Langs Rotte Maas En Schie I Schetsen Uit De Geschiedenis Van Ro

Chapter 4

Chapter 43,774 wordsPublic domain

Zóó hecht en sterk is de ijsspiegel, dat hij zelfs tenten en uitstallingen van allerlei grootte en zwaarte kan dragen. Sleden en vrachtwagens met honderden ponden beladen, wagen zich zonder vrees op het gestolde watervlak. Een ondernemende hoefsmid heeft voor de St. Laurenspoort zijn werkplaats opgericht en zet de paarden scherp, zoowel van den vrachtboer als van den gegoeden stedeling, die zich in zijn slede over de baan laat voeren. Hier en daar zien wij zelfs kolfbanen afgebakend, en verlustigen de poorters zich met dit geliefde, oude volksspel.

Sinds het laatst van November reeds, kan men dagelijks van dit schilderachtig en levenslustig tafereel genieten.

Thans echter schijnt er een eind aan te zullen komen. Een krachtige Noordwestenwind is opgestoken, een sterke dooi ingevallen. De opgestuwde wateren hebben de metalen ijskorst reeds hier en daar doen barsten.

De Vroedschap roept de poorters door klokgeklep voor het Stadshuis en laat mededeelen, dat alle kramen en verdere opstallen van de Maas verwijderd moeten worden. Het sterk opgestuwde water kan in zijn wilden loop ieder oogenblik den ijsvloer verbreken en medevoeren.

Niet allen helaas nemen den welgemeenden raad van het stadsbestuur ter harte. Een groote menigte geestelijken maakt zich zelfs op tot een tocht over de rivier. Wat mag het wel zijn, dat deze vrome mannen het waarschuwend woord van hun Overheid in den wind doet slaan? Is het de zucht tot genot, die hen nog een laatsten keer van het ijsvermaak wil doen genieten? Geenszins, vrome ijver drijft hen, niettegenstaande den ingevallen dooi, dezen reeds lang van te voren beraamden tocht te ondernemen.

Aan den overkant der Maas ligt het nederig dorpje Charlois in het ambacht van dien naam. Het is aldus genoemd naar den heer van Charollois (Karel den Stouten), die de »concessie« tot bedijking heeft verleend. Het aan St. Clemens gewijde bouwvallige houten kerkje is thans van steen opgetrokken en het kerkgebruik eischt een hernieuwde inwijding. Daarom trekt men in plechtigen optocht over de reeds dooiende ijsvlakte. Luid klinken de lofzangen der vrome geestelijken en koorbroeders, omstuwd door een ontelbare menigte, die mee optrekt. De wind giert en het ijs is reeds allerwege met water overdekt. Haast is men op de plaats van bestemming gekomen. Maar hoor, wat is dat! Welk een machtig geluid, dat de angstkreten der processie overstemt! De broze ijsvlakte waggelt onder de voeten van de bijna 5000 menschen, die zich juist boven een draaikolk bevinden, waardoor de ijskorst niet zoo hecht en sterk is, als op andere plaatsen. Schrik en ontzetting teekenen zich op ieders gelaat. Daar scheurt met een donderend geluid het ijs van een, in wilde vaart worden menschen en ijsschollen door het van zijn boeien ontslagen water medegevoerd. Ruim 4000 menschen vinden hun graf in »de Monnikkenput«; in weinige oogenblikken is geheel Rotterdam en omstreken in diepen rouw gedompeld.

Eén groot graf heeft men voor de talrijke slachtoffers van de ramp gegraven. Nabij den Sluisjesdijk, aan den weg naar Pernis, vonden ze hun laatste rustplaats.

7. Erasmus.

1467-1536.

De achtbre wijsheit zelf knielt neer Voor Uw grooten Desideer.

Ieder onzer kent wel den grijzen monnik op de Grootemarkt, die, zonder zich te storen aan het geroezemoes der groentevrouwen vòòr hem, of het ratelen van den trein àchter hem, aandachtig in zijn boek staat te lezen. Gedurende al de jaren, die over hem zijn heengegaan--en dat zijn er heel wat--heeft hij geen oog opgeslagen.

