Langs Rotte Maas En Schie I Schetsen Uit De Geschiedenis Van Ro

Chapter 5

Chapter 53,750 wordsPublic domain

Toen de avond daalde over het verwoeste stadsdeel, en de Julizon haar laatste stralen over het geteisterde Oosterkwartier wierp, bescheen ze één grooten puinhoop, waarover de mannen, vrouwen en kinderen als verwezen rondliepen en naar de verkoolde overblijfselen hunner dierbaren zochten; die in één dag zich ontnomen zagen, waarvoor zij een menschenleven hadden moeten zwoegen; die zich enkele uren te voren nog hadden verheugd in het gelukkige bezit van een bloeiend bedrijf en nu niets meer het hunne konden noemen dan de rookende en smeulende massa daar voor hen.

Van de 1731 huizen, die Rotterdam toen telde, waren er 250 totaal verwoest, 700 zwaar beschadigd. De Waterpoort aan het eind der Hoofdsteeg, de Oost- en Goudsche Poort waren in vlammen opgegaan. Het Pesthuis, op het eind van de Goudsche Wagenstraat--waar nu het Gereformeerd Burgerweeshuis wordt aangetroffen--was, evenals het uitgestrekte Dominicanerklooster op het oosteinde der Hoogstraat, door het vernielend element verteerd. Zestig, meerendeels geladen, schepen in de Kolk, pottebakkerijen, lijnbanen, schuren en loodsen, waren een prooi der vlammen geworden. Daar men nog geen verzekering tegen brandschade kende, misten honderden alle middelen, zich nieuwe woonhuizen of werkplaatsen te bouwen of nieuwe gereedschappen aan te schaffen, om hun bedrijf weer te hervatten.

Is het te verwonderen, dat sommigen de stad verlieten, die hun lief was geworden, maar hun geen brood meer gaf; dat de nood hoog, de armoede groot was?

[Illustratie: Filips II.]

Gelukkig kwam er hulp en wel van den man, die later zooveel wee heeft gebracht over deze landen; van wien steeds zooveel kwaads en zoo bitter weinig goeds vernomen wordt. Wij Rotterdammers mogen zijn naam dan ook niet noemen, zonder met een gevoel van dankbaarheid te gewagen van de helpende hand, ons toegestoken in de benauwde tijden na den brand.

Filips, onze landsheer, vaardigde nl. eenige besluiten uit, waarbij verordineerd werd, dat onze stad in geen 14 jaren eenige belasting aan hem behoefde op te brengen. Verder verleende hij aan ieder, die schulden bezat, het recht, de betaling hiervan vier jaren uit te stellen, terwijl zij, die iets misdreven hadden, kwijtschelding van straf verkregen, indien zij binnen vier jaar hun woning weer hadden opgebouwd, of verarmden stadgenooten bij den herbouw hunner verwoeste haardsteden hulp hadden verleend.

Onthieven de eerste twee bepalingen onze voorouders van groote zorgen, de laatste twee waren voor velen een prikkel om den herbouw spoediger aan te vangen en flinker door te zetten, dan anders zeker het geval zou geweest zijn.

De Stedelijke Regeering deed eveneens al wat in haar vermogen was, om de geleden schade te herstellen en zoo mogelijk een herhaling der ramp te voorkomen.

Het was toch immers ten duidelijkste gebleken, dat de hoofdoorzaak, waardoor de brand zoo'n omvang verkregen had, gezocht moest worden in de met riet gedekte houten huizen. Daarom werd nu door de Overheid de al te zeer verwaarloosde bepaling van het jaar 1558, waarbij het verboden was nieuwe huizen met riet te dekken of oude daken met riet te herstellen, opnieuw uitgevaardigd en--wat meer zegt--er werd streng de hand aangehouden. Zoodoende werden vele der nieuwgebouwde of herstelde woningen geheel of gedeeltelijk van steen opgetrokken, terwijl zij alle van een hard dak voorzien werden. De kosten van dit laatste werden voor 1/3 deel door het stadsbestuur gedragen.

