Part 1
LENTE
DOOR
JAC. P. THIJSSE
GEÏLLUSTREERD MET PLAATJES NAAR TEEKENINGEN VAN L. W. R. WENCKEBACH, JAN VAN OORT EN JAN VOERMAN Jr.
1906
BAKKERIJ „DE RUIJTER” DER FIRMA VERKADE & COMP.
Het was op een voorjaarsavond, gezellig tegenover elkander zittende, dat wij aan den praat raakten over ons album No. 3, dat toen pas was uitgekomen en in slechts enkele weken zijne bestemming gevonden had door gansch het land.—Zoo’n album met de plaatjes, teksten, en alles wat er aan vast is, kost veel tijd van voorbereiding; heel een organisatie van teekenaars, drukkers, binders en pakkers komt er bij te pas, en is het eenmaal verschenen, dan komt van zelf de vraag: „Wat nu? Hoe kunnen wij, geleerd door de ervaring van vorige uitgaven, een volgend jaar iets beters leveren, iets wat nog meer voldoet aan het doel, dat wij ons speciaal in de laatste jaren voor oogen stelden, n.l. om het geld, dat wij voor reklame uitgeven, zoo practisch en tevens zoo nuttig mogelijk te besteden?”
En al pratende lokte het eene denkbeeld het andere uit. Eerstens wilden wij een beslist Nederlandsch werk leveren: plaatjes met Hollandsche voorstellingen, door landgenooten ontworpen, gereproduceerd en gedrukt, het album hier gemaakt, gedrukt en gebonden, het papier er voor van eene Nederlandsche firma.
Dan wilden wij zoo gaarne, dat de plaatjes niet alleen de verzamellust der kinderen zouden bevredigen, maar ook dat ouders en anderen er vreugde van zouden kunnen hebben,—dat er voor allen wat uit te leeren zou zijn, wat hun lust tot opmerken zou prikkelen, hunne liefde voor de natuur zou vergrooten. En toen stond het plan ons spoedig geheel voor den geest: wij zouden eene vertelling trachten te geven van het jaar, van de verschillende jaargetijden, van bloemen, vogels, vlinders, kevers, die overal te vinden zijn in ons kleine land, doch die maar door enkelen worden gekend.
Natuurlijk kwamen ons toen dadelijk in de gedachte de aardige boekjes van Heijmans en Thijsse: In Sloot en Plas, Hei en Dennen, enz. en de artikelen van Thijsse in het „Alg. Handelsblad”, en wij namen ons voor een dier heeren te vragen, of hij ons helpen wilde in ons streven, om het geld, dat wij nu eenmaal moeten uitgeven om aan onze producten die bekendheid te geven, die voor den bloei onzer zaken noodig is, nuttig te besteden, ten bate van eene breede schare van lezers en lezeressen, zoo oud als jong, in het belang van verbreiding van kennis onder hen en het aankweeken van liefde voor alles wat groeit en bloeit in onze zoo mooie natuur.
Dus niet een album alleen, maar een boek, en ter illustreering van den tekst de plaatjes, die wij bij onze artikelen pakken. Een boek dat geïllustreerd zal zijn tegen dat de Lente opnieuw haar intrede doet. Een boek, dat een deel zou kunnen vormen van eene volgreeks: Lente, Zomer, Herfst en Winter, een boek geschreven door eenen scherpen waarnemer, versierd met oorspronkelijke en daarbij behoorende teekeningen, welke het bloempje en plantje of vogel en vlinder, zoo getrouw mogelijk weergeven.
