Leliane: een modern sprookje

Part 7

Chapter 74,021 wordsPublic domain

En hij vond het al grooter en grooter wonder, een Godsgenade van uiterste goedertierenheid, dat zulk een machtige en lelie-reine prinses ééns had gerust in zijn eenvoudig kamertje in het bosch, en zíj gesteund had op zijn arm, voor wie de edelsten uit het land deemoedig de knie bogen, om als hoogste gunst de toppen harer blanke vingeren te mogen beroeren. Hij voelde zich sterker en geruster, toen hij weer met Marcelio onder de hooge populieren van den Leliën-Boulevard afdaalde naar de stad. Het harde leven en het druk gewoel der menschen daar beneden zouden hem nu niet zoo angstig meer maken, nu hij wist dat hoog daarboven, veilig en onbesmet van alles, de prinses Leliane woonde, in haar witte paleis, waar niets haar rustige kalmte kon verstoren. En vlak bij haar, in dezelfde sfeer van stille waardigheid, wist hij nu wakende de Cathedraal, opgerezen als een mystieke bloem rankend van de aarde naar den Hemel, het heilige huis van God naast de blanke woning van het reinste Zijner kinderen, in wie Zijn schoonheid zich het heerlijkste had geöpenbaard.

HOOFDSTUK VIII.

Langzaam daalden zij den Boulevard weer af.

Maar beneden, in een drukke winkelstraat, kwam opeens iets afschuwelijks Paulus’ vredige vreugde over Leliane’s hooge veiligheid verstoren.

Hij liep in druk gesprek met zijn geleider, toen hij plotseling ontzet bleef stilstaan, met angstige oogen.

„Wat is er?” riep Marcelio. „Waar schrik je zoo van?”

„Dáár, dáár,” riep Paulus, en wees ontsteld naar een oude vrouw die voor hem stond, met een mand. Want in de mand lagen, dicht opeengehoopt, bloederig en jammerlijk, de lijkjes van lijsters, die zij te koop ventte, de lijkjes van zijn lieve zang-vriendjes uit het bosch. Ze waren gruwelijk om aan te zien, met de fijne pootjes ruw saamgebonden, met geloken, blinde oogjes, en de halsjes bebloed. Treurig hingen de doode kopjes uitgestrekt, verstard van pijn.

De tranen stonden Paulus in de oogen.

„Mijn lievelingen... mijn lievelingen,” zeide hij.

„Kom,” zeide Marcelio, een beetje ruw. „Je moet niet zoo week zijn, kereltje. Dat zijn doode lijsters, anders niets. Ga nu door... De menschen kijken...”

Werkelijk stonden een paar voorbijgangers stil. Een loopjongen riep wat, spottend.

Paulus zag harde, roode gezichten. Daar wás het weer ineens terug, het angstige, vijandige, van gisteren avond.

„Je moet je nu maar goed houden,” zeide Marcelio. „We zijn hier in de Wild-straat, en hier wonen veel poeliers. Nu asjeblieft niet wéék zijn... doorloopen hoor... geen gekheid...”

En Paulus liep door. Maar tóch zag hij het, en hij beet zich op de lippen om niet uit te barsten in snikken en wild wraakgeroep.

Want daar lagen ze—uitgestald als het goud, en de diamanten, en de kanten weefsels—de slappe, bleeke lijkjes van zijn lievelingen, vinkjes, bij lange rissen aan touw gebonden, lijsters, snippen, patrijzen, vermoord bij honderden, in wreede, laffe slachting. Overal lag bloed in gore, sombere vlekken, zooals het eerste bloed dat hij gezien had op de doode witte ree, bij Leliane.

En dit alles als heel gewoon. Alsof er niets gebeurd was, en dit zoo hoorde. De menschen op straat keken er niet naar. Het was voor hen als al die dingen, die achter winkelramen te koop lagen. Zij zagen niet den jammer in al die blinde oogjes, de pijn in dat uitgestrekte van hals en pooten, het teêre en lieve in die zachte, bebloede keeltjes, dié ééns vroolijk hadden gezongen zoo mooi lied.