Doch men deed meer. De steeg van de Hoogstraat naar de Waterpoort, de tegenwoordige Hoofdsteeg, was zeer nauw. Van de gunstige gelegenheid maakte men nu gebruik ze te verwijden tot een straat, welke voor dien tijd als breed kon gelden. De drukke weg van en naar het Hoofd werd zoodoende zeer verbeterd. De nieuw opgetrokken woningen werden hier dus meer achterwaarts geplaatst. Het stadsbestuur had daartoe van Filips het recht verkregen om de strook grond, benoodigd om de straat te verbreeden, te onteigenen.

De opbouw van de stad ging echter niet zóó vlug, als men wel gehoopt en verwacht had. Vooral het volgend jaar was een tijd van kommer en gebrek, toen heerschte hier zeer groote armoede: de levensmiddelen waren schaarsch en dientengevolge duur, de verdiensten gering.

Weer was het de landsheer, die zijn onderdanen ter hulp kwam. Hij schonk Rotterdam het privilegie om ieder jaar een ledermarkt te mogen houden. Dit voorrecht, dat in gewone omstandigheden vaak met goud werd betaald, bracht dagen lang een bonte mengeling van kooplustige vreemdelingen in de stad, gaf leven en vertier, werk en brood.

Ware het niet, dat zoo spoedig na 1563 de tachtigjarige oorlog een aanvang genomen had, wellicht dat Rotterdam zich spoediger had hersteld van den toegebrachten slag, dan nu het geval was.

10. Rotterdam onder het Spaansche Juk.

Wat al nare en bange dagen Sleet zij, toen de Spaensche Vorst 't Wraekzwaerdt zette op Hollands borst! Wat verdroeg ze al harde slagen Onder Alvaes tiranny! Toen Bossu haar kwam bespringen, En met scherpgewette klingen, Woedde op hare Burgerij.

Wij kennen allen de monumentale fontein op de Nieuwemarkt. Bezien we deze nader, dan lezen wij de volgende opschriften: Ter Herinnering aan de feestviering van 1 April 1872-1 April 1572. Het morgenrood der vrijheid--Onthuld 22 October 1874--

Den Briel ontrukt aan Spanje Behouden door Oranje.

Het statige, uit zandsteen gehouwen vrouwenbeeld, dat het geheel kroont, stelt de Nederlandsche Maagd voor. Zij rust met de hand op een speer, waarop de vrijheidshoed prijkt. De hoeken zijn versierd met vier staande leeuwtjes, die als schildhouders dienst doen. Daaronder zien we vier mannenfiguren, voorstellende: een Batavier, een Poorter, een krijgsman en een zegelbewaarder[13]. De hardsteenen kom, die het water opvangt van twee zwanen en twee dolfijnen, voltooit het geheel. Ge wist het al wel en anders vertellen de opschriften het u zeer duidelijk, dat dit monument daar is geplaatst als een herinnering aan een der roemruchtigste gebeurtenissen uit onze heldenhistorie: de inneming van den Briel door de Watergeuzen.

[13] Een zegelbewaarder was een der hoogste ambtenaren, aan wien de bewaring van het Staatszegel was toevertrouwd en die de stukken van den Staat uitgaande, moest zegelen.

Waarom heeft men dit gedenkteeken nu juist in Rotterdam opgericht? Heeft onze stad dan wat met de inneming van den Briel te maken gehad?