* * * * *

Desiderius Erasmus Rogerii, of Erasmus Roterodamus, zooals hij zich schreef, werd ± 1467 in het huisje in de Wijde Kerkstraat, dat later naar hem het Erasmushuisje genoemd is, geboren. Dit gebouwtje bestaat reeds sinds lang niet meer, maar toch kunnen we ons nog een denkbeeld vormen van het uiterlijk. Men heeft nl. de gelukkige gedachte gehad den vroegeren gevel in zijn oorspronkelijken vorm tegen het daar nu staande huis aan te bouwen. Om de illusie nog volkomener te maken, heeft men ook een luifel en den klopper, waarvan vroeger haast alle huizen voorzien waren, aangebracht.

* * * * *

Den 27sten September 1549 was er in onze stad een aanzienlijk gezelschap bijeen. Philips van Spanje, de latere Philips II, en zijn tante Maria van Hongarije, de Landvoogdes, die met een aanzienlijk gevolg de Nederlanden doorreisden, vereerden ook Rotterdam met een bezoek. De tweeëntwintigjarige Prins, die deze reis op verlangen van zijn vader deed, om kennis te maken met zijn toekomstige onderdanen, werd feestelijk ingehaald. De geheele versierde stad jubelde den hoogen gast het welkom tegen. De huizen waren behangen met lakens van verschillende kleuren, voornamelijk rood en wit. Op alle waren de letters P. P. aangebracht, wat de dubbele beteekenis had van: »Aan Prins don Philips« en »Padre de la Patria«, dit is »Aan Prins Philips, den Vader des Vaderlands«. De burgemeesters, toen twee in getal, beijverden zich den Prins volgens rang en stand te ontvangen. Ze leidden hem door de kwistig getooide straten, tusschen twee rijen poorters, die, naar Zuidelijk gebruik, met brandende fakkels in de hand stonden. Toen de stoet op de plaats kwam, waar nu de Grootemarkt is, maar destijds nog voor het grootste deel water was, werd er halt gehouden. Hier wachtte Erasmus, de geleerde en beroemde Rotterdammer, den Prins op en overhandigde hem een welkomstgroet, geschreven in de taal der geleerden, het Latijn, en vertaald aldus luidende:

»Desiderius Erasmus aan Filips van Bourgondië, Prins van Spanje. Rotterdammer zijnde, heb ik wel willen toonen, dat ik mijne medeburgers niet verlaat. Op hun verzoek heet ik U, doorluchtige Prins, welkom binnen onze wallen, en ik beveel dit volk aan in Uwe genegenheid en bescherming. Allen huldigen U, o Keizerszoon, als Heer en kennen geen grooter geluk«.

Philips betoonde zijn tevredenheid, door onder de saamgestroomde menigte handenvol geld te strooien, wat denkelijk eveneens de goedkeuring onzer voorvaderen wegdroeg en voor de koninklijke bezoekers een amusement te meer was.

De Prins kon Erasmus zelf niet danken voor zijn welkomstgroet, evenmin als deze den keizerszoon den volgenden morgen in zijn nederige woning kon rondleiden, toen Philips na de godsdienstoefening in de St. Laurenskerk te hebben bijgewoond, een gang deed naar het geboortehuis van Erasmus en dit woninkje bezichtigde. De groote geleerde toch was reeds in 1536 te Bazel gestorven en met veel statie in de hoofdkerk begraven. Nog wijst een gedenkteeken, door zijn vereerders opgericht, de rustplaats aan van den grooten denker. En hoe kon Erasmus dan den vorigen dag Philips verwelkomen, zult gij vragen? Het zal u duidelijk zijn, als we zeggen, dat de feestredenaar van ..... hout was.

* * * * *

Zooals we zagen, werd Erasmus ± 1467 te Rotterdam geboren. Zeer kort daarna verliet hij deze stad, waar hij nooit meer is teruggekeerd.

[Illustratie: ERASMVS ROTERODAMVS.]

Gouda werd zijn woonplaats, waar hij zijn eerste opvoeding en onderwijs genoot. Daarna woonde hij te Utrecht en kwam in 1478 te Deventer op de Fraterschool. Reeds als kind blonk hij zoo zeer uit door schranderheid, ijver en leerlust, dat hij zich op twaalfjarigen leeftijd door een beroemd persoon hoorde toevoegen: »Ga zoo voort, eenmaal wordt gij een groot man«. En hij heeft zijn leermeesters niet teleurgesteld; integendeel, hij heeft hun stoutste verwachtingen overtroffen. Als groot geleerde heeft hij zich een naam gemaakt, die nu nog in alle beschaafde landen met eere wordt genoemd. De boeken, die hij heeft geschreven, zijn in vele talen overgezet en worden thans nog gelezen en bewonderd. »De lof der zotheid« is zijn bekendste werk.

