Part 2
Op eens scheen de knaap echter zijn tegenzin in 't naar school gaan overwonnen te hebben. Hij klaagde 's morgens niet meer als vroeger over hoofdpijn of buikpijn, maar verliet tijdig de ouderlijke woning en ging gewillig heen. De moeder verwonderde zich over dit veranderde gedrag van haar jongen en toen hij op een morgen weer heel parmantig de deur uitging, volgde zij hem ongemerkt. Ze zag hem het huisje van een buurman binnengaan en volgde hem. De oude moeder Teunissen zat ijverig te spinnen, maar Steven was niet te zien.
"Zeg eens, buurvrouw, waar is onze jongen?" vroeg ze.
't Oude mensch hield bijzonder veel van Steven en daar ze zelf lezen noch schrijven kon, begreep zij ook volstrekt niet, welk belang er iemand bij hebben kon, om zich zoo jong al in die nuttige kunsten te oefenen. Ze beantwoordde de vraag dan ook vrij bits met de wedervraag: "Hoe kan ik dat weten?"
"Wel, ik zag hem zoo pas hier binnengaan. De jongen moet hier zijn en voor den dag komen ook."
"Dan moet je maar zoeken, tot je hem vindt!" zei de oude vrouw. "Je wilt hem zeker weer naar die nare school sturen."
"Wel wis en zeker!" was 't antwoord. "De jongen _moet_ en _zal_ leeren! Wat zou er anders van hem terecht komen?"
"Je plaagt jou jongen met dat naar school gaan en dat leeren! En 't is toch zoo'n aardig kereltje! 'k Begrijp heusch niet, hoe je 't over je hart kunt verkrijgen om hem heele dagen in zoo'n akelige gevangenis op te sluiten! En al dat leeren dient nergens voor. Gingen de boerenmenschen vroeger ook naar school? De meesten dachten er niet aan, het te doen. En ze zijn er ook buitendien wel gekomen, hoor!"
Zoo ging 't oude, goedhartige moedertje voort haar buurvrouw te bekijven. Deze keek intusschen het heele vertrek rond. De kleine, in lood gevatte ruitjes van 't éénige raam verlichtten maar flauw het armoedig woonvertrek en lieten de hoeken in een schemerig donker.
Het haardvuur, van wat turf en schadelen opgebouwd, gloeide in den ijzeren pot zonder ooren, die, tot aan den rand in den grond gegraven, voor stookplaats diende. Een gedeukte, met een dikke roetkorst bedekte waterketel hing er boven aan den berookten "haolketting" en zong zulke eentonige, vreemde deunen, dat men er droefgeestig van worden moest.
Over den vloer, bestaande uit vierkante vakken van keisteentjes, door een band van op den kant gezette roode metselsteenen omlijst, dribbelde taterend een bedrijvige kip rond en zocht er naar broodkruimels. Maar van Steven was geen spoor te ontdekken.
"Waar zou de jongen toch zitten?" dacht de moeder.
Daar zag ze opeens achter de rokken der oude vrouw heen een kinderklomp te voorschijn komen. Steven, die zijn moeder had zien aankomen, had daarachter een schuilplaats gezocht. Nu was hij ontdekt en werd, ondanks het gekijf van vrouw Teunissen, door zijn zorgzame moeder aan school afgeleverd. "'t is mijn jongen en ik ben voor hem aansprakelijk!" zeide ze.
Ook na dien tijd werd Steven nog herhaalde malen in school gemist. Maar op Vrijdagnamiddag zag men hem toch geregeld in de lange bank naast zijn makkers plaats nemen. En 't liedje, dat dan bij 't begin wel eens werd aangeheven, zong hij uit volle borst mee:
"Komt, makkers, 't schooluur heeft geslagen, Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt." enz.