Wij waren in onzen schik met deze vondst, en togen aan den arbeid, of juister nog de heer Vlaanderen, die onze afdeeling reklame beheert. De heer Thijsse verklaarde zich bereid het boek te schrijven, de teekenaars Jan van Oort en L. W. R. Wenckebach te Amsterdam en Jan Voerman Jr. te Hattem namen het ontwerpen en teekenen der plaatjes op zich, terwijl de reproductie daarvan werd toevertrouwd aan de heeren Roeloffzen-Hübner & Van Santen, Amsterdam en den heer S. Bakker Jzn., Koog a/d Zaan. De tekst werd gedrukt door de firma Mouton & Co., Den Haag, op papier, geleverd door de firma Van Gelder Zonen, Wormerveer; het binden geschiedde door de heeren Stokkink & Van Lith, Amsterdam. Wij noemen deze namen, omdat wij in het begin zeiden, dat het geheel een zuiver Nederlandsch werk zou vertegenwoordigen, en tevens om de heeren dank te brengen voor de goede zorgen, die zij aan een en ander hebben besteed.
Eén vraag dringt zich thans aan ons op: zullen wij op den ingeslagen weg voortgaan, zullen wij spoedig na het uitkomen van dit album kunnen besluiten een volgend jaar een vervolg daarop te geven, getiteld „Zomer”? Dit hangt van U af, waarde lezer. Hoe spoediger wij weten, dat het boek „Lente” met de daarbij behoorende plaatjes U bevalt, hoe liever wij dit hebben, dan kunnen gedurende den zomer de bloemen, vogels en insecten uitsluitend naar de natuur worden geteekend, en ook voor den schrijver van den tekst heeft het veel waarde wanneer hij zoo vroeg mogelijk weet, of het vervolg op „Lente” verschijnen zal, ja dan neen. Wanneer gij derhalve plaatjes ter ruiling zendt, schrijft ons dan of gij met ons plan instemt.
Wij besluiten met den wensch, dat „Lente” de kring van onze jeugdige vrienden zal vergrooten en de kennis en de liefde tot de natuur zal vermeerderen.
Firma VERKADE & COMP.
LENTE.
Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen, die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den eenentwintigsten Maart haar intocht doet.
Mij dunkt, ik hoor die zanglijster al lachen! „21 Maart, begin van de Lente? Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen”.
En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn geliefkoosden abeel of iep en roept ze alle op. Want de zanglijster is alle talen machtig en ’t kost hem niet de minste moeite, om in éen adem koolmees en pimpelmees, roodborst en huismusch, wulp en spreeuw toe te spreken, ieder in zijn eigen dialect.
Uit pure vreugd en baldadigheid gooit hij daar nog allerlei geluiden tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net als een kwajongen, die al tamelijk goed viool kan spelen, maar ’t niet kan laten, om zijn instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed.
Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer, dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang, onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het tegelijk, het hindert hem niet. Alleen wanneer er onverwacht weer eens een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets anders te eten kan vinden dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over been.
Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw. Deze afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit, fermheid en blijdschap.
Den eenen dag verdringen de musschen zich hongerig en haveloos om het voederbakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te sjielpen in de kale boomen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want ieder straaltje vangen ze op tusschen de half opgerichte grijze veeren. En als de zon op ’t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ’t grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst.
Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht, dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur veroorzaakt door het stadsleven.
Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers en trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land.
Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notendop of een kokosnoot—alles opgehangen in de boomen—kan dat gemakkelijk waarnemen. In den winter komen heele troepen op ’t voer af. Niet, dat ze alle tegelijk eten, o neen, dat gaat bij beurten: de sterkste het eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, met zwarten kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er prachtige pimpelmeesjes bij met lichtblauwen schedel en donkerblauwen halskraag.
En als nu de lente komt, dan worden de troepen in de boomen minder talrijk, maar er zitten er meer op het voeder; dikwijls twee op dezelfde kokosnoot of hetzelfde varkensribbetje. De een is wat grooter en mooier en forscher geteekend dan de andere, ’t is een mannetje, dat zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd woedend opvliegt naar een derden vogel, die boven aan het touwtje zit te rukken. Bijna alle jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde, zoo’n indringer, en ’t kost het mannetje heel wat ongerustheid en strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen.