Als monnik heeft hij een tijdlang in een klooster te Stein bij Gouda doorgebracht, waarna hij in verschillende landen, o. a. Zuid-Nederland, Frankrijk, Engeland, Italië en Zwitserland reisde en studeerde, zich steeds grooter naam als geleerde verwervende. Koningen en Keizers overlaadden hem met gunsten en eerbewijzen, en bij zijn bezoeken aan verschillende plaatsen werd hij gevierd, als was hij van koninklijken bloede. Als een bewijs, dat men den grooten geleerde nog steeds eert, kan het bericht in Engelsche bladen dienen, dat de toren van de Anglikaansche Kerk te Aldington voltooid is en daarmede een werk, dat ondernomen werd ter eere van Erasmus, die korten tijd rector van die gemeente is geweest. Het geld voor dezen toren, die men vier eeuwen geleden begon te bouwen en in 1911 eindelijk voltooid is, werd bijeengebracht door vereerders van Erasmus over de heele wereld.

Al had hij na zijn prille jeugd Rotterdam nooit meer betreden, hij noemde zich toch steeds Erasmus Roterodamus; hij maakte zijn geboortestad, die aldus in zijn roem deelde, tot ver over de landsgrenzen bekend, en het is dus in de Rotterdammers te prijzen, dat ze 13 jaar na zijn dood den grijzen geleerde nog eens ten tooneele voerden, om als een waardige zoon van zijn vaderstad den Prins te verwelkomen.

Wat nu echter met het houten beeld gedaan? Opbergen tot er zich weer een feestelijke gelegenheid voordeed? Onze voorouders wisten beter. Ze plaatsten het op de brug, die over het Steiger gelegd werd en aldus het West-Nieuwland met de Hoogstraat verbond. Op deze brug werd markt gehouden, zoodat de man, die bij zijn leven steeds de stilte en de eenzaamheid zocht, in Rotterdam althans deze nooit heeft gekend. Want al meer dan 300 jaren is hij getuige geweest van het bedrijvige marktgewoel vóór hem.

Niet lang duurde het, of regen en wind hadden het houten beeld verteerd. Men was echter reeds te zeer gehecht aan en te trotsch op dezen beroemden stadgenoot om hem voortaan niet meer in zijn midden te wenschen. Daarom verrees er in 1557 een beeld van steen, dat beter tegen den tand des tijds bestand was en het tot 1622 uithield. Toen werd door den beroemden beeldhouwer Hendrik de Keyser--naar wien de Hendrik de Keyserstraat is genoemd--een nieuw beeld van koper vervaardigd. Dit metalen gietsel heeft de eeuwen getrotseerd en staat nog ongeschonden op de Grootemarkt.

Wanneer de ernstige man eens spreken kon, wanneer hij zijn eigen lotgevallen en die van zijn stad eens kon verhalen, ge zoudt wat hooren. Hij zou u vertellen van al de veranderingen, die in zijn onmiddellijke omgeving hebben plaats gegrepen; hoe langzamerhand mèt de stad, ook zijn terrein, de Markt is gegroeid; hoe de eenvoudige houten brug, waarop hij eerst een plaatsje kreeg, is geworden tot het breede terrein van heden. Hij zou u wat weten te vertellen van al de Rotterdammers, die hij aan zijn voeten heeft zien spelen, groot worden en heengaan. En wanneer de geleerde eens van eigen lijden en strijden ging verhalen! Dan zou hij u spreken over de woeste Spanjaarden, die hem in 1572 beschoten, verminkten en ten slotte te water wierpen, hoe hij later weer is opgehaald en opnieuw zijn oude plaats verkreeg. Hij zou het tegenwoordige geslacht zeker ook danken, dat het hem met rust laat en 's zomers niet meer blank poetst, want hij schaamt zich zijn oud gewaad, dat bij zijn ernstig uiterlijk past, niet. Met smart zou hij u spreken van den Franschen tijd; hoe hij er getuige van is geweest, dat daar voor hem de brooddronken Rotterdammers hand in hand met de Franschen om den vrijheidsboom dansten; van de daarop gevolgde vernedering, die zijn vaderstad ondervond; van den handel, die verliep; de industrie, die kwijnde; de armoede, die heerschte; hoe hij zelf in angst en beven verkeerde, toen Napoleon, bij zijn bezoek aan Rotterdam, hem, den man des vredes, tot kanonnen had willen gieten; van zijn dankbaarheid, toen vermogende stadgenooten dit gevaar door betaling van een aanzienlijke som gelds wisten te bezweren. En zeker zou hij u met fierheid verhalen, hoe hij, na de jaren van vernedering te hebben medegemaakt, zich op een morgen, met de oranjekleur getooid, aan zijn medeburgers vertoonde, hoe hij door zijn tweeregelig versje:

Durft niemand nog Oranje dragen, Ik durf mijn grijzen kop wel wagen,

een der eersten was, die den Franschen dwingeland openlijk durfde trotseeren.