Hij hield dan ook veel van zingen en had een goede stem. Maar de grootste aantrekkelijkheid voor de jeugd hadden dan toch de vertellingen van den onderwijzer, waarin men reizen maakte te land en ter zee. De kale muren van 't somber en donker schoolvertrek, waarbinnen vaak een onaangename lucht heerschte, schenen dan plotseling voor de verbeelding der eenvoudige landjeugd te verdwijnen. Men bezocht in gedachten vreemde landen en nog vreemder menschen en leefde in vollen ernst met hen mede.
Ja, die Vrijdag-namiddagen waren ook toentertijd in die oude, ondoelmatig ingerichte plattelandsscholen wel eens bij uitstek vormend voor verstand en hart. Ook de leesboeken, schoon lang niet zoo doelmatig als die tegenwoordig gebruikt worden, bevatten tal van verhalen, welke spraken tot gevoel en verbeelding. Daaraan vooral was het toe te schrijven dat Steven, toen hij eindelijk die boeken kon lezen en begrijpen, er toe werd aangezet om de lessen meer geregeld bij te wonen.
Vader De Laat had gelijk, toen hij zeide dat zijn zoontje een echt dierenvriend was. De honden uit de buurt kwamen kwispelstaartend naar hem toe. Hij deelde wel eens zijn boterham met hen en ze waren hem daarvoor op hun wijze erkentelijk.
Onder den maaltijd zat de groote, zwartbonte poes gewoonlijk op een stoel naast hem te spinnen en telde hem, zoo te zeggen, de brokken in den mond. Van tijd tot tijd tikte ze hem met haar poot op den arm, om hem een stukje af te bedelen. En ze bereikte daarmee gewoonlijk haar doel. En als dit niet spoedig genoeg 't geval was, begon ze heel vlijtig te spinnen, als wilde ze zich op die manier voor de huishouding verdienstelijk maken.
Daar zijn vader maar zelden thuis was, hechtte de knaap zich meer aan zijn moeder. Deze vond in zijn gezelschap een zeer gewenschte afwisseling in haar overigens vrij eentonig leven. Ze vermaakte zich met zijn gekeuvel en zijn spelen met de huisdieren. Vooral het speenvarkentje speelde een belangrijke rol in de kleine huishouding. Steven rolde met het zindelijk diertje gedurende de donkere winterdagen om en om in 't hooi, dat Bles stond te verorberen. Het groot, goedaardig beest zag de twee luidruchtige worstelaars, van wie de één door geschater en de ander door geknor zijn pret te kennen gaf, zwijgend aan met een gezicht, als wou ze zeggen: "Ja, ja, spelen jelui maar! Je weet er nog niemendal van, wat er al zoo in de wereld te koop is, maar zult het spoedig genoeg leeren!"
Als de jongen naar school was, vond de moeder 't erg leeg en stil in huis. De hangklok aan den wand, waarvan de wijzerplaat met roode rozen beschilderd was, tikte dan buitengewoon hard, vond ze; de waterketel boven 't vuur zong dan zulke zwaarmoedige deunen, dat ze wel eens de deur uit ging, om zich wat te verzetten. En als de school uitging, stond zij haar jongen aan de straat op te wachten; ze vermaakte zich met zijn gekeuvel en vond, dat hij al bijzonder verstandig praten kon, haast net als een groot mensch. Ze vertelde op een keer aan buurvrouw Teunissen, hoe knap haar jongen al was en hoe wijs hij praten kon, maar de goede oude schudde bezorgd het hoofd. "'t Ventje wordt niet oud!" zei ze treurig. "Dat stil zitten in school en dat gestadig leeren deugt volstrekt niet voor hem."
"Gekheid!" antwoordde de moeder. "Andere kinderen leeren immers ook en blijven toch gezond en in leven; waarom zou onze jongen juist daarvan ziek worden?"