En het was „week” had Marcelio gezegd, om dit droef te vinden.

Maar o! als die menschen dàt doen konden, als die menschen, die daar om hem heen liepen met strakke, onverschillige gezichten, dit zonder mededoogen konden aanzien, dan konden zij ook ál het teedere en lieve vermoorden, dat in hem zelf was.

En opeens, met een fellen steek in hem door, de gedachte:

„Maar God, die aller schepselen Vader is, maar God, zonder Wiens wil geen muschje sterft? Gedoogt Hij dit?...”

En vlak naast hem zag hij opeens het lijk van een zachte, lichtbruine ree, ruw opgehangen aan de achterpooten, het fijne, vertrouwelijke kopje klagelijk hangend naar beneden, de bleeke tong ver uitgerekt, waar bloed langs drupte. Op straat lag een kleine, ronde plas van dat afgedroppelde bloed. En het was hem, of hij nog pijn zag in de groote, angstig gebroken oogen.

Hij kón het niet langer uithouden, en bleef even ontzet staan, de oogen vol tranen.

„Arme lieveling,” zeide hij, en streelde medelijdend met zijn hand de zachte, verstijfde haren, en kuste den dooden bloederigen kop.

Maar Marcelio greep hem stijf bij de hand, en trok hem met zich mede.

„Ben je nu gek?” zeide hij. „Wat moeten de menschen denken? Kom, ga nu mee....”

En hij ging mede, gewillig, liep hard door, met groote stappen, om niet langer dat verschrikkelijke te zien van al zijn lieve, zachtaardige vriendjes uit het bosch, die daar jammerlijk waren uitgestald als koopwaar, lafhartig vermoord, als bloederige lijkjes, door niemand betreurd....

Toen, in een breede, rijke straat, nam Marcelio hem opeens mede in een groot, aanzienlijk huis.

Door een glazen deur, met prachtige figuren, in zachte kleuren geschilderd, kwamen zij in een roode zaal van weelde. Het zachte tapijt, waar de voeten onhoorbaar in wegdonsden, was donker-rood, en langs de groote ruiten hingen donker-roode gordijnen. Het plafond was van dezelfde kleur, met gouden arabesken, en goud praalde ook op de donker-gemarmerde pilaren. Hel-wit plekten de lakens van gedekte tafeltjes, waar kristal en zilver op blonk.

Een voornaam heer in ’t zwart, met glanzend wit overhemd, kwam op hun af, buigend, onderdanig, en noodigde hen vriendelijk uit, te gaan zitten. Zoo hartelijk als een vriend, die een ander iets goeds wil aandoen, dacht Paulus. En toch was er iets vreemds bij, iets kouds, dat hij niet kon thuis brengen.

„Dit is nu een restaurant,” zeide Marcelio, „en een goed ook. Zelfs als je bang bent om vleesch te eten, zoo als jij, is er hier nog heel wat lekkers te krijgen. En om je pleizier te doen zullen we nu eens als echte vegetariërs het menu opmaken.”

Er kwam nu weer een andere deftige heer aan, wien Marcelio opgaf, wat hij hebben wilde, en die toen weer eerbiedig boog, en heenging, om alles te halen.

Paulus verwonderde zich een beetje, en vond het zoo vreemd, dat de eene mensch maar commandeerde, en er dan anderen klaarstonden om voor hem te zorgen. Maar hij durfde nog niet dadelijk alles te vragen, bang dat het weer „week” zou worden gevonden.

Er zaten nog méér menschen aan zulke mooie tafeltjes, als waar hij nu aan zat. En telkens kwamen van die zwart gerokte heeren hen bedienen, eerbiedig en voorkomend. Wat vreemd, dat er zoo waren, die maar behoefden te gaan zitten, om van de anderen alles te krijgen!