8. Anneken Jans.

Nadat Maarten Luther in 1517 de 95 stellingen aan de slotkerk te Wittenberg had aangeplakt en daarmee openlijk met de Roomsch-Katholieke kerk en leer had gebroken, sloten zich velen, die slechts op een voorganger hadden gewacht, bij den Hervormer aan.

Begon de Hervorming in Duitschland, als een niet te keeren stroom drong ze voort over de grenzen. Weldra waren er ook in ons land velen, die, hetzij openlijk, hetzij in het geheim, de nieuwe leer beleden.

De veranderingen, die Luther en zijn volgelingen wilden invoeren, bepaalden zich tot den godsdienst. Andere Hervormers echter wilden niet alleen de kerk, maar ook de maatschappij volgens hun inzicht inrichten; ze droomden zich onder meer een samenleving in gemeenschap van goederen.

Onder Jan Mathijszoon van Haarlem en Jan van Leiden wisten deze godsdienstige dweepers--Wederdoopers werden ze genoemd, omdat zij zich voor de tweede maal lieten doopen--Munster in Duitschland in hun macht te krijgen. In deze stad ging men nu leven volgens de door hen verkondigde denkbeelden. Er werden daar echter, zoowel door de voorgangers als de volgelingen, zulke buitensporigheden en wreedheden bedreven, dat ze terecht als gevaarlijk voor de maatschappelijke orde werden gebrandmerkt. Geen wonder dan ook, dat de aanhangers dezer leer aan felle vervolgingen blootstonden. Te vuur en te zwaard werden ze vervolgd; want, werden àlle afvalligen gevaarlijk geacht, de secte der Wederdoopers in dubbele mate. Wel waren er onder hen stille en bedaarde menschen, die al gelukkig geweest zouden zijn, indien ze ongemoeid hun nieuwe leer hadden kunnen belijden en verkondigen, maar in de vervolgingen, waaraan ze blootstonden, maakte dit geen onderscheid: ze waren allen des doods schuldig. Velen van hen zijn op gruwelijke wijze ter dood gebracht. Ook in Rotterdam hebben enkelen terecht gestaan. Van één dezer strafoefeningen willen wij hier wat verhalen.

* * * * *

Het is 24 December 1538. Zoo juist zijn twee vrouwen, die de Delftsche poort uittraden om met de schuit naar Delft te vertrekken, aangehouden. Ze zijn dezen morgen met den vrachtwagen van het Kralingsche Veer gekomen en hebben de onvoorzichtigheid begaan onderweg een lied te zingen, dat geen twijfel liet, of ze behoorden tot de secte der Wederdoopers. Een reiziger heeft enkele klanken opgevangen en spoedig is zijn besluit genomen. De 50 Carolusguldens[9], die op het aanbrengen van een ketter gesteld zijn, wil hij verdienen. Als de vrouwen, waarvan de jongste met een knaapje op den arm, zich na eenig oponthoud in de stad, te voet naar de Delftsche schuit begeven, snelt hij naar den Baljuw Minnebeek, wien hij zijn ontdekking mededeelt. Enkele »rakkers« worden den verklikker medegegeven en weldra zijn de beide weerlooze, doodelijk verschrikte vrouwen aangehouden. Nog denzelfden avond worden ze ten huize van den baljuw, voor dezen en de vier schepenen geleid. Daar hooren wij de ondervraging, de namen en ook de bekentenis, dat zij tot de gehate secte behooren. De oudste is Christina Michiel Barents uit Leuven, oud 50 jaar, de jongste Anneken Jans uit den Briel, 28 jaar oud. In plaats door ontkenning te trachten haar leven te redden, bekennen zij onbeschroomd tot de Wederdoopers te behooren. Met geestdrift, die haar rechters niet kunnen begrijpen, roept de jongste der vrouwen uit: »Gij hoort het, wij bekennen ons geloof, omdat het geen misdaad is, maar een eeuwige eere, dat men wordt waardig gekeurd om de martelkroon te dragen ter eere Gods, tot verheerlijking van dien Heer, die in der Eeuwigheid woont, Wiens oogen ons gadeslaan en Die ons roept tot een oordeel der wereld en tot Zijnen en onze glorie, Amen«.

