Langs Slingerpaden

Part 7

Chapter 73,977 wordsPublic domain

Maar 't was ons voornemen om een dorpskermis bij te wonen in een tijd, die ongeveer veertig jaar achter ons ligt.

Daar staan we dan in gedachten op 't kerkplein en komen er juist op tijd om de schutters te zien uittrekken naar 't grasveld in de buurt, waar ze een schietwedstrijd willen houden. De beste schutter zal straks _schutterskoning_ zijn en op één na de beste _koningsknecht_. De eerste kiest zich dan uit de aanwezige meisjes een koningin en de ander een _koningsmeid_. Ook de gekozen meisjes bekomen ieder een prijs. Ze achten 't bovendien een groote eer, uit zoovelen gekozen te worden tot koninginnen van 't feest.

De schutters staan reeds in rijen van vieren aangetreden, ieder met zijn eigen of wel met een geleend geweer op schouder, niet zooals dat bij de militairen 't gebruik is, met de kolven omlaag en de trompen omhoog, neen, ieder draagt ze, zooals hem dat het best uitkomt.

Jan Vreeman, een timmerman van zijn ambacht, die soldaat is geweest en bij de infanterie was ingedeeld, is kommandant van den troep. Zijn vrouw heeft hem een paar breede strooken, -- korporaalsstrepen, -- op de mouwen van zijn kapotjas genaaid. Zijn houding is zoo heldhaftig als die van den kranigsten officier; zijn kommandostem is welluidend en krachtig. Jammer genoeg mist zijn troep de noodige vaardigheid in 't uitvoeren der handgrepen en hij zelf mist het noodig gezag over de jongelui, in wier huizen hij onder gewone omstandigheden op daghuur gaat werken.

De meesten toch, zich hun onbedrevenheid bewust en bang om voor de toeschouwers, onder wie zich ook hun tegenwoordige of toekomstige vrijsters bevinden, een mal figuur te maken en uitgelachen te worden, nemen bij voorbaat reeds een houding aan die den anderen toonen moet dat hun dit oorlogszuchtig gedoe niemendal schelen kan en ze 't als een laffe komedie beschouwen. Anderen daarentegen wekken den lachlust der toeschouwers op door hun overdreven krijgshaftige houding.

De troep wordt voorafgegaan door een paar allerverschrikkelijkste _bielemans_. Ze hebben zich 't gezicht zoo zwart gemaakt, als een echte neger zich zijn huid maar kan wenschen en springen als bezetenen nu naar rechts, dan naar links, terwijl ze in alles hakken, wat hun in den weg komt, zelfs in de keien aan den hoek van 't smalle kerkstraatje. Ze zwaaien zoo woest met hun botte bijlen, als moest de heele burger- en boerenbevolking op echt-ouderwetsche wijze in de pan gehakt worden.

Vooral op de jeugdige schoonen hadden ze 't gemunt. Deze springen dan ook bij hun onverhoedsche aanvallen verschrikt, onder allerlei uitroepen van verbazing en schrik, uit den weg.

Maar wie van de schutters zich ook al plomp en onbeholpen moge aanstellen, of 't belang dezer openbare vertooning schijne te minachten, niet alzoo de vaandrig. Hij toch zwaait de vaderlandsche driekleur in sierlijke kringen om zijn hoofd, om zijn middel, onder 't één en 't ander been door met een hoogernstig gezicht en een gezwindheid, die van ernstige vooroefeningen getuigt.

En de trommen der beide tamboers mogen ook al erg oude instrumenten zijn, -- ze zijn zoo netjes opgepoetst, dat ze blinken in de zon.

Daar klinkt het bevel van den kommandant: "Geeft acht!"

Veel manschappen verkeeren blijkbaar geheel in 't onzekere, waarop zij acht moeten geven en nemen derhalve een afwachtende houding aan. Ze zien een gescharrel met voeten en geweren en volgen dit voorbeeld hunner kameraden. De verwarring is vrijwel algemeen.

Om daaraan en einde te maken, roept de aanvoerder: "Tamboers!"

Een roffel klinkt en maakt blijkbaar een diepen indruk op de aanwezigen. 't Geroezemoes van stemmen houdt op, evenals 't gescharrel met de voeten en zelfs de onhandigsten en de onverschilligsten onder de schutters laten hun achtelooze houding varen.

Van de ontstane stilte maakt de aanvoerder op een verstandige wijze gebruik. Zijn bevel klinkt: "Voorwaarts, marsch!"

