in de Middellandsche zee hadden, moest dus den grond leggen voor een wedergeboren marine, maar indien we ons niet vergissen, geschiedde dit te veel in den Franschen geest, en leerde men in de eerste plaats exerceeren en manoeuvreeren, terwijl men geen zeelieden, geen "navigateurs" vormde. Toch was het een goede oefenschool. In 1830 werd het eskader teruggeroepen en tijdens den langgerekten oorlog met België kwamen de officieren op de Schelde en bleven tot 1836 binnengaats op de kanonneerbooten; wat door het eskaderleven gewonnen was, ging aldus verloren. Men trachtte dit te herwinnen door eenige schepen jaarlijks een week of wat te laten zeilen, maar men vond het te kostbaar en achtte de resultaten te gering voor het geld.

De vaart op Indië rond de Kaap vormde echter zeelieden, en hun aantal nam toe nadat de adelborsten van Medemblik kwamen. Nu werd meer en meer zeemanschap verkregen, maar ging daarentegen het militair karakter weer verloren, dat de marine toch hebben moet, en dat alleen verkregen kan worden door het zeilen en manoeuvreeren van eskaders.

In dien toestand was de vloot, toen de stoom nog meer verwarring kwam aanbrengen. Wat geschiedde? Het kruisen werd kostbaarder, daar de steenkolen geld kosten, en van den wind--die geen geld kost en zeelieden vormt--werd te weinig gebruik gemaakt. Ook het ontbreken eener doorloopende batterij deed kwaad. Hierbij kwam de afscheiding van koloniaal en Nederlandsch materieel, waardoor men verplicht werd het personeel der marine op passagierschepen door het Suezkanaal naar Indië te zenden, wat zelfs geen oefentocht was. Ten slotte kwam het pantseren van schepen in zwang. Nederland moest mede doen,--al blijft de zeemanschap der levende krachten allen pantsers ten slotte toch de baas--en de landverdediging door deze logge ijzeren gevaarten vorderde een bijzondere opleiding binnenslands, zoodat de militaire eischen die van den zeeman overstemden.

Het varen op stoomschepen in Indië en het varen op monitors in de binnenwateren van Nederland zijn onvoldoende om De Ruiters te kweeken, meende Beynen. Hij zag dit eerst langzamerhand in, daar hij het geluk had dadelijk de expeditie naar Atjeh mede te maken, toen de marine geduldig en moedig haar lijden verdroeg voor Atjeh en op land haar eer schitterend handhaafde, wat Bogaarts aan de Oostkust in zee deed.

Het was omdat hij dit alles inzag, dat hij een beweging wilde beginnen om de oude traditie der roemrijke Nederlandsche marine te doen herleven, en de oude oefenschool van zeemanschap weer op te zoeken.

Hij zelf kon dit alles niet zoo zeggen, als hij naar het Noorden wees. Het zou aanmatigend geschenen hebben in zijn mond, en hoe nederig en eenvoudig hij was, weten wij, zijn vrienden, het best. Geen onverdiender, onrechtvaardiger beschuldiging werd ooit tegen iemand uitgebracht, dan die van enkelen welken hem betichtten van onnoodige drukte te maken..., wat men in de Marine gelukkig niet kan verdragen. Ik heb nooit iemand ontmoet zoo bescheiden en onzelfzuchtig als de jonge held, wiens leven ik niet kan beschrijven zonder dat telkens in mijn hart de bede opkomt, welke een hoofdofficier der marine uitte toen hij mij schreef: "Geve God, dat wij nimmer gebrek aan Beynen's mogen hebben, als onze vloot ooit moet toonen wat zij tegen een Europeeschen vijand vermag."

Doch juist daarom wensch ik dat de les van zijn leven en streven niet verloren ga. Volgens zijn overtuiging was Indië in vele opzichten nadeelig voor die groote en heerlijke eigenschappen, welke den Hollandschen zeeman steeds kenmerkten, wiens houten bodem in tijd van gevaar het ondoordringbaar schild van zijn land placht te zijn. Verleden jaar schreef hij nog uit Indië: "Langs een kust stoomen of op een reede liggen, schijnt de meest normale positie van Nederland's vloot in onze overzeesche koloniën te zijn, en ofschoon het goed moge wezen, dat onze oorlogschepen niet meer als in de dagen van admiraal Collingwood 21 maanden aan één stuk onder zeil blijven, zonder dat al dien tijd het anker slechts ééns in den grond mocht gaan, zoo geloof ik toch dat de tegenwoordige toestand niet gezond is."

