Langs Rotte, Maas en Schie. I. schetsen uit de geschiedenis van Rotterdam
Part 3
Rooftas en zijn makkers worden met groote moeite uit de modder geheschen, stevig gebonden en in triomf medegevoerd.
* * * * *
Deze welgeslaagde list geeft den Schiedammers nieuwen moed.
Als ze hooren, dat de roovers weer in het Overmaasche bezig zijn, trekken zij de Maas over en vinden daar de negen schepen, waarmee de Rotterdammers gekomen zijn en die slechts door een gering aantal mannen bewaakt worden. Vier zijn er spoedig genomen, de vijf andere worden op de vlucht gedreven. Nu gaan de veroveraars aan wal, de Hoekschen, die met grooten buit beladen, op den terugweg zijn, tegemoet. De landlieden, wien alles ontnomen is, zijn geprest om den roof met paard en wagen naar de schepen te brengen. Aan tegenweer denken de arme menschen niet; die is immers toch nutteloos en zal hun ellende slechts vergrooten. Daar komen echter de Schiedammers, die op hun vijanden indringen. Nu durven de boeren ook en met vereende krachten worden de roovers op de vlucht gedreven naar hun schepen ...., die er niet meer zijn. Medelijden kennen de verbitterde boeren, nòch de Schiedammers en zonder genade wordt ieder, die niet vluchten kan, neergeslagen.
Het spreekt van zelf, dat de Hoekschen op wraak zinnen. Schiedam zit hun bij alles, wat ze ondernemen, dwars.
Jonker Frans heeft spoedig een plan beraamd. In Schiedam zijn behalve schutters uit Haarlem, Leiden, Amsterdam en Delft, Duitsche en Zwitsersche huursoldaten gelegerd. Dat ze tegen de Hoekschen durven strijden, hebben ze bewezen. Maar niet altijd is er te vechten. Wat ze dan in Schiedam uitvoeren, is niet veel goeds. Menige vechtpartij tusschen de poorters en de ingekwartierden is daarvan reeds het gevolg geweest.
Een drietal van deze gehuurde helpers is ten slotte zoo op de Schiedammers gebeten, dat ze besluiten de stad in handen van den vijand te spelen. Bij een uitval tegen de Hoekschen ondernomen, laten ze zich gevangen nemen en deelen, voor Jonker Frans gebracht, dezen hun plan mede. Of dit ook in goede aarde valt!
Er wordt afgesproken, dat de verraders zullen trachten zooveel mogelijk soldaten tot hun plannen over te halen. Om den Jonker op de hoogte te houden zal er op een nader aangeduide plaats in het verbrande Delfshaven telkens een brief neergelegd worden.
Nu moeten ze echter weer in Schiedam terug zien te komen. Hierop verzint men het volgende.
Ze rijden met een troep Hoekschen over Overschie naar Schiedam. Daar vertoont zich in de verte een troep krijgsvolk uit Delft. Nu begint de komedie. Onder veel geschreeuw en getier worden de drie verraders aangevallen, overmeesterd en gebonden. Daar verschijnen de ijlings toegeschoten Delvenaars ten tooneele. Ze trekken hun zwaarden en komen de aangevallenen te hulp. De Hoekschen vluchten hals over kop, natuurlijk met achterlating van hun gevangenen. Fluks zijn de koorden doorgesneden en is het dankbare drietal in vrijheid. Straks zijn ze weer in Schiedam terug, waar zij een romantisch verhaal van hun wedervaren opdisschen en hun verraderswerk verder voortzetten. Geregeld worden de berichten in de afgebrande woning te Delfshaven neergelegd en velen van het in Schiedam gelegerde, vreemde krijgsvolk worden tot hun plannen overgehaald. Hoewel de burgers, zoowel als de schutters, zorgvuldig buiten het komplot gehouden worden, lekt er toch iets van uit en daarom besluit men, niet langer te dralen en op den avond van St. Valentijnsdag (13 Februari) den aanslag te wagen.
