Lente

Chapter 4

Chapter 43,856 wordsPublic domain

En de twee oudere broers, door een gelijke intuitie als die van Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en hoofdschuddend toe.

Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich te verkleeden.

Na enkele minuten kwamen zij bij de in zenuwachtige ontroering wachtende broeders, als twee ongekende, vermomde wezens, terug: Leontientje in een met een touwtje om het middel vastgebonden wit nachthemd, Standje in een oude, vuile broek en een korten, blauwen boezeroen van Coben. Zij kwamen lachend en ietwat gegeneerd om hun eigenaardige plunje, alle twee barrevoets over het mollig gras onder de bloeiende boomen naar het Zonneputje toe. Standje zag er uit als een verschrompeld karikatuur-ventje, zoo sehraal en houterig met zijn smal kippeborstje en zijn dunnen bruinen baard; maar Leontientje was om dol te worden van verrukkelijke, frissche schoonheid. Haar kleine bloote voetjes huppelden als twee eigenaardige, roze, naakte, nooit-geziene beestjes door het gronde gras, waar zij wemelende lichten schaduwvlekjes, gouden boterbloempjes, witte madeliefjes en rozige appelbloei-blaadjes al door elkaar schenen te doen stoeien en te wentelen; haar oogen glansden en haar blonde haren schitterden in krinkelenden lichtglans om haar blozend gezicht; en de volmaakte vormen van haar slank en lenig lichaam lieten zich bekorend raden en verraadden zich, onder de lange, strakke plooien van het om haar middel toegeregen witte nachtkleed.

--Hawel-e-wel-e-wel! Hawel-e-wel-e-wel!" riep Belzemien, die door geen andere woorden zijn stormachtige gevoelens scheen te kunnen uiten. Coben stond als 't ware stom ten gronde vastgegroeid, het halfgepelde wilgenstokje trillend in zijn zenuwachtig-sidderende handen.

--Kom, zei Standje. En met plotselingen moed liet hij zich van den oever glijden.--Brrr! rilde hij, ondanks het water haast lauw was. Even klapperden zijn tanden en twee blauwacbtige vlekken kleurden boven zijn magere jukbeenderen. Hij plonsde met de beide handen en al de krinkelende, zwarte glimbeestjes schoten schichtig, langs alle kanten, onder de witte-bloempjesdeken-met-oranjehartes weg.

--Es 't koud, nonkel?" vroeg Leontientje met gevouwen armen op den oever schouderhuiverend.

--O, nien nien 't, nien nien 't' hikte Standje klappertandend. Kom, geef mij moar ou hand, 'k zal ou helpen."

--O, 'k 'n durve bijkans niet," griezelde nu Leontientje. Maar ze voelde 't water met een van haar bloote, rose voetjes, stak het wat dieper, zette zich op den grasrand, waagde`ook het tweede voetje, stak beide handen uit naar Standje--... en eensklaps, met een grooten plons stond zij in het Zonneputje!

--O, nonkel! nonkel! Brr! Brr!" huiverde zij.

Maar 't duurde slechts een heel kort poosje. Dadelijk was de eerste, koude aanvoeling over, en gichelend, met hoogkleurende wangen, aan Standje's handen vastgeklemd, liet zij zich zacht naar 't midden van het beekje medetrekken.

Daar had ze een oogenblik verschrikte ontzetting. Haar witte nachtrok bolde als een stolp boven het water op en zij stond met bloote beenen in het helder putje.

--Oh! mon Dieu! mon Dieu!" gilde zij, met beide handen het weerspannig stijve goed neerslaande. Maar het ging niet zoo gauw en zij vond er geen ander middel op dan plotseling tot aan den hals hurkend neer te duikelen. Zij hijgde even, door benauwdheid bevangen en toen ze zich weer oprichtte hing het gansche sijpelend gewaad om haar lijf gespannen en geplakt, sierlijk afrondend de zachte schouders en de malsche heupen; omgietend, zoo duidelijk als in een vorm van gips, de ferme, maagdelijke borst.