De tamboers roeren weer de trommen en op de maat daarvan zet zich de heele bonte stoet in beweging. Allen, tot zelfs de meisjes die nog de zwarte kap met veeren dragen, doen hun best om in den pas te blijven.

Welhaast was men nu in de weide gekomen, waar de schijf stond opgericht.

"Waar zou 't veiligst wezen om te staan, Barend?" vroeg een spotvogel aan den boer nevens hem.

"Vlak achter de schijf," antwoordde deze lachend.

Ten einde ongelukken te voorkomen had men twee van de beste geweren uitgekozen, om er mee naar de schijf te schieten.

De deelnemers aan den wedstrijd moesten, om te beginnen, een nummer trekken, dat hun beurt om te schieten aanwees.

Steven de Laat, die bij geen openbare vermakelijkheid van eenige beteekenis gemist werd, behoorde ook tot de schutters. Hij had echter nog nooit te voren een geweer in handen gehad, zoodat zijn kans om een prijs te winnen uiterst gering was. Er bevonden zich namelijk onder de schutters ettelijke wildstroopers, die maar zelden 't doel misten. Bovendien had Steven nog te nauwernood den vereischten leeftijd bereikt om aan den schietwedstrijd deel te nemen.

Maar hij voelde behoefte aan afwisseling en verstrooiing. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij gekweld werd door een drukkende verveling.

Dit was onder zijn omstandigheden ook zeer natuurlijk. Het leven is als een stroom. Het water midden in de rivier vloeit helder en lustig voort en weerspiegelt nu eens de voorbij zwevende wolken en dan weer den blauwen hemel met zijn miriaden van schitterende lichten. Aan de oevers daarentegen, waar riet en biezen groeien of waar de stroom een bocht maakt, staat het water stil of draait er in kleine kringen rond. Het wordt troebel en door verschillende rottende stoffen verontreinigd.

Zoo ook is er voor een mensch niets gevaarlijker dan lediggang.

Wie, als Steven, zich geen werkplaats in de samenleving wist te veroveren, voelt zich daarin ook niet thuis.

Voor den werkzame daarentegen is iederen gelukkig volbrachten arbeid een overwinning, die hem kracht en moed geeft tot moeilijker, meer loonenden arbeid.

Niemand weet, waartoe hij in staat is, zoo hij 't niet ernstig beproefd heeft en evenmin hoever hij 't door vlijt en volharding brengen kan.

* * *

Men staat gereed om den wedstrijd te beginnen. De nachtwacht, die bij de schijf geplaatst is, om de geschoten punten door 't wuiven met een vlaggetje aan de anderen kenbaar te maken, is in de diepte neergedaald, die hem tot schuilplaats moet dienen en met dit doel in den grond is uitgegraven.

Toen de eerste schutter 't geweer op de schijf richtte, werd het plotseling stil onder de toeschouwers. Vooral de huwbare meisjes wachtten met spanning op den uitslag van dezen wedstrijd. Als haar vrijer een prijs verwierf, zouden zij immers deelen in zijn eer en nog bovendien ook een mooien prijs bekomen.

Daar knalde het schot.

In gespannen verwachting zag men den nachtwacht uit zijn veilige schuilplaats te voorschijn kruipen, de schijf bezien en met het vlaggetje eenige malen op en neer wuiven, om zoo aan de anderen 't geschoten aantal punten kenbaar te maken.

Daarop verdween hij weer in zijn onderaardsch verblijf en de volgende schutter was aan de beurt.

Op die wijze ging het geregeld voort.

Er werd niet best geschoten.

De wildstroopers hadden waarschijnlijk reeds te veel "spraakwater" gebruikt, om met de vereischte juistheid te kunnen richten, want voor iemand, wiens oogen schemerden, was de schijf op een te grooten afstand geplaatst.

Antoon van den bakker had echter 't geluk om de schijf dicht nevens de roos te treffen.

Steven de Laat, die toevallig het hoogste nummer getrokken had, kwam dus het laatst aan de beurt.

"Die had ook beter gedaan door maar thuis te blijven," zei boer Verlaar. "Dat jonge mensch kan, geloof ik, niets anders dan leegloopen en 't geld van zijn ouders verteren."