Op den 12den vertoont zich in den vroegen morgen voor de Delftsche poort van onze stad een zonderling ruiter. Hij maakt een geweld van belang en stelt zich aan als een krankzinnige. Als zoodanig beschouwen de poortwachters den zonderlingen gast dan ook. Als ze hem binnen laten, slaat hij als een dolleman om zich heen, schatert het nu eens uit van lachen en begint dan weer luidkeels te zingen. Zijn gekke kuren wisselt hij af door te roepen: »Ik moet den Jonker spreken, ik moet Jonker Frans spreken«.
Als deze van den vreemden ruiter hoort, laat hij hem voor zich komen en nu ontpopt de krankzinnige zich als een bode van de ontevredenen te Schiedam. Hij overhandigt den Jonker een verzegelden brief, waarin medegedeeld wordt, dat alles voor den aanslag op den volgenden avond in gereedheid is.
We schrijven 13 Februari.
De bondgenooten te Schiedam hebben in de duisternis één hunner buiten de Rotterdamsche Poort gezonden, om uit te zien, of de Hoeken al in aantocht zijn. Door een afgesproken teeken, een schreeuw, zal hij zijn makkers waarschuwen.
Daar slaat het acht uur! Nog een uur en de Rotterdammers zullen er zijn. Maar, wat is dat? Hooren de wachters aan de poort daar niet reeds het bepaalde sein? Zeker zijn de Hoeken vroeger gekomen, dan is afgesproken. Vooruit dan maar! De poort laat men door middel van buskruit openspringen, om de vrienden binnen te laten. Maar geen der Hoeken is in velden of wegen te ontdekken. Zij liggen nog rustig te Delfshaven te wachten. Geen wonder, dat nu de aanslag mislukt. De verraders moeten zich door een snelle vlucht zien te redden. Schiedam, aan een groot bloedbad ontsnapt, is na het voorgevallene nog meer op zijn hoede en twee hernieuwde pogingen van Jonker Frans om de stad te verrassen, mislukken.
* * * * *
De insluiting van Rotterdam wordt voortdurend nauwer, zoodat het steeds bezwaarlijker gaat, levensmiddelen in de stad te brengen. Geen wonder, dat gebrek zijn intrede doet, en dat de poorters gaan mopperen. Zoolang Jonker Frans succes had op zijn rooftochten, was men op zijn hand en deed zelfs dapper mee; maar gebrek lijden, van honger omkomen, handel en scheepvaart totaal zien verloopen, dat heeft men voor den Hoekschen Hoofdman niet over. Ging er enkele maanden geleden een gejuich op, als de Jonker zich aan de menigte vertoonde, thans gaat er een dof gemor door de vermagerde schare. Er wordt geroepen: »Wij sterven van honger. Geef de stad over«!
't Heugt mij, hoe ze in haer wallen Door ondraegbren hongersnoodt Gansch van moedt en magt ontbloot Als in flaeuwte lag gevallen.
Den 25sten Juli vertoont zich voor de Goudsche poort een bode met een witte vlag. Met luider stemme roept hij: »Poorters van Rotterdam. Verdrag! Overgaaf! Vergiffenis. In naam van Koning Maximiliaan opent de poort«!
[Illustratie: De Rotterdammers smeeken Jonker Frans de stad over te geven.]
De bode treedt binnen en richt, door de hongerige poorters gevolgd, zijn schreden naar de woning van den Jonker op de Hoogstraat. Hier neemt Jonker Frans kennis van de voorwaarden, hem aangeboden: hij mag de stad met al zijn soldaten in volle wapenrusting verlaten, doch met achterlating van krijgsvoorraden en oorlogsvaartuigen. De gevangenen zullen op vrije voeten gesteld worden en wie met Brederode de stad wil verlaten, heeft daartoe vrijheid.
