Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 7

Chapter 73,827 wordsPublic domain

--Ik zal geen vroolijk leven hebben. De prins behoort tot de Zwarten. Ze zijn altijd in rouw om den Paus. Er is in hun côterie bijna niets, geen bals, geen feesten. Ik woû, dat als wij trouwden, hij meêging naar Amerika. Hun kasteel in de Abruzzen is eenzaam en vervallen. Zijn vader is heel trotsch, ongenaakbaar en stilzwijgend. Ik heb dat gehoord van verschillende kanten. Wat moet ik doen, Cornélie? Ik hoû veel van Gilio; Virgilio heet hij. En dan, weet je, de titel is een oude Italiaansche titel: principe di Forte-Braccio, duca di San Stefano.... Maar zie je, dat is ook alles, alles. San Stefano is een gat. Daar woont de papa. Ze verkoopen wijn en daar leven ze van. En olijfolie; maar ze maken geen geld. Mijn vader fabriceert tricot, maar hij is er meê rijk geworden. Veel familie-juweelen hebben ze niet. Ik heb mijn informaties genomen.... Zijn nicht, de contessa di Rosavilla, de hofdame van de koningin, is lief ... maar die zouden we officieel niet zien. Ik zoû nergens naar toe kunnen gaan. Het lijkt me wel wat vervelend....

Cornélie nam heftig het woord, vaarde uit en herhaalde hare frazes: tegen het huwelijk in het algemeen en nu in het bizonder tegen dit huwelijk, alleen om een titel. Urania beaamde het: het wàs alleen een titel ... maar dan was het toch ook Gilio: hij was zoo lief en zij hield van hem. Maar Cornélie geloofde er niets van, en zeide het haar ronduit. Urania weende: zij wist niet wat zij doen zoû.

--En wanneer zoû je naar den prins gaan?

--Van avond....

--Ga niet.

--Neen, neen, je hebt gelijk, ik zal niet gaan.

--Verzeker je het mij?

--Ja, ja.

--Ga niet, Urania.

--Neen, ik zal niet gaan. You are a dear girl. Je hebt gelijk: ik zal niet gaan. Ik zweer het je, ik zal niet gaan....

XIX.

Er was echter zooveel vaagheid geweest in Urania's verzekering, dat Cornélie zich ongerust voelde en er Duco dien avond, in den restaurant, waar zij elkaâr ontmoetten, over sprak. Maar hij stelde geen belang, niet in Urania, niet in wat zij deed, of niet doen zoû, en hij haalde onverschillig zijn schouders op. Zij echter was stil en afgetrokken en hoorde niet naar wat hij zeide: een zijpaneel van een tryptiek, gedecideerd van Lippo Memmi, dat hij ontdekt had in een winkeltje aan den Tiber: de engel van de Annonciatie, bijna zoo mooi als die van de Uffizie, neêrgeknield in den waai nog van het laatste zijner vlucht, en de lelietak in de handen. Maar de koopman vroeg er tweehonderd lire voor en hij wilde maar vijftig geven. En toch, de koopman had den naam van Memmi niet genoemd: hij vermoedde niet, dat de engel van Memmi was....

Cornélie had niet geluisterd en plotseling sprak zij:

--Ik ga naar het Palazzo Ruspoli....

Hij zag verbaasd op.

--Waarom?

--Om naar miss Hope te vragen.

Hij was stom van verbazing en bleef haar met open mond aanzien.

--Als zij er niet is.... hernam Cornélie; dan is het goed. Is zij er ... is zij toch gegaan, dan vraag ik haar dringend te spreken....

Hij wist niet wat te zeggen, hij vond haar inval zoo vreemd, zoo excentriek, zoo nuttelooze arabesk om te kruisen arabesken van onbeduidende, onverschillige menschen, dat hij geen woorden wist te vinden. Cornélie zag op haar horloge.

--Het is over half negen. Gaat zij toch, dan gaat zij omstreeks dezen tijd.

Zij wenkte den kellner en betaalde. En zij knoopte haar manteltje dicht en stond op. Hij volgde haar.

--Cornélie, begon hij, is het niet vreemd wat je wilt doen. Je zal er allerlei last meê krijgen.

--Als men altijd tegen wat last opzag, zoû niemand eens een goede daad doen.

