Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 8

Chapter 83,864 wordsPublic domain

Waar was de stoot...? Waar was de aanleiding...? Geleidelijk was zij er toe gekomen te reizen, haar gezichtskring uit te breiden; na te denken, kunst te willen kennen, het moderne leven der vrouwen.... Geleidelijk was zij gegleden langs de lijn van haar leven, zonder veel te willen, zonder veel te strijden, zelfs zonder veel te denken, en zonder veel te voelen Zij blikte in zichzelve, als las zij een modernen roman, psychologie van een vrouw.... Soms schéen zij te willen, soms te willen strijden, als nu, met hare groote plannen.... Soms dacht zij, als dezer dagen dikwijls, bij haar gezellig vuur. Soms voelde zij, als voor Duco nu.... Maar meestal was haar leven geleidelijkheid geweest, glijden langs de lijn, die zij gaan moest, met zachten vingerdruk van het noodlot.... Een oogenblik zag zij het duidelijk in. Veel oprechtheid was in haar: ze speelde geen komedie, noch voor zichzelve, noch voor anderen. Tegenstrijdigheden waren in haar, maar zij bekende ze zich allen, voor zoover zij zich zag. Maar het open van hare ziel werd haar duidelijk in dit oogenblik. Het complexe van haar wezen zag zij even schitteren met zijn facetten.... Geschreven had zij, met impulsie en uit intuïtie, maar was haar geschrift goed? Een twijfel rees in haar op. Het wetboek lag op tafel, haar nog bijgebleven uit hare scheidingsdagen ... maar had zij de wet goed begrepen? Haar artikel was aangenomen, maar waren de redactrices van "Het Recht der Vrouw" oordeelkundig? Haar blik weêr latende gaan over die portretten van vrouwen, hare biografieën, over de ernst en hardheid van sommige, werd zij bang, dat haar werk niet goed zoû zijn,--te oppervlakkig;--en dat hare gedachten niet werden geleid door studie en kennis.... Maar ook kon zij zich voorstellen haar eigen portret in dien prospectus met er onder haren naam en die korte toevoeging: schrijfster van: "De Maatschappelijke Toestand der Gescheiden Vrouw," verschenen in Het Recht der Vrouw; met datum, etcetera. En zij glimlachte: wat klonk dat hoog overtuigend! Maar wat was het moeilijk te studeeren, te doen, en te weten en te handelen en zich te bewegen in de moderne beweging van het leven! Zij was nu in Rome: zij had gaarne in Londen willen zijn. Maar de reis convenieerde haar niet op het oogenblik. Zij had zich rijk gevoeld toen zij Duco's Memmi kocht, denkende aan haar honorarium: en nu voelde zij zich arm. Zij had gaarne naar Londen willen gaan.... Maar Duco zoû zij dan gemist hebben. En het congres duurde maar een week. Hier was zij nu wat ingeburgerd, zij begon van Rome te houden, van hare kamers, van het Colosseum, ginds als donkere boog, als sombere coulisse aan het einde der stad, er achter de vaagblauwe bergen.... Toen kwam een gedachte in haar op aan den prins, en voor het eerst dacht zij aan gisteren, zag zij dien avond terug, avond van scherts en champagne--: Duco stil en boudeerend, Urania neêrgedrukt--en de prins, klein, levendig, slank, opgewekt uit zijne matheid van gedistingeerd viveur, en met zijn toegeknepen karbonkelen van oogen. Zij vond hem wel aardig, zij hield een enkelen keer wel van dien toon van coquetterie en flirt, en de prins had haar begrepen. Urania had zij gered: daar was zij zeker van: zij voelde de voldoening van hare goede daad....

Zij was te lui om zich aan te kleeden en naar den restaurant te gaan. Zij had niet veel honger en zij zoû alleen maar wat soupeeren met wat zij thuis in haar kast had: een paar eieren, brood, wat vruchten. Maar ze dacht aan Duco en dat hij zeker haar wachten zoû aan hun tafeltje en zij schreef hem een briefje, dat zij door het jongentje van de concierge bezorgen liet....

Duco ging juist de trappen af, om uit te gaan, naar de restauratie, toen hij het ventje op de trap ontmoette. Hij las het briefje en het was hem, als ondervond hij een groote teleurstelling. Hij voelde zich klein, treurig als een kind. En hij ging terug naar zijn atelier, stak een enkele lamp aan, gooide zich op een breeden divan, en bleef in den schemer turen naar den engel van Memmi, die, nog op den stoel, vaag goud opstraalde in het midden der kamer, zoet als een troost, met zijn gebaar van annonciatie, alsof hij aankondigen wilde al het geheim, dat wel gebeuren zoû gaan....

XXII.

Enkele dagen later wachtte Cornélie het bezoek van den prins, die haar belet had gevraagd. Zij zat aan hare schrijftafel en corrigeerde de proeven van haar artikel. Een lamp op de schrijftafel bescheen haar zacht door een geel zijden kap; en zij was in een peignoir van witte zijden krip, viooltjes op hare borst. Een andere lamp, staande, gaf een tweede schijnsel van uit een kamerhoek; en het vertrek schemerde gezellig, vertrouwelijk op in dien derden schijn van het houtvuur,--met aquarellen van Duco, schetsen en fotografieën, witte anemonen in vazen, viooltjes overal, en een enkele, groote palm. Over hare schrijftafel slingerden de boeken en gedrukte vellen, getuigende van haar werk.

Er werd geklopt en zij riep binnen, en toen de prins binnenkwam, zat zij nog even, legde haar pen neêr, en rees op. Zij kwam hem glimlachend nader en strekte de hand uit, die hij kuste. Hij was van een groote correctheid in zijn gekleede jas, hoogen hoed, lichtgrijze handschoenen; een parel in zijn das. Zij zetten zich bij het vuur en hij maakte haar enkele complimenten na elkaâr, over haar interieur, over haar toilet en over haar oogen. Zij schertste terug en hij vroeg, of hij haar stoorde.

--U schreef misschien een interessanten brief aan iemand, die u na aan het hart ligt?

--Neen. Ik zag drukproeven na.

--Drukproeven?

--Ja....

--Schrijft u?

--Voor het eerst.

--Een novelle?

--Neen, een artikel.

--Een artikel? Waarover??

Zij zeide den langen titel. Hij keek met open mond op. Zij lachte vroolijk.

--Dat had u nooit gedacht, niet waar?

--Santa Maria! prevelde hij in verbazing, in zijne wereld niet gewend aan "moderne" vrouwen, die zich bewogen in een Vrouwenbeweging.... In het Hollandsch?

--In het Hollandsch.

--Schrijf een volgenden keer in het Fransch: dan kan ik u lezen....

Zij beloofde het lachende en schonk hem een kop thee, prezenteerde hem bonbons. Hij knabbelde er ettelijke.

--Is u zoo ernstig? Altijd geweest? Verleden was u toch niet ernstig?

--Soms ben ik heel ernstig.

--Ik ook....

--Dat begrijp ik. Toen, als ik niet was gekomen, was u misschien heel ernstig geworden.

Hij lachte, met fatuïteit en zag haar welwetend aan.

--U is een bizondere vrouw! zeide hij. Heel interessant en heel knap. Wat u wil, dat gebeurt.

--Soms....

--Soms, wat ik wil, ook.... Soms ben ik ook heel knap. _Als_ ik wil. Maar meestal wil ik niet.

--Verleden wilde u wel....

Hij lachte.

--Ja! Toen is u knapper geweest dan ik. Morgen ik misschien knapper dan u.

--Wie weet!

Zij lachten beiden. Hij knabbelde de bonbons, den een na den ander, uit het schaaltje, en hij dronk liever een glas port. Zij schonk hem in.