Maar toch bleef die herhaalde verzekering van 't oude mensch haar onaangenaam stemmen. Ze vond het noodzakelijk, dat Steven geregeld onderwijs kreeg en wilde toch voor de heele wereld niet, dat zijn gezondheid schade leed. Zij gaf hem daarom aan tafel de lekkerste beetjes en kocht hem allerlei speelgoed. Bovendien stond ze toe, dat hij zijn halven spaarpot in een mooi beursje in den zak had, om er gekleurde griffels of andere benoodigdheden voor aan te schaffen. En daar hij de waarde van 't geld niet kende en niet bij ondervinding wist, hoeveel moeite 't vaak kost om enkele stuivers te verdienen, was hij er ook volstrekt niet zuinig op.
Hij was goedhartig en mededeelzaam, zoodat zijn makkers veel van hem hielden.
Op een morgen kwam Tonia, het dochtertje van den nachtwacht Jansen, schreiend naar school.
Steven hield veel van 't aardige meisje. Hij staakte daarom zijn spel, ging op haar toe en vroeg wat haar scheelde.
"'k Heb mijn schoolgeld verloren en moeder heeft ook geen centen meer in huis, dat weet ik wel," zei ze snikkend.
"O, is 't anders niet!" sprak hij geruststellend. "Hier heb je vijf centen, geef die maar aan meester." Tonia stond een oogenblik verbaasd te kijken. Vijf centen, waren voor 't arme kind een heele schat. Haar mooie kijkers werden verwonderlijk groot. Ze staarde naar de toegestoken hand met de centen er in, als wilde ze vragen: "Voor mij?" Ze draalde met het aannemen van den zoo bereidwillig geboden schat, uit vrees dat de jongen gekscheerde en de hand met het geld lachend zou terugtrekken, als zij die wilde aannemen.
"Wil je ze niet hebben?" vroeg Steven verwonderd.
"O, heel gaarne," zei ze, terwijl zij ze aannam. "Ik denk, dat ik ze Maandag wel weer kan teruggeven."
"Dat hoeft niet!" verzekerde de knaap. "'k Heb nog centen genoeg in mijn spaarpot en daar komen er iedere week nog wat bij. Vertel maar niet in huis, dat je 't geld verloren hebt, want dan zou je nog knorren krijgen."
"Wat ben je toch goed! Dank je!" zei het meisje en spitst de lippen, alsof ze hem een zoen wou geven, maar niet durfde. Haar schoone, donkere oogen schitterden van dankbaarheid en vreugde tevens, omdat ze nu uit die groote moeilijkheid gered was. Met haar blauw boezelaartje droogde ze haar tranen en ging met de anderen opgeruimd het schoolgebouw binnen.
Steven zag haar na en onwillekeurig richtten zijn blikken zich naar de plaats, waar zij zat, toen ook hij zijn plaats op de schoolbank had ingenomen.
Hoe vriendelijk werd ze door den meester toegesproken! En hoe deed ze haar best met leeren!
"Ik moet ook mijn best doen!" dacht de knaap. En hij was dien morgen met leeren al zijn makkers de baas.
* * *
Het huis, waarin De Laat met vrouw en kind woonde, verschilde weinig van een gewoon boerenhuis daar in de streek. Evenals deze stond het ook met de achterzijde naar de straat gekeerd. Het ruime achterhuis met den leemen dorschvloer had hier grootendeels gemist kunnen worden. In den grooten stal, die eertijds een viertal koeien tot verblijf had gestrekt, stond nu alleen Bles en 't ruime varkenshok herbergde nu 't speenvarkentje.
Door de tusschendeur kwam men in de keuken, die ook hier tot woon- en tevens tot slaapvertrek diende. Twee paar groene gordijnen aan weerszijden van den haard verborgen de hooge, met ganzeveeren gevulde bedden in de ruime slaapsteden.
Aan den Zuidkant leidde een trap over den keldermond naar de zoogenaamde opkamer.
Het raam dezer laatste bood een heerlijk uitzicht over de schoone streek met haar graan- en aardappelvelden, weiden, kreupelbosschen en boomen. Op den achtergrond verhief zich 't bosch van het kasteel Heiterloo.