"Ja," zei boer Scholte, die naast hem stond, "ik vrees, dat zijn vader en moeder heel wat verdriet aan hem zullen beleven. Hij is anders een goede jongen, maar als de meeste éénige kinderen, verwend. Zoo heeft hij een afkeer van werken gekregen en ledigheid is des duivels oorkussen. -- Ik denk intusschen, dat de wedstrijd hier niet vóór den middag zal afloopen en dan wordt het vervelend," dus ging hij voort; "in 't dorp begint de muziek van den mallemolen al te spelen, hoor maar! En als de paar jongelui, die nog een beurt moeten hebben, de roos niet raken, zullen de schutters dichter bij de schijf geplaatst worden en een tweede beurt moeten hebben."

Zij, die de leiding van den wedstrijd hadden, begrepen blijkbaar ook, dat er haast diende te worden gemaakt. Toen de voorlaatste man aan de beurt kwam, duwde een der lieden, die met de lading der geweren belast waren, aan Steven dit wapen in de handen, met den raad:

"Maak je alvast ree!"

Deze voldeed aan dit verzoek. Hij voelde zich volstrekt niet op zijn gemak, te minder omdat hij de opmerkingen der anderen omtrent zijn persoon gehoord had. Toen de voorman zijn schot gelost had, nam hij oogenblikkelijk diens plaats in, legde 't geweer aan en ...

"Doe den vinger voor 't huisje en niet voor den trekker!" waarschuwde er een.

De raad was te laat gekomen. Op 't zelfde oogenblik knalde 't schot, dat door de omgeving drievoudig herhaald werd.

Uitroepen van verbazing en schrik volgden.

Geen wonder! De nachtwacht stond nog vlak nevens de schijf de punten van den voorman te tellen, toen het schot viel.

Daar zag men hem zoo snel mogelijk het weiveld inloopen. Maar, o schrik! na een dozijn stappen gedaan te hebben, plofte hij languit tegen den grond.

Een smartelijke kreet verhief zich uit de bonte schaar van toeschouwers.

"Ach hemel!" jammerde Tonia, "hij schoot mijn vader dood!" Zij wrong radeloos de handen en haar geklaag en droef geween sneed de anderen door de ziel. Zij wilde hem ter hulp snellen, toen opeens: daar kwam de doodgewaande weer overeind, zette 't opnieuw op een loopen, maar stortte welhaast weer op het bed van gras neêr.

Wie beschrijft den toestand van den ongelukkigen Steven? Eerst verkeerde hij in 't onzekere, of hij waakte of droomde. Bleek en bevend stond hij daar, aan de onvriendelijke blikken der anderen en hun toornige uitroepen blootgesteld.

Het droef geween en de jammerklachten zijner vriendin sneden hem door de ziel en 't zien van haar vader, die daar roerloos op 't grastapijt neêrlag, ontstelde hem dermate, dat hij geen grond onder de voeten voelde.

"Arme stakker! 't Is met hem gedaan!" hoorde men van verschillende kanten roepen.

Met ongeloofelijke snelheid kwam nu zijn doodelijk verschrikte dochter op hem toesnellen, aldoor roepend: "Vader! Lieve vader! Ik kom!"

Deze verzekering van zijn geliefd, éénig kind scheen een wonderbaarlijke uitwerking te hebben op den armen nachtwacht. Nogmaals zag men hem overeind komen en weer zijn vlucht voor den Dood vervolgen en eenige minuten later had zijn dochter hem met haar armen omvangen en aan haar liefhebbend hart gesloten.

"Dat is eerst een flink meisje!" riep men en snelde toe, om, zoo mogelijk, te helpen.

"Waar ergens ben je geraakt?" was de algemeene vraag. En 't antwoord, dat de doodelijk verschrikte man stotterend uitbracht, luidde:

"Geraakt ben ik eigenlijk niet, -- de kogel floot vlak voorbij mijn oor, maar 'k wachtte elk oogenblik een tweede schot, want 'k meende dat het op mijn leven gemunt was."

"Maar hoe kwam het, dat je tweemaal gevallen bent?" vroeg men nieuwsgierig.

"'k Struikelde beide keeren over een molshoop," sprak de man, terwijl hij hijgde om weer wat op adem te komen.

Steven was geheel alleen en als versuft met het geweer in de hand blijven staan, waar hij stond toen hij 't schot loste. Hij kwam eerst weer tot zich zelf, toen Tonia met haar vader langs hem heen voorbijging, zonder naar hem om te zien. Hij wilde op hen toesnellen en hun om vergiffenis vragen voor den schrik dien hij hun onwillens had veroorzaakt, toen hij eensklaps weer hevig onstelde door 't geroep van een paar schutters, die naar de schijf waren gaan zien. De anderen snelden nu ook daarheen. Ze schenen zeer verbaasd te zijn, althans hij hoorde verschillende uitroepingen als: "Je zou zeggen!" -- "Hoe is 't mogelijk!" en dergelijke. Maar wie schetst de ontsteltenis van onzen Steven, toen ze allemaal over 't weiveld heen regelrecht op hem kwamen aandraven. Hij wilde vluchten, maar kon het niet: de schrik was hem in de beenen geslagen.

Eenige oogenblikken later stonden allen in een kring om hem heen geschaard, zoodat er aan ontvluchten niet meer te denken viel. Hij sidderde.

Groote droppels angszweet parelden hem op 't gezicht.

Daar zag hij den kommandant heel deftig op hem toekomen, hem een groote ster van goudpapier op de borst spelden en hem vervolgens den prijs, voor den schutterskoning bestemd, overhandigen.

Hij had, heel toevallig, de roos getroffen.

"Wie zal koningin zijn?" vroeg de kommandant.

In botte verbijstering zag Steven om naar zijn vriendin Tonia. Maar ach! het goede meisje verdween juist met haar vader om den hoek. Ten einde raad, ging hij vervolgens toe op de bonte rij van meisjes en zag nu de knappe Mientje Laak, de vriendelijke dochter van een behoeftig daglooner, vóór zich staan. Hij verzocht deze, hem als koningin te vergezellen.

Het meisje bloosde zeer sterk. Ze was reeds verloofd en stond op 't punt om 't vereerend aanzoek van de hand te wijzen. Haar vrijer, een hupsch jong gezel, trad echter op haar toe, glimlachte en zei: "Kom, Mientje, help Steven eens uit den brand! Gedurende den optocht naar 't dorp is hij dan gered en dan kun je in dit geval afscheid van hem nemen."

Zoo werd onder 't zwaaien van de vlag, de trommelmuziek en 't potsierlijk gedans van de bielemans, de terugreis aanvaard en op die wijze de schutters-wedstrijd besloten.

XI.

De Beer.

Toen de feestelijke stoet onder 't geklapper der vrij uitwaaiende driekleur, 't gebom der trommen en de woeste grimassen en sprongen der bielemans, het kerkplein met de kermisvermakelijkheden weer bereikte, mocht ze zich niet, zooals gewoonlijk, in de algemeene opmerkzaamheid en belangstelling verheugen.

Er heerschte daar namelijk een ijselijke opschudding.

Telkens hoorde men een angstwekkend gebrul, oogenblikkelijk gevolgd door een geschreeuw en getier, dat hooren en zien deed vergaan.

Dat gebrul werd veroorzaakt door een grooten, bruinen beer, dien men voor een dubbeltje kon te zien krijgen. Maar 't beest hield niet van die kermisdrukte. Eerst was hij erg leelijk gaan kijken, toen nog leelijker gaan brommen en eindelijk woedend tegen de traliën van zijn kooi opgestoven. Hij schudde en rukte er aan met zijn klauwen, dat ze rinkelden, terwijl hij allerverschrikkelijkst brulde.

De toeschouwers liepen in de grootste ontsteltenis de tent uit en deelden hun schrik ook aan de lieden op het plein mede.

"Wat is er toch te doen?" hoorde men nu veldwachter Van Braam met een forsche stem vragen.

"De beer is uit zijn kooi losgebroken," riepen sommigen.

Zelfs waren er, die meenden gehoord te hebben, dat hij al een vrouw te pakken had en bezig was het arme mensch tot ontbijt te gebruiken, zonder dat iemand hem dit durfde beletten.

De veldwachter verschrikte bij 't hooren van deze Jobstijding evenzeer als de anderen. Gelukkig kwam één der jongens door de toeschouwers heendringen en vertelde, dat onze Isegrim nog wel in zijn kooi zat opgesloten, doch alle krachten inspande om los te komen.

't Was intusschen een reden tot geruststelling, dat de veldwachter met zijn scherp wapentuig aanwezig was om in geval van nood het bloeddorstige monster te bedwingen.

Hij drong dan ook tusschen de kermisgasten heen tot bij de kooi en wendde zich tot den berenleider met de forsche vraag: "Wat is er hier gaande?"

"Hoe-oe-oe!" brulde de beer met een allerijselijkst basgeluid, alsof hij zeggen wou: "Zoo je dat nog niet weten mocht, heerschap, dan zal ik 't jou wel aan 't verstand brengen!" Daarop vloog hij weer tegen de tralies op en schudde die met zijn klauwen, dat ze rinkelden en zelfs begonnen door te buigen.

De veldwachter sprong, evenals de anderen, verschrikt achteruit.

Men bleef van een eerbiedigen afstand naar 't razende monster kijken. 't Heele dorp raakte in rep en roer.

De herbergen liepen leeg. In den mallemolen en voor de kramen en spellen was er niemand te zien. De beer had aller belangstelling op zich gevestigd.

"De kwajongens hebben 't kreatuur getergd!" riep de eigenaar van den beer, ten einde raad.

"Daar is niets van aan!" schreeuwden de jongens.

"Moet zoo'n leelijk beest ons hier de heele kermispret bederven?" vroeg een boerin nijdig.

"Men moet hem een ring door den neus doen, dan zal hij wel tot bedaren komen," zei boer Scholte. "Wat dunkt u daarvan, smid?"

"Voor mijn part, moog je je gang gaan," antwoordde deze. "Ik ben mijn leven nog niet moe."

"Doe 't beest een touw onder den buik door!" ried de veldwachter. "Als hij de voorpooten niet op den grond kan krijgen, is zijn kracht gebroken."

Allen vonden dit een goeden raad.

De smid wipte even zijn werkplaats binnen en kwam welhaast met een lang, dik touw en een haak terug:

"Laten we beginnen met den barren sinjeur een touw om den snuit te doen," ried boer Scholte, "we kunnen dien snuit tusschen de traliën doortrekken en de smid kan er dan op zijn gemak een ring door maken! Is 't eenmaal zoover, dan zal hij wel tot bedaren komen!"

Men vond dit een verstandigen raad en na veel vergeefsche pogingen gelukte 't eindelijk, het touw om den snuit van den beer te bevestigen.

Een dozijn kermisgasten, onder wie ook de veldwachter, trokken nu uit alle macht aan het touw.

Maar op eens ging er een kreet van verbazing en schrik op onder de toeschouwers. Door 't hevig rukken en trekken toch was de strik van den ruigen snuit gegleden en pof! daar sloegen onze wakkere maats tegen den grond en zwaaiden met de beenen in de lucht.

Men dacht in 't eerste oogenblik natuurlijk, dat de beer schuld had aan hun plotselinge verdwijning.

Toen de eerste ontsteltenis bedaard was, zei de veldwachter: "Neen, zoo gaat het niet. 't Is beter, dat we den lastigen sinjeur het touw om den nek doen!"

De berenleider opperde eenige bezwaren tegen dit plan, maar niemand luisterde naar hem.

Werkelijk gelukte het, den raad van den veldwachter op te volgen.

Men trok weer uit alle macht aan de beide einden van het touw.

De beer spartelde in 't begin nog geducht tegen, maar welhaast liet hij een akelig geluid hooren; hij werd zoo gedwee als een lam en dus kon de smid hem zonder gevaar een ring door den neus maken.

Toen men na dezen welgeslaagden arbeid het touw losliet, zakte 't monsterdier op den bodem der kooi en gaf geen enkel teeken van leven meer.

Hij was geworgd.

Zijn meester bleef hem eerst als versuft aanstaren, hief toen ontsteld de handen in de hoogte en riep op droevigen toon: "Nu hebben jelui 't arme schepsel vermoord! Och, och! wat moet ik nu in 't vervolg aanvangen? Nu ben ik mijn middel van bestaan kwijt!"

"Beter een doode beer, dan een razende beer, want die zou van ons allemaal koud vleesch maken!" zei de veldwachter.

De anderen vonden dit verstandig gesproken en welhaast waren de herbergen weer overvol en ook de mallemolen was weer druk bezet. De berenleider stond met zijn viervoetigen reisgenoot alleen. Hij wrong de handen en zei op klagenden toon:

"Och, mijn arme Bruin, mijn kameraad en broodwinner al sinds jaren, hoe kon je toch zoo raar doen? Verongelukt is jou leven en het mijne meteen! Och, och, mijn goede Bruin, wat zal jou baas toch in 't vervolg zonder jou beginnen?"

Maar zoo de beer zich vroeger ook al over een en ander mocht bekommerd hebben, nu deed hij dit niet meer.

De vennootschap, die hem verplichtte om voor Jan en alleman kunsten te maken, terwijl zijn reisgenoot de centen opstreek, was voorgoed ontbonden.

XII.

Een vervelende dag en een pleizierige avond.

Steven de Laat was alzoo door toevallige omstandigheden Schutterskoning geworden, een eer, die hem echter al heel weinig genoegen verschafte. De opschudding toch, die de beer veroorzaakte, toen de schutters weer 't kermisplein kwamen opmarcheeren, maakte dat de overige kermisgasten zoo goed als geen opmerkzaamheid wijdden aan dezen feestelijken intocht.