Zij wandelden stilzwijgend door, hij boos aan hare zijde. Zij spraken niet: hij vond het eenvoudig dol wat zij wilde: zij vond hem flauw Urania niet te willen beschermen. Zij dacht aan hare brochure, aan de Vrouwen, en zij wilde Urania beschermen voor het Huwelijk, en voor dien prins. En zij wandelden door het Corso, naar het Palazzo Ruspoli. Hij werd zenuwachtig, wilde haar nog eenmaal weêrhouden, maar zij vroeg al aan den suisse:

--Is de signore principe thuis?

De man zag haar argwanend aan.

--Neen, sprak hij kort.

--Ik vermoed van wel. Zoo ja, vraag dan of miss Hope bij zijne Excellentie is. Miss Hope was niet thuis; ik vermoed, dat zij van avond den prins komt bezoeken en ik moet haar dringend spreken ... over iets, dat geen uitstel lijdt. Hier ... la signora De Retz....

Zij reikte haar kaartje over. Zij sprak met zooveel aplomb, zij stelde het bezoek van Urania voor met zooveel rust en eenvoud, alsof het iederen avond voorkwam, dat Amerikaansche meisjes Italiaansche prinsen bezochten, en alsof zij niets anders dacht, dan dat de suisse die gewoonte wel wist. De man werd er door uit het veld geslagen, boog, nam het kaartje aan en verwijderde zich. Cornélie en Duco wachtten in den portiek.

Hij bewonderde haar om hare kalmte. Hij vond het wel excentriek wat zij deed, maar zij deed hare excentriciteit met eene zekerheid, die haar weêr in een ander licht bescheen. Zoû hij haar dan nooit begrijpen, zoû hij nooit iets tasten, en zeker weten, in het wisselen en ontastbare van die vaagheid van haarzelve? Hij had nooit die enkele woorden zoo tot dien suisse kunnen zeggen. Hoe had zij dien tact gevonden, dien hoog-ernstigen toon tegen dien impozanten deurwachter met zijn stok en zijn steek! Zij deed het even gemakkelijk als zij, met familiare minzaamheid, hun eenvoudig diner bestelde aan den kellner in hun kleine restauratie.... De suise kwam terug.

--Miss Hope en zijne Excellentie verzoeken u boven te willen komen....

Zij zag Duco glimlachend aan, zegevierend, geamuzeerd om zijne verwarring.

--Ga je meê?

--Wel neen, stotterde hij. Ik zal hier wel op je wachten.

Zij volgde een lakei de trappen op. Familieportretten hingen in den breeden corridor. De deur van het salon stond open. De prins kwam haar tegemoet.

--Vergeef mij, prins, sprak zij kalm en strekte de hand uit: zijn oogen waren klein als dichtgeknepen karbonkels, hij was wit van woede, maar hij bedwong zich en drukte even zijn lippen op de hand, die zij uitstak.

--Vergeef mij, ging zij voort. Ik heb miss Hope dringend te spreken....

Zij trad in het salon; Urania was daar, blozende, verlegen.

--U begrijpt, glimlachte Cornélie; ik had u niet durven storen, als het niet voor een zaak van gewicht was. Een zaak tusschen vrouwen ... maar toch van gewicht! schertste zij en de prins zeide iets terug, zoetsappig galant. Mag ik miss Hope even alleen spreken?

De prins zag haar aan. Hij vermoedde in haar: antipathie, en meer, een vijand. Maar hij boog, met zijn zoetsappigen glimlach en zei, dat hij de dames even alleen liet. Hij trok zich terug in een andere kamer.

--Cornélie, wat is er? vroeg Urania gejaagd. Zij greep Cornélie bij beide handen en zag haar angstig aan.

--Er is niets, sprak Cornélie streng. Ik heb je over niets te spreken. Ik vermoedde alleen en ik was zeker, dat je je belofte niet zoû houden. Ik woû zekerheid hebben, of je hier was.... Waarom ben je gekomen?

Urania begon te weenen.

--Huil niet! fluisterde Cornélie meêdoogenloos. In godsnaam huil niet. Wat je gedaan hebt is zoo onbezonnen mogelijk....

--Ik weet het ... bekende Urania zenuwachtig, hare tranen drogend.

--Waarom deed je het dan?

--Ik kon het niet laten.

--Alleen, met hem, hier, 's avonds...! Een bekend mauvais sujet....

--Ik weet het!

--Wat zie je in hem?

--Ik hoû van hem....

--Je wil hem alleen trouwen om zijn titel. Om zijn titel compromitteer je je. Wat, als hij je van avond niet respecteert als zijn aanstaande vrouw? Wat als hij je dwingt zijn maîtresse te zijn?

--Cornélie ... stil...!

--Je bent een kind, een onbezonnen kind. En je vader laat je alleen reizen. Om "dear old Italy" te zien.... Je bent Amerikaansch, liberaal: goed; flink op je eigen om de wereld door te trekken: goed, maar je bent nog geen vrouw, je bent een kind!

--Cornélie....

--Ga met me meê; zeg, dat je met me meêgaat. Om een dringende reden. Of neen ... zeg liever niets. Blijf. Maar ik blijf ook....

--Ja, blijf jij ook....

--We zullen hem roepen.

--Ja.

Cornélie belde, een lakei verscheen.

--Zeg zijne Excellentie, dat wij hem wachten. De man ging. Na een pooze kwam de prins binnen. Hij was nog nooit in zijn eigen huis zoo behandeld geworden. Hij ziedde van woede, maar hij bleef zeer hoffelijk, en uiterlijk kalm.

--Is de gewichtige zaak afgehandeld? vroeg hij met zijn kleine oogen en huichelglimlach.

--Ja, dank u zeer voor uw discretie ons even alleen te laten! sprak Cornélie. Nu ik miss Hope gesproken heb, ben ik gerust gesteld omtrent haar opinie.... O, u zoû gaarne weten, waarover wij hebben gesproken!?

De prins trok de wenkbrauwen op. Cornélie had coquet gesproken, met haar vinger gedreigd, geglimlacht, en de prins zag haar aan, en zag eensklaps, dat zij mooi was. Niet met de treffende schoonheid en frischheid van Urania Hope, maar met een complexere aantrekkelijkheid: die van een getrouwde vrouw, gescheiden, maar heel jong, die van een vrouw, eind'eeuwsch, met een lichte perversiteit in hare diep grauwe oogen, werkende onder heel lange wimpers, die van een vrouw, bizonder gracieus in de gebroken lijnen van haar moede, loome, morbide bevalligheid: een vrouw, die het leven kende, een vrouw, die hem--hij was er zeker van--doorzag; die hem--antipathiek--toch toesprak met coquetterie om hem te behagen, te winnen, onbewust, uit louter perverse vrouwelijkheid. Hij zag haar mooi en pervers, en hij bewonderde haar, gevoelig voor verschillende types van vrouwen. Hij vond haar eensklaps mooier en niet zoo banaal als Urania, en veel meer gedistingeerd, en niet zoo naïef gevoelig voor zijn titel, iets wat hij zoo mal in Urania vond. Hij was eensklaps op zijn gemak met haar, zijn woede zakte: hij vond het aardig twee mooie vrouwen bij zich te hebben in plaats van éene, en hij schertste terug, zei, dat hij van nieuwsgierigheid brandde, aan de deur geluisterd had, maar helaas, niets had opgevangen.... Cornélie lachte vroolijk, coquetteerde terug, en zag op haar horloge. Zij sprak iets van weggaan, maar zette zich tegelijkertijd neêr, knoopte haar mantel los en zei tot den prins:

--Ik heb zoo veel gehoord van uw miniaturen; nu ik in de gelegenheid ben: màg ik ze zien?

De prins was bereid, bekoord door haar blik, door haar stem, éen vuur, éen vlam in een oogenblik.

--Maar ... sprak Cornélie. Mijn cavalier wacht buiten in den portiek. Hij wilde niet boven komen, hij kent u niet.... Het is meneer Van der Staal.

De prins zag haar lachende aan. Hij wist de praatjes van Belloni. Hij twijfelde geen oogenblik aan een liaison tusschen Van der Staal en signora De Retz. Hij wist, dat zij zich stoorden aan niets. En Cornélie werd hem zeer sympathiek.

--Maar ik zal dadelijk den heer Van der Staal laten vragen om boven te komen.

--Hij wacht in den portiek, zei Cornélie. Hij zal niet willen....

--Ik zal zelve gaan, sprak de prins, levendig en gedienstig.

Hij ging. De dames bleven achter. Cornélie trok haar mantel uit; maar zij hield haar hoed op, omdat hare haren in de war zouden zijn. Zij zag in den spiegel.

--Heb je je poeier bij je? vroeg zij Urania.