Op menigen zonnigen winterdag, als de boomen kaal stonden, kon men de vergulde windvaan op den toren van 't kasteel zien glinsteren en blinken. De kleine Steven kon er soms lang naar zitten staren en als hij zoo vertrouwelijk zat te keuvelen met zijn vriendin Tonia van den nachtwacht, was dat geheimzinnige schitterende vaantje vaak het onderwerp hunner gesprekken. Het kasteel zelf hadden ze ook al eens uit de verte gezien. Het was zoo groot, zoo hoog en zoo mooi, dat het naar hun meening niet ter woning strekte aan gewone menschen, maar tot verblijf moest dienen van hooger wezens.
III.
Het Speenvarkentje.
Het speenvarkentje groeide als kool. 't Bracht heel wat gezellige drukte in 't kleine huishouden. In weinig dagen leerde het al, de hem aangeboden melk zelf uit het bakje te drinken. In 't eerst was het erg kouwelijk en moest bij den haard in de overdekte mand blijven huizen. Doch dit werd gaandeweg beter en iederen volgenden dag mocht het een poosje langer blijven voortscharrelen over de kleine steentjes in 't woonvertrek. Onder een vroolijk geknor snuffelde 't nieuwsgierig in alle hoeken en maakte telkens weer de grappigste sprongen, zoodat Steven 't uitschaterde van plezier. En 't leukste was wel, dat het al druk begon mee te praten over alles en nog wat. Vooral als de moeder 't woord tot een der anderen richtte, begon 't aardig diertje terstond heel ernstig met vriendelijk geknor te antwoorden en stak dan tevens heel gewichtig de ooren op, alsof 't wou zeggen: "Ja, mijn lieve mensch, als ik met mijn groot verstand er niet was, zou 't er slecht voor jelui uitzien!"
De winter naderde met rassche schreden. 's Morgens was daarbuiten vaak alles met rijp overdekt. De doornhaag, die het tuintje omsloot, was wel zijn bladertooi kwijt, maar ieder takje, met ontelbare ijskristalletjes bezet, fonkelde allerheerlijkst in 't zonlicht. De boomen waren even sierlijk getooid. Maar 't mooist waren toch de dennenbosschen daar in de buurt. Als met zilveren webben waren ze overspannen en de ontelbare dauwdroppels, die er aan hingen, schitterden als juweelen. Iederen morgen bracht iets nieuws en moois voor de streek. Nu eens baadden velden en bosschen in den zonneschijn, dan weer was alles als met een zilveren nevel omwikkeld. Het speenvarkentje lette daarop echter in 't minst niet. Het sprong en dartelde met Steven om de woning rond en als het moe was, werd het weer in zijn mand bij den haard getild en kroop heelemaal weg in zijn strooleger. Aan zijn moeder, van wie hij zoo vroeg al gescheiden was, dacht het nooit meer.
Het was een paar maand later.
Toen Steven op een morgen ontwaakte en tusschen de bedgordijnen door in 't woonvertrek gluurde, zag hij daar zijn zorgzame moeder al ijverig bezig met den vloer aan te vegen.
En op den haard brandde 't vuur zoo lustig, als wou 't het groote vertrek geheel een zomersche warmte meedeelen en nog bovendien 't water in den ketel, die er boven hing, aan den kook brengen. Het water zong nu zoo droefgeestig, alsof het er een voorgevoel van had, dat het welhaast als thee zou verhuizen naar een menschenmaag. Een gedeelte er van wist nog bijtijds in den vorm van stoom door de tuit te ontsnappen en zich zoo in vrijheid te stellen. Het vuur bleef intusschen lustig door branden en deed de tinnen en koperen borden en schotels, welke langs de wanden achter houten richels waren te pronk gezet, blinken met een verwonderlijken gloed.