Het kost den fieren Jonker grooten zelfstrijd, voor hij een besluit kan nemen. Den trotschen nek te buigen, hij, een Brederode; heeft hij daarvoor alles opgeofferd? Maar toch, de voorwaarden zijn eervol; kunnen haast niet eervoller zijn. En dan--mag hij nog langer den ongelijken strijd volhouden; nog meer bloed vergieten voor een verloren zaak; nog meer ellende en kommer brengen over de burgers van Rotterdam? Hij besluit de stad over te geven.
En Breêroo, de oorzaak van haar tranen, Neemt met zijn ongeschonden vanen, De ellenden van den oorlog mee.
Hij vertrekt naar zijn oude wijkplaats Sluis.
Een maand later vinden wij hem weer in de gevangenis te Dordrecht. Hij heeft zijn laatste gevecht geleverd. Zijn rechterknie is door een kogel verbrijzeld. Met bleek gelaat en pijnlijk verwrongen trekken ligt hij in den kerker. Het bed van stroo, hem gespreid, zal straks zijn sterfbed zijn. En met hem sterft de Hoeksche partij. Van haar aanvoerder beroofd, is haar kracht gebroken.
[Illustratie: Zegel in zwart was, gehecht aan het stuk, waarbij Maximiliaan de stad Rotterdam vergiffenis schonk. Het origineel wordt bewaard op het Gemeente-Archief. Maximiliaan houdt, zooals duidelijk is waar te nemen, zijn zoon Filips bij de hand. Een verkorte inhoud van het op perkament geschreven stuk volgt hier.
December 1489. Maximiliaan, Roomsch Koning en Philips, zijn zoon, aartshertogen van Oostenrijk enz. verklaren aan de regeering van Rotterdam, op haar verzoek, de stad vergiffenis te hebben geschonken voor hetgeen ze misdreven heeft, bij het innemen der stad door Frans van Brederode, bepalende, dat zij echter de helft der kosten zal dragen van de in de stad aan te leggen sterkten en van de bezetting daarbij noodig.]
Na een kamp van 150 jaren heeft de taaie volharding der poorters gezegevierd over de woeste kracht der edelen.
Hoe ging het nu met Rotterdam?
Zwaar was de stad gestraft geworden voor haar zorgeloosheid. Groot waren de verwoestingen, aangericht tijdens het verblijf der Hoekschen; vele menschenlevens vielen te betreuren. Heel wat poorters, en juist de meest gegoeden, hadden de stad verlaten, vele anderen waren door de duurte der levensmiddelen en door den stilstand van alle handel, scheepvaart en nijverheid tot den bedelstaf gebracht.
En of de stad hierdoor nog niet genoeg getroffen was, werd haar door Maximiliaan nog een schatting van 26000 Rijnsche guldens[7] opgelegd. Dat was de prijs, waarvoor de plundering werd voorkomen.
[7] Een Rijnsche gulden had een waarde van f 2.625.
Het ging in onze verarmde stad niet gemakkelijk een zoo groote som bijeen te brengen. Om de door de stadsregeering opgelegde belasting te kunnen voldoen, moesten velen hun kostbaarheden verkoopen; de schatten der kerk, ja zelfs 1700 bedden, werden verkocht en toen was nog slechts de helft der som bijeen. Gelukkig gaf Maximiliaan voor de andere helft uitstel en schold in 1496 zelfs het nog onbetaalde gedeelte kwijt.
Daar gebleken was, dat de verdediging aan de Noordzijde het zwakst gevoerd was, werd bevel gegeven de stad aan deze zijde te verkleinen. Duizend schreden in de lengte en 300 in de breedte zag Rotterdam van zijn grondgebied afgaan. Natuurlijk moest hiervoor de stadsgracht worden verlegd, wat weer veel geld kostte.
»'t Kabeljaeuws beleg had alles schots verkurven, De Rotterdamsche Schie was t'eenemael bedurven, En moest hergraven zijn«.
