Lente

Chapter 7

Chapter 73,823 wordsPublic domain

Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul van een gefolterd beest.

--Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!" zeggen de menschen, langzaam uiteengaande...

V. RESTITUTIE.

Teum Grondnagel lag stervensziek...

't Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang geweest. Ik zie hem nog in verbeelding voor mij staan: groot, zwaar, vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende oogen.

Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar gesloten blijven, zonder een klank door te laten.

Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van hun tijd verbeuzelden.

Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden, "aan 't woaien" was.

Dat "woaien" van Teum Grondnagel was een alom bekend, door enkelen verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling, zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien".

De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding, nog voor hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij:

--Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan 't woaien!"

Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en krachten!...

Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot, overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer aan het trakteeren en betalen, een woeste dierlijke, liederlijke orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde, wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren en weer een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende, verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en van nietelingen onder de knie had.

Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd!

Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang zoo sterk gevreesden meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam!

Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid, die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten 't niet, maar Hij, de Groote Rechter, voor wiens troon hij weldra zou verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch was er voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet opgebeurd. Een enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog, voor hem open: restitutie doen!...

Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou. Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime, sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen. Hij zou er hem mild voor beloonen.

Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde Jantje, na een korte aarzeling, toe.

En Teum begon een voor een zijn zonden op te sommen, eerst tegenover Jantje zelf.

--Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud verkocht het? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n woart er nie bij. Hawel, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou betoald he, worden d'r negen honderd vijftig. 'K he ou dus dien dag veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn? Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim, doar es vijf en twintig fran!...

Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde handen beefden op zijn knieen, alsof ze sidderden van kou.

--Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te nemen.

--Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor:

--Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op tien joar leverijnge van eirdappels.

Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos. --Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar mijngelijnge van rogge in de tarwe.

Jantje knikte.

--Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet in de boter...

Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde.

--Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg, terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen 't boerenhuis verliet.

* * * * *

Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.--Daar waar hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde.

Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig, vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon vinden.

Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten. Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar buiten; en, nog voor Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem:

--Hawel? Wa hen ze gezeid? Hoe es 't gegoan?"

--O! bezonder! bezonder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie geleuven!"

Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde, met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te slaan.

--Wa hen ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend, kortaf, aamechtig hijgend.

--Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard toestruikelend.

Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op een afstand te houden.

--Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' het gewoaid!" raasde hij, knarsetandend.

--Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje beleedigd en verontwaardigd.

--Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe.

Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen. Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd, wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden.

* * * * *

...--In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te luisteren.

Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen. Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd, hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche stilte galmde:

--Hawel, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en donker. Mag ik nou wiggoan?"

Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord.

--Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende vingers aan.

Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen staarde.

--Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen.

--Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend.

--Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en kijkt-e kier!" hijgde Jantje.

De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den haard.

--Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit.

De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding naast het uitgebrande haardvuur... dood.

VI. DE STIER.

Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje, waar de straatweg, zich in tweeen splitsend, een soort rechthoek vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het herbergje binnen.

't Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net, klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naam _Het Koffijhuis_, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel, gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de bont-gekleurde uithangborden.

Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster: menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er 't "stameneetje" bijhielden om rond te komen.

Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen. Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige, vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, meer dan een donkere haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in 't dorp "de Stier" genoemd.

"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden: "we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende beteekenis verloren.

En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit 't omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs, o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten. dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat al te bont, dan zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen en naar raden.

* * * * *

Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!... de "Stier" zou trouwen...!

Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje, de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd, men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige relatie wilde hebben.

Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken, zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje verdween...

* * * * *

Het was zoo: de "Stier" ging trouwen...!

De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had de scheiding van hun klein vermogentje geeischt, en het zoolange jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in haar deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste dorpsherbergen: _Het huis van Commercie_, op kamers te gaan leven. Daar, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage, algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden.

--Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen:

--Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde, alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te zeggen.

* * * * *

Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van "de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden.

Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden naar het gemeentehuis toe.

Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen gebeurde.--Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier", 't gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een vrachtwagen loopen had overgehouden.