Steven vond het er nu zoo gezellig, dat hij aanstalten maakte om op te staan. Zijn moeder, die dit merkte, zei echter: "Blijf nog maar wat in bed, mijn jongen! Je ligt er zoo lekker warm en 't is buiten koud. Ook hier in de keuken is 't nog ver van warm."
"Neen, 'k moet nu opstaan," antwoordde Steven.
"Waarvoor zoo vroeg al?" vraagde de moeder.
"'k Moet naar mijn speenvarkentje!" antwoordde hij. "'t Ligt in zijn hok zoo erg alleen. 'k Zal 't in de keuken bij 't vuur brengen en eten geven. Gisteravond heb ik nog een grooten bos stroo in zijn hok gebracht. O, hij was er zoo blij mee! Hij gilde 't uit van pleizier, maakte een groot gat en kroop er met prettig geknor heelemaal in. Maar als 't nu 's nachts zoo bitter koud wordt, was 't misschien beter dat ik 't maar bij mij in bed nam. Wat dunkt u er van, moeder?"
"Gekheid!" zei deze. "Een varkentje hoort te slapen in een bed van stroo; dat is voor 't beestje warm genoeg, hoor!"
"U moet niet meenen, dat hij onzindelijk is," -- pleitte Steven. "Als hij iets doen moet, wat zijn leger vuil zou maken, gaat hij altijd naar dezelfde plaats in den hoek."
"'k Weet het," antwoordde de moeder. "Als de hokken maar goed droog worden gehouden, zijn de varkentjes gewoonlijk heel zindelijk. Maar we kunnen ze daarom nog niet bij ons in 't bed nemen."
Bles deed juist haar morgenmaal met geurig hooi. En toen ze nu moeder en zoon in 't woonvertrek zoo gezellig hoorde keuvelen, wilde ze blijkbaar ook een duit in 't zakje gooien, want ze begon zoo echt goedaardig te brommen: "Hammm! hmmm!" Want klinkers gebruikte Bles alleen, als ze heel hard moest roepen. Dan zei ze: "Boe!" en de heele buurt kon 't hooren.
"Bles roept mij al," zei Steven. "'t Is hoog tijd, dat ik er uit kom."
Vrouw De Laat hield haar jongen niet langer tegen en welhaast was hij 't bed uit en in de kleeren. En 't eerste wat hij deed, was, zoo vlug mogelijk naar de deel te loopen en de koe, die hem in blijde verrassing brommend en snuivend een goeden morgen wenschte, bij den gehoornden kop te pakken en er zijn gezicht tegen aan te drukken. Het goede dier likte hem met haar stekelige tong, wat voor Steven alles behalve een genot moest zijn, maar hij was niet kleinzeerig en wist, dat de bedoeling goed was.
Toch kon hij soms onmogelijk een pijnlijken gil onderdrukken. Daardoor werd in 't aangrenzende hok het speenvarkentje gewekt. Blij gillend kroop het uit den bos stroo, die hem tot nachtleger gediend had en sprong driftig knorrend en gillend tegen de deur op. 't Was duidelijk, dat hij daarmee zeggen wou: "'k Wil er uit! Laat mij er uit! 'k Wil ook van de partij zijn!" Steven, aldus op de aanwezigheid van zijn speelmakker opmerkzaam gemaakt, -- hoe had hij hem, al stoeiend met Bles, kunnen vergeten? -- haastte zich, de deur te openen. Het beestje liep hem knorrend en gillend zoo uitgelaten mogelijk om de beenen en bewoog blij zijn sierlijken krulstaart heen en weer. Steven pakte 't beet en ging er mee aan 't rollen en wentelen in 't hooi, dat Bles tot morgenmaal diende. 't Goedaardig beest lekte de twee pretmakers, waar ze die maar kon vatten en nam ondertusschen zoo nu en dan een hap hooi, ze zette daarbij zoo'n vriendelijk, ernstig gezicht, als ware ze de eigen moeder van 't stoeiende tweetal en moest ze dit onder haar bescherming nemen. Doch opeens uitte de jongen een smartkreet, die 't varkentje hevig deed schrikken. Bles had met een plok hooi ook een bosje van zijn hoofdhaar gepakt. Op zijn kreet liet ze oogenblikkelijk den heelen hap vallen en pakte een anderen van een meer verwijderde plaats. Daarbij schudde ze nadenkend haar ruigen kop, als wou ze zeggen: "Ja, ja! voor wie met dat jonge goedje moet omgaan, is oppassen de boodschap. Maar met dat al is 't hier toch een recht gezellig huishouden."