[9] 1 Carolusgulden = f 1,675.

Thans is haar vonnis geveld. Ze zullen beiden den waterdood sterven.

Een maand is voorbijgegaan. Het is de 23ste Januari 1539 en het uur der voltrekking van het vonnis heeft geslagen. Beide vrouwen zullen verdronken worden buiten het Hofpoortje, waar de Rotte en Schie te zamen vloeien[10]. Naargeestig luidt de klok op dien somberen Januarimorgen. Bleek en verzwakt, de hoofden ontbloot, in het grauwe gewaad der boetelingen, de verkleumde handen wringende in doodelijken angst, treden ze nader. Achter haar loopen de beul en zijn knechten, niets dragende dan twee zakken en eenige koorden.

[10] Het tegenwoordige Hofplein, in 1829 gedempt.

De beul is gekleed in den bloedrooden mantel en heeft een witte twijg in de hand: het symbool der gerechtigheid.

Daar achter treden eenige geestelijken, die de ter dood veroordeelden straks woorden van moed en troost zullen toespreken, en baljuw en schepenen, allen plechtig in het zwart gekleed.

Zoo treedt de droeve stoet den Oppert in, omstuwd door een groote menigte, die getuige wil zijn van de terechtstelling. Hier en daar hooren wij een afkeurend gemompel tegen de goddelooze ketters[11], maar ook treffen ons oor uitingen van medelijden met de twee ongelukkigen, die, ten doode gedoemd, zich met wankelende schreden naar haar kille graf voortsleepen. Vooral de jongste wekt het medelijden op. Haar kind, een knaapje van nog geen twee jaren, houdt ze krampachtig in de armen gekneld. Met smeekenden blik keert ze zich tot de burgers en roept: »Goede lieden, in den naam Gods en ons aller Verlosser, op Wiens genade ik hoop, maak mij het sterven licht door dit arm, onschuldig kind tot u te nemen en op te voeden, in eere en in de vreeze Gods! Dit geld, alles wat ik nog bezit, zij het uwe, en Gods zegen zal er op rusten en uw werk is welgevallig in Zijn oog! Mannen, vrouwen, moeders als ik, moet ik dan sterven, sterven en mijn kind nalaten in handen van hen, die wellicht den zoon van de wederdoopster zullen mishandelen en haten om mijnentwil. Genade alleen voor hem; dit geld is toereikend voor zijn onderhoud! Is er dan niemand onder u allen? niemand! niemand! O mijn God, dit is de zwaarste beproeving!----de zwaarste!«

[11] Zoowel mannen als vrouwen werden ketters genoemd.

Iedereen is diep bewogen, maar geen arm strekt zich uit naar het hulpeloos jongske. Zou er dan niemand zijn, die den moed heeft het kind van een kettersche tot zich te nemen en daarmee zich aan het gevaar bloot te stellen, zelf voor een afvallige te worden aangezien?

»Daar drong een man de drommen door, Een schaamle bakkersknecht; Hij gaf zijn hart alleen gehoor En stapte voor 't geregt. Dit bloedje heeft geen maag of vrind; Ik ben niet rijk, maar geef mij 't kind, Vijf spruiten schonk mijn Machteld mij, Daar kan een zesde bij«!

Het gelaat van de ter dood veroordeelde moeder wordt door een laatsten vreugdeblos overtogen. Nog eens kust ze hartstochtelijk het weenende knaapje en geeft het daarna over aan den menschlievenden bakker, zeggende: »O, dat loone u God, brave man! volg mij, tot daar, dáár«!

[Illustratie: Anneken Jans reikt haar kind over aan bakker De Lint.]

En voort gaat de droeve stoet weer, het Hofpoortje uit. De schuit, die de vrouwen tot midden op het water zal brengen, ligt reeds gereed. Christina Barents wordt er opgebracht; de beul werpt haar een wijden zak over het hoofd en bindt dezen dicht. De beulsknechten doen hun plicht.... een kreet weerklinkt, een doffe plomp en de ongelukkige heeft haar straf ondergaan.

