Langs Rotte Maas En Schie I Schetsen Uit De Geschiedenis Van Ro

Chapter 1

Chapter 13,541 wordsPublic domain

Produced by the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoten | | zijn hernummerd en naar het eind van de bijbehorende alinea | | verplaatst. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Vette tekst is weergegeven als +vet+. | | Onderstreepte tekst is weergegeven als =onderstreept=. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens«. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org | | | +----------------------------------------------------------------+

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

P. R. BOS--C. L. VAN BALEN, Volledige Aardrijkskundige Leergang voor de Volksschool:

Nederland, 1e stukje, geïllustreerd +f 0,30+

Europa en de Wereld, 2e stukje, geïllustreerd +0,30+

De Wereld, Oost- en West-Indië en Nederland, 3e stukje, geïll. +0,30+

Atlas van Nederland +0,25+

Invulatlas van Nederland +0,10+

Eerste Atlas voor de Volksschool in 16 kaarten, _+10+e druk_, ingenaaid +f 0,30+, gecartonneerd +0,55+

Atlas der geheele aarde +0,35+

Invulatlas der geheele aarde +0,15+

Atlas voor de Volksschool in 40 kaarten en 52 platen, _+24+e druk_, ingenaaid +f 1,00+, gecartonneerd +f 1,40+, gebonden +1,75+

Toelichting +0,30+

Globes (hoofdelijk leermiddel) per dozijn in doos +0,90+

==>> ~_Bovenstaande boekjes en atlassen kunnen in de volgende leerjaren gebruikt worden:_~

Nederland } in het vierde leerjaar of in de laatste helft Atlas van Nederland } van het derde en in het vierde leerjaar.

~_Desverkiezende als uitvoeriger atlas hiernevens:_~ de Eerste atlas voor de Volksschool.

Europa en de Wereld } Atlas der geheele aarde } in het vijfde leerjaar. Invulatlas der geheele aarde }

~_Desverkiezende als uitvoeriger atlas hiernevens:_~ de Atlas voor de Volksschool; _en als hoofdelijk leermiddel voor de allereerste grondbegrippen der wiskundige aardrijkskunde_ de Globes.

De Wereld, Oost- en West-Indië en Nederland } Invulatlas van Nederland } in het zesde De atlassen en invulatlas der voorafgaande leerjaren } leerjaar.

* * * * *

Scholen met beperkt leerplan kunnen met de boekjes en atlassen van het vierde en vijfde leerjaar, welke een afgerond geheel geven, volstaan.

* * * * *

In een korte toelichting wordt de gang der methode en de wijze, waarop de schrijver enkele zaken aan de kinderen duidelijk maakt, uiteengezet.

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

LANGS ROTTE, MAAS EN SCHIE.

SCHETSEN UIT DE GESCHIEDENIS VAN ROTTERDAM,

DOOR

J. M. DROOGENDIJK en J. S. VERBURG.

EERSTE DEELTJE.--GEILLUSTREERD.

f 0,50.

TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS' U. M., 1911.

STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.

VOORBERICHT.

Bij het verschijnen van dit werkje is het ons een aangename plicht onzen hartelijken dank te betuigen aan Mej. Dr. H. C. H. Moquette, Adjunct-Archivaris en den Heer G. v. Rijn, Gemeente-Bibliothecaris, voor de zeer gewaardeerde medewerking, die wij van hen mochten ondervinden.

Voor de kaartjes zijn wij veel verplicht aan Dr. C. te Lintum, Leeraar aan de H. B. S. alhier. Ook hem onzen hartelijken dank.

Van de illustratie's danken wij er eenige aan particulieren; enkele zijn afkomstig uit het Museum van Oudheden, maar verreweg de meeste uit de rijke verzameling van het Gemeente-Archief.

Een woord van dank past hier zeker aan de ambtenaren dezer instellingen, benevens aan die van de Gemeente-Bibliotheek voor de groote welwillendheid, waarmede zij ons steeds weer behulpzaam waren.

Niet onvermeld mogen wij ook laten de bereidwilligheid, waarmede verschillende ambtenaren, verbonden aan onderscheidene Takken van Dienst in deze gemeente, ons steeds een afdoend antwoord gaven op onze vragen om inlichtingen. Ook waar wij een enkele maal bij particulieren aanklopten, vonden wij steeds een gewillig gehoor.

