Lente

Chapter 2

Chapter 23,776 wordsPublic domain

--Hou hou! hou hou! hou hou!" ging aldoor Standje, angstig dat hij haar wellicht in het gewoel niet zien of herkennen zou. Maar plotseling ontwaarde hij, vooroverhellend over een nog dicht portier, een lenige buste in witte blouse en lichtbruin manteltje, een grijsblauw hoedje met een bruine veer, en daaronder een jeugdig frisch-blozend gezicht met blonde haren en zoekend-rondkijkende oogen: oogen die eensklaps Standje ontdekten en glimlachend schitterden, terwijl een arm werd gezwaaid en een vroolijk stemmetje van verre riep:

--Ah voila! Bonjour, mon oncle! Bonjour! Ik kom!"

--Hou hou! Bezoer! Bezoer!" antwoordde Standje, met de eene hand tegenwuivend, met de andere 't paard intoomend. Een fluitje gilde, een stoomgulp pufte, de trein zette zich langzaam weder in beweging, en 't oogenblik daarna werd Standje overrompeld en bijna bedwelmd onder een uitbundige omhelzing, met twee klinkende zoenen op zijn harige wangen, terwijl het helder stemmetje weer juichend opgalmde:

--Bonjour, mon oncle Constant. Bonjour, bonjour. Hoe goat 't mee ou?"

--Hahaha! Leontine! Leontine!" riep Standje, geestdriftig-verbouwereerd, onwillekeurig het paard loslatend, dat begon te deinzen en te trippelen. En hij keek het jong meisje aan met stralende oogen, verrukt en verbluft haar zoo volwassen en zoo mooi te zien, geschokt door die onverwachte frissche omhelzing en ontroerd door haar gansche verschijning.

--Hoe goat 't mee ou? Wa zij-je greut en snel geworden! En hoe es 't thuis mee voader?" vroeg hij verward door elkaar.--En dan weer angstig tot het paard, dat ongeduldig trappelde en weg wou: "Hou hou, Bello, hou hou...!"--Wilt-e moar instappen, Leontientje; mijn peird 'n es den trein nie geweune. Es da ou kofferken! Geef moar hier, 'k zal 't onder de bank steken."

Hij duwde het valiesje naar achter, hielp haar in 't rijtuig, wipte zelf haastig naast haar, en weg waren ze, in vollen draf, door de stille straten van het kleine plaatsje.

--En hoe es 't mee Tante Zeunia?" was dadelijk haar eerste vraag.

--O, goed, goed," antwoordde werktuigelijk Standje, in zijn agitatie niet meer wetend wat hij zei.

--Comment donc! 'k miende dat z' op stirven lag!" keek het meisje hem diep verbaasd aan.

--Ha joa moar, 't es woar euk; natuurlijk, natuurlijk!" verbeterde Standje met een hoofdschudding zijn gek gezegde. "Hoe dat 't mee heur es? O, altijd 't zelfde; all' uren uit, e-woar?"

--Pauvre tante Zeunia," zei meewarig het meisje. Zoe 'k heur vandoag nog keune zien, nonkel?"

--Joa joa g'. 'K peis 't toch wel. Vandoag of morgen. We zillen d'r mee ou noartoe goan."

Toen moest Leontientje ook weten hoe of 't met tante Cordula ging, en met nonkel Belzemien en nonkel Coben, en Standje antwoordde maar aldoor: "o goed, goed, heul goed," terwijl hij met stralende oogen en verrukten glimlach het jonge nichtje aankeek, meer en meer onder den indruk harer bekoorlijke verschijning en omhelzende begroeting, de handen bevend om de teugels en vreemd in 't hoofd omdat er een zoo fijne geur om haar heen zweefde, diezelfde geur van zoete bedwelming, dien hij daags te voren, met een ongekend gevoel van wellust, uit haar briefje opgesnoven had.

