Langs Rotte Maas En Schie I Schetsen Uit De Geschiedenis Van Ro

Chapter 7

Chapter 72,224 wordsPublic domain

Nu staan we weer op de Hoogstraat en hebben het Stadhuis met zijn aardig torentje voor ons. De verguld koperen windwijzer in den vorm van een haringbuis of »bun« zegt ons, dat de haringvisscherij voor de Rotterdammers van groot belang is. De ruimte onder den toren wordt als gevangenis gebruikt. Als men van iemand zegt: »Hij zit in de bun«, wees dan verzekerd, dat hij goed opgeborgen is. Wanneer ge het Stadhuis door den hoofdingang wilt binnentreden, dient ge het bordes van twintig trappen te beklimmen. De twee opzittende leeuwen aan weerszijden houden, zooals ge reeds opgemerkt zult hebben, het stadswapen. Behalve als Raadhuis en Gevangenis dient het gebouw ook tot Vleeschhal en Waag. Nog veel vroeger was het zelfs Gasthuis. De zieken en zwakken hebben echter plaats moeten maken voor de Vroedschap.

[Illustratie: Het Stadhuis aan de voorzijde in de 17de eeuw.]

Gaan we door de Waagstraat (thans Stadhuissteeg) naar de achterzijde van het gebouw.

We staan op de Huibrug, zoo genoemd omdat volgens een keur uit ± 1420 hier de huidenmarkt gehouden moest worden. De eertijds houten brug is nu al veel verbreed en heeft thans meer van een plein. Soms kan het hier stampvol staan; dan verdringen de poorters zich langs Kipsloot en Botersloot. Hier wordt nl. het schavot opgeslagen, wanneer er een terechtstelling plaats zal vinden. Op het balcon aan het Stadhuis nemen dan de rechters plaats. Ook dient dit tot afkondiging van belangrijke mededeelingen. Boven het balcon ziet ge twee staande leeuwen, die het stadswapen dragen. We lezen het onderschrift: »Ik, oprechtheid sterk U, Bedieningen en wijze raad geven sterkte. O, Rotterdam! Uw recht groent als een laurier«. En daar geheel in de hoogte, op den top van den gevel staat de Gerechtigheid. In de eene hand draagt ze de weegschaal, in de andere het zwaard. Ze is geblinddoekt, want zonder onderscheid des persoons dient ze recht te spreken.

Langs de Botersloot gaande, staan we weldra voor het Prinsenhof. Dit gebouw is oorspronkelijk een nonnenklooster geweest. De zusters van St. Agnes, naar haar kleeding ook Grauwe Zusters genoemd, hadden er kort na 1400 reeds haar woning, die na dien tijd zeer vergroot is.

[Illustratie: Het Prinsenhof.

Het Admiraliteitsjacht ligt voor den hoofdingang.]

Na de Hervorming was het echter met den bloei der kloosters gedaan. Ook het St. Agnietenklooster verminderde zeer in bewoonsters. In 1575 werd dan ook reeds een groot deel van het gebouw tot andere doeleinden in gebruik genomen. Sommige vertrekken werden ingericht tot logement voor den Prins van Oranje, als deze in de stad vertoefde, andere tot woning van den pensionaris der stad. Oldenbarnevelt, die van 1576 tot 1586 deze betrekking heeft bekleed, had hier zijn woonplaats. Sinds 1593 zijn de overgebleven nonnen in het Gasthuis ondergebracht en hebben de Heeren van de Admiraliteit van de Maze hun kantoor in het Prinsenhof. Zij zijn de bestuurders van het deel der vloot, dat in Rotterdam thuis behoort.

Behalve dit klooster heeft Rotterdam nog andere binnen zijn muren gekend.

In 1441 werd het Cellebroedersklooster aan de Delftsche Vaart, dicht bij de Kerk gevestigd. De Cellebroeders waren zeer godvruchtig en leidden een sober bestaan.

[Illustratie: Johan van Oldenbarnevelt.]