Hoewel het noemen van onze bronnen hier onnoodig geacht kan worden, willen wij een uitzondering maken voor het op de scholen nog te weinig gebruikte werk »Rotterdam in den loop der eeuwen« door Dr. C. te Lintum e. a. en de Rotterdamsche Jaarboekjes, die ons van zeer veel dienst zijn geweest.

Ons boekje is bestemd voor de hoogste klassen der Rotterdamsche scholen. We zijn nl. van meening, dat de historie onzer stad, voor zoo ver ze voor kinderen belangwekkend en begrijpelijk is, in deze leerjaren in verband met de Vaderlandsche geschiedenis onderwezen dient te worden. Ook op Herhalingscholen kan, naar het ons schijnt, dit werkje dienstig zijn, om bij de oudere leerlingen de belangstelling in de geschiedenis hunner woonplaats te wekken en levendig te houden, terwijl de uitgever van meening is, dat het boekje in een prachtbandje ook kan dienen als prijs voor de leerlingen, die de school verlaten.

ROTTERDAM, 1911. DE SCHRIJVERS.

1. De Wilde Venen.

I.

Wanneer twintig eeuwen geleden een verdwaalde Germaan in zijn kano, van den Ouden Rijn af, den grilligen loop der Rotte had gevolgd, zou hij, indien het eentonige landschap van riet en biezen aan den mond van dit riviertje had plaats gemaakt voor een wijd vergezicht over een onafzienbaren waterplas, geen Rotterdam hebben ontdekt. Van onze stad met haar 400.000 inwoners bestond nog niets. Geen dorp, geen gehucht, geen enkele hut zelfs zou het oog van den eenzamen reiziger hebben getroffen. Dit zou ook niet mogelijk geweest zijn, want van den bodem, waarop Rotterdam is verrezen, was òf nog niets, òf zeer weinig aanwezig. Daar spoelden nog lustig de golven van de breede binnenzee of lagune, door de Romeinen Helinium genoemd.

De enkele deelen, die zich aan den mond der Rotte misschien boven de wateren verhieven, kunnen een paar zandbanken geweest zijn.

We treffen nl. in onze stad enkele plaatsen aan, waar de ondergrond uit zand bestaat. Hier moeten zich dus vroeger zandbanken bevonden hebben, die, dit weet men zeker, al zeer vroeg te zien waren. De bedoelde deelen zijn Feyenoord en de Zandstraat met het Roodezand. Deze laatste twee straten hebben zelfs haar naam naar een dezer zandplaten ontvangen, die, van verre gezien, een rosachtig voorkomen had. Nu zou het mogelijk zijn, dat deze banken ± 2000 jaar geleden reeds boven het water uitstaken, maar zekerheid daaromtrent bestaat niet. Waar wij Rotterdammers, wat de geschiedenis onzer stad aangaat, echter toch al zooveel ten achter staan bij de bewoners van Wijk-bij-Duurstede, Nijmegen, Tiel, Utrecht, Vlaardingen, Voorburg, e. m. a., alle plaatsen, waarvan de geschiedenis zich tot ver in de grijze oudheid verliest, laten wij, om de historie onzer stad wat meer glorie bij te zetten, dan maar als vaststaand aannemen, dat deze deelen van den Rotterdamschen bodem zich ten tijde der Romeinen reeds boven de wateren van het Helinium vertoonden.

In deze binnenzee mondden behalve de Rotte nog andere wateren uit, die we nu kennen als Waal, Lek, Hollandschen IJsel en Schie. Deze Schie met de Vliet staan op het kaartje aangegeven als »Gracht van Corbulo«. Dit water werd door dezen Romeinschen landvoogd gegraven om een verbinding te verkrijgen van den Ouden Rijn met het Zuiden. De Rotte, het ondiepe, kronkelende watertje, met zijn uitgestrekte moerassen aan weerszijden--veengronden, die half onder, half boven het water uitstaken--kon hiervoor maar moeilijk dienen. Geen wonder, dat deze »Wilde Venen« door geen menschenvoet werden betreden, dat daar geen andere bewoners werden aangetroffen, dan lepelaars, reigers en roerdompen.