--Mag ik u wat geven? vroeg hij ernstig.

--Wat?

--Een souvenir aan onze eerste kennismaking.

--Het is charmant van u. Wat zal het zijn?

Hij haalde uit zijn binnenzak iets in vloei en overhandigde het. Zij opende het pakje en zag een stuk antieke Venetiaansche kant, gewerkt in den vorm van een volant, voor een laag lijf.

--Neem het aan, smeekte hij. Het is iets heel moois. Ik geef het u met zooveel genot.

Zij zag hem aan met al hare coquetterie in haar oogen, als wilde zij hem doorzien.

--Zoo moet u het dragen....

Hij stond op, nam de kant, drapeerde ze op haar witten peignoir van den eenen schouder naar den anderen. Zijne vingers frommelden de plooien, zijne lippen beroerden even hare haren. Zij bedankte hem voor zijn geschenk. Hij ging zitten.

--Ik ben blij, dat u het aanneemt.

--Heeft u Miss Hope ook wat gegeven?

Hij lachte, zijn overwinnaarslachje.

--Staaltjes zijn genoeg voor haar, van de japonnen van de koningin. Aan u zoû ik geen staaltjes durven geven. Aan u geef ik antieke kant.

--Maar u had voor dat staaltje bijna uw carrière gebroken?

--Ach! lachte hij.

--Welke carrière?

--Ach neen! weerde hij af. Zeg mij, wat raadt u mij?

--Hoe meent u?

--Zoû ik haar trouwen?

--Ik ben tegen alle huwelijk, tusschen ontwikkelde menschen....

Zij wilde eenige harer frazen zeggen, maar dacht: waarom? Hij zoû ze toch niet begrijpen. Hij zag haar diep aan, met zijn karbonkeloogen.

--Dus voor vrije liefde?

--Soms. Niet altijd. Tusschen ontwikkelde menschen....

Hij was nu zeker van een liaison tusschen haar en Van der Staal, had hij misschien nog getwijfeld.

--En.... vindt u mij ontwikkeld?

Zij lachte, coquet, met even iets van minachting.

--Hoor eens, wil u ernstig spreken?

--Heel graag.

--Ik vind noch u, noch Miss Hope geschikt voor vrije liefde.

--Dus ben ik niet ontwikkeld?

--Ik meen niet, in beschaving. Ik meen in moderne ontwikkeling.

--Dus ben ik niet modern?

--Neen, sprak zij, een beetje geërgerd.

--Leer mij modern zijn.

Zij lachte nerveus.

--Ach, laat ons niet zoo spreken. Wat ik u raad? Urania _niet_ te trouwen.

--Waarom niet?

--Omdat uw leven samen een ellende zoû zijn. Zij is een lief, Amerikaansch parvenuetje....

--Ik bied haar wat ik heb; zij mij wat zij heeft....

Hij knabbelde de bonbons. Zij haalde de schouders op.

--Doe het dan, sprak ze onverschillig.

--Zeg mij, dat u het niet hebben wilt, en ik doe het niet.

--En uw papa? En de marchesa?

--Wat weet u daarvan?

--O, alles.... en niets!

--U is een demon! riep hij uit. Een engel en een demon. Zeg mij, wat weet u van mijn vader en van de marchesa?

--Voor hoeveel verkoopt u u aan Urania? Voor niet minder dan tien millioen?

Hij zag haar in stupefactie aan.

--Maar de marchesa vindt vijf genoeg. Het is ook mooi: vijf millioen.... Dollars of lire?

Hij sloeg de handen in elkaâr.

--U is een duivel!! riep hij uit. U is een engel en een duivel! Hoe weet u? Hoe weèt u? Weet u alles??

Zij wierp zich achterover en lachte.

--Alles....

--Maar hoé?

Zij zag hem aan, schudde het hoofd, coquetteerde.

--Zeg mij....