Ze wijdden zich aan het verplegen van zieken en het afleggen en begraven van dooden, die zij zingende ten grave droegen, waarom zij ook wel »Lollaerts« werden genoemd. Vooral bij het heerschen van een besmettelijke ziekte, zooals pokken en pest, waren de Cellebroeders[20] goud waard. Waar soms het geheele gezin door de vreeselijke ziekte was aangetast, waar niemand de besmette woning durfde betreden, daar gingen de Cellebroerkens binnen, en al konden zij geen genezing brengen, ze gaven tenminste troost en verlichting van lijden en zorgden voor een Christelijke begrafenis van de gestorvenen. In hun stemmig zwarte kleeding liepen zij barrevoets rond; daarom werden ze ook wel Zwarte monniken of Barrevoeters geheeten.

[20] Celle = Graf.

Nog van een ander mannenklooster willen wij u wat mededeelen.

Keeren we daartoe langs de Botersloot en de Kipsloot terug. We zijn in de Oostwagenstraat[21], zoo genoemd, omdat hier het Goudsche Wagenveer afrijdt. Volgen we de helling naar den dijk en slaan wij linksom naar het Oosteinde der Hoogstraat. Ook hier heeft een klooster gestaan. Het was dat van de Predikheeren of Dominicanen. Deze vrome heeren kwamen reeds in het begin der 15de eeuw in Rotterdam prediken. Hun eerste gebouw, een schenking van een godsdienstig poorter, stond in de Lombardstraat. Het aantal monniken nam echter dermate toe, dat men reeds in 1444 er toe overging hier op het Oosteinde een klooster te bouwen. Het bevatte meer dan honderd cellen voor de kloosterlingen, die lang zoo sober niet leefden als de Cellebroeders. Zij zagen dan ook niet, zooals deze ongeletterde monniken, altijd maar weer smart en ellende rondom zich. Hun aandacht en bemoeiingen betroffen meer de levenden. Wie behoefte gevoelde aan een geestelijk woord, hij trad de prachtige kapel der »heeren« binnen om straks, gesterkt door de gehoorde »preek«, weer aan den arbeid te gaan. Vele der Dominicanen wijdden zich aan de studie. Zij waren de dragers der wetenschap; de geleerden, die boeken schreven en versierden met prachtige gouden en zilveren letters. Anderen onderwezen de zonen der rijke poorters of arbeidden in den grooten kloostertuin, die zich ver tot over de Achterkloostergracht uitstrekte.

[21] De tegenwoordige Goudsche Wagenstraat.

Bij den brand in 1563 is ook dit klooster voor het grootste deel vernield. Twee jaar later is het gedeeltelijk opgebouwd en weer door de monniken in gebruik genomen. Thans echter doet het dienst als Gasthuis. Nadat het Stadhuis geheel door de Vroedschap in gebruik was genomen, is dit ziekenhuis ondergebracht aan de Kipsloot, sinds 1575 in het oude Predikheerenklooster.

Nog andere inrichtingen van liefdadigheid vinden we op dit deel der Hoogstraat.

Het Heilige Geesthuis of Oudemannenhuis, een stichting van Aelwijn Floriszoon van der Meer, biedt een onderkomen aan XIII ouden van dagen, waarom ze ook wel »de kamer van XIII« genoemd wordt. Het is geen toeval, dat de inrichting juist aan een dertiental een onderkomen biedt. Met opzet is dit aantal vastgesteld, als een herinnering aan Jezus en zijn 12 discipelen.

Behalve deze dertien, die een te huis vinden in het gebouw, verschaft de stichting nog aan velen onderstand in den vorm van brood, turf, enz. De bedeelden dragen een penning, waarop een duif is afgebeeld, het zinnebeeld van den Heiligen Geest, »van den geest des vredes en der liefde, het schoonste beeld van een weldoend, zachtaardig Christendom«.

Naast een Oudemannenhuis is er ook een Oudevrouwenhuis. Dit staat in de Lombardstraat[22].

[22] In 1622 werd het eveneens naar het Oosteinde der Hoogstraat overgebracht.

Waarvoor dient dat nieuwe gebouw naast het Gasthuis? Laten wij maar eens nader treden en het opschrift op dien ingemetselden steen lezen:

»In 't jaer 1599, sonder confuis, Heeft Jan Claessoen den eersten steen gelegt van dit Huis«.