De hooge en droge gronden ten Westen der moerassen waren wel bewoond. Al waren ze ook schaarsch, toch vond men in dit deel van Holland reeds eenige plaatsen. We lezen op het kaartje: Flenum en Pretorium Agrippinae. Het laatste is Voorburg, Flenum waarschijnlijk Vlaardingen geworden.

[Illustratie: Vermoedelijke toestand van het land bezuiden den Ouden Rijn ten tijde der Romeinen.]

Van deze plaatsen moeten wij ons geen te grootsche voorstelling maken. Feitelijk waren het niets meer dan Romeinsche nederzettingen, waar omheen sommige bewoners dezer landen hun woningen hadden gebouwd. Onder de hoede van zoo'n steenen gebouw gevoelden ze zich veiliger, dan alleen in een hutje op een eenzame plaats. Bovendien hadden de bezettingen van die sterkten verschillende levensmiddelen noodig, die ze verkregen van de bewoners dezer streken. Zoodoende ontstond er tusschen de Romeinen en Germanen handel: weer een reden te meer voor de laatsten om hun hutten zoo dicht mogelijk bij de legersterkten te bouwen.

II.

Bezien wij nu het kaartje, dat den toestand van Maasland aangeeft omtrent het jaar 1000. Al aanstonds valt ons op, dat er meer plaatsen liggen.

We lezen o. a.: Hargan, Schie en Bergan, namen, die ge bij de aardrijkskunde van Zuid-Holland niet geleerd hebt. De plaatsen liggen er echter nog; het zijn Kethel, Overschie en Hillegersberg. Verder zien wij naar het Westen nog Flardinga of Vlaardingen, maar dit dagteekende reeds uit den tijd der Romeinen, ofschoon het toen waarschijnlijk iets zuidelijker lag.

En hoe staat het met Rotterdam? Nog niets van te ontdekken. Aan de Rotte ligt nog geen enkele plaats.

Nu dringen zich twee vragen aan ons op. Ten eerste: Als bovengenoemde dorpen in het jaar 1000 wel, maar ten tijde der Romeinen nog niet bestonden, wanneer zijn zij dan ontstaan? Op deze vraag moeten wij het juiste antwoord schuldig blijven; de geschiedenis vermeldt het jaartal van het ontstaan niet. We vermoeden echter, dat zij dagteekenen uit de 10de of 11de eeuw.

[Illustratie: Vermoedelijke toestand van het land bezuiden den Ouden Rijn omstreeks het jaar 1000.]

De tweede vraag, die wij als vanzelf stellen is deze: Waren de Wilde Venen niet meer zoo moerassig? Hierop kunt ge zelf wel een antwoord geven. Bekijk het kaartje maar, dan zult ge zien, dat de moerassen nog steeds zijn aangegeven. Vreemd, niet waar, dat men zich midden in deze lage streken een woonplaats koos; dat er zich zelfs zoovelen daar neerzetten, dat er plaatsen ontstonden? Maar nog vreemder zult ge het vinden, als wij u zeggen, dat daar juist dorpen verrezen, _omdat_ het er moerassig was. Indien de bodem er droog en vast geweest was, zouden waarschijnlijk Hargan, Schie en Bergan niet zijn ontstaan.

Om dit duidelijk te maken, moeten wij ons een gedeelte der Vaderlandsche Geschiedenis voor den geest roepen.

Zooals bekend is, werd ons land tusschen 800 en 1000 zwaar geteisterd door de invallen der ruwe Noormannen. Vele plaatsen, waaronder ook Vlaardingen, werden door deze zonen van het koude Noorden gebrandschat. Witla, dat in den omtrek van Vlaardingen gelegen heeft, (waarschijnlijk op het eiland Voorne) is door deze barbaren zelfs zoo volkomen verwoest, dat men niet eens met zekerheid kan aanwijzen, waar deze plaats gevonden werd. Geen wonder, dat men in de kerken bad: »God, verlos ons van de Noormannen«; want men moet niet meenen, dat een plaats, eenmaal door de woestelingen bezocht, voortaan veilig voor hen zou zijn. Neen, wanneer de zwaar bezochte bewoners na groote inspanning de zware slagen, hun toegebracht, eenigszins te boven waren gekomen; wanneer er weer eenige welvaart begon te heerschen dàar, waar door de Noormannen armoede en verschrikking was gebracht; wanneer de zoon den leeftijd had bereikt, dat de moeder hem kon duidelijk maken, waarheen zijn vader als slaaf was weggevoerd, dan konden op datzelfde oogenblik de geesels dezer lage landen op hun draakvormige schepen voor de verschrikte bewoners verschijnen, wederom dood en vernieling brengende, waar nog weinige jaren geleden hun hand reeds zoo zwaar had gerust.