Zij hadden al spoedig het stationsplaatsje verlaten, en, over de houten ophaalbrug van een kanaal, waar Bello, voorzichtigheidshalve, stapvoets gehouden werd, kwamen zij in het open veld. Wijdalom strekten de weelderige lente-landouwen zich uit. Het koren, een paar voet hoog, stond reeds in de aren, de heldergroene vlasgaarden lagen donzig als fijne fluweelen tapijten op den zachtgolvenden grond, en hier en daar in de verten schitterden, tusschen het pas ontloken, frischdoorschijnend groen van heesters en boomen, de lange, fijne, tintelgouden streepen en vlekken van het bloeiend koolzaad. Als eilandjes midden uit een groene-en-gouden zee, rezen de oude, groote boerderijen met hun bloeiende appelboomgaarden ten alle kanten op, en in den teerblauwen hemel vol kleine, rozig-witte wolkjes, orgelden eindeloos de zoete stemmetjes der leeuwerikken.

--O, mon oncle, da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte 't jong meisje, met levendig-blozende wangen en stralende oogen overal rondkijkend.

--E-woar?" zei Standje, gevleid door haar bewonderende uitroepingen. "'n Greut verschil mee P'rijs, he?"

--O joa 't zille! moar Parijs es toch euk heel scheune," antwoordde zij glimlachend.

De "tieprie" was een kronkelende zandweg ingeslagen en lichtschommelend op zijn veeren reed hij langzamer, onder het zwaarder trekken van Bello, door de mulle, diep-gegroefde, slingerende wagensporen. Zij kwamen in de volle landelijke eenzaamheid en Leontientje wees met verbazing naar een heele rij vrouwen, die daar midden op een akker, als een bende groote vogels, zingend zaten neergestreken.

--O, qu'est-ce que c'est que ca, mon oncle?" riep zij met een zoo opgewonden schel stemmetje, dat de merrie er even van schichtigde en Standje, aan de leidsels houdend, weer zijn bedarend: hou hou, Bello! moest laten hooren.

--Ca, ce sont des... wiedsters," lachte hij maar, het fransche woord niet dadelijk vindend.

--Oh! Et que font-elles?

--Arracher... arracher... l' onkruid," waagde Standje maar weer, opnieuw om zijn raar taaltje lachend.

--Comme ca, avec leurs mains, sans gants?" vroeg ze verwonderd.

--Mais-z-owie, mais-z-owie," glimlachte Standje.

--Et ca ne leur fait pas mal? Ca ne pique pas?"

--Mais non, mais non. G' heur wel da ze leute hen, e-woar? Ze zijngen..."

De wiedsters hadden opgekeken, wuifden met de handen, zonden grappig kushandjes naar 't rijtuig, riepen van verre iets naar Standje dat deze maar half begreep.

--Qu'est-ce qu' elles crient?" vroeg Leontientje nieuwsgierig.

--Que vous etes une zolie fille!" schertste hij, haar met glinsterende oogen aankijkend.

--Mais mon oncle!" schaamde ze zich, hevig blozend.

Plotseling, achter een groote, donkere hoeve met hooge gebouwen en breed-uitgestrekten boomgaard, slaakte zij weer een zoo schellen juichkreet, dat Bello ervan op zij sprong en het lichte rijtuig in een wagenspoor bijna omkantelde:

--O mon oncle! mon oncle! Wat es dat toch!"

't Was eensklaps als een wijde, vlakke goudgolf, zijlings van den blonden zandweg. Het leefde en straalde en tintelde; het geurde onuitsprekelijk wonderzoet en 't wemelde en trilde van duizend-en-duizenden zoemende bijen.

--Datte!... hou hou, Bello, hou hou! Dat es 'n partije bloeiend keulzoad," zei Standje, met inspanning de merrie in bedwang houdend.

--O, mon oncle, as 't ou blieft, hou toch nekier stil en loat er mij nen bouquet van mee nemen!"

--Van keulzoadblommen!" riep Standje verbaasd. "Moar ze zillen seffens verslokkerd zijn!... en euk... den boer 'n zoe 't meschien nie geirn hen, as 't hij moest zien..."

--Och nonkel, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft," smeekte zij.

't Was onweerstaanbaar! Standje hield het paard stil en zij wipte uit den "tieprie" terwijl hij bezorgd en wantrouwig, vol vrees voor den boer, naar de groote hoeve omkeek.

--Hmm! Hmm! comme ca sent bon!" juichte zij, met volle armen plukkend. "Mais que de mouches, mon Dieu!" En zij ging druk aan 't schermen, met haar beide handen.

--Pas op!" waarschuwde Standje, "'t zijn uzzels, ge zil gesteke worden!"

Doch zij graaide maar door, met haastige, gulzige grepen, tot zij, overladen, terug in den "tieprie" kwam gewipt, haar gansche frisch gezichtje met wellustige verrukking snuivend in den geuriggouden schat; en weer reden zij verder, door het heerlijk lenteveld, naar de hoeve, waarvan de grijze stroodaken, in het verschiet, tusschen de groene en roze weelde van den alombloeienden boomgaard, reeds zichtbaar werden.

--Zie-je ginter d' hofstee? Irkent-e 't huis nog?" vroeg Standje.

--'n Beetse, toch niet heel goe meer," aarzelde zij. Maar eensklaps jubelde ze 't uit:

--O joa joa ik, nou irken ik ze, doar... doar... tusschen de beumen! La maison blanche aux volets bleus et au toit rouge n'est-ce pas? Oh! comme elle est gentille!"

--Owie--owie... ce ca!" juichte Standje tegen, trotsch en gelukkig dat ze 't nog herkende en het huis zoo mooi vond.

--En woar es 't huis van tante Zeunia? C'est plus loin encore?"

--Owie... owie... dans le villaze n' is pas. Ginter verre, zie-je wel, dat toreken."

--Ah oui, oui!" riep zij eensklaps weer met kinderlijke blijheid. "A present je me rappelle tout a fait et je reconnais encore le petit clocher. C'est la que j'ai fait ma premiere communion!"

--Owie... owie... owie... percies... percies," bevestigde Standje.

Zij waren er. Stapvoets zwenkte het paard om een bocht, schreed over 't steenen bruggetje, reed door het openstaande hek, ging dwars over den boomgaard en hield eindelijk voor het boogdeurtje van 't woonhuis stil.

--Bonjour ma tante!" riep Leontientje uit het rijtuig wippend. En zij viel in de armen der verbouwereerde Cordula, die op den drempel was verschenen.--Bonjour, mon oncle Belzemien!"... En in de armen ook van den verbluften Belzemien.--Bonjour, mon oncle Coben!"... En in de armen eindelijk van den sidderenden, stotterenden Coben.

Zij stonden daar allen even onthutst en verbluft om het vroolijk en blozend nichtje, frisch als een levensbloem van jeugd en van gezondheid; en een poosje wisten zij geen van allen wat te doen of te zeggen: de twee broers, evenals Standje, volkomen ontroerd en verrast door haar onbevangen en onverwachte omhelzing, de oude vrijster niet minder van streek, al haar voornemens van koel en stug onthaal aan 't wankelen, eensklaps, zonder mogelijken strijd, tegen wil en dank overwonnen en ontwapend door het zoo natuurlijk-vriendelijk en zegevierend-gulhartig optreden van 't verrukkelijk jong meisje. Ook Standje was uit den "tieprie" gestegen, die Bruuntje met het paard naar de "loeze" terugbracht; en, Leontientje's valies in de hand, keek hij aarzelend-bedeesd en bijna smeekend naar Cordula, als om haar zwijgend te vragen of ze nu toch werkelijk den harden, droeven moed zou hebben, dat frisch lief kind in de oude, duffe, ongezellige voute-kamer naast haar te doen slapen.

--O, wacht!" riep Leontientje, toen ze haar valies zag. En haastig het openend haalde zij er een mooi-glanzenden kartonnen zak met gouden letters uit en bood dien Cordula aan.

--As 't ou blieft, tante, 'k he da uit Parijs veur ou mee gebrocht."

--Ha moar jongens toch, wat es datte?" riep Corduula, met een plotselinge kleur over haar grauwe wangen den schitterenden zak openend.--Ooo?... 't es seekelou, en toch zeu veele! Ha moar, kijkt toch ne kier hoe veele."

--Eet-e geiren chocolat, tante?" vroeg, liefelijk glimlachend, Leontientje.

Joa ik, zille, en zuk ne goen, zei Cordula; gulzig proevend.

Het was een voile zak pralines, en Cordula presenteerde er nu ook van aan Leontine en aan de broers, die, gegeneerd-glimlachend, met aarzelende vingers zich bedienden.

Standje's oogen glinsterden. Hij voelde Cordula vermurwd, en, het valies steeds in de hand, waagde hij maar eensklaps moedig de vraag:

--W e zillen Leontine heur koamer moeten teugen, e-woar, zuster! Alhier zeker, e-woar?"

En hij stapte waarlijk vastberaden naar de "beste kamer" toe.

Cordula scheen een oogenblik hevigen strijd te ondergaan. Haar groote zwarte oogen zetten zich boos uit, haar breede mond ging al vast weigerend open... maar 't leek als 't ware sterker dan haar wil: 't hoofd knikte onwillekeurig "ja" en zelve wees zij den weg, haastig in haar verbluftheid stotterend:

--Joa joa... 't es goed,... maar wacht ne kier... 'k zal e-kier moete zien of er niets 'n mankeert."

Standje liet het zich geen tweede maal herhalen. H j liep met het valiesje naar de mooie logeerkamer, zette het er op de ronde tafel neer, kwam er weer uit terwijl Cordula met 't nichtje binnentrad, en sprong dansend van blijdschap voor Belzemien en Coben in de keuken op, stil juichend:

--Alles zjuust! Zuster gebruikt heur verstand. Azeu es 't lijk of 't zijn moet!"

Belzemien, de kleine oolijke oogjes bijna dichtgeknepen, wenkte Coben en Standje in de keuken bij zich, fluisterde op zijn beurt, zenuwachtig opgewonden:

--Joa moar, en mee 't eten, hoe zal da zijn! Ik 'n vinde da toch nie meugelijk van heur aan ien toafel mee de knecht en 't meissen en de koeier te doen eten."

--Natuurlijk niet, natuurlijk niet!" jubelde Standje. Moar Kerdule gebruikt heur verstand, zeg ik ulder. Ze zal zelve wel inzien dat da niet meugelijk 'n es."

--Joa joa joa moar... wa... wa zillen Bruuntsjen en Leenie doarvan zeggen?" stotterde Coben, die aan de oude gebruiken hechtte en bang was den knecht en de meid te beleedigen.

--Wel, loat ze zeggen wat dat ze willen; we zijn toch zeker wel miester op ons eigen hof!" riep Standje vrijpostig.

--Stt!... zachtjes, zachtjes," suste Belzemien. "We moen doar kalm mee de zuster over klappen."

Cordula en Leontientje kwamen terug in de keuken.

--Wa goa-je gij eten, Leontine? G-het zeker wel honger noar die lange reize?" vroeg glimlachend Belzemien.

--Wel, nonkel, 'k zal ik eten wat dat-e gulder eet," zei Leontientje.

Bezorgd keken de broeders naar Cordula op. Haast iederen avond aten zij, samen met knecht en meid en koewachter, karnemelkpap met roggen smouterhammen en daarna gestampte aardappels met kaantjessaus. Zij vonden dat heel lekker. Maar of Leontientje het wel lusten zou?

--Wa eet-e gij geweunlijk 's oavens?" vroeg Standje na een aarzeling, angstig omdat Cordula nog niet dadelijk op de kwestie inging.

--O, 't gien dat er es, nonkel, 'n ei, 'n beetse vleesch of koas mee nen boterham en 'n glas wijn; moar 't es woar: hier in Vloanderen es 't bier in ploatse van wijn, e-woar?" glimlachte Leontientje.

--Joa joa, zeker, zeker, zeker," zei Belzemien, ontsteld bij de gedachte dat er nooit anders dan in buitengewone omstandigheden bier bij de maaltijden genomen werd. En eensklaps moed-vattend, met een schuw-schichtigen blik op Cordula, die maar aldoor stom en stug en roerloos stond te luisteren:

--Hawel, zuster, wilt-e gij 'n eitsje koken? 'K zal in de kelder om bier goan?"

Plotseling slaakte Leontientje een kreet:

--O, mon oncle Constant, mijn blommen, mijn blommen, woar zijn toch al mijn scheune blommen!"

--Ou blommen!" riep Standje, die eerst niet begreep. O joa, joa, 't es woar! Ze zijn zeker in den tieprie gebleven. Wacht, 'k zal z' ou goan hoalen!"

Maar Leontientje was reeds buiten, hollend als een wild jong veulen naar de "loeze".

In allerijl namen de broeders de gelegenheid te baat.

--Heurt, zuster," zei Belzemien op een toon van ongewone beslistheid, "we'n keunen da kind hier mee de knecht en 't meissen aan toafel nie zetten om keiremelkpap en eirdappels t' eten. Ze'n es da thuis niet geweune. Ze zoe da ginter in P'rijs aan heur famielde en kennessen goan vertellen en 't zoe ons schande gesproken worden."

--Ha, nondedomme! Es ze zij meschien beter as wij!" riep Cordula verontwaardigd.

--'t Es gelijk," sprong nu ook Standje ter help. We moen iest en veural onz' iere koavelen."

Coben stond zenuwachtig te sidderen zonder iets te zeggen.

--Onz' iere koavelen! Onz' iere koavelen! Drei kiers per dag vliesch en eiers zeker! En wie zal da as 't ou blieft betoalen? Es 't nog nie genoeg da z' al in de beste koamer mag sloapen, die prinsesse!" krijschte Cordula.

--Ik zal 't betoalen! Ge meug het iedere zondag van mijn zakgeld afhouden!" riep Standje grootmoedig.

--Ha 'k zal 't er zeker afhouen!" dreigde Cordula, meteen zich overwonnen gevend. "He-je da nog oeit geweten? Zoe-je nie zeggen 'n keunijnksdochter in huis!"

De broeders, voelend dat zij nogmaals 't pleit gewonnen hadden, lieten haar nu maar kalm uitrazen. Cordula voorspelde nijdig erge ruzie met de dienstboden, onderlinge ontstemming, oneenigheid en geldelijken ondergang; maar 't leek wel of het hun in 't geheel niet schelen kon; zij zagen het volstrekt zoo zwaar niet in; en Standje, roekeloos wordend in zijn opgewondenheid, durfde er zelfs nog aan toevoegen:

--Tuttuttut, zuster, iene kier rijk 'n es nie altijd oarm. We goan ons nou al te goare ne kier ienige doagen firm wel doen en we zillen spoaren as 't geld op es!"

Leontientje kwam terug in huis gehuppeld, het frisch-blozend gezicht half onder haar geurig-gouden bloemenschat verborgen.

--Wa he ze zij doar!" riep Cordula nurksch verbaasd.

--O! zuk 'n scheune blommen, tante, w'hen ze lang de wig getrokken!" juichte 't meisje.

--Ha!... 't e... 't e... 't e... 't es verdeeke keulzoad!" stotterde Coben onthutst. En eensklaps begon hij onbedaarlijk te lachen, omdat Leontientje, in baar onwetendheid, bloeiende koolzaadtakken als Sieraadbloemen had geplukt. Heel zijn steenrood, beenderig gezicht vertrok in rimpels van de dolle pret, en ook Belzemien ging nu fijntjes aan 't lachen met oolijk-knippende oogjes, terwijl hij, van dichtbij de bloemen bekijkend, wijsneuzig oreerde: "owie, owie, ce du colza, ma niece." Standje kon zijn verrukten blik van het frisch mooi nichtje niet afwenden; en alleen Cordula beweerde knorrig dat die bloemen niets beteekenden en dat het bovendien verkeerd en ongepermitteerd was ze te plukken, en dat de boeren, als ze 't zagen, er verschrikkelijk kwaad om zouden zijn. Toch gaf ze t' meisje een kruik met water om ze te bewaren; en toen zij in de "beste kamer" op het tafeltje te pronken stonden, vroeg Leontientje of er nog tijd was voor den eten om eens even rond de boerderij te gaan.

De avond daalde, in zachtwazige, purperen glorie, over de stille, mildvruchtbare, groene lentewereld neer. Cordula bleef brommig in huis om het avondmaal te bereiden, en af en toe, om zich te troosten, putte zij gulzig uit den zak met lekkernij. De broeders, alle drie, liepen intusschen, over den boomgaard, met het meisje mee. Zij had hoed en mantel afgelegd; en nu, blootshoofds in haar mooiweelderig blond haar, met lichtbruine japon en witte zomerblouse, wandelde zij, in de volle sierlijkheid harer lenige gestalte, over het zachte goudgetinte gras, onder de frissche lentekruinen. Kersen en krieken, pruimen en peren hadden reeds gezet en de vergankelijke weelde van hun eenmaal sneeuwwit bloeisel hing, als in bruine, verschrompelde lapjes, aan de dunne, naakte twijgjes; maar al de appelboomen stonden in hun rijksten prachttooi en 't waren alom als groote, witte en roze, tooverpaddestoelen, als boomen uit een Paradijsdroom, door een wonder van heerlijkheid op aardschen bodem overgeplant.

--Oh! comme c'est beau, comme c'est beau!" jubelde Leontientje. Zij haalde de lange, neerhangende bloesemtwijgen naar zich toe, zij aaide met haar zachte wangen langs de zachte, teere knoppen; en eensklaps werd het haar te machtig: zij brak het eene takje na het ander af en las ze samen tot een schitterenden ruiker, telkens met een kinderlijke speelschheid streelend vragend: "Je puis, n'est-ce pas? Tante Cordula ne sera pas fachee, n'est-ce pas?" terwijl de drie, oude vrijgezellen met gedwongen glimlach toch ja knikten, elk oogenblik omkijkend naar het woonhuis, in voortdurenden angst hun zuster eensklaps woedend te zien buiten vliegen, om. die nuttelooze schending, welke zij in bun begrip van boerenzuinigheid ook innig afkeurden, te verbieden. Gelukkig merkte Cordula er nog niets van en Standje was in zichzelf al vast besloten op een of andere manier Leontine de bloementakjes te ontnemen, voor zij er mee in huis kon komen. Zij leidden haar verder rond, langs de wilgen van het beekje, bij het zoogenaamde "Zonneputje" dat daar een ietwat breedere kom in 't smal riviertje vormde, en waar zij weer in een langdurige verrukking stond over de duizenden, dicht-op-elkaar-gegroeide witte waterbloempjes met oranje hartjes, die bij plaatsen er de gansche opervlakte met hun woekerende weelde overdekten. Zij gingen met haar in de stallen, toonden haar de koeien, de paarden, de zwijnen, wat haar ietwat minder belangstelling scheen in te boezemen; zij lieten haar kennis maken met Baron, den ouden, nog al onverschilligen waak-en-karnhond, die van haar liefkoozende wenken geen notitie nam; en eindelijk kwamen zij, door Cordula voor het avondmaal geroepen, langs achter weer in huis, waar Standje haar haastig de bloeiende appelboomtakjes uit de hand nam, onder voorwendsel dat ze dadelijk in 't water en den ganschen nacht op een koele plek dienden te staan...

Zij aten in de schemering der ouderwetsche, ruime keuken, waar veel blinkend tin en koper hing omheen de gele wanden, onder de zwartgerookte zolderbalken, de drie broers en het jong nichtje om een laag groen tafeltje, zijlings van den haard. Er waren gekookte eieren, hoofdkaas en gerookte worst, met tarweboterhammen en bier. Zuster was per slot van rekening niet schriel geweest, zij had fatsoenlijk haar eer "gekoaveld" en de drie broeders waren zeer tevreden. Cordula zelve at niet mee aan tafel. Zij hield meer, beweerde zij, van een bord karnemelkpap en aardappelen met kaantjessaus, zooals de dienstboden straks zouden krijgen. Intusschen ging zij af en toe weer met de hand onder haar schort en haalde daar iets uit, dat zij met stil genoegen onder het heen en weer loopen opknabbelde. Die lekkere "seekelou" van Leontientje scheen toch al heel wat in haar stugge binnenste vermurwd te hebben.

Intusschen, onder het eten, praatten de ooms en het nichtje over Leontientje's leven in Parijs. Zij vertelde hun dat haar vader nog steeds werkzaam was in een groot pakhuis, waar hij reeds meer dan twintig jaar zijn betrekking had en dat zij het huishouden deed en ook nog wel thuis, in haar vrije uren, voor een grooten corset-winkel werkte.

--Zeu, zeu, veur ne corse-wijnkel nog al!" zei Standje, met een ietwat ondeugende belangstelling in zijn schitterlachende oogen.

--Ba joa, ba joa, ne luxe-artikel, e-woar? Hier, op den buiten, 'n he 't vreiwevolk da nie veele neudig," meende Belzemien.

Coben schudde 't hoofd en bewoog even, zenuwachtig, zijn sidderende handen, als wilde hij beduiden dat hij daar niet veel verstand van had.

--En veur de lingerie-wijnkel wirk ik euk almets," vertelde Leontientje verder. "O! scheune dijngen, zille! Scheun fijn ondergoed veur rijke damen, hoast allemoal mee dieren entre-deux en kant. 'K he passeerde week 'n pakske noar huis gedregen, ge kost het azeu aan oue kleine vinger droagen en d'r zat veur over de zeven honder fran in."

--Ba zeu! ba zeu! Ha, da es toch 'n dijngen, e-woar!" riepen alle drie de ooms verwonderd uit.

--Ha, da es zottigheid! viel Cordula barsch in. Da es geld wigsmijten of nie weten wa mee gedoan! Woarveuren dient datte? Doar 'n es toch ommers giene meinsch, die da ziet of ge fijn of grof ondergoed droagt!"

--Ha joa moar, zuster, ge zeg gij datte! Ge 'n weet gij niet of 't almets nie gezien 'n wordt!" riep Standje ondeugend glimlachend.

--O slech vreiwevolk, zeker!" smaalde Cordula met van diepe minachting neertrekkende lippen. "De diee 'n zijn nievers beschoamd in!"

Leontientje hield de oogen neergeslagen en zei een poosje niets meer. Zij pelde een eitje, met zachte, beschaafde beweginkjes. Haar frissche wangen kleurden zoet-rozig in den laatsten avondgloed die door de ruiten scheen en haar mooi blond haar golfde sierlijk, vol gouden tintelingen, om haar rein voorhoofd. Eerst na een tijdje keek zij weder op. Haar heldere, blauwe oogen kruisten den ondeugenden spotblik van Standje en zagen de ietwat verbouwereerde uitdrukking op het gelaat van Belzemien en Coben. En zij begon gedempt te lachen, met kleine, korte, ingehouden schokjes, terwijl zij, met een warmere kleur over haar wangen, den blik weer op het eitje vestigend, gegeneerd stamelde:

--Mais mon oncle tout de meme... comme vous etes drole...!

Vaag-achterdochtig keek Cordula met een schuinblik naar hem om; maar zij zei niets meer, zij pruttelde alleen wat binnensmonds, dat de anderen niet goed begrepen...