--Ooo kreunden Belzemien en Coben, met veranderde gezichten tot op den uitersten oeverrand van het beekje geschoven, terwijl Standje, als bedwelmd van emotie in het water stond te beven.

--Toe, nonkel, lier mij nou zwemmen," smeekte Leontientje.

--Goed, legt ou veurover neere," hijgde Standje. "Azeu zie, mee oue kin in mijn hand. Ge 'n moet nie schouw zijn, 'k he ou goe vaste." En hij sloeg zijn rechter arm onder haar middel. "Ala, begin nou moar, mee oarms en bienen te gelijk. Moar niet te ziere, niet te ziere! Stillekes, op ou gemak. Ge 'n moet moar zjuust doen lijk nen oakpuit"(1).

[Noot van de schrijver: (1) Kikvorsch.]

Leontientje broddelde en plonsde, het water spatte schuimend op, zij kreeg een gulp in den mond, stikte, spuwde, rechtte zich weer, omgoten door het indiscreet plakkend nachtkleed, overeind. Standje, gek van bekoring, kon er zijn oogen niet van afwenden, Coben en Belzemien hielden zich hijgend aan de takken van een wilg geklemd om niet in het water te storten en merkten zelfs de tegenwoordigheid van Bruuntje, Leonie en Pierken niet, die ook onweerhoudbaar waren komen kijken. Bruuntje's fijn gezicht, met donker oog en zwaren knevel stond, onder een onbeschrijfelijken glimlach, als 't ware door het schouwspel gehypnotiseerd, Leonie staarde met een uitdrukking van walg en knorrige minachting en Pierken bleef daar roerloos als een boompje in den grond geplant, zijn blonde, bijna witte stekelharen recht omhoog gepijld, zijn lipjes open, het eene oog rond-glinsterend op Leontientje, het ander als een schuchter wit-bruin slakje in het hoekje van zijn neushuisje half weggekropen. Eensklaps keerde Belzemien zich om, zag hen daar allen staan, schrikte geweldig op, keek even schichtig in het ronde, of er soms nog meerdere kijkers kwamen; en meteen tot bewustzijn en gevaarsbesef terug geroepen, riep hij angstig, kort-dringend en bijna gebiedend:

--'t Es nou genoeg, Stand! 't Es nou genoeg, Leontine! Toe, komt er nou moar uit. Kerdule kan doar alle menuten weere zijn!"

Leontientje gehoorzaamde. Schaterend van vreugde ploeterde en plonsde zij nog een laatste maal dansend en draaiend met Standje in het van lieverlede troebelblond geworden Zonneputje rond en kwam dan naar den oever toe gewaad. Standje vloog om er haar uit te helpen, maar de twee oudere broers waren hem ditmaal voor. Beiden, zich krampachtig aan de wilgetakken vasthoudend, reikten Leontientje een bevende hand toe en haalden haar uit het water, even nu van dichtbij dingen ziende, die bun oogen van bedwelming deden draaien. Maar zoodra zij weer op vasten grond was ontsnapte Leontientje hen lachend; en haar bloote, roze voetjes, die nu glinsterende pareldroppels door het bloeiend gras schenen te sprenkelen, vluchtten naar het woonhuis toe.

Standje, afgemat en hijgend van emotie, volgde haar in zijn druipende en plakkende kleeren, als een groote, magere, slijkerige bond met ruige haren.

* * * * *

Belzemien en Coben waren eenigszins van hun ontroering bijgekomen; Bruuntje, Leonie en Pierken waren weer, onder den invloed van verschillende en afwisselende gevoelens, naar hun werk; en Leontine en Standje verschenen opnieuw, als gewone menschen in hun dagelijksche kleeding in den boomgaard, toen eensklaps, in de zachte, warme, stille lucht, wijd over de rust der weelderige lentevelden, een ver en traag klokkengetamp weergalmde.

