Part 3
Afdalende van het met rijke bloem-bedden pralende terras van het Regina-Palace, langs de breede vijfhonderd treden van de steenen trappen, die leiden naar de laagte, kwam Paulus beneden in de stad, en langs een rij van weelde-winkels en luxueuse Hôtels, in de feeërieke palmen-avenue, die naar het Casino leidt. Dit was een breede, afdalende laan, met een plantsoen vol lachende lente-bloemen in het midden, en aan weerszijden statige, Californische palmen, met hun breede, zware waaier-kruinen plechtig-wijd uitgespreid, als een triomf-allée voor een Khalif uit de 1001 Nacht. De atmosfeer was hier ééne zoete mengeling van fijne bloeme-aromen, en het leken hier paradijs-regionen van engelen, ademend geuren van rozen en leliën en violen in plaats van lucht. Afwandelend langs die lange palmenlaan, kwam Paulus voor het blanke, prachtige Casino, in zijn kuische kleur van reine room.
Door de groote, glazen deuren—eerst een bordes op—stapte hij binnen, en deftige, militair uitgedoste suppoosten hielpen hem dadelijk met aanwijzingen, waar hij moest wezen om zijn entrée-kaart te krijgen.
Even bleef hij verontwaardigd staan voor een bordje, opgehangen aan een albasten pilaar.
„Toegang verboden aan slecht gekleede personen, aan werklieden en in ’t algemeen aan lieden in een staat van dienstbaarheid.”
Hij had het willen uitschreeuwen van ergernis, maar herinnerde zich nog bijtijds zijn belofte aan Marcelio, om het decorum te bewaren, wát hij ook mocht zien.
Hij wilde nu verder doorloopen, maar een suppoost kwam op hem af, uiterst beleefd, en waarschuwde hem, dat er stof op zijn schoenen zat. Dat moest hij er eerst af laten wrijven in een cabinet de toilette, anders mocht hij niet binnen.
Door een statig atrium, rustende op porfieren en marmeren en albasten zuilen, kwam hij eindelijk in de speelzalen.
En Paulus verwonderde zich, dat het hier in ’t geheel niet leek op een hol van onheil en verschrikking, zooals hij had gedacht. De enorme zalen met haar geçireerde parketvloeren, haar prachtige pilaren, haar met lieflijke herder-en-herderinnen en liefde-godjes à la Watteau in lichte kleuren beschilderde wanden, haar rijk met goud-gedecoreerde plafonds, leken eerder groote receptie en balzalen uit een koninklijk paleis. De millioenen praalden en schitterden van de muren en van den vloer en van het plafond hem tegemoet.
Rijk gekleede grandes-dames en demi-mondaines, met lange slepen, schreden er, als plechtig, in het rond, en correcte heeren, in smokings en evening-dresses, stonden deftig om de tafels, of slenterden heen en weer. Een zacht kletterend geluid van zilver-en-goudstukken-getink was nooit uit de lucht, alsof het regende edel metaal en daar doorheen knetterde tusschenbeide het geraas van de balletjes in de roulette. En monotoon dreunde daartusschen het geroep van de croupiers: „Messieurs faites vos jeux!” of: „Rien ne va plus!”
Paulus voelde, dat er hier heel erge dingen gebeurden voor zijn ziel, en dat hij al zijn wilskracht zou noodig hebben, om kalm te blijven. Hier werd gespééld, als kinderen gespééld met geld, het goud en het zilver hagelde hier als ’t ware door de zaal, en buiten was de misère en de leugen en het onrecht, buiten werd honger geleden en gebrek, en zwoegden honderdduizenden in kommer, in ’t zweet huns aanschijns, om nèt nog niet van ellende te sterven, hongerende honderdduizenden, die de onderdanen waren van Leliane!
O! Al die honderden rijke, wèlgevoede, wèlgekleede menschen hier in die zalen, wìsten zij dat dan niet? of waren het allen egoïste, gewetenlooze ellendelingen, die om het volk lachten, en gretig zoo doorleefden, als zij deden, van zijn misère?