De Delftsche Poort en andere verdedigingswerken, die veel hadden geleden, eischten herstelling. Geen wonder, dat er vele jaren verliepen, voor de stad zich van de toegebrachte slagen had hersteld.
Thans is de naam van Jonker Frans aan een drukke winkelstraat verbonden. Nog steeds herinnert de dappere jongeling ons daardoor aan zijn heldendaden, maar tevens ook aan al de ellende, die hij over onze stad gebracht heeft.
5. De St. Laurenskerk.
Jongens, jongens, als die eens vertellen kon, wat er al gebeurd is in den tijd, dat zij daar staat, wat zouden we dan een massa te hooren krijgen. De Groote Kerk toch is het alleroudste gebouw in Rotterdam; al vijf eeuwen staat ze daar op dezelfde plaats en hoe lang zal ze den tand des tijds nog wel kunnen doorstaan? Ze ziet er nog niet naar uit, dat ze al vijfhonderd jaar allerlei stormen getrotseerd heeft en toch is dat zoo.
In het begin der 15de eeuw was Rotterdam nog maar een klein plaatsje met niet meer dan 1200 huizen--op 1 Januari 1911 waren er 45751 gebouwen, die 94870 woningen bevatten. Onder de regeering van Graaf Albrecht heerschten er rust en welvaart in deze gewesten. Ook Rotterdam profiteerde van die rust en ging goed vooruit. De poorters wenschten een bedehuis te bezitten, hetwelk wedijveren kon met dat der omliggende plaatsen, ja, als het kon, de kerken uit den omtrek overtreffen. Dat was geen kleinigheid voor zoo'n kleine plaats, maar de geheele burgerij was vol moed het grootsche plan uit te voeren. Hoe aan het geld voor den bouw te komen? Vele burgers schonken vrijwillige bijdragen; wie als poorter zich binnen de muren der stad vestigde, moest 3000 steenen leveren voor den kerkbouw. Heel wat opgelegde boeten kwamen het bouwfonds ten goede; allerlei belastingen werden ten bate van den kerkbouw aangewend. Ofschoon het geld voor den bouw der geheele kerk nog lang niet bij elkaar was, begon men toch met moed en hield zich overtuigd het tot een goed einde te zullen brengen.
In 1409 werd de eerste spade in den grond gestoken; in 1412 werd de eerste steen gelegd; in 1426 kon een deel der kerk in gebruik genomen worden.
[Illustratie: S. Laurentius Martyr.]
Volgens Katholieke gewoonte werd zij aan een Heilige gewijd en wel aan den Heiligen Laurentius. Bij zijn leven was Laurentius een der zeven diakenen of armverzorgers der kerk van Rome, onder Paus Sixtus II. Toen deze Paus op bevel van Keizer Valerianus gevangen genomen werd, begeleidde Laurentius hem naar de strafplaats. Daar werd hem door den Prefect van Rome bevolen alle rijkdommen der Kerk, welke hij onder zich had, uit te leveren. Laurentius vroeg drie dagen uitstel om aan het bevel gevolg te kunnen geven; hij verkreeg dit, verkocht in dien tijd alle kostbaarheden en verdeelde de opbrengst onder de armen. Toen de Prefect na drie dagen bij hem kwam om de schatten in bezit te nemen, toonde Laurentius hem een aantal armen en gebrekkigen en zei: »Ziedaar de schatten der kerk«. Volgens de overlevering was de Prefect over deze handelwijze zoo vertoornd, dat Laurentius gegeeseld en op een rooster levend verbrand werd. Onder de regeering van Keizer Constantijn den Grooten werd op de plaats, waar Laurentius begraven werd, een der zeven patriarchale zuilenkerken van Rome gebouwd.