Aandachtig-luisterend keken de broeders op. Was dat de doodsklok niet! Zij stonden even roerloos in het gras, onder de bloeiende kruinen, en meteen wisten ze 't: ja, het was de doodsklok, en wel de doodsklok voor een overledene met vermogen, "veur ienen mee 'n ziele" zooals de menschen zeiden.--O, zou Tante misschien plotseling...

Zij hadden niet den tijd hunne beschouwingen daarover uit te spreken. Eensklaps kwam Cordula hijgend om den hoek van 't huis met opwaaiende mantelslippen aangerend, en zij riep van verre, met holle stem en strakke, donkere oogen:

--Tante es deud!... Hoast ulder; kliedt ulder op ulder best en kom seffens mee mij mee bij den notoarus om 't testament t' heuren aflezen!"

Het was een heftige, onverwachte opschudding! Wanneer was ze dood? Hoe was ze dood? Waarom was niemand bijtijds komen waarschuwen? De ontstelde vragen kruisten door elkaar, al het overige was ineens vergeten; meid en knechts lieten hun werk liggen om te komen hooren; de broers, Leontientje, Cordula, liepen zenuwachtig, als verloren heen en weer; en het geval werd hun in zijn omstandigheden al niet duidelijker: zij begrepen slechts helder de gewichtige gebeurtenis, het feit op zichzelf, dat Tante plotseling gestorven was en dat zij als erfgenamen onmiddellijk bij den dorpsnotaris opgeroepen werden om er Tante's testament te hooren voorlezen.

--Ala toe, hoast ulder, hoast ulder, we moeten d'r direkt noartoe! herhaalde steeds Cordula, gejaagd en opgewonden.

Rechts en links holden zij uit elkaar, Leontientje naar de "beste kamer", de broeders naar den zolder.

--Wa es da hier? Wie het-er hier mee natte voeten over de vloer geleupen?" riep knorrig Cordula, toen zij in de keuken kwam.--Kijk ne kier, hier, noar de beste koamer toe, en doar, noar de zolder!"

Doch niemand gaf een antwoord. Zij dachten al niet meer aan 't pas gebeurde; en zelfs Cordula drong niet aan, geheel en al door 't andere in beslag genomen. Zij stond daar even roerloos-aarzelend in de keuken als onder diep-gespannen denken, en toen spoedde ze zich eensklaps stil naar boven, bij de haastig zich op hun best kleedende broeders.

--'k Ben toch zeu gejoagd en zeu schouw," hijgde ze met een angstgebaar naar de kamer onder zich, waar Leontientje was,--'k ben toch zeu ieuwig schouw dat dat "dijnk" in 't testament zal beveurdielt zijn."

--O, 'k 'n peist niet, 'k 'n peist niet, Tante was al te verre gezet as Leontine gekomen es; en euk: ze 'n he ze nie gezien," poogden de broeders haar gerust te stellen. Maar zij zelven voelden zich al niet geruster dan Cordula, er was een scherpe strijd in hen tusschen hun verrukking voor het nichtje en hun vrees voor geldelijke schade; en even angstig als Cordula zelve waren zij naar den inhoud van het testament benieuwd.

--Dat da moest woar zijn, 'k zoe d'r iets van krijgen, 'k zoe d'r mijn deud aan hoalen!" beefde Cordula met wijd-uitgezette oogen. --Maar eensklaps zag ze Standje's natte kleeren op een hoopje in den hoek liggen, en voor de tweede maal vroeg ze, bitsig en dringend:

--Moar wat ten duvel het-e gulder hier toch uitgesteken binst da 'k wig was? Van woar komt toch al die nattigheid en die vuiligheid in huis?"

--Wel, Hiere, 'k he ne kier gezwommen. Es da nou toch zuk 'n doanig dijngen!" antwoordde Standje, kribbig wordend.

--Gezwommen!" riep Cordula met open mond en verwilderde oogen. Gezwommen!... mee heur... in de beke?"

--Wel joa, wel joa, in 't Zonneputsen! Wa es er doar nou aan gelegen! Wa veur kwoad es er doar oan?" nijdigde Standje.