Zeer zeker, en niet weinig ook. De Rotterdamsche burgerij, die in 1872, bij het driehonderdjarig herdenken van dit overbekende wapenfeit zoo duchtig heeft feest gevierd, had daarvoor in 1572 al zeer weinig reden. Gloorde voor de Brielenaren de dageraad, voor de Rotterdammers werd het donkere nacht; zal de daad der Watergeuzen menig dankgebed in de St. Catharinakerk hebben doen opgaan, de St. Laurens zal de stille getuige geweest zijn van menige smeekbede om verlossing; zal de grijze steenklomp aan den Maasmond met vreugde en trots de wapperende Oranjekleur aan land en zee hebben vertoond, onze oude toren zal met smart en tegenzin de Spaansche kleuren hebben gedragen. En wij willen hopen voor de jubelende Rotterdammers uit 1872, dat er ook onder hen zijn geweest, die zich een oogenblik aan de feestvierende menigte hebben onttrokken en met eenigen weemoed de voorvaderen hebben herdacht, die in 1572 door de handen der moord- en plunderzieke Spanjaarden zijn gevallen.

Den 1sten April 1572 was den Briel door de Watergeuzen ingenomen. Zoodra Bossu, stadhouder van Holland, van de Rotterdamsche burgemeesters deze tijding in den Haag ontving, spoedde hij zich naar Maaslandsluis (Maassluis). Hier trok hij zijn troepen te zamen, stak den Maasmond over[14] en landde in de Bornesse, tusschen Voorne en Putten. Onder bewaking van een geringe krijgsmacht liet hij de transportschepen daar achter en rukte zelf op den Briel aan. Krachtig tastte hij de stad aan en het scheen, dat de Spanjaarden overwinnaars zouden blijven in den strijd. Daar veranderden echter de oorlogskansen: de Geuzen hadden een bondgenoot gekregen in het bruisende water, dat den polder, waarin gestreden werd, binnenstroomde. Rochus Meeuwiszoon, een Brielsch timmerman, had al zwemmende, onder een regen van musketschoten, de Nieuwlandsche sluis weten te bereiken en open te hakken, zoodat het terrein van den strijd geheel onder water kwam te staan. Toen bovendien de slecht bewaakte transportschepen door de Watergeuzen in brand waren gestoken of tot zinken gebracht, oordeelde Bossu het maar het verstandigst het beleg op te breken en de stad voorloopig in handen der Watergeuzen te laten.

[14] Rozenburg bestond nog niet.

Hoezee! Behouden was den Briel, Door Rochus Meeuwisz. trouwe. Hij was er een met hart en ziel Voor Willem van Nassouwe. Wie ooit op Neêrlands vrijheid roem' Zorg' dat hij Rochus Meeuwisz. noem.

Waar moest hij nu echter heen? De weg over den Maasmond was voor hem zoo goed als afgesloten. Al had hij schepen kunnen bemachtigen, dan toch zou de overtocht te gevaarlijk geweest zijn, daar de »Piraten« met hun vlugge zeilers de geheele Maas bestreken. Van den nood een deugd makende, besloot hij daarom oostwaarts op Dordrecht aan te trekken. Voor deze stad gekomen, vonden de Spanjaarden echter de poorten gesloten, en hoe mooi Bossu ook praatte, ze bleven dicht; men verkoos het ruwe krijgsvolk niet binnen zijn muren te ontvangen. Het eenige, wat de verbolgen Bossu wist te verkrijgen, was, dat Dordrecht hem de transportschepen leverde, waarmede de troepen verder vervoerd zouden kunnen worden. Het lag in de bedoeling van den stadhouder met deze schepen weer naar Maassluis te stevenen. Dicht bij Rotterdam gekomen, vernam hij echter, dat de Watergeuzen Delfshaven hadden bezet, zoodat hij wel genoodzaakt was van plan te veranderen. Voor Kralingen liet hij dan ook landen en ontscheepte zijn troepen aan den Honingerdijk.

