Chapter 9
Ik weet niet,--en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,--wat aan Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was.
--Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje, dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang, verrukt aanstaren.
--Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem.
--Jules... Julken," snikte zij.
--Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte...
* * * * *
Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre, verre gedachten.
--'t Kot he hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij he bereiw, hij es broave geworden."
* * * * *
Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin, scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang, hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe het met hem was.
Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze, verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats.
--Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze gevroagd worden?"
Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zooveel dat hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij het in verbeelding, dat kerkhof, vol, vol met van die lange, smalle, witte kisten onder 't groene gras.
--Ge zie wel da ze gevroagd worden; da wordt altijd gevroagd," was eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord.
En meer was er niet uit te krijgen...
* * * * *
... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden en zilveren franjes voor de dichte, groene luikjes...
Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog altijd meer moest timmeren...
Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt 't kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve duisternis bijna niet ziet?--Het is er alles zoo stil! Geen klank, geen zucht, geen adem komt naar buiten.
Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte wolkjes...
VIII. PEETJE PRUIS.
In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur. Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen, en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer.
Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze geillustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: die welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek eenigszins op Bismarck; dat oud, gebogen ventje uit het Armenhuis op Moltke, die handelsreiziger, die om de zooveel weken met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning Wilhelm.
Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp, met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge, donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en fluweelzacht-golvende gazons.
Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet bizonderen naam van Amede Fruytier. Hij hield van lekker eten en drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten.
Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en buiten alle partijen stond.
--Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend, als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen."
Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets goed-ruws hebben. Hij deed dan wel heel barsch en sprak wel heel kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig ijdel!
* * * * *
Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch wel de moeite waard om er zich warm voor te maken.--De Duitschers, pouah! wat 'n volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun, uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten voor.--Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer, Louis Napoleon, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders worden, zoodra die zelf het heft in handen nam!
Hij prononceerde: "Lowie Napoleon" en hij sprak over den Franschen Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende. Lowie Napoleon zou dit, Lowie Napoleon zou dat; Lowie Napoleon had zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel enkele bevoorrechten behoorde.
Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. Worth, Froeschwiller; en onze geillustreerde bladen, die eerst niets dan Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend.
Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van den Pruisischen vorst was geschoren--dat was het eenige verschil--en toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis zoo treffend, dat hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen, streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en vroeg:
--Zie-je gien gelijkenesse?"
--Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd, door het evenbeeld getroffen.
En mevrouw werd er haast bang onder.
--O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij.
--Watte!... Wa zoen ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte achteroverhellend.
--Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met verschrikte oogen.
--Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend.
* * * * *
Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone "stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn vrienden, haalde 't geillustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind:
--Hm! He-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt ge 't?"
--O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht vergelijkend.
--Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van trots en pret.
Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun liet zien wat onderaan stond:
Willem I, Koning van Pruisen.
--Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de vrienden.--O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie dreupels woater! Scheirt ouen board op oue kinne wig en iederien zal mienen dat ge Peetje Pruis zijt!"
* * * * *
Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers buitenlandsch-politieke gevoelens.
Zonder bepaald op Lowie Napoleon af te geven, die zeer zeker een beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde niet lang of de sympathieen van meneer Fruytier en met de zijne ook die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napoleon gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend:
--Verdeeke! menier Fruytier, ouen board valt uit op oue kinne. Nou wordt-e percies Peetje Pruis!"
--Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in 't dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen.
--Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van hen." raadden zijn vrienden hem aan.
Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie" beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren, en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg verdwijnen.
--O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte.
Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn, ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor.
--_We_ zijn d'r!" zei hij... _W'_ hen Lowie Napoleon vaste? _We_ 'n moen nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt Parijs in onz' handen"...
O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!... 't Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde!
De sensationeele berichten zwollen tot de proporties van een algemeene wereldramp, die ook ons zou komen aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had, maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien.
* * * * *
Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede:
--Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!"
--Och Hier och God! dat 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en dochter ontsteld overeind.
--Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken.
Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich smeekend, snikkend aan zijn kleeren.
--O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze goan ou ginter deudschieten!"
--Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij.
--O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft!"
--Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!"
--O, wacht te minsten nog nen dag of twiee, nog ienen dag! nog nen halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen uchtijnk, tot da we gelezen hen wat dat er in de gazet over geschreven stoat!"
Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste overhalen.--Goed. Hij zou wachten tot den volgenden ochtend. Maar zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en bleef onherroepelijk; hij moest, hij wilde er naartoe. Hij had het plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd.
Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag.
* * * * *
Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind, met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld.
Reeds voor het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Anais, de dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar, met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij geen toebereidselen tot vertrek maken.
Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was, het volgende sensationeel bericht:
"Duizenden en duizenden soldaten van het "Fransche leger komen onophoudelijk over de "Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond "en allen verkeeren in een allerdroevigsten "toestand van uitputting en ellende. Zij worden "onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk, "per spoorweg, naar verschillende plaatsen "van het land gedirigeerd. Gisteren avond "vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik, "twee naar Namen, twee naar Brussel en twee "naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden "er ook twee naar Gent gestuurd, waar "zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den "namiddag zullen aankomen."
Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval:
--O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij.
Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw strak-roerloos al over zijn brilglazen aan.
--En mijn reize noar Sedan?" zei hij.
--Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw Fruytier.
Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen.
--Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da euk wille zien," drong zij aan.
"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps opgewonden overeind staande.
* * * * *
't Was als een kermisdag in Gent...
Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan.
Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een betrekkelijke orde te handhaven.
Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter, elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover. Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en 't maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem verhinderd hadden naar Sedan te gaan.
--Wa es da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!" bromde hij.
--'n Beetse passiencie, man, 'n beetse passiencie, Pa, smeekten vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende menigte bijna stikten.
Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte.
Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels rechts en links omlijst.
De Fransche krijgsgevangenen!...
Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie, met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op 't stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen.
Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere, hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren, ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als een lijk.
De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu eindelijk van heel dichtbij, Dat waar ze maanden van gedroomd en zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... Dat was er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door bloed, van al die menschen--hun medemenschen--die niet eens wisten waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid, 't was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de aarde weer in puin stortte.
--Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend.
--Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te snikken als een kind...
* * * * *
Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard. Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding was gedweeer, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve autoriteit.
Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer...
IX. VAN TOEKOMST EN VERLEDEN.
Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong koewachterken denk...
't Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche, groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen prachttooi.