Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 9

Chapter 93,816 wordsPublic domain

--Met den prins. Je hebt hem doorzien, en toch ... toch blijf je hem dulden, toch ontmoet je hem telkens.... Laat mij uitspreken, sprak hij--en zag om zich rond: er waren slechts twee Italianen in de restauratie, gezeten aan de verste tafel, en hij kon spreken zonder beluisterd te worden: ik wil uitspreken, herhaalde hij, toen zij hem in de rede wilde vallen. Je bent natuurlijk vrij te doen wat je wilt. Maar ik ben je vriend en ik wil je raden. Het is niet goed wat je doet. De prins is een ploert. Onedel, laag.... Hoe kan je cadeaux van hem aannemen en invitaties? Waarom heb je mij gedwongen gisteren meê te gaan? Dat heele diner was mij een marteling. Je weet hoeveel ik van je hoû--waarom zoû ik het je niet bekennen. Je weet hoe hoog ik je stel. Ik kan niet aanzien, dat je je zoo vernedert met hem. Laat mij spreken. Vernedert, zeg ik. Hij is niet waard je schoen vast te binden. En je speelt met hem, je schertst met hem, je coquetteert.... Laat mij spreken: je coquetteert met hem. Wat kan hij je schelen, die kwast. Wat is hij in je leven. Laat hem trouwen met miss Hope, wat kunnen beiden je schelen. Wat kunnen jou, Cornélie, die inferieure menschen schelen. Ik minacht ze en jij ook. Ik weet dat. Waarom kruis je dan hun leven? Laat hen leven in hun ijdelheid van titels en geld, wat is het jou? Ik begrijp je niet. O, ik weet het: je bent niet te begrijpen, alles wat vrouw is, is in jou. En ik heb lief alles wat ik van je zie: ik heb je lief in alles.... Het komt er niet op aan of ik je begrijp. Maar ik voel toch, dat _dit_ niet goed is. Ik vraag je, zie den prins niet meer. Bemoei je niet meer met hem. Nieer hem.... Dat diner, gisteren, het was me een marteling....

--Arme jongen, sprak zij zacht en schonk hem uit hun fiasco in. Maar waarom?

--Waarom? Waarom? Je vernedert je.

--Ik ben niet zoo hoog.... Neen, nu wil _ik_ spreken. Ik ben niet hoog. Omdat ik enkele moderne ideeën heb, en enkele andere, die liberaler zijn dan die van het gros van andere vrouwen? Verder ben ik gewoon vrouw. Als een man vroolijk en geestig is, amuzeert me dat. Neen Duco, nu spreek ik. Ik vind den prins geen ploert, ik vind hem misschien wel een kwast, maar ik vind hem vroolijk en geestig. Je weet, dat _ik_ ook veel van je hoû, maar vroolijk en geestig ben je niet. Nu niet boos zijn. Je bent veel meer. Ik vergelijk il nostro Gilio zelfs niet met je.... Ik wil niet meer over je zeggen, anders wordt je pedant. Maar vroolijk en geestig, dat ben je niet. En mijn arme natuur heeft daar soms behoefte aan. Wat heb ik in mijn leven? Niets dan jou, alléen jou. Ik ben heel blij je vriendschap te bezitten, ik ben gelukkig je te hebben ontmoet. Maar waarom mag ik niet eens vroolijk zijn. Heusch, er is een beetje luchthartigheid in me, lichtzinnigheid zelfs.... Moet ik daar tegen strijden? Is het slecht? Zeg, Duco, ben ik slecht?

Hij glimlachte weemoedig, een vochtige glans was over zijne oogen en hij antwoordde niet.

--Ik kan wel strijden, als het moet, hernam zij. Maar is dit nu om tegen te strijden! Het is wat schuim van een oogenblik. Meer niet. Ik ben het dadelijk vergeten. Ik ben den prins dadelijk vergeten. En jou vergeet ik niet.

Hij zag haar glanzend aan.

--Begrijp je dat? Voel je, dat ik met jou niet flirt en coquetteer? Geef me een hand, wees niet boos meer....

Zij stak hem hare hand toe over de tafel en hij drukte hare vingers.

--Cornélie, hernam hij zacht. Ja, ik voel, dat je waar bent. Cornélie, word mijn vrouw.

Zij zag ernstig voor zich en liet het hoofd een weinig hangen en staarde voor zich uit. Zij aten niet meer. De twee Italianen stonden op, groetten en gingen heen. Zij waren alleen. De kellner had wat fruit voor hen neêrgezet en trok zich terug.

Beiden zwegen ze een oogenblik. Toen sprak zij met een heel zachte stem en haar wezen had zoo iets teeders van weemoed, dat hij in snikken had kunnen uitbarsten en haar zoo aanbidden.

--Ik wist natuurlijk, dat je me dat een dezer dagen zoû vragen. Het lag in de natuur der dingen. Een groote vriendschap als de onze geleidde natuurlijk weg tot die vraag. Maar het kan niet, beste Duco.... Het kan niet, mijn beste jongen.... Ik heb mijn ideeën ... maar dat is het niet. Ik ben tegen het huwelijk.... Maar dat is het niet. In sommige gevallen is een vrouw al hare ideeën ontrouw in éen enkele seconde.... Wat het dan wel is...?

Zij staarde met groote oogen, streek over het voorhoofd, als zag zij het niet duidelijk in.... Toch ging zij voort:

--Het is ... dat ik bang ben voor het huwelijk. Ik heb het gekend, ik weet wat het is.... Ik zie mijn man nu duidelijk voor me. Ik zie die gewoonte, die sleur voor me, waarin alle nuance uitwischt. Dat is het huwelijk: gewoonte, sleur. En nu zeg ik het je ronduit: ik vind het huwelijk vies. Ik vind die gewoonte vies. Ik vind passie mooi, maar het huwelijk is geen passie. Passie kan edel zijn, en bovenmenschelijk, maar het huwelijk is een menschelijke instelling van klein menschelijke moraal en berekening.... En ik ben bang voor zulke moreele en wijze banden geworden. Ik heb mijzelf beloofd--en ik geloof die belofte te houden--dat ik nooit meer trouwen zal. Mijn geheele natuur is er ongeschikt toe geworden. Ik ben niet meer het Haagsche meisje van soirées en diners, dat uitzag naar een man, te zamen met haar ouders.... Mijn liefde voor hém was passie! En in mijn huwelijk woû hij die passie breidelen tot een sleur en een gewoonte. Toen ben ik opgestaan.... Laat me er liever niet over praten. Passie duurt te kort om een huwelijksleven te vullen.... Achting daarna, etcetera? Daarvoor behoeft men niet te trouwen. Ik kan achten, ook ongetrouwd. Natuurlijk, er is de kwestie der kinderen, er _zijn_ velerlei moeilijkheden.... Ik kan dat nu niet uitdenken. Ik voel alleen nu, heel ernstig en kalm, dat _ik_ ongeschikt ben om te trouwen, en nooit meer trouwen wil. Ik zoû je niet gelukkig maken.... Wees niet treurig, Duco. Ik hoû van je, ik heb je lief. En misschien ... heb ik je ontmoet op het juiste oogenblik. Had ik je vroeger ontmoet in mijn Haagsche leven ... je zoû zeker te hoog voor me hebben gestaan. Ik zoû je niet lief hebben gekregen. Nu kan ik je begrijpen, je achten en tegen je opzien. Ik zeg je dit eenvoudig weg, dat ik je liefheb en tegen je opzie, tegen je opzie, trots al je zachtheid, zooals ik nooit tegen mijn man heb opgezien, hoe hij ook zijn mannelijke rechten deed gelden. En je moet dat gelooven, heel vast en heel zeker, en je moet gelooven, dat ik waar ben. Coquet ... ben ik alleen met Gilio....

Hij zag haar aan, door zijn stille tranen. Hij stond op, riep den kellner, betaalde vaagweg, en het zwom en glansde voor zijne oogen. Zij gingen de deur uit en zij riep een rijtuig aan en gaf het adres op van de villa Doria-Pamphili. Zij herinnerde zich, dat de tuinen open waren. Zij reden er zwijgend heen, overstelpt door hunne gedachten aan de toekomst, die voor hen opentrilde. Soms haalde hij diep adem en sidderde hij over zijn lichaam. Eenmaal drukte zij innig zijn hand. Aan de poort van de villa stapten zij uit, wandelden samen op langs de majestueuze lanen. In de diepte lag Rome, zagen zij eensklaps Sint-Pieter. Maar zij spraken niet, zij zette zich eensklaps neêr op een antieke bank en begon zachtjes te weenen, zwak. Hij nam haar in zijn arm en troostte haar. Zij droogde hare tranen, glimlachte en omhelsde hem en kuste hem terug.... Het begon te schemeren en zij gingen terug. Hij gaf het adres op van zijn atelier. Zij volgde hem daar. En zij gaf zich aan hem, in geheel hare oprechtheid van waarheid, en met een liefde zoo hevig en groot, dat zij dacht te bezwijmen in zijn armen.

XXV.

Zij veranderden hun leven niet. Duco echter, na een scène met zijn moeder, sliep niet meer bij Belloni, maar in een kamertje, grenzende aan zijn atelier, eerst vol koffers en rommel. Die scène speet Cornélie, zij had steeds sympathie gevoeld voor mevrouw Van der Staal en de meisjes. Maar een hoogmoed gierde in haar op, en Cornélie minachtte mevrouw Van der Staal, omdat deze noch haar noch Duco begrijpen kon. Toch had zij de verkoeling gaarne voorkomen. Op haar aanraden zocht Duco nog eens zijne moeder op, maar zij bleef koel en wees hem af. Daarop gingen Cornélie en Duco naar Napels. Zij deden het niet als een vlucht, zij deden het eenvoudig weg; Cornélie zeide aan Urania en aan den prins, dat zij naar Napels ging voor korten tijd en dat Van der Staal haar wellicht zoû volgen. Zij kende Napels niet en zoû het zeer apprecieeren als Van der Staal er haar leidde, in de stad en de omstreken. Cornélie hield in Rome hare kamers aan. En zij doorleefden een veertien dagen in een gedachteloos, groot en louter geluk. Hunne liefde groeide bloeiend en breed op in de gouden zuidlucht van Napels, aan de blauwe golven van Amalfi, Sorrente, Capri en Castellamare, eenvoudig, onwederstaanbaar en rustig. Geleidelijk gleden zij langs den purperen draad van hun leven, hand in hand liepen zij af hun tot éen pad gesmolten lijnen, gedachteloos aan de wetten en ideeën der menschen, en hun houding was zoo hoog, hun doen zoo rustig en zeker van hun geluk, dat hun toestand geen onbeschaamdheid werd, hoewel zij in zichzelven de wereld minachtten. Maar hun geluk verzachtte al dien hoogmoed hunner opzwevende zielen, als strooide hun geluk met bloesems rond. Zij leefden als in een droom, eerst tusschen de marmers van het muzeum, later op de bebloemde klippen van Amalfi, aan het strand van Capri, of op het terras van het hôtel te Sorrente: de zee ruischende aan hunne voeten; in een parelen waas, ginds, vaag wit, als uitgedoezeld krijt, Castellamare en Napels en de schim van den Vezuvius, met zijn wazige pluim van rook.

Zij hielden zich van allen apart, van alle menschen, van alle touristen: zij aten aan een klein tafeltje en men dacht algemeen, dat zij pas waren getrouwd. Zocht men hun naam in het vreemdelingenboek, dan las men hunne twee namen en fluisterde men commentaren. Maar zij hoorden het niet, zij zagen het niet, zij leefden hun droom, ziende in elkaârs oogen of naar de opalen lucht, de parelen zee, en de witwazige bergverschieten, met, als krijten vlakjes, de steden er in neêrgeplekt.

Toen zij bijna geen geld meer hadden, glimlachten zij en keerden naar Rome terug en leefden er als vroeger; zij, op hare kamers, hij, nu in zijn atelier, en namen zij samen hun malen. Maar zij vervolgden hun droom tusschen de ruïnes van de Via Appia, om en bij Frascati: verder dan de Ponte Molle, op de helling van de Monte Mario en in de tuinen der villa's, tusschen de statuen en schilderijen, hun geluk mengende met de atmosfeer van Rome; hij zijne nieuwe liefde doorwevende met zijn liefde voor Rome; zij Rome liefkrijgende om hem. En door die bekoring was als een aureool om hen heen, waardoor zij het gewone leven niet zagen en de gewone menschen niet ontmoetten.

Eindelijk, op een middag, trof Urania hen beiden thuis, op de kamer van Cornélie, het vuur aan, zij glimlachend starende in het vuur, hij zittende aan hare voeten, en zij met den arm om zijn hals. En zij dachten klaarblijkelijk zoo weinig aan iets anders dan aan hun eigen liefde, dat zij beiden haar geklop niet hoorden, dat zij beiden haar eensklaps zagen vóor zich staan, als een ongedachte werkelijkheid. Hun droom was dien dag uit. Urania lachte, Cornélie lachte en Duco schoof een fauteuil naderbij. En Urania blij, mooi, schitterend, vertelde, dat zij verloofd was. Waar hadden zij toch met elkander gezeten? vroeg zij nieuwsgierig. Zij was nu verloofd. Zij was al op San Stefano geweest, zij had den ouden prins gezien. En alles was mooi, goed, en lief: het oude kasteel _a dear old house_, de oude man _a dear old man_. Zij zag alles door de schittering van haar aanstaanden prinsesse-titel. Prinses, hertogin! De dag van het huwelijk was vastgesteld, voor Paschen, dus over een groote drie maanden. In San Carlo zoû het worden ingezegend, met al den luister van een groot huwelijk. Haar vader kwam er voor over met haar jongsten broêr. Zij zag klaarblijkelijk op tegen hun komst. En zij was niet uitgepraat; zij vertelde duizend détails over haar trousseau, waaraan de marchesa haar hielp. Zij zouden in Nice wonen, op een groot appartement. Zij dweepte met Nice: het was een goed idee van Gilio. En ter loops, het zich herinnerende, vertelde zij, dat zij Katholiek was geworden. Dat was een last! Maar de monsignore's zorgden voor alles, zij liet zich door hen leiden. En de Paus zoû haar ontvangen in particuliere audientie, samen met Gilio.... De moeilijkheid was haar audientie-toilet, zwart, natuurlijk, maar, fluweel, satijn? Wat raadde Cornélie? Zij had zoo een goeden smaak. En de zwarte kanten voile met brillanten opgestoken.... Morgen zoû zij naar Nice gaan met de marchesa en Gilio, om hun appartement te zien....

Toen zij wegging, verzoekende Cornélie aan te komen om haar uitzet te bewonderen, sprak Cornélie met een glimlach:

--Ze is gelukkig.... Voor ieder is geluk toch anders.... Een trousseau en een titel zouden mij niet gelukkig maken.

--Dat zijn de kleine menschen, sprak hij; die ons leven nu en dan kruisen. Ik ga ze liefst uit den weg....

En zij zeiden het niet, maar zij dachten het beiden--hunne vingers in elkaâr, hare oogen starende in zijn oogen,--dat ook _zij_ gelukkig waren, maar hooger en beter en edeler; en de hoogmoed gierde in hen op: zij zagen als in vizioen de lijn van hun leven slingeren steilen heuvel op, maar het geluk sneeuwde er bloesems op neêr en in de sneeuwende bloesems hoog houdende hun trotsche hoofden, met glimlach en oogen van liefde, liepen zij voort in hun droom, onttogen aan mensch en aan werkelijkheid.

XXVI.

De maanden droomden voorbij. En hun geluk deed zulk een zomer in hen ontbloeien, dat zij rijpte in mooiheid, hij in talent; de hoogmoed in hen sloeg als een fierheid naar buiten: bij haar bloei, bij hem werkkracht; haar loome bevalligheid herschiep zich in een fiere rankheid; in volheid zwollen hare vormen; glans lichtte op in haar oogen, blijdschap om haar mond--van nerveuze aandoening trilden zijn handen, als hij zijn penseelen nam, en de luchten van Italië welfden uitspansels voor zijn oog als firmamenten van liefde en innige kleur. Hij schiep en voltooide een serie van aquarelllen wazigheden van droomatmosfeer, die aan het edelste van Turner deden denken: natuurmomenten van louter waas: al het melkblauwe en parelnevelige van de golf van Napels, als een beker vol licht, waar een turkooïs uitsmelt tot water--en hij zond ze naar Holland, naar Londen, en had eensklaps gevonden zijn roeping, zijn werk en zijn roem: moed, kracht, doel en overwinning.

Ook zij had een zeker succes met haar artikel: het werd besproken, bestreden; haar naam werd genoemd. Maar een zekere onverschilligheid was in haar, als zij haar naam las, gemoeid in de Vrouwenbeweging. Eerder leefde zij meê zijn leven van observatie en emotie, en gaf zij dikwijls in al het waas zijner vizie, in het te wazige van zijn tintdroom, een glinstering van licht, een horizon van einde, een streep van werkelijkheid, die realiteit gaf aan den nevel van zijn ideaal. Zij leerde met hem onderscheiden en voelen, natuur, kunst, geheel Rome, en toen een vaag van symboliek zich van hem meester maakte, ging zij geheel met hem mede. Hij ontwierp de groote schets eener theorie van vrouwen, opgaande langs een heuvel opslingerende levenslijn: zij schenen zich te bewegen uit eene in-een stortende stad der oudheid, wier met een enkele architraaf verbondene zuilen optrilden in violet waas van avondgeduister; zij schenen zich los te maken uit de schaduw der ruïne, die aan de kim al verzwijmde in den nacht van het niets--en zij drongen op, elkaâr roepende met kreten, elkaâr wenkende met een groot uitgestrek van handen, boven zich een waaiend gewuif van wimpels en deviezen; met gespierde armen vatten zij aan hamer en houweel, en haar gedrang bewoog zich voort naar boven, de lijn langs, waar witter en witter het licht werd, tot in het waas van de lucht zich raden liet het verre verschiet van een nieuwe stad, wier ijzeren gebouwen als centraal-stations en eiffeltorens in den blanken lichtschemer van de verte heel ijl opglinsterden met een weêrschijn van glasbogen en daken van glas, en hoog in de lucht de muziekbalken der draden van geluid en geleiding....

En zóo werkten hunne beider invloeden op hunne beider zielen in, dat _zij_ leerde zien en hij leerde denken; zij schoonheid, kunst, natuur, waas en emotie zàg en niet meer bedacht maar voelde; dat _hij_ als op zijn schets--heel vage, moderne glas-en-ijzerstad,--een moderne stad zag rijzen uit zijn droomwaas van Rome's verleden, en, naar zijn eigen natuur en aanleg, dacht over een moderne kwestie. Zij leerde vooral voelen en zien als een vrouw, die lief heeft, met de oogen en het hart van den man, dien zij minde: hij dacht de kwestie uit in plastiek. Maar wat onvolkomenheid ook was in het absolute hunner nieuwe gevoel- en gedachtesferen, de wisselwerking, door hun liefde, gaf hun een geluk zoo groot, zoo één, dat zij het op dat oogenblik niet konden overzien en bevroeden, dat het bijna was een extaze, een flauwe oneigenlijkheid, waarin zij droomden--terwijl het was zuivere waarheid en voelbare werkelijkheid. Zooals zij dachten, voelden en leefden, was een ideaal van realiteit: ideaal binnengetreden en bereikt, langs de geleidelijke lijn van hun leven, langs den goudenen draad van hun liefde, en zij bevroedden en overzagen het nauwlijks, omdat het gewone leven hen toch aankleefde. Maar alleen onvermijdelijk weinig. Zij woonden apart, maar 's morgens zocht zij hem op en vond hem voor zijn schets, en zij zette zich naast hem, leunde haar hoofd op zijn schouder, en zij dachten het samen uit. Hij schetste zijne figuren der vrouwentheorie elk apart, en hij zocht naar de trekken en de modelleering der vormen: enkele hadden het Mongoolsche van den annonciatie-engel van Memmi; andere het ranke van Cornélie en hare latere vollere gezondheid;--hij zocht naar de plooien: in peplosvouwen vochten zich de vrouwen los uit den violetten schemer der ruïne-stad en verder op wisselden hare gewaden als eene maskerade der eeuwen: het edelvrouwe-sleepkleed, de sluiers der sultanen, het wollen kleed der werksters, de kap der liefdezusters--zich modernizeerende het gewaad naarmate de draagster modernere eeuw belichaamde.... En in die groepeering was de teekening van zoo ijle dunheid en soberheid, was de overgang van plooienval tot praktisch-strak zoo voorzichtig en zoo geleidelijk, dat Cornélie overgang nauwlijks bespeurde, dat zij éen stijl meende te zien, éene mode van dracht, terwijl iedere silhouet zich toch kleedde met anderen snit in andere stof, vallende met andere lijnen.... In de teekening was een oud-meesterlijke zuiverheid, eene puurheid van ommelijn, maar modern--nerveus en morbide--en toch zonder conventioneel ideaal van symbolische lichaamsvormen; in de groepeering was rafaëlitische harmonie; in de aquareltint der eerste studiën het waas van Italië: de ruïne-stad schemerde als hij het Forum zag schemeren; de stad van ijzer en glas glinsterde-op met haar bouw van kristalpaleis, uit een witte lichtapotheoze, als hij van Sorrente af om Napels gezien had. Zij voelde, dat hij een groot werk deed en had nooit nog zoo levensbelang gesteld in iets, als zij nu deed in zijn idee en zijn schetsen. Stil en zwijgend zat zij achter hem en volgde zijne teekening van de wimpelende vanen en slingerende deviezen, en zij ademde niet als zij zag, dat hij met enkele veegjes van wit en tikken van licht--of hij licht had onder zijn kleuren--de glazen stad aan de kim deed opdroomen. Dan vroeg hij haar iets over eene figuur, en sloeg om haar middel zijn arm, trok haar naar zich toe, en zij bleven lang turen en uitdenken lijn en idee, tot de avond viel, de avondkilte in de werkplaats omhuiverde en zij langzaam opstonden. Dan gingen zij uit en op het Corso kwamen zij terug tot het werkelijke leven: zwijgend, bij Aragno gezeten, zagen zij naar de drukte; en in hun kleine restauratie, de oogen drinkende elkanders blikken in, aten zij hun eenvoudig maal, zoo zichtbaar harmonisch gelukkig, dat de Italianen, de twee, die daar ook steeds zaten aan de verdere tafel, op dat zelfde uur, glimlachten, als zij hen groetten....

XXVII.

En het werd in hem eene groote werkkracht: er schemerde zoovele gedachte voor hem op, dat hij telkens weêr een ander motief vond en het symbolizeerde in een ander figuur. Hij schetste, levensgroot, een wandelende vrouw, met die mengeling van kind, vrouw en godin, die zijn figuren karakterizeerde--en ze liep langzaam dalende lijn af naar een sombere diepte, zonder te zien en zonder te begrijpen; hare oogen staarden magnetisch den afgrond toe: vage handen waren om haar als een wolk en duwden zacht, en leidden; in de hoogte, op hooge rotsen, riepen haar, in hel licht, andere figuren met harpen, maar zij ging naar de diepte, door de handen geduwd; in den afgrond bloeiden vreemde purperen orchideeën, als monden van liefde....

Toen Cornélie op een morgen kwam in zijn atelier had hij plotseling deze idee geschetst. Het was haar een verrassing, want hij had er niet over gesproken: de idee was plotseling opgekomen; de uitwerking, spontaan en vlug, had hem geen uur gevergd. Hij verontschuldigde er zich bijna bij haar over, toen hij hare verrassing zag. Zij vond het wel mooi, maar huiverde ervan en hield meer van de "Banieren" de groote aquarel, de optocht der ten levensstrijd tijgende vrouwen....

En om haar pleizier te doen zette hij de dalende vrouw ter zijde en werkte alleen voort aan de strijdende vrouwen. Maar telkens kwam een nieuwe gedachte hem storen in zijn werk en schetste hij in hare afwezigheid een nieuw symbool, tot de schetsen zich opstapelden en overal lagen verspreid. Zij borg ze in portefeuilles; zij nam ze weg van ezel en plank; zij behoedde hem te veel af te dwalen van de "Banieren", en dit was het alleen, dat bij voltooide.

Zoo scheen hun leven zacht voort te willen loopen, langs éene lieflijke lijn, in éene goudene richting, terwijl als bloemen zijn symbolen ter zijde ontloken, terwijl het azuur hunner liefde er het uitspansel scheen boven, maar zij plukte den overvloed van bloemen weg, en alleen de "Banieren" wuifde meê over hun pad, in het firmament hunner extaze, zooals zij wuifden boven de strijdende vrouwen....