Het was in den avond van den 8sten April, dus pas een week na de inname van den Briel, toen Bossu zich met zijn mannen voor de Oostpoort vertoonde en verlangde binnengelaten te worden, om--zoo hij zeide--met zijn manschappen weer door de Delftsche Poort de stad te verlaten. Aan Bossu zelf werd toegang verleend. Burgemeesteren en Vroedschap ontvingen hem op het Raadhuis, waar hij zijn verzoek om doortocht herhaalde. Bevreesd voor Alva's toorn, indien men niet aan het verzoek van den stadhouder voldeed, was het stadsbestuur aan de andere zijde toch ook weer niet erg geneigd de poorten voor de Spanjaarden te openen, daar het vreesde, dat deze, als ze eenmaal in de stad waren, ze niet zoo spoedig zouden verlaten, als wel door Bossu beloofd werd. Het is dan ook lang niet onmogelijk, dat de bestuurders onzer stad zich van de zaak wilden afmaken, door zich op de vijandig gezinde menigte te beroepen, die aan de Oostpoort was saamgestroomd en met geweld wilde beletten, dat de poort geopend werd. Hoe het zij, de troepen werden niet toegelaten en moesten den nacht in de open lucht doorbrengen. Het eenige, wat het stadsbestuur deed, was den soldaten voedsel en bier verstrekken.

[Illustratie: De troep van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572.

(Reproductie van één der Schoolplaten voor de Vaderlandsche Geschiedenis.--De Jongh en Wagenvoort.)]

Den volgenden dag, nadat Bossu nog eens sterk op opening der poort heeft aangedrongen en nadat de Pastoor der St. Laurenskerk, Duifhuis, de menigte voor de poort kalmeerend heeft toegesproken, besluit men eindelijk de Spanjaarden door te laten. Met rotten van 25 man zullen ze worden toegelaten, mits de lonten gedoofd en de musketten naar beneden gericht zijn. Pas is de brug neergelaten en de poort geopend, of het krijgsvolk dringt in grooter getal naar binnen dan als voorwaarde is gesteld. De smid Zwart Jan, die met anderen de wacht houdt, maakt Bossu hierop opmerkzaam. De trotsche edelman, in woede ontstoken over deze terechtwijzing van een geminachten poorter, bijt hem toe: »Het voegt u niet, 's konings krijgslieden te tellen«. Gelijktijdig heft hij zijn zwaard en slaat daarmede in de richting van Zwart Jan. Deze weet den slag echter te ontwijken en valt nu op den Graaf aan, die ten tweedenmale naar den smid slaat en hem nu zoodanig treft, dat deze machteloos ter aarde zinkt. Een musketkogel treft hem ter zelfder tijd in de borst en Rotterdam telt een plichtvol burger minder.

Daar zwom hij in zijn heldenbloed, Vertrapt door 't woedend rot, En gaf, gelijk een held het doet, Zijn vrome ziel aan God.

Deze korte strijd is het sein voor een algemeenen aanval op de burgerwacht. De bakker Jan Dominicuszoon heeft met anderen weldra het lot van zijn wapenbroeder gedeeld.

En woedende om den wederstand, Met bloedig moordtuig in de hand, Stoof heel het bent de stadspoort binnen.

[Illustratie: In Duizend Vreezen.]

Joelende en tierende gaat het naar de Grootemarkt, waar de Spaansche vlag wordt geplant. Wie tegenstand biedt, wordt gedood. De Delftsche poort, verdedigd onder den oud-burgemeester Jan Jacobsz. Roos, die eveneens met velen zijner getrouwen het leven laat, is ook weldra in het bezit der Spanjaarden, die nu heer en meester zijn in de stad. Schrikkelijk houden ze thans huis. Mannen, vrouwen en kinderen, het moet alles nu boeten voor de aanvankelijke weigering om de Spanjaarden binnen te laten. Velen verbergen zich voor de moord- en plunderzieke bende. Een huis op den hoek van het Hang biedt een schuilplaats aan enkele familieleden en vrienden. Om het den schijn te geven, of de woning reeds doorzocht is en er dus geen buit meer te behalen valt, heeft de bewoner de deurpost met bloed besmeerd. De list gelukt en een ander huis wordt binnengeloopen en geplunderd, maar niet voor men den weerloozen bewoner uit het hoekhuis aan zijn been in de deuropening heeft opgehangen en dit met een kogel heeft doorboord. Gelukkig werd de man nog intijds gered; hoewel hij zijn geheele leven kreupel bleef, genas hij van zijn wonden.