De naamdag van den Rotterdamschen beschermheilige, 10 Augustus, wordt nog ieder jaar herdacht; vroeger met groote plechtigheid. Na het einde der Hoogmis trok een processie, waaraan aanvankelijk slechts geestelijken, maar later ook de schutters en ambachtsgilden deelnamen, door de versierde straten.
Evenals met zooveel oude kerken het geval geweest is, is ook onze Sint-Laurenskerk niet achter elkaar afgebouwd. Nu eens ontbrak het aan geld om verder te bouwen, dan weer maakten de Hoekschen met hun kaperschepen het den Rotterdammers zoo lastig, dat zij wel aan wat anders te denken hadden, dan aan den opbouw van het bedehuis. Eerst tegen het einde der 15de eeuw kon men zeggen, dat het gebouw voltooid was. Bijna een eeuw lang was men met groote tusschenpoozen bezig geweest het trotsche gebouw, dat wij nog dagelijks kunnen aanschouwen, te doen verrijzen. De Kerk was voltooid, maar de toren nog niet. In 1449 was men met den bouw hiervan begonnen. Aanvankelijk was hij door een smal watertje van de kerk gescheiden. Het hoogheemraadschap van Schieland had nl. bezwaar gemaakt »de Sluysvliet« te dempen, daar er niet voor een goede afwatering kon gezorgd worden. Doch in 1460 geloofde men, dat het dempen van het watertje geen overwegend bezwaar zou opleveren. Het schip der kerk werd nu zoover verlengd, dat kerk en toren één geheel uitmaakten. Op het einde der 15de eeuw was men met den torenbouw nog niet verder gevorderd, dan tot het dak der kerk. Eerst in 1548 werd de toren belangrijk verhoogd; een eeuw later, in 1645 nog eens, zoodat hij toen zijn tegenwoordige hoogte bereikte. Oorspronkelijk bestemd voor den dienst der Roomsch-Katholieken, ging de kerk, na de Hervorming in deze gewesten, in 1572 aan de Hervormden over. Sedert dien is zij in het bezit der laatsten gebleven.
[Illustratie: Aert van Nes.]
Het mooiste gedeelte van de Kerk is het koor; het was oorspronkelijk dan ook bestemd de aandacht der talrijke bezoekers te trekken. Immers, daar stond eens het hoogaltaar, waar de plechtigste missen werden gehouden. Het fraaie koperen hek, dat het koor sinds 1715 afsluit, is door den kopergieter F. van Douwe vervaardigd en kostte niet minder dan de voor dien tijd kapitale som van 32000 gulden.
In het koor liggen verschillende beroemde personen begraven; o. m. Aert van Nes, de rechterhand van admiraal De Ruyter, die meer dan 50 jaren lang--van 1637 tot 1692--het land zijn diensten heeft bewezen. Was hij op het veld van eer gesneuveld, wellicht had men voor hem ook een sierlijk monument opgericht, evenals voor Witte Cornelisz. de With, wiens graftombe ten zuiden van het koor te vinden is.
Tot blijvende gedachtenis aan dezen zeeheld, die van 1579 tot 1658 bijna onafgebroken de zee bevaren heeft en in 1658 in de Sont sneuvelde, werd in 1660 deze schoone graftombe opgericht. Het geharnaste beeld van den held ligt uitgestrekt op een sierlijke lijkbus, waarvoor twee kinderen een keurige afbeelding ontrold houden van den zeeslag, waarin hij het leven liet. Aan de voeten staat de geopende, gepluimde helm. Tusschen twee gevlamde marmeren kolommen vinden we den aardbol, daarachter den steen, die in gouden letters den roem en de bedrijven ter zee van den »Kregel Mennoniet«[8] in het Latijn vermeldt. Links van den steen staat de zeegod Neptunus, met den drietand in de hand en een dolfijn aan zijn voeten; rechts zien we den krijgsgod Mars, met den haan als zinnebeeld der waakzaamheid. De twee kinderen boven houden het wapenschild van W. C. de With vast. Evenals zoovele geslachtswapens is ook dit in den Franschen tijd weggehakt. Het bestond uit drie geknotte vogels door een kroon gedekt. Op de kolommen rust een kroonlijst; daarop bevinden zich de wapenschilden van ons land, dat van Rotterdam en dat der Admiraliteit van Holland en West-Friesland, waarvan De With in 1637 vice-admiraal geworden was. Tusschen deze wapens bevinden zich twee beelden, de Zeevaart en de Faam voorstellende. Vlaggen, wimpels, scheeps- en krijgstuig voltooien het geheel, dat door den beeldhouwer Ricx vervaardigd werd en door een ijzeren hek omgeven is.
[8] Welke geest W. C. de With als knaap reeds bezielde, blijkt uit het feit, dat hij zich op tienjarigen leeftijd zonder toestemming zijner ouders, die Mennist waren, liet doopen, daar de jongens op school hem dikwijls plaagden, dat hij als Doopsgezinde niet mocht vechten of terugslaan.
[Illustratie: Graftombe van Witte Cornelisz. de With.]
In de Metselaarskapel, achter de tombe van De With, hangt een schilderij met het onderschrift »gebouwd op het fondament der apostelen en profeten«. Op het schilderstuk zien wij een burcht, waarvoor kinderen de attributen van het metselaarsvak opheffen. Beneden vinden we de zerk, die het stoffelijk omhulsel van Johan de Liefde dekt, die als vice-admiraal in den zeeslag bij Kijkduin (1666) sneuvelde. In de daarachter liggende Schoenmakerskapel is Johan van Brakel, schout-bij-nacht van Holland en West-Friesland, die in 1690 tegen de Franschen sneuvelde, begraven. De wit marmeren zerk draagt het volgende opschrift:
Hier rust d' Heer Johan van Brakel Schoudt bij Naght van Hollandt en West-Vrieslandt geschooten in de bataelje tegen de France Koninghs vloot den 10 Julius 1690.
[Illustratie: Johan van Brakel.]
Tegen den muur prijkt het borstbeeld van den zeeheld, eveneens van wit marmer. De buste is door een lauwerkrans omgeven. Daaronder vinden we een Latijnsch bijschrift en het volgend Hollandsch gedicht:
Door ketens, donders, loot en staal en bliksemstraalen Te vliegen, en een roof op 's vijands grond te haalen, Was Brakels werk, die zijn triomf rukte uit den brand Zijn naam en krijgsdeugd eert zijn graf en Vaderland.
[Illustratie: Graftombe van Egbert Meeuwisz. Kortenaer.]
Als pendant van de graftombe van W. C. de With, vinden we links van het koor het monument van Egbert Meeuwisz. Kortenaer, die in 1665 bij Lowestoff tegen de Engelschen sneuvelde. Op de tombe ligt het beeld van den dapperen held in wit marmer uitgehouwen. Zijn hoofd rust op een gevlochten matras; den bevelhebbersstaf houdt hij in de handen geklemd. De verminking aan het linkeroog en de rechterhand, waarvan het grafschrift spreekt, is duidelijk te zien. Aan de voeten merken wij weer den gepluimden helm en achter het beeld een zegetronk met een sierlijken lijfrok behangen, die op den linkerarm een schild, vroeger het familiewapen vertoonende, draagt. Vier ranke, wit marmeren pilaren dragen het zwarte frontespice met het wapenschild der Generaliteit, een kroon en twee kruiswijs liggende ankers. Op de kroonlijst vinden we weer een Latijnsch opschrift. Op de tombe zelf lezen we het bekende gedicht van Gerard Brandt:
De Heldt der Maes, verminckt aen oog en rechterhandt En echter 't oog van 't roer, de vuyst van 't Vaderlandt De groote Kortenaer, de schrick van 's vijants vlooten D' ontsluyter van de Sondt, leyt in dit graf beslooten.