Was het wonder, dat vele bewoners der duinstreken vluchtten, dat zij have en goed achterlieten om ten minste het veege lijf te redden? Maar, waarheen? Natuurlijk daar, waar men kans had veilig te zijn; waar de Noormannen niet dan met gevaar voor eigen leven konden komen. De eenige streek in deze buurt, die zulk een toevluchtsoord voor onze voorouders bood, was de plek, waarover wij hierboven spraken: de moerassige streken langs de Rotte. Daarheen zijn dan ook tusschen 800 en 1000 waarschijnlijk zoo velen gevlucht, dat de genoemde plaatsen ontstonden.

2. De hooge zeedijk. Jong Rotterdam.

I.

Schielands zeedijk, die 't vermetel, 't Onbezonnen zeegeweldt, Trots weerstaet en wetten stelt Strekt haer tot een vasten zetel.

Als we de kaart van Zuid-Holland bezien, vinden we ten Noorden van het Scheur, de Nieuwe Maas en den Hollandschen IJsel een dijk, die het achterliggende land beschermt. Deze zware dijk loopt midden door Maassluis, Vlaardingen, Schiedam en Rotterdam. Hij is daar aan weerszijden bebouwd en draagt in al deze plaatsen den naam van Hoogstraat. Zeker een duidelijk sprekende naam.

Wanneer is deze lange dijk ontstaan?

Vóór we deze vraag beantwoorden, moeten wij eerst de Vaderlandsche Geschiedenis weer eens raadplegen en wel het tijdvak, gedurende hetwelk de Romeinen in deze landen hebben vertoefd.

Als wij u eens vroegen al de lichtzijden van het verblijf van dezen volksstam op te noemen, zouden wij ongetwijfeld ook hooren: »de Romeinen legden dijken langs de rivieren«. Tot op zekere hoogte is dit waar. We moeten echter oppassen, dat we ons geen onjuiste voorstelling van deze »dijken« maken. Meen vooreerst niet, dat de Romeinen _overal_ dijken opwierpen om het water te beteugelen en stel u evenmin voor, dat deze zoo zwaar en hoog waren, als wij ze tegenwoordig kennen. Feitelijk waren het niets anders dan wegen, die moesten dienen om gemakkelijk van de eene legerplaats naar de andere te kunnen trekken. Om deze wegen goed begaanbaar te maken en te houden, was het wenschelijk, dat ze beveiligd waren tegen het water. Daarom werden ze hoog gemaakt en waren het dus dijk-wegen. Uit het voorgaande hebt ge wel reeds kunnen opmaken, dat de Romeinen ze niet uit liefde voor hun bondgenooten opwierpen, het was zuiver eigenbelang, dat hen tot het leggen van deze »dijken« drong.

Nu zijn er geschiedschrijvers, die veronderstellen, dat er ten Noorden van het tegenwoordige Rotterdam ook zoo'n opgehoogde heirweg werd aangetroffen. Deze liep dan van Nijmegen door de Alblasserwaard over den IJsel en de Rotte naar Praetorium Agrippinae. Waar de weg over de Rotte ging, zou een toltoren gestaan hebben, die naar de grijze duifsteen, waarvan hij was opgetrokken, het Duifhuis genoemd werd. De plaats, waar deze toren gestaan heeft, is bij het tegenwoordige Crooswijk te zoeken[1].

[1] Zie het kaartje op pag. 7.

[Illustratie: Het Duifhuis aan de Rotte.]

Of dit alles wel precies zoo is, weten we niet; het is echter niet onmogelijk. We hebben daarom op het kaartje dezen dijk dan ook maar geteekend. Ook de toren is aangegeven. Bestaan heeft hij zeer zeker. Of hij echter al in den Romeinschen tijd gebouwd is, zouden wij niet met zekerheid durven beweren.