[Illustratie: IN DUIZEND VREEZEN

De zinnebeeldige voorstelling op den steen is niet met zekerheid bekend. Het is waarschijnlijk, dat we in het Lam de Republiek te zien hebben, die van alle zijden door gevaren--de roofdieren--wordt bedreigd. In de twee mannen zouden dan het Staatsche en Spaansche leger verpersoonlijkt zijn.]

Op de plaats, waar dit huis stond, bouwde men in 1594 een nieuw pand. Als herinnering aan de angstige oogenblikken, die de in den kelder verscholen vluchtelingen doorgebracht hadden, metselde men in den gevel een steen, met het opschrift: »In Duizend Vreezen«.

Het oude huisje met het aantrekkelijk oud-Hollandsche trapgeveltje, waarvan nog een model in het Museum van Oudheden te zien is, werd later afgebroken en in nieuwerwetschen stijl herbouwd, maar toch draagt het nog steeds den naam, »In Duizend Vreezen«.

Niet alleen, dat de Spanjaarden hun woede koelden tegen de levenden, ook het levenlooze moest het ontgelden. Erasmus, toen nog van steen, werd beschoten, verminkt, en in het Steiger geworpen.

Hoewel Bossu zelf den 22sten April Rotterdam reeds weer verliet, bleven de Spaansche troepen hier tot 22 Juli, toen ze door Alva naar het Zuiden werden ontboden. Een zucht van verlichting zal onze stad geslaakt hebben, toen de poort gesloten werd achter de muitzieke bende, die voor haar vertrek nog, hoewel gelukkig vergeefs, getracht had, de stad in vlammen te doen opgaan. Is het te verwonderen, dat het volgend jaar, toen door den Prins hulp werd gevraagd om Haarlem te ontzetten, vele stadgenooten, onder wie ook de latere beroemde Oldenbarnevelt, optrokken; dat ze in 1574 zonder morren hun stad voor een deel onder water zagen zetten, toen dit door de in den Maasdijk gemaakte gaten binnenstroomde? De herinnering aan de ondervonden behandeling van de dienaren was niet van dien aard, om de trouw aan den meester te versterken. Rotterdam koos de zijde van den opstand. Men richtte zelfs het oude Agnietenklooster aan de Botersloot--ter plaatse waar nu de Nieuwemarkt gevonden wordt--in, als tijdelijke woonplaats voor den Prins van Oranje.

Is het te begrijpen, dat men juist dezen historischen grond, bij de Prinsenkerk en Prinsenstraat, de eer waardig keurde, de monumentale fontein te dragen?

Als ge door de Oostpoort gaat, bezie dan af en toe eens den steen, daar ingemetseld als herinnering aan het verblijf der Spanjaarden, lees het opschrift en verwijl in uw geest een korte pooze bij mannen als Zwart Jan en Jan Dominicuszoon.

11. Rotterdam vergroot naar de Maas.

»Daar hij[15] slib en slijk weleer Uit zijn kill' plagt op te lossen, Ziet hij nu de speelkarossen Daeglijks rijden ginds en weer«.

[15] De Rotte.

Na het vertrek van Bossu met zijn soldaten heeft Rotterdam de Spanjaarden gelukkig niet meer binnen zijn muren gezien. Na het ontzet van Leiden in 1574 werd het oorlogstooneel, dat steeds in de Noordelijke Nederlanden geweest was, zuidelijker verplaatst.

In twee opzichten is dit voor de Noordelijke steden--ook voor Rotterdam--van groot belang geweest.