De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat hangt misschien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden bloempot of de nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen. Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen één, dat er in plaats van pimpeltjes ringmusschen of spreeuwen in komen en de kansen voor roodstaartjes staan zoowat gelijk.
Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en vroolijker is, dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst en winterkoning. Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen vorst, maar nu het lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo lang, het roodborstje hoog en fijn en aandoenlijk, de winterkoning dartel en blij met geraas en geschetter en trillers zonder eind.
Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil op zijn tak.
De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut, telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd te zijn, en dan sluipt de bruine dwerg tusschen de boomstronken door, om voedsel te zoeken of om bouwstoffen te vergaren voor een van de vele nesten, die hij onderhanden heeft.
Daar ontmoet hij den zwarten lijster, die ook al met lentegedachten rondloopt en daardoor minder verdraagzaam is, dan een maand geleden, zoodat hij dat gedraai en gesnuffel van zoo’n winterkoning in zijn nabijheid niet hebben kan. Hij springt dus met zoo’n paar deftige lijstersprongetjes op den kleinen indringer los, deze slaat op de vlucht en begint in zijn agitatie natuurlijk weer van voren af aan te zingen. Want elke sterke gemoedsaandoening, al is het ook een onaangename, is voor hem en voor vele andere vogels de aanleiding tot een lied.
De zwarte lijster koelt nu zijn woede op een arme aardworm, die hij onder de dorre bladeren gehoord had en laat de zucht hooren, waarvan de lijsters het monopolie hebben en dat eigenlijk een armzalig dun gefluit is. Waarom zou hij zuchten, die mooie zwartgerokte, goudgesnavelde merel? Wel, verleden week vochten drie bruine merelwijfjes om hèm, en nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is.
Dat veroorzaakt in de merelwereld al dat gejaag en geraas en geroep, al die onrust en onwaardige vechtpartijen, die men niet verwachten zou van een zoo edelen zanger. Hoe rein en rustig klinkt zijn lied ’s avonds uit de hooge boomen!
Als de merel zingt, dan is het ook tijd, om naar bloemen uit te zien. Wel is waar hebben den heelen winter door madeliefje en kruiskruid, vogelmuur en paarse doovenetel hun bloempjes vertoond tusschen ijs en sneeuw, maar dat was toch niet het ware. Die bloempjes bleven klein en dicht bij den grond, weinig in aantal en zonder geur of fleur.
Maar nu wordt het anders. De vogelmuur groeit uit en vertakt zich en waar met Kerstmis zich niet meer vertoonde dan een enkel bloempje tusschen een paar groene blaadjes, daar spreiden zich nu kussens uit van dicht sappig groen en als de zon schijnt, dan wordt dat groen overdekt en verborgen door duizenden bij duizenden tienpuntige sterretjes van het reinste wit, zoodat het plekje grond bedekt lijkt met een ijle sneeuwlaag. En de madeliefjes verheffen zich op hooger stelen. In den winter zijn ze altijd eenvoudig wit met geel, flets geel en slap wit. Maar nu ’t lente wordt, hebben ze warmer tinten van noode, het geel wordt dieper en nadert tot oranje en de randbloempjes krijgen een tipje rood. Hoe helderder voorjaarsweer, des te meer madeliefjes met roode randjes.
Op dezelfde plaatsen als de vogelmuur bloeit het kruiskruid, het gemeene kruiskruid, zooals het in de boeken heet. Dat woordje gemeen heeft in de plantkunde een andere beteekenis dan in het dagelijksch leven, het is eigenlijk een afkorting van „algemeen” en er zit dus heelemaal geen kwaad bij. In dit geval echter kunnen wij haast niet nalaten, met eenige minachting aan het plantje te denken, het is zoo gewoon en zoo min, het staat altijd op verwaarloosde plekjes en heeft in vorm en kleur en levenswijs weinig, dat bij den oppervlakkigen beschouwer bewondering wekt of aandacht trekt. Een echt versmaad, nederig onkruid.
Even nederig en bijna altijd over het hoofd gezien is een ander bloempje, dat dikwijls reeds in November bloeit, den heelen winter zonder schade door alle wisseling van vorst en dooi blijft groeien en nu in de lachende voorjaarszon zijn gansche levenskracht ontwikkelt. Het is het hongerbloempje, een nietig plantje, bestaande uit een rozetje van groene blaadjes vlak op den grond, waaruit een dunne vertakte bloemstengel verrijst. De bloempjes zijn kleine kruisbloempjes met gespleten kroonblaadjes, zoodat er in plaats van vier acht schijnen te zijn.
Maar op de zandgronden en in sommige parken en tuinen groeien deze kleine plantjes dicht opeen bij honderden en duizenden. In den voormiddag gaan bij zonnig weer de bloempjes wijd open. De dunne steeltjes, die ze dragen, zijn nauwelijks zichtbaar en zoo schijnt er dan een witte sluier te zweven boven de groenende duinhelling.
Het hongerbloempje heet ook wel voorjaarsvroegeling en dat is eigenlijk een veel aardiger naam. Want dit dappere plantje wekt maar zelden gedachte aan honger en gebrek. Integendeel, de bloempjes bevatten flink ontwikkelde honingklieren en verschaffen overvloedig voedsel aan vliegen en bijen en vroege voorjaarsvlinders.
Er zijn ook vlinders van den winter, vreemde, geheimzinnige dieren, maar de echte vlinder van het voorjaar is het bont gekleurde Kleine Vosje. Die heeft ook een fijn lentegevoel en komt uit zijn schuilhoek wel te voorschijn, nog voor de zanglijster zingt. Dikwijls moet hij dan smadelijk den terugtocht blazen, maar als de merel gaat zingen, dan staan zijn kansen al beter en dan is hij er ook zeker van, dat hij op de bloemen van het Klein Hoefblad smakelijk zijn bekomst kan eten.
Met het Sneeuwklokje is het Klein Hoefblad eigenlijk de eerste echte voorjaarsbloem, want vogelmuur, madelief, kruiskruid, doovenetel en voorjaarsvroegeling zijn te beschouwen als overwinteraars.
Het sneeuwklokje komt ook wel reeds in December uit den grond kijken, maar houdt zijn blaadjes en bloemen nog lang in de beschermende scheede besloten. Eind Januari of in ’t begin van Februari komt op zonnige plekjes een enkel bloempje uit het hulsel te voorschijn, maar het opent zich nog niet. Als een groote, bevroren witte droppel blijft het hangen en eerst na eenige dagen spreiden in de warme Februari-zon de buitenste dekblaadjes zich uit en de groengestreepte binnenste bloemblaadjes bieden aan de hongerige bijen hun honingvoorraad aan.
Weken lang duren die bloempjes. Als ze zich openen, ligt het ijs nog in de slooten en is de zanglijster nauwelijks begonnen te zingen. Wanneer zij verwelken, heeft de kieviet al eieren en zien wij de komst van de zwaluwen tegemoet. Al dien tijd staan ze frisch en ongeschonden te bloeien, ongedeerd door storm of vorst, onaangeroerd door de vraatzieke slakken of door het nog vraatzuchtiger konijn. Geen wonder, dat deze plant de lieveling is van allen en dat is wel de oorzaak ervan, dat we ze zoo weinig in ’t wild vinden.
Overal waar ze groeien, worden ze uitgegraven en meegenomen naar tuintjes en parken en daar komen ze ieder jaar in steeds toenemend aantal weer te voorschijn. Daarbij moeten ze zich het gezelschap laten welgevallen van uitheemsche sneeuwklokjes-soorten en, wat erger is, van „dubbele” sneeuwklokjes.
Zooeven noemde ik tegelijk met het sneeuwklokje het Klein Hoefblad als eerste voorjaarsplant. Dit groeit in en om steden en langs de wegen overvloedig genoeg, maar in sommige streken van ons land komt het weinig of niet voor, en ’t is dus geen wonder, dat enkele menschen het niet kennen.
Nu dan, een goede kennis van me, een echt liefhebber van bloemen en vogels, maar volstrekt geen plantkundige, kwam op een mooien Februari-dag opgetogen thuis met zijn kleeren vol slik en zijn handen vol bloed en een sigarenkistje, dat hij bij wildvreemde menschen geleend had, vol pollen van een alleraardigst bloempje, die hij met groote zorg en liefde in zijn tuin plantte. Het was het kleine hoefblad.
Nu is dat werkelijk een heel mooi bloempje. Het hoofdje zit op den dikken, beschubden stengel en als de zon schijnt, dan gaan de fijne straalbloempjes wijd uitstaan, als de stralen van een zonnetje, het gele hartje komt dan te zien en zelfs een volkomen oningewijde kan dan merken, dat het bestaat uit een aantal bekervormige kleine bloempjes. Het blijkt ook, dat ieder straaltje van het zonnetje een bloempje is met een echten stamper er in, die later een mooi gepluimd vruchtje oplevert.
Bij koud en donker weer gaan de hoofdjes dicht, maar als de zon straalt, dan straalt het kleine hoefblad ook, dan lijkt het zich uit te rekken in de lekkere warmte en vlinders en bijen komen zich verlustigen op de mooie bloem.
Mijn vriend was er wat mee in zijn schik en zijn vrouw ook en ze waren zoo edelmoedig, aan een belangstellend buurman ook een paar polletjes cadeau te doen.
Na eenige weken raakten de bloempjes uitgebloeid, en de pluizige vruchthoofdjes verwaaiden. Ook kwamen er mooie witte hoefvormige blaadjes te voorschijn, die in ’t eerst volstrekt niet in den tuin misstonden. Maar in den loop van den zomer werden ze toch wel wat groot en grof. En op andere plekken in den tuin kwamen ook al van die blaadjes te voorschijn. In alle perken vertoonden zich bovendien kleine kiemplantjes, die ook al spoedig hoefvormige blaadjes vormden en moeilijk te wieden waren. Eindelijk werd het een heele misère, het mooie plantje bleek een allerlastigst, bijna onverdelgbaar onkruid te zijn, dat uiterst snel en gemakkelijk opkomt uit zaad en zich even gemakkelijk voortplant door onderaardsche uitloopers, zoodat het omhoog en omlaag bestreden moet worden.
Voor den tuin is het dus niet geschikt, op den akker is het te vreezen, maar langs dijken en wegen en op braakliggend terrein is het een welkome lentebode, een prachtig plantje, een toevlucht voor vlinders, vliegen en bijen. Maar in de poëzie heeft het zich geen plaats naast het sneeuwklokje weten te verwerven.
Men plant de sneeuwklokjes meestal in het gras, maar eigenlijk behooren ze thuis in ’t kreupelhout en mooier, rijker lentetafereel is er wel niet denkbaar dan bloeiende sneeuwklokjes onder bloeiende hazelaars.
De afgevallen hazelaarbladeren, die gedurende den winter de opkomende spruitjes van het sneeuwklokje bedekten, vergaan in het voorjaar spoedig tot zwarte boschaarde, zoodat de witte sneeuwklokjes bij het ontluiken een mooien donkeren achtergrond hebben, een bodem, die door de zon gemakkelijk verwarmd wordt. Ook de lenige twijgen van den hazelaar zelf zijn donker van tint, opgevroolijkt door tallooze lichte stipjes.
