Langs Rotte, Maas en Schie. I. schetsen uit de geschiedenis van Rotterdam

Part 2

Chapter 23,865 wordsPublic domain

[2] Een en ander is nog in het Museum van Oudheden te zien.

De Heer van Cralingen bewoonde eveneens een kasteel en wel het slot Honingen. Het tegenwoordige Park Honingen, benevens de Slot- en Hoflaan zullen u wel voldoende aanduiden, waar dit kasteel ongeveer gevonden werd. Deze beide kasteelen zijn in 1426 tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten door de Hoekschen verwoest. Volgens vroegere geschiedschrijvers bevond er zich hier nog een derde kasteel: het slot Bulgersteijn op het Roodezand, de zandplaat, die reeds ten tijde van de Romeinen boven de golven uitstak. Latere onderzoekingen hebben aan het bestaan van dit slot doen twijfelen. Zeker weet men, dat er een gebouw gestaan heeft, dat den naam Bulgersteijn heeft gedragen. Het kan echter heel goed zijn, dat dit nooit een slot, maar slechts een stevig boerenhuis geweest is. Toen de dijk gelegd werd, was er al niet veel meer dan een ruïne van over.

Keeren we thans weer tot onzen dijk terug.

Het deel van de tegenwoordige Hoogstraat, dat zich tusschen de monden van de Rotte bevond, noemde men Middeldam. Het was als het ware een lange dam door de Rottemonden en tevens het middelste deel van het rechte stuk, hetwelk later den naam Hoogstraat verkreeg.

Van deze drie mondingen der Rotte was de westelijkste, de Slikvaart, het latere Verlaat, waaraan de Verlaatstraat nog herinnert; de Nieuwe Rotte was de thans Gedempte Binnenrotte; de oostelijkste is later de--nu eveneens gedempte--Botersloot geworden.

Had men dezen »middeldam« zonder meer door de Rottemonden gelegd, dan zou de Rotte haar water niet in de Maas hebben kunnen loozen. Daarom maakte men onder den dijk aan het einde der Nieuwe Rotte een duikersluis. Later kregen ook de andere monden sluizen.

Aan den Middeldam verrezen al spoedig huizen. In 1299 stonden er reeds zooveel, dat de twee gehuchten, die ze vormden, door graaf Jan I tot een gemeente werden verklaard. Tevens kreeg Rotte(r)dam, zooals de plaats werd genoemd het paalrecht, d. w. z. het mocht, om zich beter te kunnen verdedigen, palen aan de Maaszijde slaan. Vóór den Middeldam strekte zich een gors uit, dat door een smalle kreek van Rotterdam was gescheiden. Hierin voeren de schepen, die de jonge plaats al heel spoedig aandeden. Daarom bouwde men aan dit water een aanlegsteiger. Later werd de geheele kreek naar dezen steiger het Steiger genoemd, welken naam het water nog draagt. Dit Steiger kon door een boom van de Maas worden afgesloten, zoodat het voor de schepen een veilige ligplaats bood: het was dus de eerste haven van Rotterdam.

3. Van dorp tot stad.

Zooals we zagen, kunnen we 1299 als het geboortejaar van Rotterdam aanmerken. Bestond het toen nog slechts uit enkele huisjes, verrezen aan den dijk langs de Maas, al spoedig had het zich in Noordelijke richting uitgebreid, doordat de Rotte-delta bij het stadsgebied werd getrokken. Bij de oude stad, of Middeldam, had zich een Nieuwe Stad, of in de taal dier dagen, een »Nieuwe Poort« gevoegd.

Dat het in dit nieuwe stadsdeel nog moerassig was, is licht te begrijpen. Voor men er dan ook huizen kon neerzetten, diende men den grond voldoende op te hoogen. Dit gebeurde het eerst tusschen de Oude en Nieuwe Rotte. De kade, die gelegd en langzamerhand met huizen bebouwd werd, is de eerste straat in dit stadsdeel geworden (1339). Men noemde ze »de straat in de Nieuwpoort«, later zelf »de Nieuwpoort« of »de Nupoort«, wat door verbastering ten slotte »den Oppert« geworden is.

Men heeft wel eens het vermoeden uitgesproken, dat deze kade oorspronkelijk ten behoeve der Heeren van Weena is aangelegd, om zich gemakkelijk van hun Slot naar de stad te kunnen begeven, wat niet onmogelijk is. Dit Rotterdam uit het jaar 1339 moeten wij ons nog voorstellen als een armelijk dorpje, bestaande uit houten huisjes met rieten daken, die verspreid lagen langs Visschersdijk, Middeldam en Oppert. Het telde toen 46 hofsteden, d. w. z. huizen met tuinen en akkerland. Ieder bewoner beoefende nl. naast zijn ambacht of bedrijf wat land- en tuinbouw en waarschijnlijk ook wat veeteelt, die hem de voornaamste levensmiddelen moesten verschaffen.

Welke waren nu die andere bedrijven?

Ziehier eenige namen van bewoners. Ze zijn sprekend genoeg, om er den naam van het beroep uit op te maken.

Dat er reeds aan visscherij gedaan werd, vertelt ons Henric de Visser. Doede Smids en Hannkeijn de Mandenmaker herinneren aan het smids- en mandenmakersbedrijf. Hugo de Linemaker was waarschijnlijk een wever, terwijl Aelwijn de Snider schaar en naald hanteerde. Arend de Blokemaker zal onze eerste scheepstimmerman geweest zijn en Adaem die Marseman de eerste Rotterdamsche koopman. Dat het wonen aan de Rottemonden niet altijd gezond was, leert ons de rheumatische Claes die Pijnlike, die bij onzen eersten esculaap, Claes die Condighe, genezing ging zoeken. Veel handel en scheepvaart kan er nog niet geweest zijn, daarvoor was Rotterdam nog te jong en lag het ook niet gunstig genoeg. Van overzeeschen handel was natuurlijk nog geen sprake, de binnenlandsche was pas in opkomst. Nu lag Rotterdam wel aan de Maas, maar daaraan had het niet veel, zoolang het geen verbinding had met het »achterland«. Zoo'n verbinding bestond wel door de Rotte, maar deze beteekende als vaarwater niet veel, daar er langs, of bij dit water slechts weinig menschen woonden. Te Ouwerschie, Delft en Leiden kon men langs dezen weg niet, of moeilijk komen; deze plaatsen waren door de Schie te bereiken. Op deze Schie nu hadden de Rotterdammers het oog geslagen.

* * * * *

Aan den mond van dit water, dat in de Maas uitliep, was al heel vroeg, tusschen 1000 en 1100, een plaats ontstaan, die evenals het water den naam van Schie droeg. Hoe meer de gorzen zich vóór den Ouden Dijk verbreedden en verhoogden, hoe smaller de Maas en hoe langer de Schie dus werd. Met en zonder hulp der menschen koos ze zich een kronkelenden loop tusschen de gorzen. Aan den mond dezer »Nieuwe Schie« werd ± 1000 een kasteel gebouwd, het huis te Riviere, dat later den naam van Huis van Mathenesse kreeg. Hierbij kwamen al spoedig eenige woningen en een kapel te staan en naast »Schie« was een »Niewerschie« ontstaan. De namen dezer beide plaatsen zijn in den loop der tijden veranderd tot: Ouwerschie of Overschie en Schiedam[3].

[3] Zie het kaartje op pag. 18.

Wilden de Rotterdammers nu de Schie opvaren, dan waren ze genoodzaakt eerst door de Maas naar Schiedam te stevenen om door de sluis, die na het leggen van den Hoogen Zeedijk aldaar was gemaakt, de Schie te bereiken. Deze route was een omweg en bovendien kostbaar, daar de Schiedammers van ieder schip tol eischten en, wat misschien nog het ergste was, de Rotterdammers waren, wat hun scheepvaart aanging, voor een zeer groot deel van hun concurrenten afhankelijk. Dit mocht zoo niet blijven. Men wilde een eigen vaart hebben, die Rotterdam rechtstreeks met de Schie verbond. Dit kon heel goed. Men behoefde daarvoor slechts een watertje, dat reeds van Rotterdam naar Overschie liep, te verbreeden en uit te diepen. Zonder toestemming van den Graaf mochten zulke werken echter in dien tijd niet geschieden. Voor een goede som geld gaf Willem IV in 1340 »den goeden luden« van Rotterdam vergunning tot het graven van een »opene vaert tot in de Schije«. Acht jaar later was deze Rotterdamsche Schie, zeer tegen den zin van Schiedam, voltooid.

Voor dien tijd was er een flink stuk werk verricht. Behalve toch, dat het reeds bestaande water moest worden verbreed en uitgediept, had men twee dijken, den Ouden Dijk bij Overschie en den Beukelsdijk ten Noorden van Rotterdam (waar nu de Heulbrug ligt) doorgegraven en hierin een sluis en een heul moeten maken. Bovendien moest de Delftsche Vaart, waarvan waarschijnlijk niets bestond, en het rechte deel van de Schie tusschen de Schiekaden worden gegraven om in verbinding met de Maas te kunnen komen.

Behalve de Schiedammers zagen ook de Delvenaars met leede oogen Rotterdam, tengevolge het graven dezer Schie, zich vrij snel ontwikkelen.

Af en toe vonden onze schippers de doorvaart aan den ingang te Overschie versperd door hoopen puin, welke daar 's nachts waren neergeworpen. Al had men het niet gezien, men verdacht--en met reden--de Delvenaars van dezen streek.

Deze wisten het in 1375 zoover te brengen, dat Hertog Aelbrecht, die toen voor zijn krankzinnigen broeder Willem IV regeerde, den Rotterdammers gelastte, de heul te Overschie dicht te gooien. Men maakte daar nu een overtoom, waarlangs de schepen uit de Rotterdamsche- in de Oude Schie werden getrokken.

Wat zullen die Delvenaars gelachen hebben, toen ze hun concurrenten zulk een hak gezet hadden! Maar dezen zaten ook niet stil. Hadden de Delvenaars een vollen buidel, de Rotterdammers konden ook in den zak tasten, als het noodig was. Vijf jaar later kregen zij weer toestemming de heul te openen, omdat den hertog gebleken was, dat de open heul niet verderfelijk, maar daarentegen »zeer nuttig was voor den lande en voor den graaf zelf«.

* * * * *

Toen de Delvenaars aldus hun pogingen om Rotterdam in zijn groei te belemmeren, zagen mislukken, trachtten ze voor zich zelf te krijgen, wat ze hun naburen zoo misgunden; dus--ook een open vaart naar de Maas. In 1389 kregen, of beter gezegd kochten, ze dit recht van den Hertog. Ze groeven toen van Overschie een rechte vaart, die ten Westen van het dorp Schoonderloo in de Maas uitmondde. Waar de Hooge Zeedijk doorgegraven werd, moest een »kapitale« sluis gemaakt worden, die we nog kennen onder den naam van Aelbrechtssluis. In het gors, dat zich tusschen den Dijk en de Maas uitstrekte, mochten de Delvenaars een haven graven: de nog bestaande Voorhaven.

[Illustratie: Het Slot Spangen.]

Nu de vrije open vaart er was en Delft daardoor een zeehaven was geworden, trachtte men er ook zooveel mogelijk voordeel van te trekken, waarom de Delftsche Overheid aan de inwoners verbood van de Rotterdamsche of Schiedamsche Schie gebruik te maken.

De Rotterdammers waren de poets, hun indertijd door de Delvenaars gebakken, nog niet vergeten en ze wachtten slechts op een goede gelegenheid om hun naburen met gelijke munt te betalen. Die gelegenheid deed zich weldra voor.

Niet ver van de Delfshavensche Schie, tusschen Overschie en Schoonderloo stond het kasteel Spangen. Een der voorwaarden, waaronder de Delvenaars hun vaarwater mochten graven, luidde, dat er altijd een uitpad in den vorm van een brug over de Schie, voor de kasteelbewoners zou zijn. Toen dit brugrecht later verkocht werd, wilden de Rotterdammers het koopen, met het snoode voornemen daar ter plaatse een lage steenen brug te bouwen, zoodat alle scheepvaart onmogelijk zou worden.

Dat zou nu met recht geweest zijn, iemand in zijn vaarwater zitten!

De toeleg mislukte echter; Delft had de lucht gekregen van het vriendelijke plan van zijn nabuur en wist het recht voor zich zelf te koopen.

Aan den mond van deze nieuwe Schie is het plaatsje Delfshaven ontstaan, dat tot 1795 met Delft vereenigd is gebleven. Daarna was het tot 1803 een zelfstandige gemeente, waarna het tot 1811 weer een deel van Delft werd. Na de inlijving bij Frankrijk werd het bij een der eerste besluiten van Napoleon, tot een zelfstandige gemeente verklaard. De ambachten Beukelsdijk en Schoonderloo werden er toen mede vereenigd. In 1817 verkreeg Delfshaven het bekende wapen: drie korenaren en een haring, de symbolen van de jeneverindustrie en visscherij, de twee voornaamste bestaansmiddelen van de Havenaren. In 1825 werd het in de rij der steden opgenomen om ten slotte in het jaar 1886 met Rotterdam vereenigd te worden.

* * * * *

In hetzelfde jaar, dat de Rotterdammers hun Schie mochten graven, kregen ze van Willem IV nog een ander voorrecht en wel dat van eigen rechtspraak, d. w. z.: Rotterdamsche poorters zouden voor Rotterdamsche schepenen (rechters) terechtstaan. Hiermee werd Rotterdam tot een stad verklaard en was het al weer een stap in aanzien en beteekenis vooruit gegaan.

Alle goede dingen bestaan in drieën. Dat wisten onze voorouders ook reeds en daarom hadden ze nog gaarne één wensch vervuld gezien. Rotterdam was nu wel een stad, maar nog geen versterkte stad, geen vesting. Nog 18 jaren moesten de »goede luden van Rotterdam« wachten, voor ze hun woonplaats als het ware mochten maken tot één, groot sterk kasteel.

In het jaar 1358 kwam Aelbrecht in onze stad en bij dit bezoek gaf hij verlof, het open vlek in een vesting te veranderen. Tevens werd het stadsgebied, dat waarschijnlijk in 1340 reeds aan de Oostzijde vergroot was met een deel van het Ambacht Rubroek, thans aanzienlijk aan de Westzijde uitgebreid, daar de Ambachtsheer van Beukelsdijk en Cool, Willem van der Wateringhe, het Roodezand aan de stad afstond.

[Illustratie: Uitbreiding van Rotterdam van het ontstaan tot het jaar 1600.]

Het groote werk om de stad te bemantelen werd met kracht aangevat. Langs het ambacht Cool werd de Coolvest gegraven tot aan de Schie en van daar de Goudsche Vest met een bocht naar de Maas. In den muur, die om de geheele stad heen liep, werden vier poorten aangebracht: de Schiedamsche, de Delftsche, de Goudsche en de Kralingsche. De eerste stond ter plaatse van het tegenwoordige Museum Boijmans, de tweede op nagenoeg dezelfde plek als de nog bestaande, de derde op den Goudschen Weg bij de Lange Warande en de laatste op de Hoogstraat bij de Valkensteeg. Bovendien droeg de muur nog verschillende torens. De stad had, evenals alle Oud-Hollandsche steden, de gedaante van een vierhoek. Deze vorm is thans nog terug te vinden in het traject Coolvest, Galerij, Jan van Loonslaan en Lange Warande.

4. De Jonker Fransenoorlog.

I.

't Lust mij in het breed te melden Hoe zij vaek werd aengetast Of door Jonker Frans verrast.

Rotterdam lag dus nu versterkt aan de Maas. In de rumoerige tijden, die volgden, was dit van zeer groot belang. Heeft men hier toch reeds de nadeelige gevolgen van den burgeroorlog ondervonden, het is maar moeilijk te zeggen, hoe het met onze stad gegaan zou zijn, indien ze gedurende dit tijdperk niet van muren en grachten voorzien geweest was.

Driemaal heeft Rotterdam van zeer nabij kennis gemaakt met deze bloedige twisten.

Allereerst in 1358, toen Willem V krankzinnig werd en zijn broer Aelbrecht hem als ruwaard verving. Delft weigerde hem als zoodanig te erkennen, waarom de Hertog een heirvaart tegen de weerspannige stad uitschreef. Rotterdam nam, evenals andere omliggende steden, deel aan het beleg, dat 10 weken duurde. Toen de stad zich overgegeven had, werden de bewoners tot strenge straffen veroordeeld: 1000 burgers moesten blootshoofds en barrevoets vergiffenis vragen. Met hangende haren en in haar beste kleeding, moesten 500 vrouwen voor haar echtgenooten het behoud hunner betrekkingen komen afsmeeken. Bovendien werden velen voor goed verbannen en de verdedigingswerken der stad geslecht. En alsof dit alles nog niet genoeg was, werd de stad een boete van 60 000 Brugsche schilden[4] opgelegd.

[4] Een Brugsch schild had een waarde van f 3,28 125.

* * * * *

In 1426 zagen de Rotterdammers van nog meer nabij den strijd. Toen woedde hij onder de muren hunner stad. In dat jaar toch werden door de Hoekschen de kasteelen Honingen, Weena en Spangen verwoest. Ook het slot te Hillegersberg, waarvan men nog heden ten dage de ruïne kan zien, moest het ontgelden. De stad zelf liep bij deze gelegenheid vrij, maar wat zou haar lot geweest zijn, indien zij niet versterkt geweest was!

[Illustratie: Het Slot te Hillegersberg.]

II.

We schrijven 1488. Meer dan 60 jaren reeds zijn er verloopen, sedert de Kennemer vrijbuiters onder Jan van Nagel de Rotterdammers met angst en beven naar de brandende kasteelen in den omtrek hebben doen staren. De strijd tusschen de rood- en grauwmutsen loopt ten einde. De Hoekschen hebben steeds meer en meer in aanhang en macht verloren en zich teruggetrokken in hun laatste wijkplaats: Sluis. Nog eenmaal zullen ze een poging wagen om hun oude macht en aanzien te herwinnen. Jonker Frans van Brederode zal hun aanvoerder zijn. Wel is hij jong, zoodat aanvankelijk niet allen hem als hun gebieder willen erkennen, maar hij is een afstammeling van een der oudste en edelste geslachten; de naam Brederode heeft een goeden klank en de tweeëntwintigjarige jongeling wordt als hoofd gekozen. Als hij na eenige aarzeling beloofd heeft de Hoeksche zaak met zijn zwaard en, moet het zijn, met zijn leven te dienen, toont hij zich een waardig zoon van een roemrijke familie: zonder dralen ontwerpt hij een plan van aanval.

Den 18den November zeilt hij, met een vloot van 48 schepen, bemand met 2000 Hoekschen, de Maas op. Tot Delfshaven kunnen zij het brengen, dan belet de ijsmassa het verder voortvaren. Acht honderd en vijftig man worden in alle stilte ontscheept; zij zullen trachten Rotterdam te overrompelen, terwijl de anderen achterblijven om de vloot te beschermen. Over het landijs en den hard bevroren grond trekt een deel den Coolpolder door tot voor den Heer Jan Vettentoren[5]. Behoedzaam kruipt men over het ijs in de gracht, dat de zorgelooze Rotterdammers vergeten hebben stuk te hakken. En dit was toch wel noodig geweest, daar de muren in een zeer bouwvalligen toestand verkeeren. Met groote behendigheid worden de stormladders aan de muren gehaakt, als katten klauteren de Hoekschen er tegen op en de eerste vijanden zijn weldra in de stad. Vlug volgen de anderen. Nu allen naar de Schiedamsche Poort. De wachters, in slaap verzonken, zijn overrompeld, voor ze aan tegenweer kunnen denken; de poort wordt geopend en de rest der 850 manschappen, die over den Schiedamschedijk tot voor de poort zijn genaderd en zich in het langs den dijk groeiend riet verborgen hebben, komen binnen. De andere stadspoorten en het Stadshuis worden bezet en als de morgen aanbreekt, is de stad in handen der vijanden, zonder dat er één doode gevallen is. Aan tegenweer is niet gedacht, men kende het aantal Hoekschen niet, en bovendien, velen in de stad maakten gemeene zaak met Jonker Frans.

[5] Deze stond aan den Coolsingel, op dezelfde plaats, waar thans de korenmolen »de Hoop« gevonden wordt.

De Rotterdammers schikten er zich wonderwel in, zoo eensklaps van Kabeljauwsch Hoeksch te zijn geworden. Niet weinig droeg daartoe bij de verstandige handelwijze van Jonker Frans, die de Rotterdammers liever te vriend, dan te vijand maakte. Alleen de hoofden der tegenpartij moesten de stad verlaten.

Om zijn manschappen tevreden te stellen, kregen zij als buit de Keulsche, Brabantsche, Engelsche, Fransche en Oostzeeschepen, die met koren, wijn en andere goederen geladen, in de havens aangetroffen werden.

* * * * *

Jonker Frans begreep zeer goed, dat hij in zijn veroverde veste niet met rust gelaten zou worden. Om goed tegenweer te kunnen bieden, moest vooral de rivierzijde beter versterkt worden. Mannen, zoowel als vrouwen en kinderen werden hiertoe opgeroepen. Niettegenstaande den strengen vorst, die den grond zoo hard als ijzer maakte, kwamen de verdedigingswerken, dank zij de vele handen en den ijver, waarmee gewerkt werd, binnen vijf weken gereed.

Wat de Hoeksche aanvoerder verwacht had, gebeurde. Maximiliaan van Oostenrijk, die voor zijn minderjarigen zoon Filips den Schoonen, na den dood van diens moeder Maria van Bourgondië, regeerde, riep de groote steden op tot een heirvaart tegen Rotterdam. Persoonlijk kwam hij naar deze landen om tot krachtige hulp op te wekken. Haarlem, Leiden, Amsterdam, Naarden, Muiden, Weesp, den Haag, Dordrecht, Gouda, den Briel, Vlaardingen, Schiedam en Delft gaven aan den oproep van hun landsheer gehoor en Rotterdam werd aan alle zijden ingesloten. Aan de Maaszijde werd de stad bedreigd door de Kabeljauwsche schepen, terwijl het voetvolk te Schiedam, Overschie, Bleiswijk, Nieuwerkerk en Capelle aan den IJsel werd gelegerd. De Hoekschen zaten dus als een muis in de val; van alle kanten werden ze bedreigd.

[Illustratie: Maximiliaan van Oostenrijk.]

Vóór evenwel het net, waarin de vogel gevangen moest worden, toegehaald was, hadden de Hoekschen al heel wat ellende en rampen veroorzaakt. Beschouwden zij de Rotterdammers zoo half en half als hun bondgenooten, wien men derhalve zoo min mogelijk overlast aandeed, de omliggende plaatsen werden met de gewone wreedheid dier tijden op een gruwelijke wijze gebrandschat. Uren ver werden de rooftochten uitgestrekt, men waagde zich zelfs tot den Haag, Woerden, Schoonhoven en Geertruidenberg. De plaatsen in de onmiddellijke nabijheid van Rotterdam hadden, zooals te begrijpen is, het meest te lijden. Open vlekken en alleenstaande boerenwoningen vielen den Hoekschen zonder slag of stoot in handen. Wie zich verzette, werd gedood, of zag minstens zijn huis in vlammen opgaan.

