Lente

Chapter 8

Chapter 83,825 wordsPublic domain

De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen. Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.--De Stier hield zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep, zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op.

De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem "'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen:

--Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n nieuw boeksken komen hoalen."

De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw:

--De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!"

De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer hoe vreemdere oogen op.

De plechtigheid was afgeloopen. De trouwers verlieten het gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren, alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden doorbrengen.

* * * * *

Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug.

Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te wiegelen aan gespannen touwen voor de huizen, een vurige triomfboog prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet.

Voor hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij gek-plechtig door het feestcomite verwelkomd. Een der leden trad gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het glas aan haar echtgenoot, die het in een teug ledigde. Dichtbij nu bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig, waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit...

Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was een abnormale, gekke, rustelooze nacht.

* * * * *

's Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den loer.

Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de Stier en haar man terug te zien.

Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht schitterde, werd een der groene luikjes van _Het Koffijhuis_ zachtjes opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens vlugjes in.

--Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der buren.

De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman hoofdknikkend:

--Ieste klasse! scheun weer, he?" antwoordde hij; en verdween in het huisje.

Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo: alles goed! He! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet zeggen kon!--Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en 't leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had. Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden terug.

Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en Twaalf--het borreltjes-uur--gingen enkele kerels eens tot aan het _Koffijhuis_ om er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn tuintje en de Stier ontving haar klanten met een helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 't _Huis van Commercie_, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend in de ongezellige gelagkamer zat.

--Hawel, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r doar bij geweest. Alles es goed, zille!"

--Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat 't 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verboon worden!"

--Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee heure veint gelukkig es!"

--Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie meugelijk! Pouah! Pouah...!"

Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken 't hoofd voor alle verdere verklaringen.

En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer wat ze moesten denken.

* * * * *

Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of "den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos, wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in 't _Koffijhuis_, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er was iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps, volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte.

* * * * *

't Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten, dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had, dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier...

--Watte? Watte? Wat es er mee?" gilden de menschen, trillend van ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het ware uit den mond halend.

--Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling, hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren.

--Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!" brieschte hij.

't Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,--meer en meer hem opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar de Stier vertoonde zich niet.

--'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te loan en te verhuizen?"

Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond aan om zijn goed naar buiten te sjouwen.

--Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte zijn deur ruw openstampend.

De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier bleef onzichtbaar.

Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw, reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich eindelijk vertoonen zou.

Maar de Stier was en bleef onzichtbaar...

Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was afgeloopen.

--Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden de menschen.

* * * * *

Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds onveranderlijk hetzelfde:

--Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint."

Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel beter...

't Kuipken, die zich in het ongezellig _Huis van Commercie_ doodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier, niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht.

Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en vermagerd vond, vroeg enkel:

--Hoe goat 't er mee?"

En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met ietwat matte, trieste stem:

--O nog al goed; en mee ou?

--O, euk nog al goed.

Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op.

--En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof.

--'K 'n he nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as 'n potse kaffee drijnken.

Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat.

--'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos.

--'t He passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den achternoen he 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud doen dekken, antwoordde zij.

--Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets meer van den vreemden indringer die weggeloopen was.

Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan, genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine oogjes slaperig half open.

--Wat dijnkt ou? Zoen we nie goan sloapen? stelde hij voor.

--O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij.

Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de voordeur dicht te doen.

Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. Een hing er in haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt.

--Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd.

--Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij.

Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap, naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van 't stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote schaduwen over de witte muren.

Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte.

--Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte stem.

Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op 't smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles plotseling heel stil en donker.

Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke vlokken...

VII. BEROUW.

Dit is 'n heel zware en droeve obsessie geweest...

'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts, niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis. Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.--Het is er somber, kil, treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de vieze, altijd natte greppels glimmen.--Maar, even voorbij den blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid!

Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid, de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen, zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden rythmus, halend open...

Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en luikjes open; een met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt.

In dat huisje is een doode.

* * * * *

Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend. Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een heel slechte reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard, een vechter en bijna een moordenaar.

Die kwade naam was verdiend. Hij was lui, hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader--een timmerman--bij wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon, stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel van kwaad tot erger. Nu moest hij wel van roof en diefstal leven, want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur had hij in de gevangenis gezeten.

Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die 's avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand, geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders.

Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche dorp verademde en juichte:

"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!"

Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van bijna naieve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden:

--'K he mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen."

De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt; hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook trouwens midden in den nacht gepleegd. Waar had hij dien nacht dan verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan.

--Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen he!" herhaalde Jules een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur behoorde.

Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn brood wenscht te komen. Waarom sliep hij als een vagebond in de schuren? vroegen de gendarmen.

--Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde Jules.

De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen zoo redeneerde!

--'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met nadruk.

--Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen.

--Joa ik," zei Jules.

--Woar es 't?"

--Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons huizeken van t' huren."

Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar honderd frank in mooie zilverstukken.

Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd.

--'t Es hem! 't es hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders gedreien, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!"

--Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede.

--'t Es hem! 't es hem!" herhaalde de boer met onverstoorde overtuiging.

--'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules.

De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules was een der daders en proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt.

* * * * *

Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en trouwden.

Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig had?

Voor de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken leven leidde.

--Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' hen?" vroeg de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat achtten.

Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden.

Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf.

* * * * *