--O! die sloeze!" gilde Cordula schor van verontwaardiging.--O, die sloeze! En wa veur 'n leulijke vuilerikken moet-e gulder euk toch zijn, die doarin behoagen schept! En he 't wirkvolk da gezien? 't Es 'n schande! 'n schande! 'K 'n wee niet hoe da g' ulder op ulder hof nog teugen durft!"

Zij sidderde van woede en haar groote, leelijke donkere oogen straalden met vernietigende bliksemschichten in haar geelbleek, beenderig, ontsteld gezicht.--O, gie leulijke, leulijke, vieze leulijkoars!" herhaalde ze, tot stikkens toe verwoed. En met een walgkreet rende ze de trappen af.

Zwaar-melancholisch galmde aanhoudend uit den verren kerktoren het traag en loom gekadanseerd getamp der doodsklok, wijd over de zachtgolvende groene en blonde, in stillen, warmen zonneglans badende lentevelden...

* * * * *

Gelukkig had Tante niemand bevoordeeld...!

In 't duffe, schemerig kantoor van den dorpsnotaris hoorden de angstig-benauwde en ontroerde broeders en Cordula het testament voorlezen, dat aan iederen staak zijn recht liet wedervaren en enkel voor begrafenis, voor een aantal missen en jaarlijksche diensten, alsmede voor een donatie ten gunste van de meid en van het klooster der non die Tante verpleegd had, eene bepaalde, door de erfgenamen nog al hoog gevonden som afzonderde. Al het overige mocht in vijf verdeeld en, na afrekening der onkosten, zou er voor ieder nog wel tusschen de twaalf en dertien duizend frank overblijven.

Cordula voelde zich gestild, verzoend, gerustgesteld, te meer daar nu van zelf aan het verblijf van Leontine wel een eind zou komen. Er was reeds naar haar vader getelegrafeerd om de begrafenis bij te wonen en Leontientje's erfdeel in ontvangst te nemen. Ook Belzemien en Coben schenen eensklaps gekalmeerd, door de eene emotie van de andere bevrijd; en alleen Standje verkeerde nog aldoor in een gejaagden, opgewonden toestand. Het leek wel of er plotseling een ommekeer had plaats gehad in het gemoed van Standje. Hij lachte noch schertste meer; hij liep ernstig en bekommerd en toch doelloos met gebogen hoofd en saamgefronste wenkbrauwen heen en weer, als in diepe, ingewikkelde gepeinzen. Eindelijk scheen hij een moedig, vast besluit te nemen; en 's avonds, voor de begrafenis en de komst van Leontientje's vader, verzocht hij 't meisje om een wandelingetje in de maan over den stillen boomgaard, en vroeg het haar ineens, ontembaar, met angstig-draaiende oogen en van knellende ontroering hikkende stem:

--Leontientsje... Leontientsje... 'k vind ou zeu scheune... 'k ben zot van ou... wilt-e mee mij treiwen?"

Leontientje, denkend dat hij, zooals altijd, schertsen wilde, barstte in een klinkenden schaterlach uit.

--O, nonkel, nonkel! nonkel!" gichelde zij.--Maar zij zag in 't bleeke manelicht den verwilderden glans van zijn oogen en hoorde zijn hikkend, sissend ademhalen; en plots werd zij ernstig en bijna bang.

--Moar nonkel toch! nonkel toch!" hernam zij, zachter.

--'k Ben zot van ou! 'k zoe mijn leven veur ou loaten! Als ge wilt, 't wordt hier loater amoal 't oue!" herhaalde hij smorend, opgewonden.--Zeg, Leontientsje, wilt-e? wilt-e?--En hartstochtelijk greep hij haar hand.

Huiverend wrong ze die langzaam los, trad een paar schreden achteruit:

--Ha moar, nonkel toch, wa peist-e! 'k 'n ben moar 'n kind, en gij..."