Was al het egoïsme in de steden nog wat bedekt, onder den schijn van schoonklinkende leugens van godsdienst of nationaliteit of ’s lands belang, híer was het te zien, brutaal, zich gevend voor wat het was, in al zijn naaktheid. Iedereen was het hier om geld te doen, en niets anders. Al die fijne, broze dametjes, in een droom van kant en ruischende zijde gehuld, met haar glanzende coiffures en languissante oogen, graaiden hier naar geld, en geld, en nog eens geld. Hij zag bevende vingeren, schitterend van brillanten, saamgeknepen lippen, van overspanning onnatuurlijk gloeiende wangen, en mooie oogen, bestemd als voor stil gedroom en liefdevol aanbidden, nú angstig starend naar een rondknikkerend balletje of een paar kaarten, of de ziel er van afhing. En het geld—het zoo zeldzame, dure geld, waar zóóveel voor te krijgen was, dat vertegenwoordigde zulk een enorme massa arbeidsvermogen van duizenden werklieden, zwoegende in hun zweet—het werd hier verknoeid, of het afval was. Op eene trente-et-quarante-tafel zag hij als een overstrooming van groote gouden „plaques” van honderd francs, waartusschen biljetten lagen van duizend, als eenvoudige lapjes vodden, zóó waardeloos schenen ze daar.
Dat was bloed, dat was zweet, dat was misère van duffe fabriekslucht en stikkende giftwalmen, dat was honger, en schande, en onrecht, wat daar op die tafel lag. Tienduizenden werden in enkele minuten door de croupiers achteloos ingeharkt met de lange râteau’s of het tíches waren.—Paulus zag een oude dame, met een collier van enorme paarlen omhangen, die schudde van ’t lachen, omdat zij telkens stapeltjes „plaques” verloor op rood, terwijl zwart dertien keer achter elkaar uitkwam. Zij moest toen minstens dertienduizend francs hebben verloren, en scheen dit ijselijk koddig te vinden.
Dicht bij die oude vrouw, die al dicht bij den dood moest zijn, en zóó haar laatste levensdagen sleet, in roekeloos spel met wat toch ánderer ellende moest zijn, stond een dikke, rijke Amerikaan, die met de grootste onverschilligheid biljetten van duizend francs over verschillende vakken verspreidde, en evenveel schik had, als hij won, of als hij verloor. Men fluisterde om hem den naam van een bekend milliardair. Het was een bruut uitziende, grove man, dierlijk en sensueel. En Paulus dacht aan de duizenden en duizenden arbeiders, die een hard, ellendig leven voor dien éénen man dóórzwoegden, in mijnen, op fabrieken, op schepen, om hem in staat te stellen hier met die duizenden te spelen, als een roekeloos kind, dat er de waarde niet van kent.
Nergens, als hier in deze speelzalen, had Paulus de menschen zóó leelijk gezien. De van opwinding gloeiende gezichten, de begeerige blikken van de oogen, de zenuwachtige trekken om lippen en neus, maakten iets duivelachtigs van hen. En dan het walgelijke, om groote, ontwikkelde menschen, die toch al veel van het leven moesten gezien hebben, daar, met de halzen uitgerekt, met roode ooren, te zien staren naar een ronddraaiend balletje, om misschien wat geld naar zich toe te kunnen graaien! Twee, drie rijen chic opgedirkte dames en heeren stonden achter de zittenden, om de tafels heen, elkaar verdringend, om toch óók maar eens op te kunnen zetten, puffend in de benauwde menschen-luchtatmosfeer van die slecht geventileerde zalen. Er hing een lucht van zweet en begeerte en lijkengeur van vermoorde bloemen.—Hier was zelfs de mooie schijn weg, waarmede de maatschappij zich gewoonlijk nog omhing, en alles toonde zich hier in bijna oprechte schaamteloosheid, ieder liet zijn grove egoïsme zien in volle naaktheid en kwam er voor uit, dat het hem te doen was om geld te graaien, geld en nog eens geld.
En Paulus zag, dat overal in de zalen cocottes liepen, die zich aanboden voor het geld, wat de spelers zouden winnen. Waar het geld was, daar was ook de dierlijke wellust, die het kon koopen.—De veile vrouwen schoven met haar afgetobde, bezoedelde lichamen, het fletse geel van haar teint verborgen onder kunstig opgelegde schmink, in prachtige Leliënstadsche robes van kant, den sleep ruischend achter zich aan, langzaam, lonkend over den parketvloer. Zij hielden de winners in het oog, en de prikkeling, die vrouwen straks misschien te kunnen krijgen, exciteerde de spelers tot nóg grover spel.