Deze Romeinsche dijk is dan de eerste waterkeering geweest, die de streken ten Noorden van het Helinium gekend hebben. Of ze voldoende geweest zal zijn, om het land tegen overstroomingen te beschermen? We gelooven het niet. Mocht ze als weg al bruikbaar zijn, als dijk zal ze niet veel nut hebben afgeworpen.

Wanneer de vroegere bewoners zelf en opzettelijk dijken langs den Maas- of Merwestroom hebben opgeworpen, is niet met zekerheid te zeggen. Wel weet men, dat er ten Noorden van den tegenwoordigen hoogen zeedijk en ten Zuiden van den Romeinschen dijk omstreeks 1200 een dijk werd aangetroffen, die bekend is als de Oude Dijk. Deze had van den Hoek van Holland tot Vlaardingen de richting, die de tegenwoordige dijk volgt, maar van daar af strekte hij zich veel noordelijker uit. Eerst liep hij naar Ouwerschie en vandaar met een groote bocht onder den naam van Oude Dijk en Kleiweg naar Crooswijk en Kralingen om dan als 's-Gravenweg naar Moordrecht en Ter Gouw te loopen. Vergelijken we de richting van dezen ouden en den nieuwen zeedijk, dan blijkt ons, dat er zich tusschen beide een groot grondgebied uitstrekt. Voor een deel was dit reeds aanwezig, toen men den Ouden Dijk legde. Met opzet echter had men de breede gorzen er vóór niet bedijkt. De dijk was nl., evenmin als de Romeinsche heirweg, bijzonder hoog en sterk; bevond er zich dus een breed gors voor, dat alleen bij hoog water onderliep, dan was het gevaar voor doorbraak en overstrooming heel wat geringer, dan wanneer men de waterkeering tot vlak aan het diepe water bracht.

Door het leggen van bovengenoemden dijk was dus nog niets van den bodem van Rotterdam voor de wateren beveiligd.

Maasland echter kon nu niet meer overstroomd worden, hoewel we ons niet moeten voorstellen, dat de bewoners er erg droog gewoond zullen hebben. Hadden ze van het buitenwater thans geen last, van het binnenwater zooveel te meer. Dit moest men zien te loozen op de Rotte en de Schie en daar men nog geen windwatermolens of stoomgemalen kende, moest men zich behelpen met handmolens, paardenmolens, ja zelfs met hoosvaten.

Door wien deze Oude Dijk aangelegd is, weet men weer niet zeker, maar hoogstwaarschijnlijk is dit werk ondernomen door de edelen; dit wil dan zeggen, onder hun toezicht, want zooals te begrijpen is, zullen de hoorigen en lijfeigenen het werk verricht hebben.

Ging een edelman er toe over een streek droog te leggen, dan werd hij vooraf door den graaf bekleed met zekere macht over dat stuk grond: hij kreeg het ambacht of ambt van rechter. Zijn titel werd heer of ambachtsheer.

Thans zijn er hier en daar in ons land nog ambachtsheeren en -vrouwen. Deze bezitten wel niet meer de rechtspraak in hun heerlijkheid, maar toch hebben zij nog bijzondere rechten: b.v. het jacht- en vischrecht en soms het collatierecht--dat is het recht tot het beroepen van een predikant. Aan dit laatste herinnert nog in verschillende dorpskerken de zoogenaamde »ambachtsheerbank«, die alleen door den ambachtsheer en zijn familie gebruikt wordt.

II.

De dijk, die Maasland tegen het buitenwater moest beschermen, was niet zeer zwaar en hoog, hij werd bovendien niet voldoende onderhouden. De plicht voor dit onderhoud rustte op de bezitters van de gronden, welke aan den dijk grensden. Niet meer dan natuurlijk, zult ge zeggen. En toch ook weer niet zoo van zelf sprekend! Want hadden alleen de bezitters van de gronden vlak aan den dijk gelegen maar belang bij een goede waterkeering, of moest al het land ten Noorden van de Maas er door beschermd worden? Zou het daarom niet billijker geweest zijn, dat alle belanghebbenden ook hadden medegewerkt, om den dijk stevig en sterk te maken en te houden? En niet alleen, dat dit billijker geweest ware, maar men had ook tevens meer zekerheid gehad, dat de dijk goed onderhouden werd. Nu kwam het voor, dat sommigen van hen, die aangewezen waren om den dijk in goeden staat te houden finantieel niet sterk genoeg stonden, om dit naar behooren te doen. Al vond men dus eigenaars, die hun deel sterk en hecht maakten, anderen waren daartoe niet altijd bij machte, zoodat de dijk steeds zwakke punten behield. Vooral werd dit het geval, toen de ambachtsheeren stukken grond gingen verkoopen aan boeren (eigengeërfden). Dit geschiedde na de Kruistochten, die een einde maakten aan de lijfeigenschap en hoorigheid, waarin een groot deel der bevolking verkeerd had. Deze boeren bezaten in den regel maar juist voldoende om hun grond te koopen, zoodat zij aan hun verplichtingen ten opzichte van den dijk bijna nooit konden voldoen.

Aan dezen onhoudbaren toestand werd een einde gemaakt tijdens de regeering van den bekenden Graaf Floris V (1266-1296). Deze liet aan zijn baljuw, dit was de persoon, dien hij aangesteld had over een deel van zijn graafschap en die daar in zijn naam regeerde, berichten, dat er tusschen de Delftsche Schie en Gouwe aan niemand land mocht verkocht worden, van wien men niet zeker was, dat hij den dijk behoorlijk zou kunnen helpen onderhouden. Verder bepaalde hij, dat er ieder jaar een dijkschouw zou plaats vinden en dat hij, wiens deel niet in orde werd bevonden, beboet zou worden.

Toen ook deze bepalingen nog niet doeltreffend bleken, verordineerde de Graaf, dat de ingezetenen der acht ambachten tusschen Schie en Gouwe op gezamenlijke kosten hun dijkwerken in stand zouden houden.

Deze ambachten waren--de namen zullen U wel bekend klinken--Zevenhuizen, Bleiswijk, Rotteban, Ouwerschie, Schiebroek, Bokelsdijk, Cralingen en Berkel met Rodenrijs.

Nadat gebleken was, dat ook zelfs deze bepaling niet de uitwerking had, die de Graaf er zich van had voorgesteld, riep hij ten slotte al de betrokken edelen bijeen. Deze erkenden met den Graaf het groote nut van een zwaren dijk. Ze kwamen overeen, dat ieder hunner een deel voor zijn rekening zou nemen. Tevens zou een stuk van den aangeslibden grond worden ingedijkt, zoodat dus op sommige plaatsen de nieuwe dijk zuidelijker zou loopen, dan de oude.

[Illustratie: De drie Schie's.]

Zooals gewoonlijk verlangden de edelen voor hun hulp een belooning. Deze verkregen ze ook. Ze ontvingen de nieuw ingedijkte gronden van den Graaf in leen. Zoo werd het gebied der edelen uitgebreid en tevens het land afdoend tegen overstroomingen beveiligd, want de dijk, die tusschen 1281 en 1299 gelegd werd, mocht nu inderdaad een zeedijk heeten.

[Illustratie: Het Hof van Weena.]

Voor ons Rotterdammers, zijn er onder de edelen, die zich bij genoemd werk verdienstelijk gemaakt hebben, een tweetal van beteekenis.

Het zijn: de Heer van Bokel, die als de legger van den Westzeedijk, het Vasteland, den Schiedamschedijk, de Korte Hoogstraat en een gedeelte van de Hoogstraat kan worden beschouwd, en de Heer van Cralingen, aan wien we het oostelijk deel van de Hoogstraat met den Oostzeedijk te danken hebben.

[Illustratie: Het slot Honingen.]

De eerste woonde op het Hof van Weena, dat in den omtrek van het tegenwoordige Weenaplein gevonden werd. Dit plein, benevens de Weenastraat, de Hofdijk en het Hofplein ontleenen alle hun naam aan dit adellijk slot, waarvan de fundamenten in het jaar 1905 werden gevonden. Deze bleken van onderen 3 M., van boven 2 M. breed te zijn, terwijl ze op eikenhouten balken steunden.[2]