Nu toch konden handel, scheepvaart en industrie, die voor een goed deel verloopen waren, zich weer herstellen van de toegebrachte slagen. Dank zij de inspanning en volharding onzer voorouders merken we dan ook ± 1600 in haast alle steden--en niet het minst in onze stad--een wederopbloei van deze middelen van bestaan. Weldra heerschte er in de koopsteden een betrekkelijke welvaart, zooals men die vóór den oorlog niet had gekend.

Middellijk had hiertoe de oorlog zelf mede geholpen.

Het verblijf van de Spanjaarden in de Zuidelijke Nederlanden toch, deed een groot aantal kooplieden en handwerkslieden die gewesten ontvluchten en zich in de groote steden in Noord-Nederland vestigen. Na de Spaansche Furie in 1576 en vooral na den val van Antwerpen in 1585, kwamen velen uit deze en andere Belgische steden naar ons land. Middelburg, destijds een flinke koopstad, zag op deze wijze in drie jaar tijd zijn bevolking met 2700 nijvere burgers vermeerderen. De toeloop in Rotterdam was niet zóó groot, maar toch kwamen er hier ook heel wat, zoo bv. in 1584 vijftig weversgezinnen. Het stadsbestuur zag zulke gasten gaarne komen. Zij verstonden--en in den regel goed--een ambacht, brachten op deze wijze nieuwe industrieën in de stad en daardoor leven en vertier, werk en brood.

Het gevolg van dezen toevloed van nieuwe bewoners was al heel spoedig een te kort aan woningen, zoodat men alle nog beschikbare ruimten ging bebouwen.

In dien tijd zijn toen een groot aantal huisjes verrezen tusschen Goudschesingel, Goudsche Wagenstraat, Kipsloot en Pannekoekstraat. Bijkans dit geheele stuk was nog onbebouwd en in gebruik als boomgaard, weiland en lijnbanen. Langs de talrijke slootjes, die dit terrein doorsneden, bouwde men in smalle, donkere straatjes, huizen, die natuurlijk erg vochtig en ongezond moesten zijn.

Hier en daar bracht men, op erg ondiepe bouwterreinen, de huizen met den achterkant zelfs tot aan het water. Voorbeelden van deze bouworde kunnen we nog heden ten dage zien aan het Hang en de Weste-Wagenstraat.

Niet alleen dat er gebrek aan huizen ontstond, men kreeg evenzoo een te kort aan werkplaatsen, pakhuizen en havenruimte. Daarom ging men er toe over de stad uit te breiden en wel naar den waterkant, dus naar de Maaszijde. De Blaak en de Nieuwe Haven waren de stadsgrachten; daar voor strekte zich een groot terrein uit, rivierslib, door de Maas zelf gedurende eeuwen daar neergelegd. Dit gors of slik werd opgehoogd, omdat het veel te laag en moerassig was, om, zooals het daar lag, in gebruik te worden genomen. Den grond voor deze ophooging verkreeg men, doordat men tegelijk havens ging graven. Zoo ontstonden: Haringvliet, Buizengat, Leuvehaven, waarvoor men de Leuve alleen had uit te diepen en te verbreeden, Glashaven, Bierhaven, Wijnhaven en Scheepmakershaven[16].

[16] Zie het kaartje op pag. 31.

De namen dezer havens duiden al aan, waarvoor ze voornamelijk dienden, òf waar de Rotterdammers hun bestaan in vonden. De wijnhandel en de bierbrouwerij waren van zoo groote beteekenis, dat er twee havens naar werden genoemd. Twee andere herinneren ons aan de visscherij; de Scheepmakershaven aan de scheepsindustrie. De Glashaven verkreeg haar naam, omdat het eerste gebouw aan deze haven een glashuis of glasblazerij was.