Heerlijk was het voor Paulus, na de sluiting om elf uur, uit de bedompte, met verstikkende parfums verzadigde atmosfeer van de speelzalen, buiten te komen in de koele, van bloeme-aromen doortrokken avondlucht. Duizenden bloemen-zielen droomden haar fijnste essences uit in de atmosfeer. De statige palmen van de allée, over het Casino, stonden plechtig, vol geheim, met hun breede waaier-bladen onbeweeglijk uitgespreid. En al de blanke gebouwen stonden nu vreemd en mysterieus in het schijnsel van het witte electrische licht.
Eene verrukkelijke wandeling werd nu voor hem het stijgen in den nacht, tegen den rotswand op, naar het Regina-Palace-Hôtel. Eerst langs ópgaande straten, dan een paar bordessen op, en dan den grooten, breeden straatweg, die langzaam met wendingen en bochten naar boven klimt. Voor de vijfhonderd rechtopstijgende trappen naar boven was het nu te donker.
Hoe dan alles beneden wègzonk en eindelijk héél ver lag, met al de lantaren-lichtjes, klein als vonkjes! Bij een scherpe bocht naar links, dicht bij het Hôtel, lag het landschap steil beneden, met alle terrassen trapsgewijze boven elkaar, voor tuinbouw aangelegd, en heel van onderen ruischten watervalletjes en beekjes, en droomerig gedreun van kikvorschen-gekwaak beefde omhoog. De donkere omtrekken van de rots-bergen stonden trotsch en vastberaden tegen de lucht, als wèlbewuste gedachten. Vèr uit lag de zee, waarin de mane-stralen weerspiegelden, zachtjes drijvend, wemelend van zilverig gerimpel, rustig en eindeloos. Dié ging maar áltijd door, kalm, wijs, en heel van-zelve, in de zegening van het licht.
De sterren fonkelden metaal-rein in den egaal-blauwen hemel. En de blanke maan stond helder en sereen, hoog in de hoogste sferen, als de ziel van den hemel, waaruit straalde het goddelijke, verreinende licht.
Vèr beneden lag nu Monte-Regina, laag en klein, met hier en daar een eenzaam lantaren-lichtje, een ópgeschemer van witte villa-kleuren.
En vlak tegenover het Hôtel, vèr, aan de zee, stond het Casino mysterieus te lumineeren, in den glans van al de ongeziene electrische lichten op het voorplein en van de omliggende restaurants. Het room-witte crême, met een licht gele tint, kwam nu heerlijk uit in het donker van den nacht, en het leek nu in de verte op een tempel van fijn porselein, lichtende met een eigen, innerlijken glans. Zóó stond het beruchte speelhol, dat nú een heilige tempel was, aan de zee, en rees in roomen reinheid smetteloos blank omhoog, in den van bloeme-aromen dronken nacht van het Zuiden....
Het was hem, of de droeve werkelijkheid der aarde nu vergleden was, en zijn ziel was opgeheven tot een andere, hoogere sfeer, op een geheel ander plan van wezen, in eene vergeestelijking van alles, wat materiëel was, tot eene hoogere orde van dingen. Al het harde was nu verzacht in den nacht, de bergen en de boomen lieten zien hun innigste ziel, des daags verborgen, en de stille schittering op de zee was als een goddelijke liefde, uitgespreid in het eindelooze.
Als een wit paleis van droom stond het reine Regina-Palace vóór hem, in de wonderbare blankheid van zijn marmeren pracht.
Het leek een gewijde woning van hooge, heilige wezens, een pralend Graal-paleis, waarin bewaard werd een ondoorgrondelijk, goddelijk wonder.
Dáár, bóven hem, waar die witte vensters glansden van een innerlijk, heilig licht, dáár woonde de blanke, de vlekkeloos reine, in wie geïncarneerd was de reinheid van de witte waterlelie en de gloed van de gouden zon; dáár troonde de verre, ongenaakbare vorstin van de volken en van zijn ziel, de kroonprinses Leliane.
En in dit nachtelijk uur, nu al de ellende en de ongerechtigheden van den dag waren verzonken in ’t alles vervagend niet, nu over de stille, slapende wereld en over de zacht-ademende zee de groote rust lag van het volle, verreinende maanlicht, nu was hij één oogenblik weer alles vergeten, wat zoo fel op zijn gemoed had gebrand, en wist hij niets meer, dan dat dáár boven hem de prinses Leliane woonde, die hij ééns had gevonden in het Bosch, liefelijker en lichter dan de reine lelies, die de zusteren waren van zijn ziel.
Al het onrecht van zooeven, al het leelijke, afzichtelijke van menschen en dingen, zij waren slechts geweest een bedriegelijke schijn, een valsche spiegeling van onwerkelijkheden, want het éénige ware, het enkel ontwijfelbaar reëele, dat was die witte, blanke koningsmaagd, die daar rustte achter de rein-marmeren muren van dit hooge, heilige paleis van vrede.
Hij voelde een vrome ontroering opwellen naar zijn oogen, en in vervoering vouwde hij de handen, waar hij het hoofd biddend ophief naar omhoog.
„O! Blanke, heilige prinses,” fluisterde hij. „U heb ik lief tot in eeuwigheid.... Alle dingen zijn schijn, en de ongerechtigheden der wereld, zij mogen mijn ziel niet zoo deren, want is niet alle troost en alle vergoeding in uw begenadigd wezen, dat haar ééns zal geven de waarheid en het recht uit uw witte, heilige handen?....”
En hij voelde als een gróóte zekerheid, dat ééns zijn wensch zou worden vervuld, en dat alles nog wel goed kon worden, als hij maar eenmaal voor prinses Leliane was nedergeknield, om haar bescherming af te smeeken voor de ongelukkigen en verdrukten.
Dán zou het wonder gebeuren, dat de wereld transformeeren zou. Al het licht van goddelijke genade en mededoogen, dat in haar reine wezen was geconcentreerd, zou van haar uitstralen en wijd over de wereld gaan. Een ontzaglijke, transcendente kracht, zacht en machtig, zou van haar uitstroomen, en de harten der menschen zouden van deernis beven, als dat zalige licht hen beroerde. Die in overvloed leefden zouden vrijwillig afstaan van hun weelde, als een kind dat geeft aan een ander, en de rijke zou in den arme zijnen broeder herkennen, wiens goede hoeder hij zou zijn.
Maar van háár, van de koninklijke maagd van goedheid en genade, zou alles moeten uitgaan en uit háár geopend hart zou die groote liefde moeten uitvloeien over de menschen.—En al haar droeve zusteren, ontwijd in diepste ellende van duistere zonde, zij zouden biddend en deemoedig samenschuilen onder háár koninklijke bescherming, als de heilige maagden, die hij gezien had op een schilderij van van Eijck, veilig geborgen onder den wijden mantel der heilige Ursula.
Zóó stond hij te droomen, in biddend opzien naar haar venster, terwijl hij de handen onwillekeurig had gevouwen. En een groote rust legde zich over zijn ziel, een rust, eindeloos en zacht, als die van de in ’t maanlicht verheerlijkte, transparante zee, die daar vèr onder hem onbewegelijk lag te glanzen. Hij verlangde niet om Leliane nu te zien; het heilige weten, dat zij dáár ergens ademde, in dat witte paleis, was al zoo oneindig veel aan hem gegeven, en zóó was het genoeg, méér durfde zijn deemoedige ziel niet droomen, dan zóó biddend te mogen opzien naar haar venster, en zacht te fluisteren, met van eerbied bevende lippen, háár zoeten, gebenedijden naam....
HOOFDSTUK IV.
Vóór hij naar Monte-Regina vertrok, had Paulus zijnen vriend Elias verteld van het groote plan, dat hij volvoeren ging, om de hulp in te roepen van de kroonprinses Leliane. Met gloeiend enthousiasme had hij het alles aan Elias uit-gezegd, maar toen hij geëindigd had, zag hij denzelfden medelijdenden glimlach, als vroeger bij Marcelio.
„Prachtig, dat plan van je!” had Elias uitgeroepen, „magnifiek! Zoo iets voor in een roman in drie dikke deelen, of een groot spectakelstuk met een apotheose aan het slot, en engelen met vlammende zwaarden, en vooral veel bengaalsch vuur. Maar, kereltje, wat bezielt je, wil je nu heusch, in déze tijden, een modernen don Quichotte gaan spelen? De prinses zal je zien aankomen! Ze zal denken, dat je gek bent en je naar een gesticht verwijzen. Maar, al woú ze nu eens doen wat jij haar af komt smeeken.... want, ondanks de constitutie en de wetten, die haar macht beperken, kan zij onnoemelijk veel doen, enkel door haar invloed, als zij het initiatief maar neemt... al hàd ze nu eens dat groote hart, dat jij in haar droomt, en ging ze al haar invloed eens ten goede aanwenden... dan nóg zou ik dat eerder een nadeel, dan een zegen vinden... onze partij zou haar tóch met al haar krachten bestrijden, omdat het véél te gevaarlijk is, zooveel macht in één persoon vertegenwoordigd... we wìllen geen verlicht despoot, al doet die nóg zooveel goed... wie zegt ons, dat die macht morgen ook niet ten kwade kan worden aangewend?... neen, hoor, je plan is ten eerste een hersenschim, en ten tweede, àls het eens gelukte, een groot gevaar voor onze partij...”
„Maar, als het nu de verdrukten en de misdeelden ten goede kwam?” had Paulus verwonderd gevraagd.
„Dat dóet er niet toe,” was het antwoord geweest. „Het zou een enorme slag zijn voor de partij, als één vorstelijk persoon het goede werk uit haar handen nam.”
Paulus, in zijn eenvoud, had het niet begrepen, dat de partij vóór alles ging, en de hulp aan de ellende in de tweede plaats zou komen, en Elias had het hem niet uit kunnen leggen, zoodat zij bijna in onmin van elkaar weg waren gegaan. Toch had Elias hem op het laatst nog de hand gedrukt en hem gezegd:
„’t Is eigenlijk niet de moeite waard, om me zoo ongerust over te maken. Je „heilige” zending loopt toch op niet uit, mannetje, en met hangende pootjes zal je hier in Leliënstad terugkomen, dat is onvermijdelijk. Laten eerst al die jonge, dolle buien van je maar eens voorbijgaan, dan zal je later wel een kalm, bezadigd lid van onze partij worden, daar twijfel ik niet aan. En kijk nog maar eens goed uit je oogen in Monte-Regina, beste vriend! Het is daar een fraaie boel!”
Maar al de spot van Marcelio en van Elias hadden Paulus niet ontmoedigd. Hij hield vast in zijn binnenste het onwrikbare geloof in de genade en de piëteit van Leliane’s blanke ziel.
Ééns had hij haar gezien, toen zij met een groot gevolg het Regina-Palace-Hôtel uittrad. Met engelen-gratie, als een licht wonder-wezen uit hemelsche regionen, was zij, in een wuivend, wit gewaad, zachtkens langs hem geschreden, waar hij, diep gebogen, aan den ingang had gestaan. Haar reine, blauwe oogen hadden hem even aangezien, en hij had zich voelen duizelen van aandoening, als zou hij straks weg zwijmelen uit de werkelijkheid, waarin hij leefde, om óp te zweven tot de ijle sfeer van háár droom. Het ruischen van haar gewaad was als muziek over zijn ziel gegaan, en alle dingen lagen verheerlijkt, in een zeer zacht licht.
Toen voelde hij, dat het wonder van liefde uit háár zou gebeuren, en toen de stoet van haar gevolg voorbij was, had hij geknield, en den grond gekust, dien haar heilige voeten hadden betreden.
In de altijd vóór hem lichtende hoop van haar eíndelijk te zien, liet hij zich gewillig door Marcelio mede nemen, overal waar het dien geliefde, hem te brengen.
Zóó had Marcelio hem ook medegetroond naar het groote restaurant van het Hôtel „Hermitage”, waar keizers en koningen logeerden.
Een groot, luchtig paviljoen was het, in rein, glanzend wit, met hoog plafond en hoog koepeldak, als van een kapel. De vensters in het rond, als in een pavillon Louis Seize, met kleine deurtjes en kleine ruitjes, elegant en coquet. Het lichte plafond had zijwanden, beschilderd met engelen en minnegodjes, in vroolijke kleuren, en Cupidootjes en relief. Aan den ronden muur, in plaats van gobelins, overal smalle, opstaande, langwerpige spiegels. Roodbruin marmeren pilaren droegen het koepeldak. Hier en daar stonden palmen in lichtblauwe potten, mooi in het witte en blanke alom. Het dikke, roode tapijt dempte het geluid, en ondanks het stemgerucht en het vorkgekletter, suisde toch een stemming van plechtige stilte door de zaal.
Het binnenkomen, met de voetstappen geruischloos over het zachte tapijt, in het gedempte, witte licht, met al het blank, en het goud van dorures, opgewacht door buigende, correcte kellners, die plaatsen aanwezen, met reverent gebaar, had al iets van de inleiding tot een ceremonie.
Dan het zitten gaan, en het verschijnen van een dikken, dubbel-bekinden ober, gewichtig, corpulent, met een breed, rond, mislukt imperators-gezicht. De aanbieding van de spijskaart, als een heilig document, het eerbiedig opnoemen van een paar exquise gerechten, spécialités de la maison, het raadgeven omtrent wàt te nemen, serieus, of er wònder wat van afhing, bescheiden, en toch met aandrang, of de zorg voor de gasten dien kellner innig aan ’t hart ging. Dàn het bevel geven tot het bestellen van al die verfijnde schotels, en het terugtreden van den gewichtigen ober, overziende de zaal, als een generaal het slagveld, dàn weer loopend heen en weder, en met één allesomvattenden blik de tafeltjes inspecteerend. Overal zaten correcte, gedistingeerde heeren uit de „high life”, in uniform, of zwarten rok, of smoking, met glanzend overhemd en gefriseerd haar, de scheiding fijn en zuiver getrokken, als een lijn op een ets. Dames, gedécolleteerd, met blanke halzen, den sleep van haar rijke robes naast haar stoel op het tapijt, in kant en zijde, met geschitter van pailletten en edele steenen, waren als feeën aangezeten tusschen de donker-zwarte figuren der heeren. De engelsche ladies waren hieronder dadelijk te herkennen, met het koude, passielooze van orchideeën, zonder geslacht, slank en rijzig, vergeestelijkt in haar smettelooze blankheid, met het rood-en-goud geglans van haar coiffures, waarin juweelen schitterden, als sterren in gulden avondhemel.
In dien blinkenden schijn van weelde, met al het wit, en het goud, en het geschitter, leek het eten als een ritueel, bijna vroom. De kellners droegen de schotels op, als kostbare geschenken, boden die eerst den gasten ter goedkeuring aan, eer zij er in trancheerden, voorzichtig en gewichtig, als een professor, die eene operatie gaat beginnen.
Toen weende een zachte, slepende walsmuziek op en Baldi’s Zigeuner-orchest vervulde de stilte met zijn droomerige rythmen.
Vage essence-geuren van fijn wildbraad en teere bloeme-aromen zweefden bijna onmerkbaar hier en daar in ’t rond, en verdroomden zich met het bouquet van oude, lang bewaarde wijnen. En in die mengeling van witte-en-gouden kleuren, en vage geuren, en teêre rythmen van languissante muziek, leek alles te vergeestelijken, en een lichte roes van verrukking steeg even op in Paulus’ hoofd, alsof deze glanzende schijn nu werkelijk geluk was, en al deze dingen nu ook dingen van goedheid waren, en van waarachtig schoon....
Hij voelde, hoe dat valsche, verleidelijke bien-être weer over hem kwam, met dat laf verlangen om maar te berusten in alles, omdat er tòch niets aan te doen was, met die vage troost, van zélf gelukkig geborgen te zijn aan den warmen, veiligen, zonnigen kant van het groote onrecht. Hij zag aan de wijze, waarop zijn aristocratische vriend na het diner een fijne Havannah opstak, en met een glimlach den rook wegblies, dat deze er zóó over dacht.
„Kijk eens,” zeide Marcelio opeens, „zie je dien kolossalen kerel, die daar binnenkomt?.... Je kent hem zeker al, hè?... Dat is prins Sergius Alexandrowitsch... Wat steekt hij uit boven de vrienden, die bij hem zijn!...”
Onder de vele hooge gasten van koninklijken bloede in Monte-Regina was ook een Moscovische prins, de jongste broeder van den keizer van Moscovië, prins Sergius Alexandrowitsch. Paulus had dikwijls in couranten over dezen prins gelezen, die in de geheele wereld bekend was om zijn woestheid en zijn dapperheid... Hij was berucht om zijne uitspattingen met vrouwen, en er gingen fabelachtige legenden omtrent hem rond over nachtelijke festijnen, die aan de orgieën der romeinsche keizers deden denken. Men fluisterde, dat de beruchte Leliënstadsche danseuse Wanda de Rosario eens door hem met een millioen aan diamanten betaald was voor één nacht van wellust. Hij was ook beroemd als een hartstochtelijk jager. Eens, in de wilde wouden van Oost-Moscovië, moest hij een beer, die hem, toen hij ongewapend was, overviel, met zijn groote vuisten hebben geworgd.