Tal van vlaggen en ander oorlogstuig voltooien weer het geheel, dat door den beeldhouwer Verhulst vervaardigd, in het laatst van 1669 werd opgericht.
Wel niet aan een of ander zeegevecht, maar toch aan een belangrijke gebeurtenis uit onze geschiedenis herinnert het Julianaraam, dicht bij de graftombe van Kortenaer. Dit is ter blijvende gedachtenis aan de geboorte van prinses Juliana opgericht. Het geeft ons Koningin Wilhelmina met de kleine Prinses te zien; Prins Hendrik staat naast haar onder het baldakijn, waarover de »Oranjezon« haar stralen op de jonggeborene schiet.
Rotterdams stedemaagd wordt gevolgd door de Zeevaart, de Binnenvaart, den Koophandel en de Industrie en brengt Hare Majesteit hulde; een page draagt het wapen der stad, terwijl Fortuna haar gaven voor den troon nederlegt.
Op den achtergrond ziet men de Maas met de stad in het verschiet; tusschen de wolken slingert zich een lint met de woorden: »Wilhelmus van Nassauwe ben ick van Duytschen bloedt«.
Op de onderste helft vinden we de wapens van het Huis van Oranje, van Prins Willem I tot Koningin Wilhelmina ter eener zijde, aan den anderen kant de wapens der elf Provinciën. Tusschen deze verschillende wapens staat de opdracht:
»Ter herdenking van de geboorte van H. K. H. Juliana, Louise, Emma, Marie, Wilhelmina, Prinses van Oranje-Nassau, Hertogin van Mecklenburg, enz. enz. den 30sten April 1909«.
Hoewel er in de Kerk nog heel wat geschiedkundige herinneringen door de opschriften op de zerken kunnen gewekt worden, willen wij het hierbij laten om nog een kort oogenblik te verwijlen bij den fraaien preekstoel, door het doophek omringd en in 1707 vervaardigd. De balustrade der trap is met mooi houtsnijwerk versierd. De glorie der kerk is en blijft echter het orgel, een der grootste van ons land. Reeds lang voor dat de Sint-Laurens voltooid was, bezat de kerk een orgel. In het laatst der 18de eeuw bleek een nieuw instrument dringend noodig te zijn. De Fransche tijd was evenwel niet geschikt om het groote werk te bevorderen en eerst in 1828 was het orgel voltooid. In 1845 is het hersteld en vergroot met een vierde klavier.
Enkele jaren geleden heeft het belangrijke herstellingen ondergaan. De reusachtige pijpen in het front zijn 32 voet hoog, de grootste dier pijpen (in het geheel zijn er ruim 5000) weegt 500 pond. De engel met de bazuin is 5 Meter hoog. Een voetstuk met twaalf marmeren zuilen draagt het orgel, dat 126000 gulden gekost heeft.
Hier volgt nog een vertaling der Latijnsche opschriften in de les genoemd:
1. Op het grafmonument van Egbert Meeuwiszoon Kortenaer:
»Voor den onvergelijkelijken held Egbert Meeuwisz. Kortenaer hebben de Edelmogende Heeren der Admiraliteit van de Maas dit gedenkteeken van heldendeugd en roemrijken dood gesticht«.
2. Op het grafmonument van Witte Cornelisz. de With:
»Aan de verdiensten en onsterfelijkheid van den Ridder Witte Corneliszoon de With«.
6. Een ramp op de Maas.
Het is in de laatste dagen van Februari van het jaar 1511. Reeds meer dan drie maanden heerscht er zoo'n strenge vorst, dat alle scheepvaart gestremd is en de rivieren met een dikken ijsvloer bedekt zijn. Ook de Maas is door den wintervorst in boeien geklonken en waar anders de vlugge zeilers het breede, haast onafzienbare, watervlak tusschen Blaak en Overmaaschen oever stoffeeren, zien wij nu de Rotterdammers op de gladde ijzers zwieren.