En nu ontplooien zich tegelijk met de sneeuwklokjes aan die donkere takken de teere zwavelgele bloeikatjes. Den heelen winter door waren ze als stijve cilindertjes reeds aan de takken te zien, maar nu rekken ze zich tot fijne franje, die roerloos neerhangt op windstille plekken onder beschutting van het hooge duin of de dichte bosschen. Duizenden bij duizenden hangen er aan de twijgen en waar deze zich aan hoogopgeschoten stammen horizontaal vertakken, loopt ge onder een troonhemel van goud.
Ook ontbreekt het koninklijk purpur niet. Overal tusschen de bungelende katjes vertoonen zich groene knoppen vlak op den tak en vele daarvan dragen een prachtig purperen pluimpje. Dat zijn de stamperbloemen; in den herfst worden dat de mooie vruchten, de groenachtig bruine hazelnoten in hun krulkraag van wazig groen. Weken lang duurt deze bloesempraal, schooner dan de bloei van menigeen van de uitheemsche heesters, die onzen hazelaar uit parken en tuinen hebben verdrongen.
Als eenmaal de hazelaar zijn katjes laat bungelen, dan volgen snel andere heesters en boomen. Het eerst komt de els, de watervriend. Zijn meeldraadkatjes zijn langer dan die van den hazelaar en dieper geel, soms rossig en bruin. Ze zijn ook talrijker en hangen dichter opeen, zoodat de bloeiende els door zijn bloesem geheel verborgen wordt.
Er zijn sommige streken in ons land, waar bijna niets dan elzen groeien, en daar zijn in Maart wegzoom en waterkant en weidebosch omlijst en bedekt met warmgele sluiers. De stamperbloemen zitten aan dezelfde takjes als de meeldraadbloemen, maar ze zijn kleiner en vallen minder in ’t oog, al blijken ze ook bij nader toezien uitgerust te zijn met mooie donkerroode stempels en stijlen.
En heel donker rosachtig bruin wordt het elzenbosch waar het gekapt is. De versch afgekapte stronken staan fel gekleurd tusschen het uitgebleekte wintergras.
Voor ons openbaart de lente zich niet alleen in vogelzang, bloemenschoon en vlinderpraal, maar ook in de hernieuwde werkzaamheid van den mensch in veld en bosch, van mestrijden af tot houtkappen toe. Het lijkt een alleraardigste bezigheid, dat houtkappen en ’t is geen wonder, dat de houthakker al van ouds een van de lievelingsfiguren uit de poëzie is geweest. Wel is waar maakt de vertelling hem wel altijd arm, maar in negen van de tien gevallen is hij toch gelukkig en tevreden en in het tiende geval beleven op het minst zijn kinderen nog altijd hoogst merkwaardige en pleizierige dingen.
Flinke handenarbeid in de open lucht, nu eens in een vroolijk zonnetje, dan weer onder een stemmigen sneeuwhemel is werkelijk een kostelijk iets. Het dichte kreupelhout geeft een goede beschutting tegen den wind. En alle vogels uit de buurt komen kijken naar den blauwkiel en zingen hem toe, als wilden ze hem danken voor de prachtige takkeboshoopen, die hij opwerpt en waartusschen zij zich zoo heerlijk kunnen verschuilen.
De winterkoning kan niet wachten en kruipt nu al tusschen de takken door en de roodborst komt vlak bij den arbeider trippelen en als deze op een takkebos gaat zitten, om uit zijn bonten stukkezak de ferme boterhammen te eten, dan zet de roodborst zich op den bijlsteel en zingt het Fransche liedje dat Madame Michelet hem geleerd heeft: „Je suis le compagnon du pauvre bûcheron”.
Dan gaat de man weer aan ’t werk en onder zijn bijl komen weer te voorschijn de roodbruine stompen van de elzen, de geelachtige van eik en beuk, de meelwitte van de esschen. De meidoorns en abeelen laat hij staan, de eerste, omdat er toch geen behoorlijke paaltjes en takkebossen van gemaakt kunnen worden, de laatste omdat ze snel kunnen opgroeien tot groote dikke boomen. Ze beginnen nu ook al in bloei te komen.