Dat zegt ons nog niet veel. Misschien geeft het opschrift op dien anderen steen meer licht.

»De Heeren van de Stadt hebben bedogt Dit Huis te bouwen Voor Mans en Vrouwen Die met de gave Godts sullen werden besocht«.

[Illustratie: Kaatje.

Een verpleegde uit het Oudevrouwenhuis op de Hoogstraat.]

Onwillekeurig deinzen wij een schrede terug, nu we begrijpen, dat wij voor het Pesthuis staan. Toch behoeven wij niet bang te zijn voor besmetting. De »Zwarte dood« heerscht thans niet in de stad. Nog maar enkele jaren geleden[23] heeft de »pestilentie« echter op een vreeselijke wijze gewoed. Honderden zijn er aan gestorven. Om de besmetting tegen te gaan, verordineerde het Stadsbestuur toen, dat op marktdagen niet in den namiddag zou begraven worden en dat er geen vrouwen mede ter begrafenis mochten gaan. Gelukkig is thans de ziekte weer geweken en wordt het gebouw op het oogenblik alleen gebruikt als Dolhuis. De »dollen« of krankzinnigen worden er verpleegd, vandaar dat de inrichting den dubbelen naam van Pest- en Dolhuis draagt. Bij de laatste epidemie is echter de wenschelijkheid gebleken van een afzonderlijk gebouw voor de zinneloozen. Men heeft er dan ook reeds over gedacht naast het Pesthuis afzonderlijke Dolhuisjes te bouwen. Vóór 1598 was het Pesthuis op het eind van de Oostwagenstraat bij de Goudsche Poort, in het vroegere vrouwenklooster van St. Anna. Thans is daarin het Weeshuis gevestigd, dat eertijds in de Weste Wagenstraat en nog vroeger op de Hoogstraat, tegenover deze straat stond[24].

[23] In 1602 en 1603 woedde de pest hier vreeselijk.

[24] Waar nu de Weezenstraat is.

En hiermede zullen wij onze wandeling maar eindigen. Nog veel meer zou er in de stad te bezien zijn, doch het merkwaardigste hebben we bekeken.

Laten wij van onzen vermoeienden tocht wat uitrusten en ons verfrisschen in de taveerne »de Vergulde Valk« daar vlak bij ons, om daarna de stad te verlaten. Het zal toch zoo heel lang niet meer duren, dat de poortklok geluid wordt en dan--ge weet het--wordt de poort gesloten.

INHOUD.

Blz.

1. De Wilde Venen 5 2. De hooge zeedijk. Jong Rotterdam 11 3. Van dorp tot stad 23 4. De Jonker Fransenoorlog 32 5. De St. Laurenskerk 50 6. Een ramp op de Maas 62 7. Erasmus 65 8. Anneken Jans 72 9. De Brand in 1563 79 10. Rotterdam onder het Spaansche Juk 85 11. Rotterdam vergroot naar de Maas 95 12. Een wandeling door Rotterdam (± 1600) 102

UITGAVE VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

PLATEN-ATLAS

VOOR DE VADERLANDSCHE GESCHIEDENIS,

+ten dienste van het Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs, Kweekscholen en Normaallessen,+

DOOR

Dr. A. J. VAN DER MEULEN,

+met medewerking van+

M. TEN BOUWHUYS.

+Prijs, gecartonneerd f 1,90.+

Geen ouderwetsche historieprenten bevat deze atlas, sprekend alleen van 'n woeste »histoire de bataille«, maar 'n volledige cultuurgeschiedenis. Van den ruwen steenen beitel uit de vroegste beschavingsperiode voert ons deze platen-serie geleidelijk naar de koene evoluties van den vliegenier Jan Olieslagers te Rotterdam in den zomer van 1910.

De voortschrijdende ontwikkelingsgang van schier vijftig eeuwen op 't gebied van techniek en beschaving ligt daartusschen.

Deze keurbundel historieplaten, 150 bladz. met 356 afbeeldingen op zwaar kunstdrukpapier, met titelplaat en twee reproducties in kleurendruk verdient 'n plaats niet slechts op de inrichtingen van onderwijs, maar in elk ontwikkeld gezin. Den luttelen prijs is hij driedubbel waard.