--Joa joa, 'k weet 't wel, en ik ben oud!" viel hij haar driftig in de rede...--Moar 't es gelijk, ik zie ou geirne, sedert dien achternoen in 't Zonneputsen ben ik zot van ou geworden! O, Leontientsjen, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft moak mij gelukkig! Mijn leven es hier zeu droevig! 'k 'n he nog noeit gien uur oprecht plezier g' had in mijn leven!"

Hij snikte 't uit, zwak en flauw als een klein kind. Al het jarenlang verkropte wee van zijn kleurloos oud-vrijgezellen-leven stormde als een zee van woestheid in hem op, hij vergat den afstand en de jaren, zijn onverbruikte jeugdkrachten eischten bevrediging, hij klaagde en kreunde en zuchtte en smeekte, in een ontembaren, tragischmachteloozen, folterenden aandrang van eindelijk willen-genieten en gelukkig zijn. Hij vatte weer haar hand en knelde die onstuimig in de zijne, haar smoorlijk naar zich toe halend; en plotseling omsloeg hij met zijn arm haar middel, prangde haar woest tegen zich aan, poogde op haar frisschen mond een gulzig-sidderenden zoen te drukken.

--Ge 'n meug nie, nonkel! Ge 'n meug niet! Ge 'n meug niet! Als ge mij nie los 'n loat, goa 'k roepen!" griezelde zij, met geweld het hoofd afwendend en zich krachtig uit zijn knelling ontworstelend.

Eensklaps bedaarde hij, tot de koele, nuchtere werkelijkheid teruggeroepen. Als lam zakten zijn armen neer en een huivering doorschudde heel zijn lichaam.

--Pardon, Leontientsje," zuchtte hij met gebroken stem. "Pardon, g-het gelijk, 'k 'n ben nie wijs geweest. Wilt-e mij pardonneeren en vergeten? 'K zal veurtaan mijn verstand gebruiken en ou nie mier lastig vallen; 'k beloof het ou." En met stil-triestige oogen keek hij haar in den zachten maneschijn weer aan.

Zij glimlachte en stak hem, zonder wrok, de hand ter verzoening toe.

Sprakeloos, hij nog gansch ontroerd en bevend, kwamen zij in huis terug....

* * * * *

't Was uit. Tante lag diep in de aarde begraven, het geld was verdeeld en de "tieprie", die, ruim een week te voren, Leontientje aan het kleine station had afgehaald, stond, met Bruuntje naast het paard, voor den drempel van het woonhuis klaar om haar, met haar vader nu, weer weg te brengen.

Het koffertje werd opgeladen, Leontientje's vader,--een voor zijn leeftijd er bizonder jong en flink uitziende man met frissche kleur en blonde haren--nam van de ooms en van Cordula afscheid.

--Allons, merci encore, et au revoir, au revoir; et promettez-moi tous de venir un beau jour a Paris, n'est-ce pas?" zei hij, om de beurt Coben, Cordula en Belzemien omhelzend.

--Owie, owie, peud-eder," glimlachte Belzemien met fijn knippende oogjes.

--Ma tante, mon oncle Belzemien, mon oncle Coben, merci bien, mille fois merci, et a plus tard, n'est-ce pas, a Paris?" herhaalde ook Leontientje, beurtelings Cordula en haar ooms een laatste maal omhelzend.

--Owie, owie, owie," stotterden de broers, haast niet in staat het frissche meisje bij dat laatste afscheid los te laten.

Zij raakten eindelijk in den "tieprie", waar reeds Standje met de teugels in de hand te wachten zat, en onder nog maar steeds herhaalde groeten en vaarwel-gewuif, reden zij weg.

Wat was het dood en stil in Standje's hart, zoo dood en stil nu als op 't vlak eentonig land, dat na de laatste helder-schitterende zonnedagen, eensklaps grijs en dof en stroef geworden was, onder een zwaar-bewolkten grijzen hemel! Er scheen geen kleur noch vreugd meer in de atmosfeer en 't was zelfs kil geworden, alsof de nog maar pas vervlogen, gure winter, weer in aantocht was. Standje, op 't smal bankje tusschen Leontientje en haar vader in elkaar gedrongen, zat te bibberen...