Om de stad, die nu tot aan de Maas gebracht was, te versterken, werden er verschillende bolwerken gemaakt. Deze zijn thans al lang verdwenen, maar het tegenwoordige Bolwerk duidt nog aan, waar één er van gelegen heeft. Achter de Scheepmakershaven bouwde men langs de Maas een muur. Hier zou dus het landen voor vijandelijke schepen al heel gemakkelijk gemaakt zijn. Dit was echter niet de bedoeling en daarom werden er langs de geheele Maaszijde, op een afstand van eenige Meters, palen in de Maas geslagen, die dus als verdedigingsmiddel bedoeld waren.

De werven, die aan de Scheepmakershaven ontstonden, lieten tusschen deze en de Maas nog een breede strook grond open. Hier werden door het Stadsbestuur drie rijen lindeboomen geplant (later vervangen door twee rijen olmen), die aan deze wandelplaats, want dit werd het, den naam Boompjes gegeven hebben. Daar kon men in de 17de eeuw, op zomersche dagen, wanneer de brandende zon den geheelen dag had gelaaid en gestoofd en de sloppen en stegen tot ovens had gestookt, de Rotterdammers, zoowel rijken als armen, verkwikking en verpoozing zien zoeken in het frissche rivierwindje en den heerlijken aanblik, die de zacht deinende Maas met haar langzaam naar den mond der Oude- of Leuvehaven voortglijdende schepen aanbood.

Om den toegang tot deze havens te beschermen, werden er vier poorten gebouwd. Die aan de oostzijde van de Oudehaven werd de mooiste. Ze is later bekend geworden als de Oude Hoofdpoort en gebleven tot 1856, toen dit kunstwerk, daar men het voor het verkeer hinderlijk achtte, onder sloopershanden is gevallen. Modellen in het Museum van Oudheden vertellen ons thans nog, hoe de Rotterdamsche poorten er hebben uitgezien.

[Illustratie: De Boompjes, met het Oost-Indisch huis op den voorgrond.]

[Illustratie: De Oude Hoofdpoort van de Maaszijde gezien.

Het scheepje, dat als windwijzer dienst doet, wordt in het Museum van Oudheden bewaard. Het gat in het zeil is door een in 1830 naar België vertrekkenden schutter daarin geschoten.]

Des nachts werd de toegang tot de haven tusschen de twee poorten afgesloten door een zwaren balk, met stevige ijzeren punten bezet.

Aan de westzijde der Leuvehaven werd de stad eveneens uitgelegd. De Coolsingel werd als Schiedamschesingel tot in de Maas verlengd. Aan dezen nieuwen Singel werden twee bolwerken gebouwd. Eén ervan lag ter plaatse, waar de Singel de bocht maakt naar het Vasteland. Ook moest de Schiedamsche Poort, die op het begin van den Schiedamschedijk stond, verplaatst worden. Ze werd op het Vasteland gebouwd en kreeg om haar kleur den naam van Roodepoort. Tusschen den Coolsingel en den Schiedamschesingel kwam ten slotte de Binnenwegsche Poort, die toegang tot den Binnenweg gaf.

Dit alles was voor dien tijd een reuzenwerk, dat jaren tijds en schatten gelds kostte. Dat men het noodig oordeelde en durfde ondernemen, is wel het beste bewijs voor de welvaart, die hier heerschte; den sterken vooruitgang, dien men verwachtte; den grooten ondernemingsgeest en den ver vooruitzienden blik, dien onze Vroedschap bezat; want ge begrijpt wel, dat die havens zich niet als door een tooverslag vulden, dat de kaden niet direct geheel en al bebouwd werden. Dit ging geleidelijk. Woonhuizen hebben zelfs in dit stadsdeel lang op zich laten wachten. Maar een glasblazerij, pottebakkerijen, bierbrouwerijen, touwbanen, scheepswerven, met daartusschen pakhuizen voor de koopmansgoederen--ze verrezen tamelijk spoedig.