Thans is het de beurt van Anneken Jans. Nogmaals drukt de moeder haar lieveling aan het hart. Ze is gereed haar vonnis te ondergaan. Maar wat is dat? Vanwaar dat gekraak en angstgegil? Het brugje buiten de poort, propvol met nieuwsgierigen, is bezweken en een aantal menschen spartelt in den vloed.

»Men zegt, schoon wij 't met geen bewijzen kunnen staven, Dat hij, die Anna Jans verklikte en bragt in lij, Ook bij de aenschouwers was, en eer verdronk dan zij«.

Zouden Anneken Jans, de toeschouwers en de rechters, er geen teeken in zien van Gods toorn, dat men daar twee vrouwen ter dood brengt, wier grootste overtreding bestaat in het dienen van God op een andere wijze, dan volgens de wetten geoorloofd is? De rechters zeker niet, want geen genade wordt verleend. Nog eenmaal omhelst Anneken haar lieveling, daarna geeft ze hem aan zijn pleegvader. »Neem dit kind, zijn naam is Esaias, voedt het op in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen geestes, Amen«! Het zijn haar laatste woorden,--weldra is zij haar geloofsgenoote in den dood gevolgd.

* * * * *

Tegen den avond werden de beide vrouwen uit het water opgehaald en op het kerkhof aan het Roodezand begraven. Voor ter dood gebrachten en zelfmoordenaars was geen plaats in den gewijden grond rondom de St. Laurenskerk.

De bakker, De Lint genaamd, die in zijn edelmoedigheid het hulpeloos knaapje tot zich had genomen, zag zijn goede daad beloond. Zijn zaak nam van jaar tot jaar in bloei toe en de man, die eertijds met moeite zijn brood kon verdienen, liet bij zijn dood een aanzienlijke erfenis na[12].

[12] Volgens de overlevering woonde hij in de bakkerij, waar thans nog »In den Gloeienden oven« uithangt.

En het kind! Het had een gelukkiger leven dan zijn moeder. Esaias Arentsz. de Lint werd een welgesteld man en mocht zich in later jaren zoo in het aanzien zijner medeburgers verheugen, dat hij Burgemeester werd van de stad, waar zijn moeder was terechtgesteld. Moge hij zich in deze waardigheid verdraagzamer hebben betoond, dan zij, die zijn moeder hadden gerecht. Hij zal er haar gedachtenis het best door hebben kunnen eeren.

9. De Brand in 1563.

Het was Zaterdag 10 Juli 1563, omstreeks twee uur in den middag, dat er bij een kuiper in de Molensteeg brand uitbrak. De licht brandbare stoffen in de werkplaats gaven de ramp reeds van den aanvang af een ernstig aanzien. Hoe de meester en zijn gezellen, straks geholpen door de buren, al hun krachten inspanden het vernielend element te beteugelen, het mocht niet baten; zij stonden machteloos tegenover de hoog oplaaiende vlammen, die zich boven het West-Nieuwland verhieven. De toegesnelde mannen, die zich weldra met hun lederen emmers gewapend, dubbel hadden gerijd van de watertrappen aan de Grootemarkt tot de plaats des onheils, mochten zich weren zoo hard zij konden, mochten vliegensvlug de gevulde en weer geledigde emmers en ketels van hand tot hand doen gaan, de vlammen vonden een te willige prooi in de belendende gebouwen, werden te zeer aangewakkerd door den sterken zuidwestenwind, dan dat de strijd tusschen de twee elementen lang onbeslist kon blijven. Na zeer korten tijd stond de geheele steeg in lichtelaaie, kronkelden de lekkende vlammen om de houten huizen en de werkplaatsen, joeg een verstikkende rook over het oostelijk deel der stad, vlogen de brandende rietstengels hoog door de lucht, tot ze dwarrelend neervielen op de daken van de in de nabijheid staande woningen. Wel poogde men, door natte zeilen over de daken te leggen, den brand tot de steeg te beperken, maar vruchteloos; na korten tijd was het geheele West-Nieuwland, van Molensteeg tot Kolk één vlammenzee, die zich door niets liet stuiten, die voortrolde over de brug, welke naar den Rijstuin leidde, die de schepen in de Kolk aantastte en ze in rook deed opgaan, die zich wierp op Rijstuin en Hoofdsteeg, nieuw voedsel vond in Houttuin en Groenendaal, oversprong op Hoogstraat, Achterklooster en Goudsche Wagenstraat, om eindelijk in haar razenden loop bij de Hoenderbrug en Frankenstraat gestuit te worden.