Daar kwamen zij aan 't kleine station, en Standje kreeg het dadelijk weer druk met Bello, die voor 't gedruisch der treinen en 't getoeter der seinhorens schichtigde.

--Hou hou, Bello! hou hou, Belleken!" ging het telkens opnieuw, bij ieder ongewoon geluid dat 't beest deed trippelen. En 't laatste afscheid, terwijl de trein reeds snuivend aanraasde, gebeurde midden in een ergerend geharrewar: Standje, de eene hand aan den teugel, kon nauwelijks met de andere Leontientje omstrengelen, en zijn adieu-kus, waarvoor zij zelve nu, als 't ware in een plotse opwelling van goedig medelijden, haar frissche lippen ter ontfermende ontvangst naar de zijne uitstak, ging scheef, onder een sarrend en belachelijk "hou, hou, Bello, hou hou!" half op haar mond, half op haar zachte wang verloren.

't Was uit... en droevig uit... zooals een schoone uitgebloeide lente!--De trein reed ruischend met haar weg--hou hou, Belleken, hou hou!--en door de onbedwingbaar-opwellende tranen welke plotseling zijn blik verduisterden, zag Standje haar een allerlaatste maal, in haar verrukkelijke jeugd en frissche schoonheid, glimlachend door het neergelaten raampje met haar zakdoek naar hem toewuiven, wuiven... wuiven... wuiven... tot het witwapperend doekje een klein, wervelend stipje werd,... het laatste trilgewiek van een blank vogeltje.... een wegflonkerend sterretje,... dat eensklaps om een bocht der spoorbaan, voor altijd aan de bekoring van zijn oog verdween...

OBSESSIES

I. HET BEZOEK VAN ENGEL GABRIEL OP AARDE.

Verleden week, terwijl ik niet slapen kon, dacht ik eensklaps aan Soarelke Meule... Ik zag hem voor mij, zooals ik hem in leven gekend heb: kort, zwaar, scheefgeschouderd, met ingedrongen hals en kromme beenen; met hoekige, vooruitstekende kinnebak en brutale, groote oogen, waarvan het eene rond en strak je aankeek, terwijl het ander, scheel en bloeddoorstriemd, sterk naar buiten afdwaalde...

Het werd al spoedig een obsessie van mijn geest en de herinneringen Kwamen toegestroomd.

Stille avondwandelingen in den maneschijn, langs eenzame kronkelwegen tusschen hooge korenvelden; wazig-doorschijnende nachten vol tintelende sterren, gezang van nachtegalen in de donkere boomen, bleeke huisjes met gesloten blinden, als in geheimzinnige bespiegeling verzonken; en ginds, bij den ouden, grijzen molen, die, met het geraamte van zijn vier gekruiste, naakte wieleen op den berg te droomen stond, het vaste en gezellig groepje, dat er eiken avond bij mooi weer tegen den grauwen gevel van het molenhuis gehurkt, naar de verhalen van Soarelke Meule te luisteren zat.

Wat wist hij veel en wat kon hij eigenaardig en grappig vertellen!--Kort en gehort kwamen met barre blikken van zijn woeste oogen, alsof hij aldoor over alles verontwaardigd was, de dikwijls krasse woorden uit zijn barschen mond gestooten. Doch het was slechts een schijn-kwaadaardigheid, en de brutaalste en heftigste beweringen hadden steeds bij hem een ondertoon van leukheid die tot lachen wekte en waarover hij ook trouwens gaarne medelachte.--Hij was een ruwe filosoof en voelde helder-sarcastisch het ware en juiste der dingen. Zijn scherpe geest was vrij van alle vooroordeelen. Onbewust-natuurlijk, zonder moeite drong hij dadelijk tot den grond der dingen door.