En wie hem koopt, zal zich niet teleurgesteld vinden.

_Het Katholieke Schoolblad_, 8 Juni 1911.

* * * * *

+Wij hebben hier nu eens een uitgave die we onvoorwaardelijk kunnen aanbevelen.+

Deze atlas moet een +uitnemend leermiddel+ zijn in handen van den onderwijzer, die bedreven is in het teekenen. Daar is overvloed van materiaal om de geschiedenisles te illustreeren met teekeningen op het bord. Indien 't nog eens zoover komt, dat de onderwijzer geheel van en voor de school kan leven, dan zal deze atlas tevens de stof leveren voor een serie historieplaten, die hij bewerkt speciaal voor zijn school. Want zoo ver moet het komen.

Intusschen bevelen we dezen atlas aan bij de studie geschiedenis voor onderwijzers- en hoofdakte, voor Gymnasiaal en Middelbaar onderwijs.

_School met den Bijbel_, 23 Juni 1911.

UITGAVE VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

SCHOOLPLATEN

VOOR DE VADERLANDSCHE GESCHIEDENIS,

DOOR

J. W. DE JONGH en H. WAGENVOORT.

NAAR OORSPRONKELIJKE AQUARELLEN VAN

J. Hoynck van Papendrecht, Gerard van Hove, J. H. Isings Jr., C. Jetses, J. H. Jurres, G. Westerman, J. J. R. de Wetstein Pfister.

(Grootte 84 bij 110 cM.).

Prijs per plaat met geïllustreerde toelichting f 1,90 Opgeplakt op zwaar carton 2,30 Geïllustreerde toelichting afzonderlijk 0,25

~+Verschenen de eerste serie:+~

1. De Romeinen in ons land. (Een nederzetting bij een vesting).

2. De troepen van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572.

3. Een vergadering van de Nationale Synode te Dordrecht, 1619.

4. Ter Walvischvaart.

5. Hollandsche Infanterie bij de bruggen over de Berezina, 1812.

6. De verovering van Tjakranegara op Lombok, 1894.

~+Ter perse de tweede serie:+~

7. Aan het Hof van Karel den Grooten.

8. Ter Kruisvaart.

9. Floris V door de Edelen omgebracht.

10. Belegering van een Kasteel. (Het Huis te Voorst, 1362).

11. De Prins trekt over de Maas, 1568.

12. De Prins van Oranje aan het hoofd van de Nationale Militie bij Quatre-Bras, 16 Juni 1815.

~+In voorbereiding de derde en vierde serie.+~

~+Februari 1911.+~

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

+--------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: welwillendendheid, waarmede zij ons | | C: welwillendheid, waarmede zij ons | | B: half onder, half boven hetwater | | C: half onder, half boven het water | | B: De drie Schie's | | C: De drie Schie's. | | B: te spelen Bij een uitval | | C: te spelen. Bij een uitval | | B: de burgers van Rotterdam! Hij | | C: de burgers van Rotterdam? Hij | | B: de la Patria« dit is »Aan Prins | | C: de la Patria«, dit is »Aan Prins | | B: gewijden grond rondom de St | | C: gewijden grond rondom de St. | | B: blaauwe Schaep« zijn, zegt deze, | | C: blaauwe Schaep« zijn,« zegt deze, | | B: »De Roode Hant«. Ge staat verbaasd | | C: »De Roode Hant«.« Ge staat verbaasd | | B: »Blaauwe Voet«?. Wilt ge die | | C: »Blaauwe Voet«?. Wilt ge die | | B: Groene, Witte en Gele Laken«, »het | | C: Groene, Witte en Gele Laken«, »het | | B: bekendste stadstorens Menigeen heeft | | C: bekendste stadstorens. Menigeen heeft | | B: van de erven hij den Blauwen Toren, | | C: van de erven bij den Blauwen Toren, | | B: ander mannenkloosters willen wij | | C: ander mannenklooster willen wij | | B: naar het oosteinde der Hoogstraat | | C: naar het Oosteinde der Hoogstraat | | B: ook reeds overgedacht naast het | | C: ook reeds over gedacht naast het | | | +--------------------------------------------+