Marcelio zag zijne verwondering, en lachte.

„Dat zijn nu kellners,” zeide hij, „die luitjes in die mooie rokken. Kijk ze maar eens goed aan, het zijn hier goede typen.... de voorkomendheid zelve, als je gewoon bent ze een goede fooi te geven....”

Nú herinnerde Paulus zich iets. O ja... kellners en restaurants... in die en die boeken er immers van gelezen....

Maar toch bleef het begrip nog vaag, nu hij er zoo ineens in de werkelijkheid voor stond.

Hij vond het erg voornaam, zoo’n zaal. Al dat rood en dat goud. En dat alleen om even te eten! Deden de menschen dat altijd in zoo’n praal?

De gerechten werden nu voor hem aangedragen, plechtig, met groote zorg, of het heilige dingen waren.

Hoe gracieus bood zoo’n kellner-heer een schotel aan, bijna of hij het zelf een groot pleizier vond, hun zoo iets te mogen geven!

En hoe geurig waren al die spijzen, hoe prachtig opgedischt, met groen en bloemen! Hij durfde er bijna niet van te nemen, bang om de mooie harmonie van den schotel te bederven.

„Neem maar gerust!” zeide Marcelio bemoedigend. „Er is niets van vleesch of wild bij, hoor!”

Paulus had honger, en liet zich alles goed smaken, de fijne eierschotels, de crême-zachte asperges, de malsche salade. Zóó heerlijk had hij nog nooit gegeten. En met blijdschap zag hij aan het dessert de sappige, lekkere vruchten komen, perziken, en peren, en druiven.

Hij liet zich ook door Marcelio een zoeten wijn inschenken. Enkel van druiven, werd hem gezegd, dat kon toch heusch geen kwaad. En hij genoot van den streelenden, vleienden smaak van de goudgele Haut-Sauternes op zijn tong, dronk nog eens en nog eens.

Zijn angst van zooeven dreef er onmerkbaar door weg, en een lichte, ongekende vreugde voelde hij er van in hem opstijgen. Een gevoel van voldaanheid, van zacht bien-être, kwam over hem heen.

Deze mooie, kleurenrijke zaal, die witte, heldere tafeltjes met bloemen en kristal, die vroolijk pratende menschen om hem heen, die wèlbekende, heerlijke vruchten met den ouden, vertrouwden geur, het was toch wèl aangenaam zoo te eten, en dan die lichte vreugde in je hoofd te voelen... Het was misschien niet zoo verschrikkelijk in de stad...

Maar toch was hij een beetje moe. Hij zou nu eigenlijk wel wat willen liggen, heel rustig en niet praten. En hij zeide het ook maar aan Marcelio, dat hij nu wel weer wat naar huis wilde.

Marcelio riep den kellner en vroeg om de rekening, die op een lang blad glanzend papier werd gebracht. Paulus zag, hoe hij groote geldstukken uit zijn portemonnaie nam. De kellner bedankte, en boog weer diep. Een andere kellner bracht hun hoeden en jassen, en geleidde hen naar de deur, die hij buigend opende.

Marcelio riep een koetsier, die met een leeg open rijtuig voorbijging, en hen naar de Koninginnestraat reed.

Weer dacht Paulus even, hoe vreemd het was dat alles dadelijk voor Marcelio klaarstond, die maar had te commandeeren, om door andere menschen bediend te worden, die alles voor hem deden. Maar daar zou hij later liever eens over vragen.

Toen hij weer op zijn kamer was voelde hij pas hoe moê hij was van al dat nieuwe, in de drukte van de stad. En Marcelio begreep dat ook.

„Je blijft nu maar wat kalm hier op een canapé liggen,” zeide hij. „Als je je verveelt, in deze kast zijn boeken hoor, en je neemt er maar uit, wat je áánstaat. Ik ga weer uit, ook nog naar ’t paleis even. Om zes uur kom ik je weer halen en zal ik je nog meer van Leliënstad laten zien. Nu eerst maar eens wat goed uitrusten.”

En Paulus was weer alleen.

Zijn hoofd duizelde nog wat. Het gedruisch van de stad en het ratelen van de wagens dreunde nog vaag om zijn ooren. Hier in de stilte van de kamer was het nóg niet weg. Hij leunde met het hoofd op het kussen van de canapé en hield de handen tegen zijn ooren, om niet meer te hooren dat suizende leven.

Toen sliep hij in, en alles zonk weg in rustige stilte....

Toen hij wakker werd, was het bijna vijf uur. Hij voelde zich weer geheel frisch, toen hij zich flink gewasschen had, en schoon linnen had aangedaan. Nog een heel uur, dan zou Marcelio pas komen. Als hij zoolang eens wat ging lezen?

Kijk, daar stonden juist zijn lievelingsverzen op de eerste plank van de boekenkast: Wederich, Gedichten. Hoe dikwijls had hij ze in het Bosch niet gelezen, op zijn lievelingsplekje bij de witte waterlelies!

Hij kende ze al zoolang, maar nooit had hij ze zoo innig gevoeld als nu, nu hij het groote stadsleven had gezien. Want zij vertelden van Wederich’s eenzaam leven te midden van die honderdduizenden, die hem vreemd waren, van zijn trotsche, bittere armoede in de weelde-stad, waarin hij zich toch rijker voelde dan allen door de groote, mooie liefde, die bloeide in zijn hart, en die hij met zich meedroeg als een heiligen, kostbaren schat, dien niemand zien mocht. Het waren verzen van stille gepeinzen in afgelegen parken, van vroom doorgeleden uren onder Liefste’s venster, van trotsche verachting voor ’s werelds roem en faam, van sober, arm, onbekend leven nú, in de heerlijke zekerheid van ééns onsterfelijk te zijn.

Hij had ze altijd prachtig gevonden van trots en grooten eenvoud, maar nu hij zelf de donkere drommen van koude menschen om zich gezien had, besefte hij pas, wat Wederich bedoeld had met het stille ronddragen van zijn kostbaren ziele-schat te midden der duistere duizenden.

O! Dat die groote dichter leefde in diezelfde stad waarin hij nu ook woonde, dat hij misschien kans had, hem ééns te zien, van aangezicht tot aangezicht, wat was dat opeens een heerlijk denkbeeld voor hem! Hij zou hem natuurlijk van-zelf herkennen, zonder dat iémand het hem zeide. Dadelijk zou hij het zien, aan zijn donkere Christus-oogen, aan zijn hoog, bleek voorhoofd, verheerlijkt door zooveel heilige gedachten!

En als hij hem ééns kennen mocht, dan zou hij hem geven het liefste, dat in zijn ziel was, en hem vertellen van het bosch, en de vogels, en de bloemen, en van de rustige schoonheid van de witte water-lelies, en van de rustige schoonheid van Leliane....

Marcelio’s binnenkomen schrikte hem wakker uit zijn gepeins over den geliefden dichter.

Hij was in het paleis geweest, bij de prinses, die genadiglijk naar Paulus gevraagd had. En hij moest Paulus vertellen, hoe zij er had uitgezien, en hoe het toch wel was in haar koninklijke vertrekken, en ieder woord, dat zij gezegd had.

„Maar nu neem ik je weer mee uit,” zeide Marcelio. „De eerste dagen zal ik je zoo’n beetje den weg wijzen, en dán moet je zelf maar je heil zoeken. Je zult het leven hier gauw genoeg kennen. Dat wént wel. Dan begrijp je niet, hoe je ooit buiten Leliënstad hebt kunnen leven.”

En weêr gingen zij de drukke Koninginnestraat door, waar de lantarens al werden ontstoken, en de weelderige winkels al schitterden van licht. Rijtuigen ratelden, omnibussen rolden voorbij, en angstig klonk het getoet van automobielen. Op de trottoirs schuifelden honderden menschen, zenuwachtig-bewegelijk, roezemoezend. Jongens met couranten schreeuwden nieuws uit, doordringend, hoog van toon, als kreten van angst. En een oogenblik beving het Paulus weer met schrik, en voelde hij lust om terug te gaan naar zijn kamer, om stil in Wederich’s verzen te lezen.

„Het is of al die menschen bang voor iets zijn, of heel gejaagd naar iets vreeselijks moeten,” zeide hij tegen zijn geleider. „Ik zie nog altijd zoo iets angstigs in een straat. Net of er iets ergs moet gebeuren.”

Marcelio lachte even.

„Maar dat is juist het mooie van Leliënstad, mijn beste kerel! Dat nerveuze, dat heerlijk gejaagde! Nu komt de avond, weet je, en den nacht. Dan beginnen de echte lui hier pas te leven, en worden de zenuwen pas geprikkeld. Overdag is het hier je ware nog niet, dat is eigenlijk maar zoo’n soort voorspel, maar ’s nachts is het leven hier op zijn hevigst. Je moet eerst nog een beetje wennen. Dan zal ik je later eens het groote nachtleven laten zien. En de Leliënstadsche vrouwen vooral, de mooiste, de elegantste, de geestigste van de wereld....”

Paulus begreep nog niet, wat Marcelio hier eigenlijk mede bedoelde. Door zijn eenzaam leven in het bosch, en door zijn lezen van verzen en romans, buiten het realiteits-leven om, had hij van vrouwen nog het vage, romantische idee, dat zij iets veel beters waren dan mannen, iets bijna heiligs, zooals bijvoorbeeld engelen of feeën.

Hij zag heel goed de vrouwen, die hem voorbijgingen op de straat, en hij zag haar zooals hij altijd bloemen had gezien, met blijdschap over haar mooie kleuren en lijnen. Er liepen rijk-gekleede vrouwen in de Koninginnestraat, die gracieus den rok ophielden voor het stof van ’t trottoir, en wiegend gingen, alsof een zachte muziek binnen in haar ziel haar begeleidde. Bewonderend keek Paulus ze aan. Somtijds lachte een vrouw hem lief toe, en dat vond hij dan erg vriendelijk.—Hij zag ook, hoe andere heeren die mooie vrouwen nakeken, bewonderend. Zonder erg zeide hij het aan zijn leidsman, hoe mooi hij een vrouw vond, die voorbijging, en dan lachte Marcelio schalks geheimzinnig.

Na wat rond-geflaneer, met nu en dan wat kijken voor mooie winkels, nam Marcelio hem mede naar een Boulevard, waar veel restaurants en café’s waren. En nu gebeurde weer hetzelfde als dien middag. Een groote zaal, nú lichtgroen, met veel goud en marmer, en de wit-gedekte tafeltjes, en de kellners in rok en witte das. Alleen at Marcelio nu vleesch, groote, roode stukken, die hij fijn sneed, met een scherp mes. Paulus vond dat het wee en akelig rook, en het idee dat het stukjes lijk waren van een koe vond hij verschrikkelijk. Hij had moeite, zelf zijn eigen vegetarische spijzen op te eten, met dat vleesch van een vermoord dier onder zijn oogen. Maar hij hield zich goed, om toch vooral niet week te schijnen. En alle andere menschen in het volle restaurant deden als Marcelio, en aten vleesch van doode runderen, en schapen, en vogels. Het scheen iets heel natuurlijks te zijn hier in de stad, dat nu eenmaal zoo hoorde, en zonder de verschrikking was, die hij er in vond.

Na het diner, dat bijna een uur duurde, kwam de koffie, fijne Mocca-essence, in heel kleine kopjes, geserveerd in broos servies, op zilveren schaal, met groote zorg, of het heilige dingen betrof. En Paulus verwonderde zich weer over het gewicht, dat hier in de stad aan het eten werd gehecht, en aan die plechtigheid er bij, of het een godsdienstige ceremonie gold. Het scheen heel natuurlijk te zijn, dat al die mooi gekleede heeren en dames daar in die weelde-zaal kwamen zitten, en dat dan vanzelf al die heerlijke gerechten voor hen klaar stonden, en met praal voor hen werden opgediend. Maar het was hem toch niet recht duidelijk, hoe het allemaal precies in elkaar zat, en waarom de een bediend moest worden en de ander hem bedienen moest. Het was toch wel erg gemakkelijk, vond hij, dat leven van Marcelio.

Na het diner liepen zij weer over groote Boulevards, waar hij nog nooit geweest was, en waar het zoo vol was, dat zij maar langzaam voort konden gaan. In het midden de rij-weg met lange files rijtuigen achter elkaar, aan weerszijden de trottoirs met wandelaars, die langs hel verlichte winkels liepen. Veel van die winkels waren café’s, waar menschen aan tafeltjes zaten te drinken. Hij begon nu langzamerhand te gewennen aan het lawaai en de herrie, maar toch bleef hij alles heel vreemd vinden. Waarom waren al die duizenden saamgehokt in die groote stad, tusschen die hooge, steenen huizen, die toch doode dingen waren? Buiten was het toch veel mooier, met de boomen, en de luchten, en de horizonnen...

Somtijds kwam hem een meisje voorbij die bloemen te koop had. Verlepte, half-doode viooltjes, ruw in een mand gepakt. En het deed hem pijn, als de arme vogelen-lijkjes, die hij ’s middags gezien had, die teere, lieve bloempjes van buiten, hier rondgedragen in de benauwing, waar ze in moesten sterven. Zag dan niemand hoe wreed dit was?

Zóó liep hij met Marcelio rond, die hem de groote Boulevards wilde toonen, met het avond-leven, dat lawaaiend op en neer ging, en die nu en dan even in een groote café met hem ging zitten, om hem te gewennen aan de drukte.

Tegen tien uur ging hij een groot gebouw met hem binnen, waar in helle, roode gas-letters vlammend het opschrift: „Théâtre des Variétés” boven de deur prijkte.

„Nu moet ik je toch eens even een groot Café-Chantant laten zien,” zeide Marcelio. „Het ballet van Rosita zal nu wel zoowat beginnen.”

En het was als een apothéoze voor zijn jonge, onervaren oogen.

Eerst een groote Hall, in moorschen stijl, schitterend van goud en zilver, en arabesken, en mozaiek. Zijne voeten gingen zachter dan in gras, op donzig, oostersch tapijt, en zijne oogen pinkten heftig voor het helle verblindende licht overal, eer zij er aan wenden. Deftige heeren liepen er heen en weer, en dames in prachtige, rijk-ruischende robes van zijde en kant, met lange slepen, statig glijdend achter haar aan. Haar blanke borsten en armen deden hem aan als dingen van mooi, die hem verrukten. Haar oogen glinsterden als sterren, en zij lachten lief in het rond. Dat waren erg mooie, lieve vrouwen, vond Paulus. De menschen waren toch niet zoo leelijk als hij gevreesd had. Zij deden lief en vriendelijk tegen elkaar.

Een vage geur van bloemen droomde nu en dan langs hem heen, waar eene vrouw voorbijging.

Marcelio lachte somtijds tegen een mooi gekleede vrouw, die hij scheen te kennen. Zeker eene goede vriendin, dacht Paulus.

Door een zwaar fluweelen gordijn kwamen zij nu in de groote theaterzaal van het Variété.—De eerste indruk was teêr licht-groen en goud. Goud van zware lichtkronen en ornamenten, licht-groen van boiserieën en lambrizeering. Ook het zachte tapijt op den grond was licht-groen.

Het plafond, hoog boven hem, leek wel een teer-groene Hemel met vreemde sterren. Honderden lichtjes van allerlei kleuren, blauwe, roode, paarsche, gele, schenen in zachte bloem-kelken, die uit dien lichten hemel neerbloeiden.

Hier en daar, achter in de zaal, waren kleine grotten met palmen, en met murmelende water-fonteintjes, en groene priëeltjes van latwerk en klimop, waar heeren en dames vriendelijk lachend met elkaar zaten te praten en te drinken.

Marcelio leidde Paulus mede naar voren, waar de menschen in breede rijen groen-met-gouden fauteuils aandachtig zaten te kijken naar wat heel vooraan zou gebeuren, waar een zwaar, breed groenfluweelen gordijn nog dicht hing.

Het orchest begon juist een langzame, slepende wals, en een vreemde siddering ging er van door Paulus’ ziel.

Zwijgend van aandoening ging hij naast Marcelio in een fauteuil zitten. Hij keek rechts en links, een beetje bang voor al die menschen.—Aan beide zijden zag hij nu groene loges, intiem als kamertjes, met deuren. Daar zaten rijk gekleede menschen in, vrouwen met roze-en-blanke bloemengezichten, met fijn, glanzend haar, waar diamanten in schitterden, als zon-befonkelde dauwdroppelen. Het zachte blank van haar halzen en armen was inniger dan van witte lelies, en haar oogen glansden licht als sterren. Zij lachten hartelijk en lief, en hij voelde een ongekende vreugde, dat al die menschen zoo blij waren en zoo vriendelijk. Neen, zij waren toch zoo leelijk en zoo slecht niet, als hij wel gevreesd had. Alles om hem heen was welwillend en meende het goed.

En dan die vreemde, slapende wals-muziek, die zijn ziel deed beven! Zij was om zacht van te huilen, en toch heel gelukkig om te zijn. Het was hem of er iets in hem ging bewegen wat altijd roerloos was geweest, en nu ineens zacht, zacht te wiegen begon.

Daar ging ineens de zware draperie geruischloos uit elkaar, door onzichtbare handen bewogen, en hij zag een wonderen bloemen-tuin op het tooneel, een feeërie, alsof hij opeens een nieuwe, nooit gevonden plek had ontdekt in het Bosch.

Langzaam begon nu de muziek een vreemden, betooverenden dans, en het was of die tokkelende tonen geheime sferen opentikten in zijn ziel, waar zalige ontroeringen aanbewogen.

Toen... waren het bloemen?... waren het blank-en-roze vlinders?... zweefden, in wolkjes van witte tulle en gaas, zachtekens broze, fee-achtige wezentjes door den tuin. Hun lichte, slanke lijven wiegelden en balanceerden als roze lelies in lichte winden, en zonder zwaarte droomden zij langzaam, op vage rythmen vooruit, éven maar den grond beroerend, met de punten der spitse voeten.

Als bovenaardsche wezens, uit manestralen en lichte veder-wolkjes geboren, zag Paulus ze naderen, materieloos, zooals de elfen en feeën moesten zijn. Een huivering van eerbied ging door zijn ziel, als toen hij voor het eerst Leliane had gezien, slapende in de zilveren mane-stralen. Er was iets van Leliane zelve in die wondere, lichte wezens van gratie en droom.

Ademloos, zooals hij wel eens stil naar vreemde vogels en onbekende vlinders had gezien, bang ze te verschrikken, zag hij de luchte feeën in hun wuivende wolkjes van tulle heen-en-weder zweven, nu hier en dan daar tusschen de bloemen, hun vlugge voeten maar even rakend den grond, als zouden zij straks ópvliegen, verdwijnend in ijle sferen.

Totdat zij opeens stil bleven staan, de handen gracieus wenkend naar boven uitgestrekt, wachtend op iets heerlijks, iets goddelijks, dat komen ging.

En als een roze vogel, zacht-neerstrijkend tusschen niets dan witte, zweefde opeens Rosita aan, neêrdalend uit de lucht, op groote, trillende vleugels van transparant gaas.

Dit moest een engel zijn, dacht Paulus.