Zijn koningin had hem terstond bij de aankomst in 't dorp weer verlaten en toen hij evenals de anderen naar den beer ging kijken, wekte 't de verontwaardiging en ergernis van onzen dierenvriend, dat het arme beest mishandeld, ja geworgd werd.

Maar na al 't gebeurde waagde hij het niet, daarop aanmerkingen te maken.

Daarbij kwam, dat zijn vader niet thuis was en zijn moeder door een hevige hoofdpijn gekweld werd. Tonia liet zich ook niet weer zien en zoo gevoelde hij zich te midden van de kermisdrukte zeer alleen. Niemand toonde in 't minst belang te stellen in 't door hem behaalde succes en terwijl hij tusschen die feestvierenden heen en weer ging, zag hij sommigen hem lachend nakijken en hoorde hij hen spottende aanmerkingen maken op zijn koningschap.

Mismoedig verwijderde hij zich uit deze omgeving en sloeg het pad in, dat achter de tuinen om liep. Herhaaldelijk ging hij daarover heen en weer en keek telkens, of hij zijn vriendin niet kon te zien krijgen, doch ze kwam niet te voorschijn en haar vader evenmin. En na den schrik, dien hij hen onwillekeurig veroorzaakt had, durfde bij hen ook geen bezoek brengen.

Ach, hoe miste hij 't goede meisje, dat gewoon was in zijn lust en leed te deelen!

De kermis, waarvan hij zich zooveel genoegen had voorgesteld, bracht hem nu enkel verveling.

De dag viel Steven ijselijk lang en hij was blij, dat eindelijk de avond viel.

De kermis was echter nog in vollen gang.

De bejaarde lieden waren naar huis terug gekeerd, maar de jongelui hadden hen vervangen.

De mallemolen was nu schitterend verlicht. De kramen en spellen waren 't evenzoo. Daardoor had het kerkplein een recht druk, licht, gezellig aanzien gekregen, dat te beter uitkwam, naarmate de omgeving meer in 't duister werd gehuld.

Steven, die nog maar altijd doelloos ronddwaalde, hoorde, toen hij op den hoek de herberg van Klaas Brouwer voorbijging, een vreemd brommen, gevolgd door een schaterend lachen. Nieuwsgierig om te zien, wat er daar gaande was, stapte hij naar binnen.

De groote petroleumlamp, die midden in 't vertrek aan den zolder hing, gaf een flauw, roodachtig schijnsel.

Dikke wolken tabaksrook vulden de ruimte.

Deze, vermengd met een warme, benauwende dranklucht, golfden hem in de deuropening tegen en benamen hem schier den adem.

Bij 't flauwe licht zag hij een bonte groep kermisgasten als een donkere massa de ruimte vullen. 't Was een duwen en dringen van geweld.

Steven bleef verwonderd bij den ingang staan, om te vernemen wat er gaande was, en merkte al spoedig, dat Dronken Hannes deze lieden met zijn praten en zijn plompe kunsten vermaakte. Met schorre stem riep hij:

"Jelui meenen, dat de beer dood is, maar dat heb je toch mis! Hier staat hij in levenden lijve voor je!"

Met zijn log lichaam, gehuld in den ruigen pijekker en zijn ordeloozen haarbos, gedekt met een ruwe muts, leek hij ook vrij wel op een beer, die op zijn achterpooten stond.

Nu ging hij plat op den rug op den vloer liggen en riep: "Ziezoo, daar ligt nou de beer! Wie een dubbeltje geeft, mag op zijn buik staan. De beer zal hem er afgooien, zonder gebruik te maken van zijn klauwen of tanden!"

"Hier is een dubbeltje!" zei een jonge boer en reikte hem zulk een geldstukje toe. "Als je mij niet kunt afwerpen, krijg ik mijn geld weerom, is 't niet zoo?"

"Zonder twijfel!" bromde Hannes met zijn diepe basstem, en allen schoten om de vreemdheid van 't geval in den lach.

De boer trok zijn schoenen uit en plaatste zich boven op hem. "Van de plank gewiepst!" zei deze.

Door een plotselinge intrekking en weer uitzetting der buikspieren wierp hij nu werkelijk den boer van zich en wel met een kracht, die hem midden onder de tafel deed belanden. Deze werd uitgelachen, Hannes daarentegen door allen luide toegejuicht.