Schiedam, hoewel goed versterkt en bewaakt, kreeg ook bezoek van de ruwe gasten.

Den 4den December vertoonen zich voor de Ouwerschiesche Poort honderdvijftig, met buit beladen Hoekschen. De Schiedammers doen een uitval en de Hoekschen slaan op de vlucht met achterlating van den roof. De Schiedammers zetten hen na en ..... loopen in de val. Even voorbij het kasteel Starrenburg[6] aan den weg naar Ouwerschie gelegen, worden ze in den rug aangevallen door een troep Hoekschen, die zich in den boomgaard verscholen hebben. De vluchtelingen keeren ook om, zoodat de Schiedammers tusschen twee vuren zitten en haastig een goed heenkomen moeten zoeken. Velen hunner sneuvelen.

[6] Zie het kaartje op pag. 18.

Natuurlijk zinnen zij op wraak.

Als de Rotterdammers een poosje daarna met een groot aantal schepen de Maas zijn afgevaren en met buit beladen naar hun stad terugkeeren, zien ze zich tusschen Vlaardingen en Schiedam door de Schiedammers aangevallen. Weer is de zege aan de zijde der Hoekschen. Na twee uur strijdens worden de Kabeljauwschen met groote verliezen terug geslagen en de roovers bereiken veilig en wel hun woonplaats.

Na deze twee nederlagen meent Schiedam van batterij te moeten veranderen. Delfshaven, tusschen beide steden gelegen, zal door hen worden bezet, en vandaar uit zullen de Hoekschen worden bestookt.

Deze geven echter hun vijanden de gelegenheid niet het zoover te laten komen. Den 18den December trekken 300 Rotterdammers langs den dijk naar Delfshaven, dat geheel verwoest wordt. Geen huis of schip wordt gespaard, alles gaat in vlammen op. Het dorp Schoonderloo wordt eveneens in brand gestoken. Met buit beladen keert de bende des middags drie uur weer door de Schiedamsche Poort in de stad, zonder zich te bekommeren om al de ongelukkigen, die van huis en haard beroofd, in de strenge koude ronddolen.

Nu de Schiedammers zien, dat er met geweld niet veel tegen de Hoeksche roofbenden uit te richten valt, wenden ze het weer over een anderen boeg. Ze zullen het thans met list beproeven.

Tusschen de puinhoopen te Delfshaven graven ze diepe kuilen, die door takken, latten, rijs en stroo, met puin bedekt, onzichtbaar gemaakt worden. Vele gewapenden verbergen zich achter brokstukken muur, terwijl men er voor zorgt, dat in Rotterdam de tijding verspreid wordt, dat er een troep Schiedammers op weg naar Rotterdam is. Meer is er niet noodig om de Hoekschen uit hun tent te lokken. Gerard Rooftas krijgt van Jonker Frans verlof met vier schepen, bemand met 150 man, langs de Maas naar Delfshaven te stevenen. Ze roeien de haven in en stappen aan land. Geen spoor van vijanden is echter te zien. Ja toch, daar ginds vluchten zes of zeven man langs de Haven. De Hoekschen hen na, maar zooals ge begrijpt, niet ver, want eenige schreden nog en de aanvoerder met een dertigtal zijner mannen liggen in de modderputten te spartelen en te vloeken op de slimme Schiedammers. Deze komen natuurlijk uit hun schuilhoeken en vallen de verschrikte vijanden aan, die hals over kop naar hun schepen ijlen en met achterlating van een 60 tal dooden naar Rotterdam terugkeeren, waar ze nu juist wel niet vriendelijk door Jonker Frans ontvangen zullen zijn.