Doch zijn aanmerkingen betroffen de reglementen en instellingen, niet de officieren. In denzelfden brief waarin hij de weinige activiteit der marine betreurt, schreef hij:

"Ik moet zeggen dat ik verbaasd ben over de stipte wijze waarop de wachtluitenants van de hier op de ree van Batavia liggende oorlogschepen hun dienstplicht à coeur nemen.

"Wanneer men bedenkt hoe eentonig vervelend de dagelijksche reê-dienst is--terwijl het weldra veel te duur wordt soms aan land te gaan--dan noem ik de stipte nauwgezetheid en conscientieuse ernst verbazingwekkend en schoon, waarmede de officieren maanden lang aan één stuk hun eenvoudige scheepsdiensten verrichten.

"Enkele blijven maanden lang op de ten anker liggende, drijvende kazernes aan boord, zonder ooit voet aan wal te zetten, en de eerste officiers zoowel als de tweede klasses vervullen dan dagelijks nauwkeurig en oplettend de onbeduidendste scheepsdiensten, en geven het voorbeeld, waardoor het inwendige der schepen er goed blijft uitzien. Geen wonder echter dat al de officieren van het ramtorenschip Koning der Nederlanden blij waren toen zij, na zes maanden voor anker gelegen te hebben, veertien dagen in Straat Sunda gingen kruisen."

Indië trekt voortdurend heerlijke krachten uit Nederland, doch het Oosten gaat verkwistend om met de kracht uit het Noorden. Dit toont Beynen in de volgende woorden aan:

"Het verdient opmerking dat de meeste hier zijnde officieren eerst kort in Indië zijn, en dit is mij een nieuw bewijs dat het tegenwoordig in zwang zijnde dienstsysteem ten minste dit voordeel heeft, dat er in Indië telkens jonge frissche krachten worden aangevoerd, die in den eersten tijd met toewijding al hun beste krachten aan den dienst offeren, vol geestdrift voor hun vak en hun land. Hoe jammer echter dat al die nobele krachten uitsluitend ten bate komen van Indië, dat zoodoende op de meest goedkoope wijze de beste vermogens, den geest en het lichaam gebruikt van een personeel, welks opleiding aan Indië niets gekost heeft, en voor welks oefening het ook heden nog niets over heeft."

Ik maak gebruik van deze opmerkingen die Beynen, al pratende met een vriend, dus uit den mond vielen, omdat hij met hart en ziel de marine liefhad, en het hem smartte, ter wille van het dierbaar vaderland, op te merken hoevele jonge levens en frissche krachten Indië jaarlijks verslindt, zonder dat Nederland of Kolonie er door gebaat wordt. Iemand die zoo waardeert en bewondert en liefheeft als hij, die aanmerkingen maakt op "measures" maar niet op "men", is geen vitter, en zijne opmerkingen op zoo bescheiden wijze geuit, durf ik publiek te maken, overtuigd dat ze zijne nagedachtenis niet schaden zullen, en wellicht zijn geest zullen doen voortleven.

Veel van den sleur, welken hij opmerkte en betreurde, weet hij aan het feit, dat zoo weinig personen in Indië werkelijk de noodige macht bezitten om te doen en te bevelen wat ze zien dat noodig is. Niemand durft iets op eigen gezag te doen, en er zijn zulke tallooze voorschriften, dat ze als een keten alle vrijheid van handelen aan de tegenspartelende hoofden van departementen en aan de officieren benemen, zoodat zelfs de gouverneur-generaal geen verouderde kartetsen durft opruimen, zonder dat daarover met den minister te 's Hage is gecorrespondeerd, en niet deskundige ambtenaren daarover gedurende maanden kilometers papier vullen.

Dit voorbeeld, dat mij ter oore kwam, geef ik slechts om Beynen's opmerking duidelijk te maken. Hij betreurde het voor de marine en voor de flinke officieren vol geestdrift en ijver, dat alles over zooveel schijven moet loopen, en zelfs in détails geen hervorming kan worden ingevoerd, omdat niemand de noodige macht schijnt te hebben.

Om Beynen's streven en zijn geestdrift voor het Noorden wel te begrijpen, moet men beseffen hoe hij voornamelijk een tegenwicht zocht voor het ontzenuwend dienen in Indië, ten gunste van dat personeel der marine, hetwelk hij zoo innig waardeerde. Het kon hem zoo aan het hart gaan, dat de flinke, uitstekend opgeleide jongens van de Wassenaer en de Anna Paulowna al zoo spoedig voor Indië moesten geofferd worden. Eens schreef hij: "De opleidingsschepen zijn zoo uitstekend goed, maar waarom moeten die jeugdige, stelselmatig goed gevormde jongens, die dappere zeemanshartjes al dadelijk in Indië in een niet varende marine aan de vuurproef der zon onderworpen worden? In plaats van het gezonde, sterkende leven van een lange oefeningsreis in het Noordelijk halfrond, waarop dag en nacht geëxerceerd wordt, en aanhoudend de handen uit de mouw moeten gestoken worden, gaan zij nu op een stoomschip der Maatschappij Nederland als passagiers naar Indië, en dienen jaren lang in een ontzenuwend klimaat op ten anker liggende schepen of op kleine, huiselijk ingerichte stoomscheepjes. Om den tijd stuk te krijgen en de mannen tenminste bezig te houden, worden dan tableaux van werkzaamheden ontworpen, en moeten de jongens, jaren lang, dag aan dag verveeld worden met zeer elementaire theoriën over geschut, inrichting, geweer, tuig, richten enz., welke zij op het opleidingsschip veel beter gekend hebben."

Kan het misschien nut hebben hierop te wijzen, en is het mogelijk dat de opmerkingen van een jongen, bescheiden zee-officier, die zijn vaderland meer dan zich zelf beminde, aan onze Tweede Kamer aanleiding geven tot onderzoek en degelijke bespreking der belangen van onze marine?

O vertegenwoordigers van Nederland, denkt aan de landsverdediging; helpt de kloeke zee-officieren zoovele heerlijke krachten voor het vaderland te bewaren; geeft desnoods een gepantserd schip minder, maar zendt Zr. Ms. schepen over de oceanen; werpt de schoolmeesters-theorie over boord en geeft meer praktijk daarvoor in plaats. Dat er een einde kome voor al die jonge mannen aan het herkauwen van minder goed gekruide spijzen, en geeft hun in plaats daarvan frisschen kost en de levenwekkende zeelucht van het Noorden. Laat zeelui niet op meest ten anker liggende schepen en hier op straat of ginds door den Archipel slenteren. Laat een wetenschappelijk korps, als dat onzer zee-officieren, gelijken tred houden met hun evenknieën. Laat de hydrographen de kusten van alle eilanden van den "gordel van smaragd" in kaart brengen; staat den officieren toe zich te onderscheiden in tijd van vrede; laat jaarlijks het eskader in de wateren van Azië en Europa kruisen en ontplooit de roemrijke driekleur in Oost en West ook buiten onze bezittingen. Zendt de Hollandsche zeelui naar Noordelijke en Zuidelijke IJszee; maakt hen vertrouwd op onstuimige wateren; leert de jongens in winternachten onze kust te bezeilen; maakt jonge luitenants ter zee zoo bekend met onze gronden alsof ze jonge loodsen waren; hijscht de zeilen op zeilschepen met stoomvermogen, niet op stoomschepen met zeilvermogen, en kweekt daar jonge mannen, die in plaats van in doffe onverschilligheid en gedwongen vadsigheid hofjesdienst op een Indisch wachtschip te verrichten, sterk en frisch en gezond zouden blijven, om met een schild van nobele harten Holland aan de zeezijde te beschermen in het uur van nood.

Naar het Noorden dus, zeelui van Nederland; laat de stormwind die over de ijsvelden buldert uw krachten stalen, uw bezieling levendig en frisch houden. Daar vindt ge de oude beweegkracht, de stalen veerkracht die onze marine eens beroemd maakte. Het Noorden verdient nog steeds wat Nicolaas Beets het in 1834 toezong:

Blondlokkige, die op den ijsberg troont, Aan de opperste as der wentelende aard verheven; Die 't edel hoofd met sneeuw en kegels kroont; Een scepter voert, waarvoor de volken beven; Het blauwend oog vrijmoedig om u slaat, Op de onschuld trotsch, die in uw boezem zetelt, En met den blos des levens op 't gelaat, Het Zuid beschaamt, dat zich in wellust baadt, 't Ontzenuwd lijf met zingenieting ketelt, En de ondergang in weelde en dartlend tegengaat!

Van u gaan kracht en leven uit en moed En heldendeugd, die edel en vertrouwd is Als 't blauw metaal, dat aan uw blanken voet Den bodem spiert, waarop uw troon gebouwd is; Gezondheid vlot uw zuivre lippen af, En stroomt van u het zachtelijk Zuiden tegen, Dat, half verteerd en bukkend over 't graf, Geen kracht meer kent dan die uw adem 't gaf, En 't waagt door list uw grootheid op te wegen, U, die 't doen zwijmlen kunt door 't draaien van uw staf!

Zij strekt de handen naar uw zonen uit, Die zwijgend 't hoofd voor haar bedwelming bukken, Vertrapt hun recht, maakt hun bezit ten buit, En juicht zich toe met keetlend hartverrukken; O, wek hen, doe hen opstaan in hun macht; Zend ze uit, gelijk een eenig man verbonden; Hard, hard hun 't lijf, en stevig met uw kracht De vuisten, die de greep van 't zwaard hervonden?

Gesp Noorden! gesp het stalen harnas aan! Ten strijd, ten wraak voor 't half ontwricht Europe! Gesp, strijdbaar Noorden! gesp het stalen harnas aan!

VII.

OP DE WILLEM BARENTS.

Men weet thans aan welk vaderlandslievend streven de beweging om naar het Noorden te gaan te danken is. Beynen was reeds een jaar lang met dat plan behebt geweest en had naar eene gelegenheid gezocht om er mede voor den dag te komen, toen de slotwoorden van de brochure van Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge (op bladz. 99 medegedeeld) hem onder de oogen kwamen en deden besluiten eene poging te wagen om het Aardrijkskundig Genootschap te bewegen, een tocht naar het Noorden onder Nederlandsche vlag op het getouw te zetten. Hij hield daartoe, den 17den Febr. 1877, op een vergadering van het Aardrijkskundig Genootschap te 's Hage een wetenschappelijke voordracht, doch het bestuur oordeelde dat--voor het genootschap althans--de tijd daartoe nog niet was aangebroken. Daarom besloten de heeren Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, O. baron van Wassenaer van Catwijck, J. D. Fransen van de Putte en de staatsraad M. H. Jansen hiertoe een poging aan te wenden. Reeds den volgenden dag, 18 Februari, deden ze een beroep op ons volk tot medewerking, en door Beynen opgewekt, brachten tal van sub-commissiën f 45.000 bijeen om een schoener te bouwen en naar de IJszee te zenden. "Algemeen werd belangstelling getoond voor kloeke vaderlandsche zeetochten," gelijk Beynen het uitdrukte. Jhr. Mr. M. J. Beelaerts van Blokland werd secretaris van het comité; de hoogleeraren Buys Ballot en P. J. Veth traden toe als lid en het plan werd gevormd om in den zomer van 1878 een eersten verkenningstocht naar de Noordelijke IJszee te ondernemen met een sterk zeilscheepje.

"De grootste moeielijkheid, die men te overwinnen had om de IJszeevaart weder populair te maken," schreef Beynen in een zijner verslagen, "bestond in de bijna algemeene onbekendheid met het ware doel en nut dier Noordsche tochten en 't was dan ook duidelijk, dat, zoolang onbekendheid of verkeerde denkbeelden dienaangaande bestonden, men moeielijk instemming of sympathie kon verwachten of hoop behoefde te voeden dat de jarenlange onverschilligheid voor soortgelijke reizen op eenmaal vervangen zoude worden door eene warme ingenomenheid, die van alle kanten groote geldelijke bijdragen zou doen toevloeien, noodig om een geheel voor de IJsvaart geschikt stoomschip te doen uitrusten.

"Dat er evenwel hier en daar warme sympathie bestond, was gelukkig te duidelijk om niet met gerustheid de toekomst te gemoet te doen zien, en juist om deze sympathie algemeener en van meer blijvenden aard te doen worden, toonden eenige leden der Vergadering de wenschelijkheid aan, de voorkeur te geven aan een korten zomertocht tot proef en, zoo men hoopte, tot voorbereiding van volgende ondernemingen naar het hooge Noorden, die, werden zij onvoorbereid ondernomen, bij minder gunstigen afloop, den bij ons volk herboren lust tot stoute reizen wellicht weder voor goed vernietigen zou. Zij beweerden dat, wilden onderzoekingen van het Noordpoolbekken voor ons vaderland ooit weder van groot belang worden, wilde men daardoor werkelijk weder evenals vroeger de edelste eigenschappen van ons zeevolk ontwikkelen en zuiverend en versterkend op onzen nationalen volksgeest werken, de stappen in die richting geen uitvloeisel moesten zijn van het drijven van enkele personen, maar moesten voortkomen uit den wil des volks, dat er prijs op moest stellen de Nederlandsche zeelieden te zien deelnemen aan de wetenschappelijke onderzoekingen van schier alle zeevarende natiën op het gebied van den Oceaan en aan ontdekkingsreizen, waarvan zij zich te lang reeds onthouden hadden."

Nadat in het begin van November, op een vergadering door Sir Allen Young bijgewoond, een beslissing omtrent het uitzenden van de Willem Barents genomen was, werden de luitenant ter zee 1ste klasse A. de Bruyne--die tot kommandant verkozen was--en luitenant L. R. Koolemans Beynen overgeplaatst van de instructie-brik de Zeehond naar Zr. Ms. Wachtschip te Amsterdam, om toezicht te houden op den aanbouw en de uitrusting van het schoenertje dat op de werf der heeren Meursing en Huygens gebouwd werd, en waaraan de mannen 's avonds bij lamplicht werkten om het toch maar bij tijds gereed te krijgen.

"Dank zij der bekwame leiding van den heer Huygens," schreef Beynen, "werd zelfs aan de kleinste onderdeelen de meest mogelijke zorg gewijd, en toen dan ook op den 6den April, ten aanschouwe van een groot aantal belangstellenden, de Willem Barents van stapel liep en onder een driewerf hoerah voor het eerst het water kliefde, werd algemeen door deskundigen erkend, dat het een voor zijn taak uitmuntend berekend scheepje beloofde te zijn. Een ander gunstig teeken was de toenemende belangstelling, die zich niet alleen uitte door het snel stijgen der vrijwillige bijdragen, door het inkomen van talrijke kostbare geschenken in natura, maar vooral door de vele personen, die van heinde en verre naar Amsterdam kwamen om het in aanbouw zijnde scheepje te bezichtigen. Bevaren zeevolk bood zich dagelijks aan om de reis mede te maken, waardoor een goede keuze kon gedaan worden, en zooveel mogelijk werden matrozen aangenomen, die veel op kleine scheepjes hadden gediend." Met luitenant de Bruyne en luitenant Jhr. H. M. Speelman [8]--die o.a. de magnetische waarnemingen zou verrichten--werkte Beynen den geheelen winter, om zich zooveel mogelijk te bekwamen voor de ijsvaart, o.a. door de dagboeken en kaarten der oude Nederl. zeevaarders te raadplegen.

Bij het begin van het nieuwe jaar schreef hij mij: "Ik hoop dat alles goed zal gaan en ik de verwachtingen, welke kolonel Jansen van mij koestert, niet zal beschamen. Hij heeft zoo veel voor ons vaderland gedaan, en met jeugdige ijver en lust wijst hij ons nog den weg, dien wij te gaan hebben in het welbegrepen belang van koning en vaderland. Moge ik er iets toe bijdragen om het zeewezen terug te brengen op een pad, helaas! te lang verlaten, waarop het alleen die zelfde innerlijke kracht, denzelfden edelen geest, dezelfde heilige toewijding kan terug vinden, die ons vaderland eens zoo groot hebben gemaakt."

Kolonel Jansen stelde voor het comité de instructie, welke aan den commandant van de Barents werd medegegeven voor dezen proeftocht. Hij zeide in de toelichting tot deze duidelijke, zaakkundige instructie o. a.:

"Wil men het doel bereiken om de Barents-zee tot eene oefenschool voor onze zeelieden te maken, dan behoort men met kalme bedaardheid, gematigdheid en beleid de eerste schreden op het veld van onderzoek te zetten, op den eersten tocht zich binnen de grenzen van het gemakkelijk bereikbare te beperken en daarna, bij toenemende kennis en ervaring, jaar op jaar bij gunstige omstandigheden zich in een lastiger en moeielijker te bereiken gebied te begeven.

"Wanneer een vaartuig jaarlijks in Mei uitzeilt en regelmatig in October binnenkomt, zal de overtuiging algemeen ingang vinden, dat met beleid, voorzichtigheid en zeemanschap de Barents-zee ook thans even als vroeger bevaren kan worden, zonder dat het met groote rampen gepaard gaat en dan eerst mag de hoop gevoed worden, dat die zee eene blijvende oefenschool voor onze zeelieden zal worden, waarvoor men steeds bereid zal zijn geld te geven."

Den 2den Mei 1878 schreef Beynen:

"Onze dagen beginnen op te korten en de Willem Barents zal spoedig zee kiezen.

"Ik beschouw dit als een hoogst ernstige, hoogst heilige zaak, en ik dank God voor den zegen dat ik tot de opvarenden mag behooren. De Willem Barents gaat naar het Noorden; naar de zeeën door onze voorvaderen vaak zoo stout en roemvol bevaren; naar het oefenveld van zoo vele uitstekende zeelieden. 't Is een groot geluk voor ons allen, en met ernst, moed, berusting zie ik de toekomst te gemoet."

Zondagmiddag, 5 Mei, wierp de Barents de trossen los van de rijkswerf te Amsterdam, en werd ze naar IJmuiden gesleept, en de roemrijke oude hoofdstad bracht haar zeelieden een indrukwekkenden afscheidsgroet.

Nooit heb ik belangwekkender schouwspel gezien, dan het met schepen en booten bedekte IJ op dezen verrukkelijken Meidag aanbood.

Men werd in een dankbare feestelijke stemming gebracht, als men die heerlijke geestdrift en belangstelling zag, en gevoelde, dat in honderden jonge harten nu wellicht het verlangen geboren werd, om later ook op zee te gaan varen en eveneens den roem van Neêrland's vlag fier te handhaven. Toen we midden in het IJ waren en terugblikten naar den halven cirkelboog der hoofdstad, konden wij eerst goed zien, dat half Amsterdam was uitgeloopen, om de Willem Barents uitgeleide te doen en te begroeten.

Op de hooge torens der stad daalden de vlaggen driemaal, om het Poolschip te salueeren; Amsterdam groette zijn zeevaarders en wenschte hun behouden reis, en driemalen daalde de standaard van de Willem Barents om voor dien hoffelijken afscheidsgroet te danken.

Op de duinen stonden honderden om het goede schip een vaarwel toe te wuiven. En met hen staarden duizende vaderlanders dien dag naar zee, en wenschten behouden reis aan het schip op die zeeën,

Waar 't vlottend schuim van vroeger kielen, (Het spoor van Neêrlands waterwielen) Het pad wijst naar het tooveroord.

't Woei een flinke bries uit het Oosten en met één rif in koersde het scheepje met een vijf mijls vaart om de Noord-west.

In zijn uitvoerig verslag van deze reis heeft Beynen haar trouw en duidelijk beschreven.

Mij schreef hij den 11den Juli uit de Noordelijke IJszee: