Legenden en Romances van Spanje
Chapter 26
Torquemada vertelt ons een griezelig verhaal van een zekeren Antonio Costilla, een Spaansch edelman, die op zekeren dag voor familiezaken op reis ging. Toen hij verscheidene mijlen had afgelegd, daalde de nacht plotseling, en hij besloot weer naar huis terug te keeren. Maar tot zijn grooten spijt kon hij door de duisternis niets onderscheiden, en daar hij voor zich uit een licht zag branden, stuurde hij zijn paard in die richting. Hij zag, dat het licht uit een kluizenaarshut kwam, en nadat hij was afgestegen, trad hij de kleine kapel binnen, en begon hij te bidden. Toen zijne oogen gewend waren geraakt aan de duisternis, bemerkte hij, dat hij niet alleen was, want er bevonden zich in de kapel drie personen, die op den grond lagen, in zwarte mantels gehuld. Zij spraken geen woord tot hem, maar staarden hem met woeste, sombere oogen aan. Door een onverklaarbaren angst gedreven, sprong hij in het zadel, en reed weg. Na korten tijd kwam de maan te voorschijn, en bij het licht daarvan herkende hij de drie mannen, die hij nog in de kapel waande, maar die op zwarte paarden een eindje voor hem uit reden.
Om een ontmoeting met hen te vermijden, sloeg hij een zijweg in, maar tot zijn ontsteltenis zag hij hen weder eenige passen voor zich uit. In razende vaart, en steeds voorafgegaan door de mannen, die hij wilde ontloopen, kwam hij bij zijn eigen huis, waar hij van zijn paard sprong, en het naar de binnenplaats bracht.... waar hij alweder de drie mannen in hunne zwarte mantels vond. Hij rende naar binnen en liep naar de kamer zijner vrouw, luidkeels om hulp roepende. Dadelijk kwam het geheele gezin aangeloopen, maar ofschoon hij steeds schreeuwde, dat de drie duivels of spoken naast het rustbed stonden, waarop hij was neergevallen, kon niemand anders hen zien. Eenige dagen later stierf de rampzalige Costilla, die tot het laatst toe volhield, dat drie gestalten hem met vurige oogen aanstaarden en hem met vreeselijke gebaren bedreigden!
Het is jammer, dat onze kennis van het bovennatuurlijke, dat zich in Spanje zoo veelvuldig geopenbaard heeft, zoo onvolledig is. Maar de vrees voor het lot, dat den toovenaar wachtte, leefde sterk in het volk, en de angst voor de pijnbank en den brandstapel heeft er veel toe bijgedragen, om de heks, den toovenaar, de fee en het spook uit Spanje te verbannen.
HOOFDSTUK XIII: HUMORISTISCHE SPAANSCHE ROMANCES.
Cervantes' »Don Quixote«.
Cervantes was een van de grootste satiristen, die de wereld heeft voortgebracht, een man, die begaafd was met een fijn en merkwaardig gevoel voor het belachelijke. Hijzelf zou de eerste geweest zijn, die gelachen zou hebben om die moderne critici, die in hem een groot dichter zagen, en inderdaad heeft hij op het eind van zijn leven, toen hij zijn voornaamste werk, het humoristische heldengedicht De reis naar den Parnassus, schreef, verklaard, dat hij de gave der dichtkunst miste. Dat hij een merkwaardige fantasie had is wel duidelijk voor iedereen, die de moeite neemt zijn Galatea te lezen, en Don Quixote vloeit over van zeldzame vondsten en schitterenden geest, ofschoon latere bladzijden van deze satire wel sterk herinneren aan sommige stukken uit het eerste gedeelte.
Ik persoonlijk heb Don Quixote altijd een van de boeiendste en merkwaardigste boeken gevonden, die ooit geschreven zijn; maar waarschijnlijk om geheel andere redenen dan die het meerendeel van het publiek voor zijn voorliefde voor dit werk heeft. Want voor mij ligt de groote bekoring van het verhaal in het inzicht, dat het ons geeft in de romantische literatuur en in de gewoonten van dien tijd. Wanneer de spot gewettigd is, vermaakt hij mij kostelijk, maar dikwijls voel ik er een onwaardigen beeldenstorm in, en heb ik den indruk, dat zijn scherpe kritiek niet slechts gericht is op de overdreven en belachelijke uitingen der ridderlijkheid, maar tegen den geheelen geest en het karakter van de romance. Cervantes zou er wèl bij gevaren zijn, wanneer hij zich uitsluitend gehouden had aan de satire; want wanneer hij zich aan dat gedeelte der literatuur waagt, dat hij met voorliefde belachelijk maakt, wordt hij dikwijls sentimenteeler dan de zoetsappigste schrijvers, tegen wie hij te velde pleegt te trekken. Zijne herders en herderinnen en zijne weggeloopen nonnetjes, zijn lang van stof en ingebeeld, en hij was sterk beïnvloed door het vervelende Arcadische tijdperk in de Europeesche letterkunde, dat zijn hoogtepunt bereikte in het herdersverhaal met zijn onnatuurlijkheid en zijn atmosfeer van nagebootsten landelijken eenvoud. Sannazaro was met zijn Arcadia inderdaad het voorbeeld geweest, dat Cervantes langen tijd volgde, totdat zijn eigen gezond verstand hem de minderwaardigheid liet zien van de modellen, die hij nabootste.
De schrijver van de Pastor de Filida Luiz Galvez de Montalva, was zijn intieme vriend, en het staat vast, dat deze een scherpe kritiek leverde op minderwaardige rijmelaars, zooals Hebrao en Alonso Perez. Het werk van hen, die deze school van pseudo-Arcadianisme vormden, had niets van de bekoorlijkheid der schilderijtjes van Watteau of Fragonard, hoe onnatuurlijk hunne herders en herderinnetjes in zijden en satijnen kleederen ook mochten zijn. Het landschap van de Spaansche pastorale had coulissen van bordpapier, en kunstmatige bliksemstralen schoten over het tooneel. Het was bevolkt met onuitstaanbaar saaie wezens, die inplaats van het werk te doen, waarvoor zij betaald werden, elkander, en den rampzaligen reiziger, die het ongeluk had hen te ontmoeten, gruwelijk verveelden met hun verliefd gejammer en eindelooze verhalen over hun liefdessmart. Het was dan ook niet te verwonderen, dat het aangeboren gezond verstand van Cervantes later in opstand kwam tegen dezen onwaardigen en onmannelijken onzin. Maar toch is het merkwaardig, dat hij, ondanks zijn scherpe kritiek van de ridderromance, een zwak bleef behouden voor de dwaasheden van Arcadië, waarvan hij zich nooit geheel heeft kunnen losmaken.
De omstandigheden des levens waren stellig van grooten invloed op de denkbeelden van Cervantes. In zijn kwaliteit van ontvanger der belastingen kwam hij dikwijls in aanraking met den schaduwkant van het leven, en hij bracht een groot gedeelte van zijn tijd door in de ongedwongen atmosfeer der herbergen, waar hij verblijf moest houden om een hem toegewezen district te bewerken. Onder deze omstandigheden en op deze plaatsen ontmoette hij mannen en vrouwen van vleesch en bloed, en maakte hij kennis met de harde werkelijkheid. Zulk een ondervinding is ongetwijfeld van groot nut voor iemand met een romantischen en fantastischen aard en dichtersgaven. De omstandigheden temperen zijn natuurlijken aanleg en verruimen zijn blik.
Bij zijn eerste ambtelijke reizen zal Cervantes stellig zijne reisgenooten in de posadas, waar hij zijne tenten had opgeslagen, hebben onthaald op hoogdravende verhalen van dolende herders en rondtrekkende herderinnen. Wij kunnen ons gemakkelijk een voorstelling maken van de wijze, waarop deze zoetsappige verhalen ontvangen werden door den ruwen ezeldrijver, den eenvoudigen soldaat en den marskramer. De kritiek van zulke menschen is niet slechts ruw, zij is vernietigend. Is het een wonder, dat het gelach, waarmede zijne eerste geestesproducten ontvangen werden door dit publiek, de fantastische spinnewebben van de hersenen van Cervantes wegvaagde?
Ik heb er reeds op gewezen, dat in den tijd, waarin hij leefde, de eigenlijke romance niet meer in de gunst van het volk stond. Dit was gedeeltelijk het gevolg van de veranderde verhoudingen, en gedeeltelijk van de opkomst van het Spaansche drama, dat van grooten invloed was geweest op den smaak en het letterkundig ideaal van de bevolking. Zou het niet mogelijk kunnen zijn, dat Cervantes, toen hij zag, dat zijne toehoorders zijne verhalen van het Arcadische type niet bewonderden, dit toeschreef aan de omstandigheid, dat deze eigenlijk thuis hoorden bij de hoogere standen, en dat hij zich toen bepaalde tot de romance, waarbij hij de droevige ondervinding opdeed, dat deze eveneens met hoongelach begroet werd door de herbergbezoekers? Ligt het niet voor de hand, dat te midden van de spotternijen zijner toehoorders, die zoo in alles verschilden van de romantische personen, van wie hij gedroomd had, het denkbeeld van Don Quixote bij hem geboren werd, en dat hij, onder het gelach der boerenkinkels en ruwe werklieden leerde begrijpen, dat een caricatuur van de ridderschap meer in den smaak zou vallen bij dit publiek? Mij lijkt dit tenminste zeer waarschijnlijk toe.
Gedurende vele jaren had men groote minachting getoond voor de onnatuurlijke ridderromance. Ernstige en degelijke schrijvers waren ertegen te velde getrokken, en het staat vast, dat zij voor een gedeelte van het Spaansche volk een beletsel vormde voor een gezonde, geestelijke ontwikkeling. Zij had inderdaad verwarring gesticht in de hoofden van dat gedeelte der bevolking, dat niet gewoon was voor zichzelf te denken, en dat niet in staat was te oordeelen over de fouten van een gedicht. In alle landen en in alle tijden wordt deze groep van menschen aangetroffen, die bijzonder gemakkelijk te beïnvloeden zijn en in bewondering komen voor de prulligste sensatieverhalen. Het is geen overdrijving, wanneer wij zeggen, dat in deze uiting van een ongezonde literatuur, een groot gevaar schuilt voor de geestesgesteldheid van een volk. Zij leidt de menschen af van hunne plichten, maakt hen ongeschikt voor ernstig werk, maakt hen veeleischend inplaats van onafhankelijk, en brengt hen er toe te gelooven, dat zij dezelfde deugden en gebreken hebben als de onnatuurlijke helden en heldinnen uit hunne dierbaarste verhalen. Het eenige wapen, dat het meer verstandige gedeelte der menschheid kan gebruiken tegen zulk een verderfelijken toestand, is gezonde spot. Maar het gevaar bestaat, dat bij het in opstand komen van de gevoelens van het publiek tegen deze letterkundige buitensporigheden, niet alleen de onzin verdwijnen zal, waardoor de onnadenkenden op een dwaalspoor gebracht, en de verstandigen geërgerd werden, maar dat de deugden en bekoorlijkheden, waarvan die dwaasheden de weerspiegeling zijn, niet bewaard zullen blijven, maar tegelijkertijd zullen worden vernietigd. Dit was tenminste het lot, dat de grootere romances ondergingen, deze paarlen van menschelijke verbeelding, die ondanks de reddingspogingen van iemand als Cervantes, bedolven werden bij den ondergang der fantasie, van welke plant zij de bloesem waren; totdat de smaak en het beter inzicht van een lateren tijd haar weder opgroeven uit de zware aardlaag, waaronder zij begraven lagen.
DE FIGUUR VAN DON QUIXOTE.
Don Quixote, de held van de machtige satire, die den doodsteek gaf aan den ridderstand, is eigenlijk het type van den romancelezer uit den tijd van Cervantes. Dwaas en overdreven tot aan den grens van krankzinnigheid, is hij volkomen blind voor de gebruiken van het dagelijksch leven. Hij leeft in een eigen wereld, en heeft niets gemeen met die van zijn tijd, waaraan hij zich niet kan aanpassen. In dezen ridder van La Mancha worden de ondeugden, die de fantasie aankleven, belichaamd, zonder dat hare deugden, die van zulk een groot nut zouden kunnen zijn voor de gemeenschap, er in worden voorgesteld. Don Quixote leeft in een wereld van fantasie, die bewoond wordt door de schimmen, die hij ontmoet heeft in de boeken, waarvan zijn bibliotheek zoo rijk voorzien was. Zijn verbeelding is dus niet eens scheppend; door zijn verheerlijking van zijne afgoden, heeft het publiek weinig vertrouwen in hem, en hij wordt door zijne buren beschouwd als een beminnelijke dwaas, die niemand kwaad doet. Maar wanneer de droomer tot daden ontwaakt, kan hij zeer gevaarlijk worden, wanneer zijne visioenen hem op dwaalwegen leiden, of wanneer hij tracht een droom tot werkelijkheid te maken. Dit was het geval met Don Quixote. Hij was eigenlijk niet gek genoeg om opgesloten te worden, maar wel om een last voor zijn omgeving te zijn, al was hij dan ook niet gevaarlijk. Hij is het type van den romance-held, die door overdrijving van allerlei eigenschappen, tot abnormale uitingen komt, zooals een kleine jongen tot stelen komt door het lezen van detective verhalen, of een winkeljuffrouw zich gaat verbeelden, dat zij de lang verloren dochter is van een geheimzinnigen graaf.
Het is een gewoon verschijnsel bij dezen vorm van krankzinnigheid, dat de lijder gezelschap zoekt. Hij heeft voor de uitingen van zijn ijdelheid een publiek noodig; hij heeft behoefte, zijne plannen en denkbeelden mede te deelen aan iemand, die met aandacht naar hem luistert. In Sancho Panza vindt Don Quixote een eigenaardigen vertrouweling. De onnoozele boer is absoluut niet in staat de denkbeelden van zijn meester te begrijpen, maar hij wordt overdonderd door het geschetter, de welbespraaktheid, en de grootsche beloften van een prachtige betrekking en rijkdom, die de ridder met zijne wonderlijke fantasieën hem doet. Sancho's twistzieke vrouw verzet zich hevig tegen zijn in dienst treden bij den dweepzieken Don; maar wanneer een droomer en een domkop zich vereenigen, heeft het gezond verstand niets in te brengen, en moet het rustig wachten, totdat windmolens zijn bevochten, en er harde slagen ontvangen zijn.
Maar al begint Sancho zijn reis als een onnoozele hals, hij blijft volstrekt niet altijd een domkop. Hij trekt voordeel uit zijne ondervindingen, en bij elke bladzijde zien wij hem flinker en gevatter worden en toenemen in gezond verstand. Hoe dwazer zijn meester wordt, des te wijzer wordt Sancho, totdat hij tenslotte de gids en raadgever wordt van den ridder van de Droevige Figuur. Naarmate wij in het verhaal vorderen, beginnen wij te bemerken, dat de boeren-schildknaap de rol vervult van een soort van koor, dat de buitensporigheden van den meester aan de kaak stelt en hekelt. Maar ook afgescheiden van Don Quixote, is Sancho Panza een boeiende en interessante figuur, met een eigen filosofie, rijk aan wereldsche wijsheid, en overvloeiend van praktische kennis. Wat zijn humor betreft, gelijkt hij op Falstaff, met dat verschil, dat deze typisch Engelsch is, terwijl de humor van Sancho Panza universeel is. Deze komische boer met de wereldbeschouwing van een wijsgeer, en de onbewuste luimigheid van een Handy Andy, zou in alle landen kunnen voorkomen.
HET AVONTUUR IN DE HERBERG.
De ware aard van Don Quixote komt misschien het best uit in dat hoofdstuk, waarin verteld wordt, wat hem overkwam in de herberg, die hij voor een kasteel aanzag. Het schijnt een doodgewone Spaansche posada te zijn geweest. De waard en waardin waren vriendelijke menschen, die door den ridder verheven werden tot slotheer en slotvrouwe, en in de slordige dienstmaagd, die onsterfelijk is geworden onder den naam van Maritornes, zag hij een dame van hoogen rang, die bij hem woonde. Na het gruwelijke pak ransel, dat hij van de Yangueesche paardenkoopers had gekregen, was de ongelukkige ridder dankbaar, zijne pijnlijke ledematen te kunnen uitstrekken in een armelijke zolderkamer, terwijl Sancho de herbergbezoekers een beschrijving gaf van het leven van een dolenden ridder en de wisselvalligheden van zijn bestaan, dat hem den éénen dag dwong tot het ondergaan van een ellende, zooals de Don nu doormaakte, en hem een volgenden dag verhief tot heerscher over vele keizerrijken. Deze uitleggingen werden bijgewoond door den Ridder van de Droevige Figuur in eigen persoon, die vanuit zijn bed de waardin en haar dienstmaagd onthaalde op een toespraak in zulke verheven bewoordingen, dat zij in de grootste bewondering voor zulk een welsprekendheid, hem beschouwden als iemand uit een hoogere wereld. Maar Don Quixote, die ernaar verlangde, van zijne verwondingen te genezen, droeg zijn knecht op, den »heer van het kasteel« te verzoeken, hem eenige bestanddeelen van een tooverdrank te verschaffen, waarvan hij in een of ander ridderboek gelezen had; en Don Quixote begaf zich aan het werk, om het toovermiddel te brouwen, terwijl hij vele credo's en paternosters opzegde. Daarna dronk hij een flinke hoeveelheid van het afschuwelijke vocht, hetgeen treurige gevolgen had, en Sancho, die zijn voorbeeld volgde, ondervond dezelfde narigheid in nog heviger mate, en kreeg van zijn meester te hooren, dat het middel hem niet goed bekomen was, omdat hij niet tot ridder geslagen was.
Nadat hij zijn paard gezadeld had, wilde de ridder zijn reis vervolgen; maar voordat hij wegreed, verzekerde hij den »heer Gouverneur van het Kasteel«, hoe buitengewoon erkentelijk hij hem was voor de eerbetuigingen, die hij onder zijn dak ontvangen had. De herbergier waagde de opmerking, dat hij zijn rekening nog betalen moest, maar Don Quixote antwoordde, dat hij dat onmogelijk kon doen, daar hij nooit gelezen had, dat het de gewoonte van dolende ridders was, voor kost en inwoning te betalen. De waard protesteerde hevig, waarop de ridder Rozinante de sporen gaf, en de poort uitreed. Toen trachtte de waard zijn geld los te krijgen van Sancho Panza, maar zonder succes, daar de schildknaap met dezelfde beweringen aankwam als zijn meester, waarop eenige gasten hem beetpakten en hem in een beddelaken jonasten. Toen Don Quixote hem hoorde schreeuwen, keerde hij terug, maar ofschoon hij hevig opspeelde, gingen de reizigers voort, Sancho te jonassen, totdat zij eindelijk, door vermoeidheid gedwongen, ophielden en hem lieten loopen.
DON QUIXOTE'S LIEFDESWAANZIN.
Het zou ons te ver voeren, indien wij Don Quixote stap voor stap wilden volgen door het land der valsche romantiek, dat hij voor zichzelf had geschapen. Wij herinneren ons, hoe Amadis op het Versterkte Eiland jammerde over zijn scheiding van de geliefde; en toen Don Quixote op een plaats kwam, bekend als de Zwarte Berg, besloot hij het voorbeeld te volgen van den grooten held uit de ridderverhalen. Voordat hij zijn geboortedorp verliet, had hij zijn liefde geschonken aan een boerenmeisje, dat hij den romantischen naam van Dulcinea del Toboso gaf; en toen hij nu bij den Zwarten Berg gekomen was, besloot hij zijne dagen door te brengen in overpeinzingen over de deugden en bekoorlijkheden van deze voortreffelijke jonkvrouw. Nadat hij voor Sancho Panza een voordracht gehouden had over de plicht, die in dit opzicht op een dolenden ridder rustte, werd hij kwaad op zijn schildknaap, omdat deze maar niet kon begrijpen, wat de oorzaak was van zijn verliefd en opgewonden gedoe.
»Zeg eens, heer«, vroeg Sancho, »wat zijt gij van plan uit te voeren in deze negorij?«
»Ik heb u toch al verteld«, antwoordde Don Quixote, »dat ik van plan ben Amadis na te volgen in zijn krankzinnigheid, wanhoop en woede? Maar tegelijkertijd wil ik Orlando Furioso's opgewondenheid nabootsen, toen hij waanzinnig werd, bij welke gelegenheid hij in zijn wanhoop boomen ontwortelde, het water der heldere bronnen troebel maakte, de herders doodsloeg, hunne kudden verjoeg, en honderdduizend andere dwaasheden deed, die waard zijn te worden vereeuwigd in de boeken van den roem.«
»Heer,« vroeg Sancho, »ik veronderstel, dat de ridder, die dit alles deed, reden had om krankzinnig te worden, maar welke jonkvrouw heeft u versmaad, of een blauwtje laten loopen?«
»Dat is het juist«, riep Don Quixote, »want hieruit bestaat juist het eigenaardig grootsche van mijn onderneming. Er is voor een ridder volstrekt geen kunst aan, krankzinnig te worden om een goeden reden, maar het bijzondere is juist, waanzinnig te worden zonder oorzaak, zonder eenige noodzakelijkheid, want hierdoor krijgt zijn geliefde een juist inzicht in de hevigheid zijner liefde. Verspil dus geen tijd met te trachten mij af te brengen van zulk een zeldzaam gelukkig en merkwaardig plan. Ik ben gek, en ik wil gek blijven, totdat gij terug komt met een antwoord op den brief, dien gij voor mij naar jonkvrouw Dulcinea brengen moet; als het antwoord gunstig uitvalt, zal mijn boetedoening eindigen, maar in het tegenovergestelde geval, wensch ik gek te blijven.«
»Hemelsche goedheid!« riep Sancho uit, »waarom stelt gij u zoo aan, Heer Ridder? Al die verhalen van u over het veroveren van koninkrijken, en het wegschenken van eilanden, lijken mij groote opsnijderij, en deze nieuwste kuur van u....«
»Daar ik er van houd, de dingen bij den naam te noemen, wil ik je zeggen, dat je een groote stommeling bent. Weet je dan niet, dat alle daden en avonturen van een dolenden ridder op het eerste gezicht dwaasheden lijken? Inderdaad zijn zij het niet, maar het lijkt zoo door de kwaadaardigheid en de jaloerschheid van machtige toovenaars.« Zoo sprekende kwamen zij bij een hooge rots, waaromheen de boomen, de wilde planten en bloemen overvloedig groeiden, en hier besloot de Ridder van de Droevige Figuur, uiting te geven aan zijn liefdessmart. Hij wierp zich op den grond en hief een luid geweeklaag aan.
»Ga nog niet heen«, riep hij Sancho toe, »want ik wensch, dat gij getuige zijt van hetgeen ik voor mijn geliefde doen zal, opdat gij het haar kunt vertellen.«
»Groote goedheid,« riep Sancho uit; »wat voor dwaasheden kan ik nog meer te zien krijgen?«
»Alleen maar, hoe ik mijn wapenrusting wegwerp, mijn kleederen verscheur, mijn hoofd tegen de rotsen sla, en nog een heeleboel van deze dingen doe, waarover gij verbaasd zult staan.«
»Beware mij, heer,« riep de knecht, »als het dan bepaald noodig is, dat gij met uw bol tegen een rots slaat, doe het dan een beetje voorzichtig, als 't u belieft.«
HET LEGER VAN SCHAPEN.
Maar het vermakelijkste van alle avonturen van Don Quixote is zeker wel dat, waarin hij een kudde schapen aanziet voor een leger. Hij en Sancho reden op een sukkeldrafje over een kale vlakte, toen zij op eenigen afstand een dichte stofwolk zagen.
»De dag is gekomen,« riep de ridder uit, »de gelukkige dag, dien de fortuin mij heeft beschoren, waarop de kracht van mijn arm mij zulke overwinningen zal bezorgen, dat het verre nageslacht er nog van spreken zal. Ziet gij daarginds die stofwolk? Weet dan, dat deze wordt opgejaagd door een reusachtig leger, dat hierheen komt, en dat bestaat uit een onnoemelijk aantal volkeren.«
De hersenen van den dwazen ridder waren natuurlijk volgepropt met verhalen van allerlei merkwaardige gevechten van myriaden heidenen, verhalen, waarvan, zooals wij gezien hebben, de oude romances zoo dikwijls gewag maken, en hij was verrukt, toen Sancho hem er op opmerkzaam maakte, dat twee verschillende legers van tegenovergestelde kanten schenen te naderen.
»Mooi zoo«, riep Don Quixote, »dan zullen wij den zwaksten troep helpen. Gij moet weten, Sancho, dat het leger, dat ons tegemoet komt, wordt aangevoerd door den grooten Alifanfaron, Keizer van het Eiland Taprobana. De bevelhebber van het leger, dat achter ons optrekt, is zijn gezworen vijand, Pentapolin van de Opgestroopte Mouw, de Koning der Garamanten.«
»Zeg eens, Heer,« vroeg Sancho, »wat is de reden van de vijandschap tusschen die twee hooge vorsten?«
»Dat is in twee woorden gezegd«, antwoordde Don Quixote, »de heiden Alifanfaron heeft de onbeschaamdheid gehad naar de hand te dingen van de dochter van Pentapolin, die hem gezegd heeft, dat hij niets van hem weten wil, tenzij hij zijn valsch geloof afzweert.«
»Wanneer er een gevecht op handen is«, zeide Sancho zenuwachtig, »zal ik mijn ezel maar buiten schot brengen, want ik vrees, dat hij niet veel waard is in den strijd«.