--Neen. Dat is mijn geheim....

--En u vindt, dat ik mij niet verkoopen mag?

--Ik durf niet raden in uw belang.

--En wat Urania betreft?

--Raad ik haar af.

--Hèeft u haar al afgeraden?

--Zoo nu en dan....

--U is dus mijn vijand? riep hij boos.

--Neen, zeide zij zacht, hem willende terugwinnen. Een vriendin....

--Een vriendin? Tot hoever?

--Tot zoo ver _ik_ gaan wil.

--Niet tot zoo ver _ik_ wil...?

--O, neen nooit!

--Maar misschien willen wij even ver?

Hij was opgestaan, zijn bloed in vuur. Zij bleef kalm zitten, bijna kwijnend, haar hoofd achterover. Zij antwoordde niet. Hij viel op de knieën en vatte haar hand en kuste die, voor zij kon afweren.

--O, engel, engel! O, demon! mompelde hij in zijn kussen.

Zij trok haar hand nu terug, duwde hem zachtjes van zich en sprak:

--Wat is een Italiaan toch vlug met zoenen!

Zij lachte hem uit. Hij stond op.

--Leer mij hoe Hollandsche vrouwen zijn, al zijn ze langzamer dan wij.

Zij wees hem zijn stoel, met een imperieus gebaar.

--Ga zitten. Ik ben geen specifiek Hollandsche vrouw. Anders zoû ik niet in Rome komen. Ik piqueer me cosmopolitisch te zijn. Maar we spraken niet over mij, we spreken over Urania. Denkt u ernstig haar te trouwen?

--Wat kan ik doen, als _u_ me tegenwerkt? Werk liever met mij meê, als een lieve vriendin....

Zij weifelde. Deze menschen, noch Urania, noch hij, waren rijp voor hare ideeën. Zij minachtte hen beiden. Goed, zij mochten dan trouwen; hij om rijk te zijn; zij om prinses-hertogin te worden.

--Hoor eens! sprak ze, zich buigend naar hem toe. U trouwt haar om haar millioenen. Maar uw huwelijk is dadelijk ongelukkig. Zij is een wuft kindje; zij verlangt brille ... en u behoort tot de Zwarten.

--Wij kunnen in Nice wonen: dan kan zij doen wat zij wil. Nu en dan komen wij in Rome, en nu en dan op San Stefano. En ongelukkig....--hij trok een tragisch gezicht--: wat kan het mij schelen. Gelukkig ben ik toch niet. Ik zal Urania pogen gelukkig te maken. Maar mijn hart ... zal elders zijn....

--Waar?

--Met de richting der vrouwenbeweging meê.

Zij lachte.

--Nu wil ik dan lief zijn?

--Ja....

--En u beloven te helpen?

Wat kon het haar schelen?

--O, engel, demon! riep hij uit.

Hij knabbelde een bonbon.

--En wat denkt de heer Van der Staal ervan? vroeg hij ondeugend.

Zij trok de wenkbrauwen op.

--Hij denkt er niet over. Hij denkt alleen aan zijn kunst.

--En aan u.

Zij zag hem aan, en boog het hoofd, toestemmend als een koningin.

--En aan mij.

--U dineert dikwijls met hem.

--Ja.

--Dineer ook eens met mij.

--O, heel gaarne.

--Morgen avond? Waar?

--Waar u wil.

--In het Grand-Hôtel?

--Vraag er dan Urania bij.

--Waarom wij niet alleen?

--Ik denk, dat het beter is uw aanstaande vrouw er bij te vragen. Ik zal haar chaperonneeren.

--U heeft gelijk. U heeft groot gelijk. En vraagt u dan den heer Van der Staal mij ook het genoegen te doen....

--Ik zal het doen.

--Dan tot morgen, half negen?

--Tot morgen, half negen.

Hij stond op, om afscheid te nemen.

--Het is welvoegelijk, dat ik ga, sprak hij. Eigenlijk bleef ik liever....

--Nu blijf dan ... of blijf een anderen keer, als u nu weg moet.

--U zoo koel.

--En u denkt lang niet genoeg aan Urania.

--Ik denk aan de vrouwenbeweging.

Hij ging zitten.

--Eigenlijk moet u weg, sprak zij en lachte met haar oogen. Ik moet mij kleeden ... om te gaan dineeren met meneer Van der Staal.

Hij kuste hare hand.

--U is een engel en een demon. U weet alles. U kan alles. U is de interessantste vrouw, die ik ooit heb ontmoet.

--Omdat ik drukproeven corrigeer.

--Omdat u is, die u is....

En heel ernstig, nog vasthoudende hare hand, zeide hij, bijna dreigend:

--Ik zal u nooit kunnen vergeten....

En hij vertrok. Toen zij alleen was opende zij hare vensters. Zij was zich nu wel bewust wat coquet te zijn, maar het was zoo in hare natuur: zij deed het zoo van zelve, tegen sommige mannen. Volstrekt niet tegen iedereen. Nooit tegen Duco. Nooit tegen mannen, tegen wie zij opzag. Dat prinsje minachtte zij, met zijn vlammende oogen en zijn gezoen.... Maar hij was voldoende om haar te amuzeeren.

En zij verkleedde zich en ging uit, en lang over het afgesproken uur kwam zij in de restauratie, vond Duco op haar wachten aan het tafeltje, het hoofd in de handen, en vertelde hem dadelijk, dat de prins haar had opgehouden.

XXIII.

Duco had eerst de invitatie van den prins niet willen aannemen, maar Cornélie zeide hem, dat zij het prettiger vond als hij ging. En het was een keurig diner geweest in de restauratie van het Grand-Hôtel, en Cornélie had zich uitstekend geamuzeerd en zij had er allerliefst uitgezien in een oude gele baljapon, die nog dateerde uit haar eerste huwelijksdagen, dien zij fluks een beetje veranderd had en met de antieke kant van den prins gedrapeerd. Urania was heel mooi geweest, blank, frisch, schitterende oogen, schitterende tanden, in een heel nieuwerwetsch eng aansluitend toilet van zwart-blauwe pailletten op zwarte tulle, alsof zij was in een pantser: de prins had gezegd: sirene met schubbestaart. En van andere tafels had men veel naar hun tafeltje gegluurd, want een ieder kende Virgilio di Forte-Braccio; een ieder wist dat hij een rijke Amerikaansche erfgename zoû trouwen, en een ieder had gevonden, dat hij zeer het hof maakte aan de slanke, blonde vrouw, die niemand kende.... Zij was getrouwd geweest--meende men--; zij chaperonneerde de aanstaande prinses; en zij was zeer bevriend met dien jongen man, een Hollandschen schilder, die in Rome studeerde. Men had er spoedig alles van geweten....

Cornélie had het aardig gevonden, dat men naar haar gekeken had en zij had zoo opvallend gecoquetteerd met den prins, dat Urania boos was geworden. En den volgenden morgen vroeg, tenwijl Cornélie nog in bed lag, niet meer denkende aan gisteren avond, maar peinzende over een fraze in haar brochure--werd er geklopt, bracht de meid haar ontbijt en brieven, en zeide, dat Miss Hope haar spreken wilde. Cornélie liet Urania binnen komen, terwijl zij in bed bleef en hare chocola, dronk. En verbaasd zag zij op, toen Urania haar dadelijk overviel met verwijtingen, uitbarstte in snikken, schold, en een hevige scène maakte, en zeide, dat zij haar nu doorzag, bekende, dat de marchesa haar op het hart had gedrukt voorzichtig te zijn voor Cornélie en haar een gevaarlijke vrouw had genoemd. Cornélie liet haar uitvaren en antwoordde koel, dat zij zich geen kwaad bewust was, dat zij integendeel Urania had gered; dat zij, integendeel, als getrouwde vrouw, Urania als chaperonne van dienst was geweest, haar niet zeggende, dat de prins alleen met haar, Cornélie, had willen dineeren.... Maar Urania wilde niet hooren en vaarde voort.... Cornélie zag haar aan en vond haar vulgair in die woede, sprekende haar Amerikaansch-Engelsch, alsof zij kauwde op hazelnooten, en, koel, antwoordde zij eindelijk:

--Beste meid, je maakt je nerveus om niets. Maar als je dat liever hebt, zal ik den prins schrijven, dat hij mij geen attenties meer bewijst....

--Neen, neen, dat niet: Gilio zal denken, dat ik jaloersch ben....

--En wat ben je dan?

--Waarom accapareer je je van Gilio? Waarom flirt je met hem? Waarom stel je je met hem aan, zooals gisteren, in een volle restauratie?

--Nu, als je dat niet gaarne hebt,... zal ik niet meer met Gilio flirten en me niet meer met Gilio aanstellen.... Je heele prins gaat mij niets aan....

--Een reden te meer.

--Het is afgesproken, hoor kindje.

Hare koelheid kalmeerde Urania, die vroeg:

--En blijven wij toch "good friends?"

--Maar natuurlijk, beste meid. Is er een aanleiding om ons te brouilleeren? Ik zie er geen....

Beiden, prins en Urania, waren haar totaal onverschillig. Zij had tegen Urania eerst wel gepreekt, maar om een algemeen idee: toen zij later inzag Urania's onbeduidendheid, trok zij hare belangstelling van het meisje terug. En hinderde haar wat vroolijkheid en onschuldige hofmakerij, nu, dan zoû het gedaan zijn.... Hare ideeën waren meer bij de drukproeven van haar artikel, die de post haar had gebracht.... Zij stond op, rekte zich uit.

--Ga in de zitkamer, Urania-lief, en laat mij even mijn bad nemen....

Na een poos kwam zij, frisch en glimlachend bij Urania terug in de zitkamer. Urania weende.

--Beste meid, wat trek je je toch aan? Je illuzie is bijna bereikt. Je huwelijk is zoo goed als zeker. Je wacht een antwoord uit Chicago? Je bent ongeduldig? Telegrafeer dan. Ik had dadelijk getelegrafeerd. Je denkt toch niet, dat je vader er iets op tegen heeft, dat je hertogin di San Stefano wordt?

--Ik weet het niet van mezelve, weende Urania. Ik weet het niet, ik weet het niet....

Cornélie haalde de schouders op.

--Je bent nog verstandiger dan ik dacht....

--Ben je heusch een goede vriendin? Kan ik je vertrouwen? Kan ik vertrouwen op je raad?

--Ik wil je niet meer raden. Ik heb je geraden. Nu moet jezelve weten.

Urania vatte haar hand.

--Wat zoû je gaarne zien: dat ik Gilio nam ... of ... niet?

Cornélie zag haar diep in de oogen.

--Je maakt je ongelukkig om niets. Je denkt, en de marchesa denkt het denkelijk met je, dat ik je Gilio wil ontnemen? Neen lieveling, ik zoû niet willen trouwen met Gilio, al was hij koning en keizer. Ik heb iets socialistisch in mij: ik trouw niet om een titel....

--Ik ook niet....

--Natuurlijk, lieveling, jij ook niet. Ik zoû het nooit durven beweren, dat je het deed.... Maar je vraagt me, wat ik gaarne zag? Nu, ik antwoord je heel eerlijk: ik zie gaarne niets. Het laat me heelemaal koud.

--En je noemt je mijn vriendin....

--Ach, beste kind, dat wil ik ook wel blijven. Maar overstelp mij dan niet op mijn nuchtere maag met zooveel verwijten....

--Je bent coquet....

--Van natuur, soms. Ik zal het heusch niet meer zijn, met Gilio.

--Heusch?

--Ja, natuurlijk. Wat kan het me schelen. Ik vind hem amuzant, maar als het je hindert, offer ik gaarne mijn amuzement aan je op. Zooveel tel ik het niet.

--Je houdt van Mr. Van der Staal?

--Heel veel....

--Ga je met hem trouwen, Cornélie?

--Wel neen, kindlief. Ik trouw niet meer. Ik weet wat het huwelijk is. Ga je meê met me wat wandelen? Het is mooi weêr en je bent me zoo overvallen met je griefjes, dat ik van morgen toch niet werken kan. Het is prachtig weêr: kom, dan gaan we bloemen koopen op de Piazza di Spagna....

Zij gingen, zij kochten de bloemen, Cornélie bracht haar thuis bij Belloni. Toen zij verder liep, op weg naar de osteria om te ontbijten, hoorde zij iemand haar inhalen. Het was de prins.

--Ik zag u al van het begin van de Via Aurora. Urania ging juist naar huis?

--Prins, zeide zij dadelijk. Het mag niet meer.

--Wat?

--Geen visites, geen scherts, geen cadeaux, geen diners in het Grand-Hôtel en geen champagne.

--Waarom niet?

--De aanstaande prinses wil het niet.

--Is zij jaloersch?

--Cornélie vertelde hem van de scène.

--En u mag zelfs niet met me meêloopen.

--Jawel.

--Neen, neen.

--Ik doe het toch.

--Dus het recht van den man, van den sterkste?

--Juist.

--Mijn roeping is er tegen te strijden. Maar voor vandaag ben ik mijn roeping ongetrouw.

--U is allerliefst ... als altijd.

--Dat mag u niet meer zeggen.

--Ze is vervelend, Urania.... Zeg mij, wat raadt u mij? Moet ik haar trouwen?

Cornélie schaterlachte.

--U vraagt beiden _mij_ raad!

--Ja, ja, wat denkt u?

--Zeker, trouw haar!

Hij zag niet hare minachting.

--Wissel uw blazoen voor haar beurs, ging zij voort en lachte, en lachte.

Nu zag hij er iets van.

--U veracht mij, ons beiden misschien.

--O, neen....

--Zeg mij, dat u me niet veracht.

--U wil mijn opinie weten. Urania is een allerliefst goed kindje, maar dat niet alleen moet reizen. En u....

--En ik?

--U is een charmante jongen. Koop mij die viooltjes, wil u....

--Dadelijk, dadelijk....

Hij kocht het boeketje.

--U is zoo dol op viooltjes, niet waar....

--Ja. Dit moet uw tweede ... en laatste geschenk zijn. Hier nemen wij afscheid van elkaâr.

--Neen, ik breng u thuis.

--Ik ga niet naar huis.

--Waarheen dan?

--Ik ga naar de osteria. Meneer Van der Staal wacht mij daar.

--Hij is wel gelukkig!

--Waarlijk?

--Kan het anders!

--Ik weet het niet. Dag, prins.

--Inviteer mij, smeekte hij. Laat mij samen met u lunchen.

--Neen, sprak ze ernstig. Heusch niet. Het is beter van niet. Ik geloof....

--Wat....

--Dat Duco precies is als Urania....

--Jaloersch?... Wanneer zie ik u dan weêr?

--Heusch, het is beter van niet.... Dag, prins. Merci ... voor de viooltjes.

Hij boog over hare hand. Zij begaf zich naar de osteria en zag, dat Duco door het raam hun afscheid had gezien.

XXIV.

Duco was stil aan tafel en zenuwachtig. Hij speelde met zijn brood en zijn vingers trilden. Zij voelde, dat hij iets op het hart had.

--Wat is er? vroeg zij lief.

--Cornélie, sprak hij ontroerd. Ik moet je spreken.

--Waarover?

--Je doet niet goed.

--In welk opzicht?