IV.
Op visite bij De Laat.
De Laat en zijn vrouw werden door de boeren, die de tuinzaden leveren en, ondanks de schaarschte van 't geld in dien tijd, toch steeds in klinkende munt betaald werden, zoo nu en dan op visite genoodigd.
De Laat zelf bewees men daardoor geen dienst. Aangezien hij vaak 't grootste gedeelte van de week op reis was, zou hij, eenmaal thuis zijnde, er ook liever in den kring van zijn gezin zijn gebleven. Dat hij niettemin geregeld aan die uitnoodigingen voldeed, geschiedde alleen ter wille van zijn vrouw, die anders maar zeer weinig afwisseling had in haar leven.
Maar wie ter visite gaat, moet op zijn beurt ook weer gasten ontvangen. En zoo had onze zaadhandelaar op zekeren avond in Januari de met hem bevriende boeren en hun vrouwen ten zijnent genoodigd. En hij was wel zeker, dat niemand hunner buiten noodzaak zou wegblijven, omdat hij bij zulk een gelegenheid elk der gasten betaalde, wat ze voor de door hen geleverde zaden te vorderen hadden.
Het was een sombere, donkere avond. De lindeboomen, die bij wijze van zonnescherm voor de gevels van sommige huizen waren heengeleid, de vruchtboomen op de erven en de kastanjeboomen langs de straat, ze stonden daar alle recht spokerig, terwijl hun knoestige takken dropen van water. Geen tochtje bewoog ze en zoo stonden ze daar als dood.
De lucht was dik bewolkt en op de dorpsstraat, die nog door geen enkele lantaren verlicht werd, heerschte een drukkende stilte, alsof het heele dorp was uitgestorven.
Op eens verbrak de oude torenklok het algemeen zwijgen door zes brommende slagen, die nog eenige oogenblikken erg vreemd in de donkere ruimte nagalmden. Die klokslagen schenen op de omgeving een tooverachtige uitwerking te hebben uitgeoefend want in 't volgend oogenblik hieven de wachthonden op de naburige erven een echt nijdig, schor geblaf aan en op de modderige landwegen bij het dorp werd een plassend gedruisch vernomen. Spoedig daarop klonk er een geratel van belang op de straatkeien en verschillende huisdeuren werden in groote haast geopend, terwijl tal van gezichten nieuwsgierig naar buiten gluurden en tal van stemmen vroegen: "Wat is er toch te doen?"
De nieuwsgierigen merkten al ras, dat die opschudding werd veroorzaakt door een zestal boeren-kleedwagens, die achter elkaar het dorp kwamen inratelen. In elk daarvan zaten een boer en zijn vrouw.
Spoedig waren de paarden in den ruimen schuurstal der voornaamste dorpsherberg tegenover de kerk onder dak gebracht en de boeren en boerinnen begroetten elkaar op de gewone, luidruchtige manier van menschen, die meestal in de buitenlucht verkeeren en hun stemmen moeten uitzetten om met elkander of tegen hun paarden te praten.
De Laat stond in de deur zijner woning hen op te wachten en heette hen hartelijk welkom.