Vooral de jongelingen uit de buurt schaarden zich gaarne om hem heen en konden uren lang naar hem zitten luisteren.--Zij zaten daar, onder den ouden molen, een donker troepje van een acht-of tiental, vaag-nevelig gehuld in den damp hunner pijpen, waarvan de brandstipjes soms roodend gloeiden in de duisternis; en zij maakten Soarelke aan den gang, en praatten met hem mee en lachten, om hem goed leuk en ondeugend te stemmen.

--Toe, Soarelke, vertel ons nog ne kier 't bezoek van ijngel Gabriel op oarde! Woar was da euk dat hij hem op de weireld liet vallen? Was da niet te Poeke, in 't Luizegevecht?

Zij deden of ze 't zich niet goed meer herinnerden om het hem nog eens te hooren vertellen en Soarelke liet zich vangen en weerlegde. met zijn ruwe, korte, barsche stem:

--In 't Muizenhol was 't, he 'k ulder gezeid, dwoasheufden die-ge zijt; in 't Muizenhol, tusschen Vijnck en Oarseele!

--En hoe kwam da, Soarelke! Hoe en wannier es da gebeurd?

--Da was ons Hiere die hem uit den Hemel zond, om e-kier te kijken hoe dat 't hier op de weireld gijnk," orakelde Soarelke.

--Joa moar, hoe? Ala, toe, Soarelke, vertelt-e-kier.

En Soarelke, moegeplaagd, klopte zijn pijpje uit, kuchte eens, bromde wat en vertelde eindelijk, met zijn kort-hakkende, bruuske stem:

"Ons Hiere zat op zijnen treun in den Hemel mee den ijngel Gabriel aan zijn voeten. Den ijngel zat op den ondersten trap te sloapen, mee zijn vleeren toe.

"Gabriel, zegt ons Hier azeu al mee ne kier tegen hem, 't dijnke mij dat-e gij hier nie veel uit 'n voert, e-woar, jongen?

De ijngel wor wakker en schudt zijn vleeren:

"Wat es er ten ouen dienst, ons Hiere?" vroagt hij.

"Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, zegt ons Hiere: Trek ne kier ou beste geiwene vleeren aan en lont ou op de weireld zijnken om te zien wat dat er ginter gebeurt. K'en he doar in doanig lank nie mier van g'heurd en 't 'n zoe mij nie verwonderen da ze mij doar 'n beetse begonnen te vergeten. Ge moet er mee 't volk wa klappen en informeeren of er nog almets van mij gesproken wordt."

Goed.--Zeu gezeid, zeu gedoan. Den ijngel Gabriel trekt zijn beste geiwene vleeren aan, ons Hiere zendt hem 'n wolke, hij schiet er hem op en hij kom neer op d'eirde, tusschen Vijnck en Oarseele, aan 't Muizenhol!

--Aan 't Muizenhol! Es 't woarachtig aan 't Muizenhol dat hij neere gevallen es, Soarelke? giechelen de jonge kerels.

--Aan 't Muizenhol! Zeu woar of da 'k hier zitte, en op 'n wolke! Moar zwijg ne kier en loat mij veurt vertellen.

--Goed. Hij loat hem dus neere zijnken aan 't Muizenhol en valt er te midden in de kirmesse. 't Was doar 'n leute, en 'n lachen en zijngen, en 'n eten en drijnken, en 'n dansen en sprijngen mee 't jonk vreiwevolk! en den ijngel Gabriel, die da nog noeit van zijn leven nie gezien 'n ha en hem heule doagen aan de voeten van ons Hiere zat t'embeteeren, begint euk van plezier te lachen en te sprijngen, en hij danst mij doar verdeeke in de ronde mee, mee zijn geiwene vleeren aan!

--Mee zijn geiwene vleeren aan! Es 't oprech woar, Soarelke?

--Mee zijn geiwene vleeren aan! En te midden van 't jonk Vreiwevolk...! Moar,... 't begost oavend te worden, en ons Hiere, die kwoad wierd omda zijnen ijngel te lang wigbleef, zond hem ne weerlucht uit den Hemel, dat hij seffens weere moest noar boven komen.