Urania haalde haar ivoren doosje uit den zak en gaf het aan Cornélie. En terwijl Cornélie zich even poeierde, zag Urania hare vriendin aan, en begreep niet. Zij herinnerde zich den ernstigen indruk, dien Cornélie dadelijk op haar gemaakt had, studeerende Rome ... later schrijvende een brochure over de Vrouwenkwestie, en de toestand der gescheiden vrouw.... Toen haar waarschuwingen tegen het Huwelijk en tegen den prins. En nu zag zij haar eensklaps als allerliefst wufte vrouw, onweêrstaanbaar bekoorlijk, meer betooverend nog dan werkelijk schoon, vol behaagzucht in de diepte van haar grauwe oogen, die op en neêr glansden onder de kruivende wimpers, eenvoudig gekleed in een donker zijden blouse en een laken rok, maar met zooveel distinctie en toch coquetterie, zooveel voornaamheid en toch broze lijn van bevalligheid, dat zij haar nauwlijks meer herkende....

Maar de prins was binnengekomen en voerde Duco meê, onwillig, nerveus, niet wetende wat was voorgevallen, niet begrijpende, hoe Cornélie had gehandeld. Hij zag haar rustig zitten, glimlachend en hem dadelijk verklarend, dat de prins haar zijn miniaturen zoû toonen.

Duco zei ronduit, dat hij niet om miniaturen gaf. De prins vermoedde om zijn boozen toon, dat hij jaloersch was. En dit vermoeden prikkelde den prins, om Cornélie het hof te maken. En hij deed als toonde hij de miniaturen alleen aan haàr, als toonde hij haàr zijne kanten. Zij bewonderde vooral de kanten, en frommelde ze met hare fijne vingers. Zij vroeg hem te verhalen van zijne grootmoeders, die die kanten gedragen hadden. Hadden zij avonturen gehad? Hij vertelde er een, dat haar zeer lachen deed: hij vertelde een paar anecdoten na, levendig, opvlammende onder haar blik, en zij lachte. In de atmosfeer van dat groote salon, bureau van den prins--zijn schrijftafel stond er--de kaarsen op, bloemen gezet om Urania, begon iets te tintelen van perverse vroolijkheid en luchtigen lust om te leven. Maar alleen tusschen Cornélie en den prins. Urania was stil geworden, en Duco zei geen woord. Ook hem was Cornélie eene openbaring. Zoo had hij haar nooit gezien--niet op het kerstbal, aan de table-d'hôte niet, in zijn atelier niet, niet op hun uitstapjes, en in hun restauratie. Was zij éene vrouw, of tien vrouwen?

En hij bekende zich, dat hij haar liefhad, meer lief met iedere openbaring, meer lief met iedere vrouw, die hij in haar zag, als een facet, dat zij weêr liet glanzen. Maar spreken kon hij niet, meêschertsen kon hij niet, vreemd in die atmosfeer, vreemd in dat element van zooveel luchtigen levenslust, om niets dan doellooze woorden, als parelde het Fransch en het Italiaansch, dat zij door elkaâr spraken, als glinsterde hun scherts als klatergoud, en regenboogden hunne equivoque woordspelingen.... De prins betreurde het, dat zijn thee niet meer was te drinken, maar hij liet champagne komen. Hij vond zijn avond ten eenen deele mislukt voor zijne plannen--want bang Urania te verliezen, had hij Urania willen dwingen; want ziende hare weifeling, had hij vast besloten tot het onherstelbare--maar zijn natuur was zoo weinig ernstig--hij zoû trouwen meer om zijn vader en de marchesa Belloni, dan om zichzelven;--hij leefde even pleizierig met schulden en zonder vrouw, dan hij mèt een vrouw en millioenen zoû doen--dat hij dien mislukten avond alleramuzantst begon te vinden, dat hij er in zichzelven om lachen moest, als hij dacht aan de marchesa zijne tante, aan zijn vader: aan hunne machinaties, die geen vat op Urania hadden, omdat een aardige coquette vrouw niet gewild had. Waarom wilde zij niet, dacht hij, inschenkende de schuimende Monopole, morsende over de kelken; waarom stelt zij zich tusschen mij en die Amerikaansche kousenverkoopster? Zoekt zijzelve een titel in Italië? Maar het kon hem verder niet schelen: hij vond de indringster aardig, mooi, heel mooi, coquet, verleidelijk, betooverend. Hij bemoeide zich met haar. Hij verwaarloosde Urania. Hij schonk nauwlijks haar glas vol. En toen het eindelijk laat was en Cornélie opstond en in haar arm Urania's arm trok en den prins aanzag met een blik van triumf, dien zij beiden begrepen tusschen elkaâr, fluisterde hij aan haar oor:

--Ik dank u innig voor uw bezoek in mijn nederige woning: u heeft mij _overwonnen: ik geef mij gewonnen_....

De woorden schenen maar toespeling op hun scherts, op hun woordenstrijd om niets, maar tusschen henbeiden--den prins en Cornélie--klonken zij vol bedoeling en hij zag in haar oog de zege glimlachen....

Hij bleef alleen in zijn kamer en schonk zich het laatste in van de champagne. En hij sprak luid, het glas aan zijne lippen:

--O, che occhi! Che belli occhi...! Che belli occhi...!!

XX.

Den volgenden dag, toen Duco Cornélie in de osteria ontmoette, was zij zeer opgewonden en vroolijk: zij deelde hem meê, dat zij reeds antwoord had van het Vrouwenblad, waaraan zij een week geleden hare brochure verzonden had, en dat haar werk was aangenomen en zelfs gehonoreerd zoû worden. Zij was zoo fier haar eerste geld te zullen verdienen, dat zij vroolijk was als een kind. Zij sprak niet over den vorigen avond, scheen den prins en Urania vergeten, maar had behoefte exuberant te praten.

Zij had allerlei groote plannen: reizen als journaliste, zich storten in de beweging der steden, naloopen iedere actualiteit, zich laten afvaardigen door een blad naar congressen en feesten. De enkele guldens, die zij verdienen zoû, maakten haar al dronken van ijver, en zij zoû veel willen verdienen en veel willen doen en geen vermoeienis achten. Hij vond haar eenvoudig aanbiddelijk: in het halflicht der osteria, aan het kleine tafeltje etende hare gnocchi, voor zich de halve fiasco, waarin de gele landwijn bleekte, kreeg hare gewone loomte eene nieuwe levendigheid, die hem verbaasde; kreeg haar croquis, rechts half donker, links aangelicht door den straatschijn, een moderne gratie van teekening, die hem aan Fransche teekenaars herinnerde: het even bleeke gelaat met de fijne trekken, opgelicht door haar lach, geschetst onder haar matelot, die diep in de oogen stond; het haar, aangegoud, of donker schemerblond; de witte voile opgelicht en een waas kreukende van boven; haar figuur, rank en gracieus in het eenvoudige manteltje--losgeknoopt--en in hare blouse een ruikertje viooltjes gestoken.

De manier, waarop zij zich inschonk, aan den cameriere--den eenigen,--die hen goed kende, van iederen dag--familiaar minzaam iets vroeg; de levendigheid, die hare loomte afwisselde, hare groote plannen, hare blijde woorden--het schitterde hem alles tegen, studentikoos en toch gedistingeerd, vrij en toch vrouwelijk, en vooral gemakkelijk, zooals zij overal gemakkelijk was; met een tact van assimilatie, die hem trof als een bizondere harmonie. Hij dacht aan den vorigen avond, maar zij sprak er niet over. Hij dacht aan die openbaring harer behaagzucht maar zij dacht aan geen coquetterie. Ze was met hem nooit coquet. Ze zag tegen hem op, ze vond hem bizonder en knap, hoewel niet van zijn tijd; zij had een eerbied voor zijn zeggen en denken, en ze was zóo gewoon tegen hem, als een kameraad tegen een anderen, een ouderen, een knapperen. Zij voelde voor hem een innige vriendschap, iets onbeschrijflijks van samen-te-moeten-zijn, samen-te-moeten-leven; of hunne lijnen één lijn zouden vormen. Het was geen zustergevoel en het was geen passie, en vóor zich zag zij het geen liefde, maar het was een groot gevoel van eerbiedige teederheid, van opziend verlangen en van aanhankelijke vreugde hem te hebben ontmoet. Zag zij hem niet meer, zij zoû hem missen als zij niet éen in haar leven meer missen zoû. En dat hij niets voelde voor moderne kwesties, vernederde hem niet in haar oog van jonge moderne strijdster, die haar eerste vaan zoû zwaaien. Het kon haar ergeren voor een oogenblik, maar het overwoog niet in hare waardeering.

En hij zag het, dat zij met hem zoo eenvoudig aanhankelijk was, zonder behaagzucht. Toch zoû hij nooit vergeten, zooals zij gisteren met den prins was geweest. Jalouzie had hij gevoeld en ook bij Urania opgemerkt. Maar zijzelve had zeker gehandeld zoo spontaan naar hare natuur, dat zij nu niet dacht aan dien avond, aan geen prins, aan geen Urania, geen coquetterie, en geen mogelijke jalouzie van hun kant. Hij betaalde--het was zijn beurt--en zij stonden op en zij nam vroolijk zijn arm en zei, dat ze hem wilde verrassen. Zij wilde hem een pleizier doen. Zij wilde hem iets geven, een mooi, een heel mooi souvenir. Zij zoû aan dat souvenir willen besteden haar honorarium. Maar zij had het nog niet ... wat kwam het er op aan! Zij zoû het immers krijgen.... En zij wilde het hem geven.

Hij vroeg lachende wat het zoû zijn...? Zij riep een rijtuigje aan en fluisterde den koetsier een adres in; hij verstond niet wat zij zeide.... Wat zoû het zijn? Maar zij weigerde nog te zeggen.... De vetturino reed hen het Borgo door naar den Tiber. Daar hield hij stil voor een donker winkeltje van bric-à-brac, die tot op de straat gestapeld lag.

--Cornélie...! riep hij nu, iets radende.

--Je engel van Lippo Memmi: ik koop hem voor je, stil....

Hij kreeg tranen in de oogen; zij traden binnen.

--Vraag hem hoeveel hij er voor hebben moet.

Hij was zoo aangedaan, dat hij niet spreken kon en Cornélie moest vragen en dingen. Zij dong niet lang; zij kreeg het paneel voor honderd-en-twintig lire.... Zelve droeg zij het in de victoria.

En zij reden naar zijn atelier. Zij torsten samen den engel de trappen op, glimlachende, als torsten zij binnen zijn woning een rein geluk. In het atelier zetten zij den engel op een stoel. Edel, met het ietwat Mongoolsche type, de oogen lang amandelvormig, knielde de engel juist neêr in den laatsten waai van zijn vlucht, en de gouden sjerp van zijn goud-purperen mantel fladderde op, terwijl zijn lange wieken, hoog, recht, trilden. Duco staarde naar zijn Memmi, vol dubbele emotie; om den engel zelven en om hàar.... En natuurlijk weg breidde hij uit zijn armen.

--Mag ik je danken, Cornélie?

En hij omhelsde haar, en zij gaf hem zijn zoen terug.

XXI.

Toen zij thuis kwam vond zij een kaartje van den prins. Het was een gewone beleefdheid na gisteren avond--haar geïmprovizeerd bezoek in het Palazzo Ruspoli--en zij dacht er verder niet aan. Zij was in een prettige stemming, prettig voor zichzelve; tevreden, dat haar werk --artikel eerst--was aangenomen door "Het Recht der Vrouw"; later zoû zij het als brochure uitgeven; tevreden, dat zij Duco genoegen had gedaan met den Memmi. Zij verkleedde zich in haar peignoir en zette zich bij het vuur in hare mijmerhouding en zij dacht er over hoe zij gevolg zoû kunnen geven aan hare groote plannen.... Tot wie zoû zij zich moeten wenden? Er had in Londen een Internationaal Vrouwen-Congres plaats en "Het Recht der Vrouw" had haar een prospectus gezonden. Zij bladerde er in. Verschillende vrouwelijke leiders zouden spreken: tal van sociale kwesties zouden worden behandeld: de psychologie van het kind; de verantwoordelijkheid der ouders; de invloed der toelating van vrouwen, tot alle beroep, op het huiselijk leven; vrouwen in kunst, in medicijnen; de vrouw in de mode, de vrouw in huis, op het tooneel; wetten voor huwelijk en scheiding....

Kleine biografieën der spreeksters, met portretten, waren er bijgevoegd. Het waren Amerikaansche en Russische, Engelsche, Zweedsche, Deensche vrouwen; bijna elke nationaliteit was vertegenwoordigd. Het waren oude en jonge vrouwen; sommige mooi, sommige leelijk; sommige mannelijk, sommige vrouwelijk; sommige hard en energiesch met inseksueele jongensgezichten; een enkele elegant, gedecolleteerd en gefrizeerd. In groepen waren ze niet te verdeelen. Wat was in haar leven de stoot geweest om meê te strijden voor het vrouwelijk recht? In sommige zeker neiging, natuur; in een enkele roeping; in een vierde meêdoen met mode.... En in haarzelve, wat was de stoot geweest...? Zij liet den prospectus zakken in haar schoot, en zij staarde in het vuur en dacht na.... Voor haar oog trok weêr haar salon-educatie, haar huwelijk, hare scheiding....