Een weldadigen indruk maakte het door een petroleumlamp helder verlichte, ruime woonvertrek op de bezoekers. Het haardvuur brandde zoo lustig en in 't vertrek heerschte zulk een aangename warmte. 't Was hier vrij wat genoegelijker dan in de nauwe, schokkende wagens, waarin ze een geruimen tijd in 't kille duister door modder en slijk waren voortgetrokken, telkens gevaar loopend om door de hevige schokken in de "knijpgaten" uit het voertuig te worden geslingerd.
Na den gastheer en zijn vrouw als oude kennissen gulhartig te hebben begroet, namen de boeren plaats bij den haard en de vrouwen om de ronde tafel, waar de stoelen voor hen waren gereed gezet. De boerinnen waren ieder nog voorzien van een warme stoof.
De gastheer had zijn gewone plaats in 't hoekje van den haard ingenomen en zat daar recht genoegelijk zijn pijp te rooken. Hij liet zijn goed voorziene zilveren tabaksdoos de rondte doen en welhaast zaten de mannelijke leden van 't gezelschap te dampen, dat het een aard had.
De vrouwen hadden daarvan geen hinder, omdat de rook door den schoorsteen ontsnapte.
't Was er recht gezellig.
De koperen-, tinnen- en porseleinen schotels en borden, langs de wanden overeind gezet, blonken verwonderlijk mooi en de bijbelsche tafereelen, die met bonte kleuren op de witte haardtegels geschilderd stonden, schenen door 't hoog opvlammend vuur als bezield.
En hoe gezellig tikte de groote, staande klok in den hoek, die niet alleen den stand der maan, maar tevens den naam van maand en dag op de sierlijk beschilderde wijzerplaat te zien gaf.
De stil heen en weer spoedende, altoos bedrijvige huismoeder had de koffie al gezet en was nu bezig die in te schenken. Ze legde bovendien in ieder schoteltje een stuk kandij, anders gezegd een klontje.
Gezelliger dan hier kon 't wel nergens zijn. En dit alles was nog maar 't begin van 't feestelijk onthaal.
Allen verkeerden dan ook in een opgeruimde stemming.
De vrouwen begonnen den gezelligen kout. Gewoonlijk waren ze over dag druk met de huishouding en avond op avond ijverig met het spinnen van vlas in de weer, om 't benoodigde garen voor een goeden voorraad "eigengereid" linnen te bekomen, zoodat er dan geen tijd tot praten overbleef. Nu toonden ze al dadelijk, door tegelijk te spreken, een geducht pak nieuws op 't hart te hebben en zielsblij te wezen, dat ze hun gemoed eens konden ontlasten. Ze vertelden allerlei merkwaardigs van haar kinderen, haar huishouding en haar buren.
Vrouw De Laat, die nu ook in den kring had plaats genomen, verhaalde allerlei merkwaardigs van haar Steven. Gelukkig dat deze zelf in de naburige bedstede rustig lag te slapen en alzoo van de loftuitingen zijner moeder niets hoorde.
De tongen van de boeren raakten nu ook los. En ook zij begonnen allemaal tegelijk te praten. De gastheer alleen zat zwijgend, met een glimlach op 't gelaat toe te luisteren.
De anderen begrepen echter al gauw, dat men wel allen tegelijk het woord kan voeren, maar dan ook geen de minste kans heeft om verstaan of begrepen te worden. Daardoor kwam er een oogenblik stilte, waarvan De Laat gebruik maakte om zelf het woord te nemen.
"Oost, West, thuis best!" dus begon hij. "Maar met altijd thuis te blijven, komt men niet ver. Als er één te voet verre tochten gedaan heeft, dan was 't wel mijn vader, dien sommigen van jelui nog wel gekend hebben, want het zal met Februari a.s. juist twintig jaar geleden zijn, dat hij, tachtig jaar oud zijnde, gestorven is.
Als die van zijn ontmoetingen op zijn vele, verre tochten te voet vertelde, luisterden we met mond en ooren en als dan de geschiedenis uit was, waren we soms te bang om naar bed te gaan. Zoo vertelde hij op een avond het volgende: