Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 6

Chapter 63,897 wordsPublic domain

Wat Cornélie voorgedacht had over mevrouw Van der Staals opinie omtrent haar omgang met Duco, werd bewaarheid: mevrouw sprak ernstig met haar, zeggende, dat zij, zoo voortgaande, zich comprometteeren zoû, en voegde er tevens aan toe, dat zij ook met Duco in dien geest gesproken had. Maar Cornélie antwoordde vrij hoog, en nonchalant, beweerde, dat zij, na zich steeds aan conventie gestoord te hebben, en toch diep ongelukkig te zijn geworden, zich voortaan niet meer aan conventie stoorde, en dat zij Duco's conversatie op prijs stelde zonder zich te laten weêrhouden door wat "men" dacht en vond. En dan, vroeg zij mevrouw Van der Staal, wie was "men"? Hun drie, vier kennissen in Belloni? Wie kende haar anders? Waar kwam zij verder? Wat deerde haar Den Haag? En zij lachte schamper, uit de hoogte afwerende de argumenten van mevrouw Van der Staal. Het gaf tusschen haar eene verkoeling: zij kwam dien avond niet bij Belloni dineeren, gekrenkt in hare prikkelbare overfijngevoeligheid. Den volgenden dag, Duco ontmoetende aan hun tafeltje in de osteria, vroeg zij, wat hij dacht van zijn moeders berisping. Hij glimlachte vaag, de wenkbrauwen opgetrokken, klaarblijkelijk niet beseffende de middelmaat-waarheid der woorden zijner moeder, zeggende: dat dat zoo ideeën waren van mama, natuurlijk heel goed en gangbaar in den cirkel, waarin mama en de zusjes leefden, maar waarin hij zich niet verdiepte, waaraan hij zich niet stoorde, tenzij Cornélie vond, dat mama gelijk had. En Cornélie vaarde schamper uit, haalde hare schouders op, vroeg terwille van wie en wat zij zich zouden laten weêrhouden in hun vriendschappelijken omgang. Zij bestelden samen een halve fiasco, en zij aten lang en gezellig, als twee kameraden, als twee studenten. Hij zeide, dat hij had nagedacht over hare brochure; hij sprak,--om haar lief te zijn--over den toestand der moderne vrouw, over het huwelijk, over de meisjes. Zij laakte de opvoeding, die mevrouw Van der Staal aan zijn zusjes gaf, de luchtige schitter-educatie en dat eeuwige uitgaan en zoeken naar een man. Zij sprak uit ondervinding, zeide zij. Dien dag wandelden zij de Via Appia op, en gingen in de Catacomben, geleid door een Trappist. Daarna namen zij een rijtuigje, reden naar Rome terug en dronken thee bij Ramazotti, den banketbakker. Toen Cornélie thuis kwam, voelde zij zich pleizierig en luchtig en vroolijk. Zij ging niet meer uit, stookte met veel hout haar vuur op voor den avond, die kil werd, en soupeerde alleen met wat brood en gelei, om niet uit te gaan voor haar diner. In haar peignoir, de handen om het hoofd gebogen, tuurde zij in het aardig brandende hout, en liet den avond over zich glijden. Zij was tevreden met haar leven, zoo vrij, los van alles, en iedereen. Zij had een beetje geld, zij kon zoo blijven leven. Vele behoeften had zij niet. Haar leven op kamers, in kleine restauraties kostte niet veel. Toiletten had zij niet noodig. Zij voelde zich tevreden. Duco was een prettige vriend; wat zoû zij eenzaam zijn zonder hem. Alleen, een doel moest haar leven krijgen.... Wat? Wat? De vrouwenbeweging...? Maar hoe, in den vreemde? Er aan te arbeiden was zoo moeilijk.... Hare brochure nu zoû zij zenden aan een nieuw blad voor vrouwen, pas opgericht. Maar dan? Zij was nu eenmaal niet in Holland, en zij wilde niet naar Holland: en toch, daar zoû ze zeker gemakkelijker werkzaam zijn, van gedachte wisselen met anderen. Maar hier in Rome.... Een luiheid kwam over haar, in de loomte van haar gezellige kamer. Want Duco had haar geholpen haar zitkamer te arrangeeren. Hij was toch een ontwikkelde jongen, al was hij niet modern. Wat wist hij veel van geschiedenis, van Italië, wat vertelde hij aardig. Zooals hij haar Italië verklaarde, vond zij Italië toch wel interessant.

Maar hij was alleen niet modern. Voor de politiek van Italië had hij geen oog, niet voor den strijd tusschen Quirinaal en Vaticaan; niet voor het anarchisme, dat er den kop opstak in Milaan, niet voor de woelingen in Sicilië.... Een doel; zoo moeilijk een doel.... En in hare avondloomheid na een prettigen dag, voelde zij het gemis van een doel niet, smaakte zij de zachte wellust hare gedachten te laten glijden met de lome avonduren meê, in een egoïsme van welbehagen. Zij zag naar de bladen harer brochure, verspreid op hare groote schrijftafel: een tafel om aan te werken: ze lagen geel in het licht van hare werklamp: ze waren allen nog niet overgeschreven, maar zij had nu geen lust: zij wierp een blok in het haardje, en het vuur rookte en vlamde op. Zoo gezellig in het buitenland, dat stoken met blokken hout.... En zij dacht aan haar man. Soms miste zij hem. Zoû zij hem niet hebben kunnen leiden met een beetje tact en geduld? Hij was toch heel aardig geweest in den tijd van hun engagement. Hij was ruw, maar hij was niet kwaad. Hij vloekte wel eens tegen haar, maar misschien had hij het niet zoo kwaad gemeend. Hij walste heerlijk, hij draaide je zoo stevig meê.... Hij was een mooie jongen, en, ze bekende zich, ze was verliefd op hem, alleen om zijn mooie gezicht, zijn mooie lijf. Hij had iets in zijn oogen en mond gehad, dat zij niet had kunnen weêrstaan. Als hij sprak, had zij naar zijn mond moeten kijken. Enfin, het was nu voorbij.... Het Haagsche leven was toch misschien te eentonig geweest voor hare natuur. Zij hield van reizen, van nieuwe menschen zien, van nieuwe gedachten in zich ontwikkelen, en ze had nooit kunnen vastgroeien in haar côterie-tje. En nu was zij vrij, los van alle banden, van alle menschen. Als mevrouw Van der Staal boos was, wat kon het haar schelen.... En Duco, hij was toch wèl modern, een beetje, in zijne onverschilligheid omtrent conventie. Of was het alleen artisticiteit in hem; of was het hèm, als on-modern man, onverschillig, zooals het haar, moderne vrouw, was? Een man kon zich meer veroorloven. Een man comprometteerde zich zoo gauw niet. Moderne vrouw.... Zij herhaalde het trotsch. Iets fiers stak op in hare loomheid. Zij richtte zich, rekkende-uit hare armen, zag in den spiegel haar slanke figuur, haar fijne gezichtje, een beetje bleek, de oogen groot, en grauw en glansend, onder opvallend lange wimpers; haar donker-blonde haren in een losse verwarde wrong; haar gebroken lelie-lijn heel bevallig in de frommelplooien van haar ouden peignoir, bleek roze en verschoten. Waar was haar pad? Zij voelde zich niet alleen werkster en streefster, zij voelde zich zoo complex; zij voelde zich vrouw ook, zij voelde veel vrouwelijkheid in zich, als een loomte, die haar werkkracht verlammen zoû. En zij dwaalde de kamer door, besluiteloos naar bed te gaan, en, starende in de gloei-asch van het uitgebrande vuur, dacht zij aan haar toekomst, aan wat en hoe zij worden zoû, en hoe en waar zij gaan zoû, langs welke arabesk des levens, wendende door welke wouden, krullende door welke dreven, kruisende welke andere arabesken, van welke andere zoekende zielen?

XVI.

Reeds langen tijd was het een idee-fixe van Cornélie, dat zij met Urania Hope moest spreken, en op een morgen schreef zij een briefje en vroeg belet voor dien middag. Miss Hope antwoordde toestemmend en om vijf uur vond Cornélie haar thuis in haar mooi en duur salon van Belloni: veel licht op, veel bloemen; Urania, hamerende op de piano, in een robe-d'interieur van Venetiaansche kant, terwijl een rijke tea met koekjes, boterhammetjes, bonbons, was klaargezet. Cornélie had geschreven, dat zij Miss Hope over een belangrijk onderwerp alleen wilde spreken en vroeg ook dadelijk of zij alleen zouden zijn, twijfelende, nu Urania haar zoo receptie-achtig ontving. Maar Urania stelde haar gerust: zij had alleen thuis gegeven voor Mrs. De Retz, en zij was zeer nieuwsgierig waarover Cornélie haar wilde onderhouden. Cornélie herinnerde Urania hare eerste waarschuwing en toen Urania lachte, vatte zij haar hand en zag haar met zulke ernstige oogen aan, dat zij indruk maakte op de luchtige natuur van het Amerikaansche meisje, en Urania geïntrigeerd werd. Nu vond zij het eensklaps zeer gewichtig--een geheim, een intrigue, een gevaar in Rome!--en zij fluisterden samen. En Cornélie, niet angstig meer in deze toenemende vertrouwelijkheid, bekende haar wat zij op het Kerstbal overhoord had, door de opengekraakte deur: de machinatie van de marchesa met haar neef, dien zij met alle geweld koppelen wilde aan een rijke erfgename ter wille van des prinsen vader, die haar item zooveel voor dat huwelijk scheen beloofd te hebben. Daarop sprak zij over de bekeering van Miss Taylor, door Rudyard bewerkt; Rudyard, die niet met haar, Urania, scheen te kunnen klaar komen--geen vat krijgende op haar argelooze, maar luchtige vlindernatuur, en--als Cornélie vermoedde, --daarom de ongenade van zijn geestelijke superieuren zich op den hals had gehaald, en verdwenen was, zonder zijn schuld aan de marchesa te hebben kunnen voldoen. Nu scheen hij vervangen te zijn door de beide monsignori, die er deftiger, wereldscher uitzagen, en zalvender waren, met meer glimlach. En Urania, starende in dit gevaar, in die lagen aan hare voeten, waarin Cornélie haar eensklaps blikken liet, verschrikte nu werkelijk, werd bleek, en beloofde op hare hoede te zijn. Eigenlijk had zij maar dadelijk hare kamenier willen zeggen in te pakken om zoo spoedig mogelijk Rome te verlaten, naar een andere stad, in een ander pension, waar veel adel was: adel was zoo lief! En Cornélie, ziende, dat zij indruk gemaakt had, voer voort, sprak over zichzelve, sprak over het huwelijk, zeide, dat zij een brochure had geschreven tegen het huwelijk en over den Maatschappelijken Toestand van de Gescheiden Vrouw. En zij sprak over het leed, dat zij had doorgemaakt, en over de Vrouwenbeweging in Holland. En, eenmaal op dreef, kon zij zich niet betoomen, heviger en heftiger, tot Urania haar erg knap vond--a very clever girl--zoo te kunnen redeneeren en te schrijven over een "question brûlante." Zij gaf een flinken nadruk op de eerste lettergrepen der Fransche woorden, bekende, dat zij wel gaarne kiesrecht zoû willen hebben, en plooide bij die woorden den langen sleep van haar kanten tea-gown uit. Cornélie sprak over de onrechtvaardigheid der wet, die de vrouw niets laat, alles ontneemt, geheel dwingt in de macht van den man, en Urania was het met haar eens en prezenteerde het schaaltje met fijne bonbons. En onder een tweede kop thee spraken zij, opgewonden, beiden te samen, de eene niet hoorende naar wat de andere betoogde, en Urania zeide, dat het "a shame" was. Van een algemeene beschouwing kwamen zij weêr op hare eigen belangen: Cornélie beschreef het karakter van haar man, in zijn grofheid de natuur van een vrouw niet begrijpende, en niet toegevende, dat een vrouw naàst hem stond, en niet beneden. En nogmaals kwam zij terug op de Jezuïeten, op het gevaarlijke in Rome voor rijke meisjes alleen, op die tang van een marchesa, en op dien prins: getiteld lokaas, dat de Jezuïeten uitwierpen, om een ziel te winnen, en een verarmd Italiaansch huis,--dat den Paus was trouw gebleven, en den koning niet diende--te verbeteren in zijn finanties. En zij waren beiden zoo hevig en opgewonden, dat zij niet hoorden, hoe er geklopt werd, en eerst opzagen, toen de deur langzaam open ging. Zij schrikten, zagen op, en verbleekten beiden toen zij den prins van Forte-Braccio zagen binnenkomen. Hij verontschuldigde zich met een glimlach, zei, dat hij licht gezien had in het salon van miss Urania, dat de portier hem wel belet had gegeven, maar dat hij het consigne geforceerd had. En hij zette zich, en trots alles wat zij zooeven besproken hadden, vond Urania het verrukkelijk, dat de prins daar zat, en een kop thee van haar aannam en een koekje wilde eten.

En Urania toonde haar album met wapens--de prins had het zijne er al in afgedrukt--en toen haar album met stalen van de baljaponnen der koningin. Toen lachte de prins en zocht uit zijn zak een couvert: hij opende het en haalde er voorzichtig uit een lapje blauw brokaat met zilveren parelen bewerkt. Wat was het? vroeg Urania verrukt. En hij zeide, dat hij haar bracht een staal van het nieuwste toilet van Hare Majesteit; zijn nicht,--niet een Zwarte, als hij, maar een Witte; niet pauselijk, maar koningsgezind, hofdame der Koningin,--had hem dit lapje weten te bezorgen voor Urania's album. Urania zoû het zelve zien: de koningin zoû dit toilet dragen op het hofbal over een week. Hij ging daar niet heen, hij ging zelfs niet officieel naar zijn nicht, niet naar hare receptie's, maar hij zag haar toch uit familierelatie, uit vriendschap. Nu smeekte hij Urania hem toch niet te verraden: het kon hem kwaad doen in zijn carrière,--welke carrière? vroeg Cornélie zich af--als men wist, dat hij zijn nicht veel zag, maar hij had haar veel bezocht, den laatsten tijd, voor Urania, om dat staaltje te krijgen.

En Urania was zoo dankbaar, dat zij alles vergat van den maatschappelijken toestand van meisje en vrouw, getrouwd of ongetrouwd, en zij had haar kiesrecht gaarne geofferd voor zoo een lieven Italiaanschen prins. Cornélie ergerde zich, stond op, groette met een koele hoofdbuiging den prins, en trok Urania even meê bij de deur:

--Vergeet ons gesprek niet, waarschuwde zij. Wees op je hoede.

En zij zag den prins, toen zij fluisterden, sarcastisch naar haar kijken, vermoedende, dat zij over hèm sprak, radende een antipathie in die Hollandsche vrouw, maar prat op de macht van zijn persoonlijkheid en zijn titel en zijn attenties, voor de dochter van een Amerikaanschen tricot-fabrikant.

XVII.

Er was eene verkoeling gekomen tusschen mevrouw Van der Staal en Cornélie, en Cornélie kwam 's avonds niet meer dineeren bij Belloni. In weken zag zij mevrouw en de meisjes niet meer, maar zag zij Duco iederen dag. Zij waren, trots hun essentieel verschil van karakter, zoo zeer gewend aan hun samenzijn, dat zij elkaâr misten zoo zij elkaâr éen dag niet gezien hadden, en zij waren langzamerhand als natuurlijkweg er toe gekomen iederen dag met elkaâr te déjeuneeren en te dineeren: 's ochtends in de osteria, 's middags in het een of ander kleine café, meestal heel eenvoudig. Om niet te behoeven af te rekenen, betaalde Duco den eenen keer en Cornélie den anderen. Meestal hadden zij veel te praten; hij leerde haar Rome, leidde haar na het lunch rond door kerken en muzea, en, onder zijne leiding, begon zij te begrijpen, begon zij te waardeeren en mooi te vinden. Onbewust suggereerde hij haar eenige zijner ideeën: schilderkunst was haar heel moeilijk, maar sculptuur begreep zij veel sneller. En zij begon hem niet alleen maar "morbide" te vinden; zij zag tegen hem op, hij sprak eenvoudig weg tegen haar als van zijn hoog standpunt van sentiment en kennis en begrijpen, over heel hooge dingen, die zij als jong meisje, als jonge vrouw later, nooit had gezien in het edele licht van verheerlijking, dat hij voor haar liet opgaan, als de eerste glans van een dageraad; nieuwe dag, waarin zij nieuwe dingen des levens aanschouwde, geschapen uit het edelste van kunstenaarsziel. Hij betreurde het, dat hij haar Giotto niet kon laten zien in Santa Croce te Florence, de Primitieven in de Uffizie, en dat hij haar dadelijk moest Rome leeren, maar hij leidde haar in al het exuberante kunstleven van de Pauselijke Renaissance, tot zij het, onder zijn woorden, meêleefde een enkele intense seconde, en Michelangelo, Rafaël, voor haar uitstonden, levende ook. Hij dacht, na zoo een dag: zij is toch niet zoo heelemaal onartistiek, en zij dacht aan hem met eerbied, ook als de suggestie verbroken was, en zij nadacht, en, eigenlijk heel diep in zich, niet meer zoo goed begreep als dien morgen, omdat haar ontbrak de liefde voor die dingen. Maar toch bleef er 's avonds dan nog zooveel glans van kleur en verleden dwarrelen voor hare oogen, dat haar brochure haar dof scheen, dat de Vrouwenbeweging haar niet interesseerde, en dat Urania Hope haar niet schelen kon.

Hij bekende zich, dat hij zijn rust geheel verloren had, dat Cornélie voor hem stond in zijn gepeins, tusschen hem en zijn antieke tryptieken; dat zijn leven, eenzaam, zonder kennissen, naïef en eenvoudig, tevreden met te dwalen in en buiten Rome, met te lezen, te droomen, en nu en dan wat te schilderen, geheel veranderd was in gewoonte en lijn, nu de lijn van zijn leven haar levenslijn gekruist had en zij samen éen weg schenen te gaan; hij wist, eigenlijk niet waarom. Liefde kon hij niet noemen het gevoel, dat hem tot haar aantròk.... En maar heel vaag, heel diep in zich, onbewust, vermoedde hij, altijd onuitgesproken, en zelfs onuitgedacht, dat het de lijn van haar lichaam was, bijna iets Byzantijnsch; de tengerte der gestalte, de lange armen, de gebroken lelie-lijn van die vrouw van leed, met de melancholie in haar grauwe oogen, waarover de bijna te lange wimpers schaduwden; dat het was de adel van haar hand, klein en lief voor een groote vrouw; dat het een beweging was van haar hals, als van buigenden stengel, of zwaan, die moê was, en omzag naar achteren. Hij had nooit veel vrouwen ontmoet, en die hij ontmoet had, waren hem steeds heel gewoon geweest, maar zij was hem oneigenlijk, in de contradicties van haar karakter, in het vage en ongrijpbare ervan, in al de halftinten, die aan zijn oog, toch gewend aan halftint, ontsnapten.... Hoe was zij?... Een vrouw in een boek, een heldin in een gedicht, had hij steeds gezien in haar karakter. Hoe was zij, een levende vrouw, vleesch en bloed?! Zij was niet artistiek, en zij was niet onartistiek; zij had geen energie, en zij miste toch geen energie, zij was niet zeer ontwikkeld, en toch schreef zij, na impulsie en uit intuïtie, een brochure over een der modernste kwestie's en zij werkte er aan, en zij schreef ze af, en het werd een geschrift, niet slechter dan anderen. Zij had ruimte van denken, hatende kleinheid van côterie, zich, na haar leed, niet meer thuis voelende in haar Haagsch cirkeltje, en hier in Rome luisterde zij op een bal, achter een deur naar wat onnoozele intrigue,--nauwelijks intrigue, dacht hij--en was zij gegaan naar Urania Hope, om zich te mengen in de verwarde arabesken van kleinere levens, zonder belang, van menschen, die hij minachtte om hun gemis aan lijn, aan kleur, aan droom, aan waas, aan alles, wat hem levensdierbaar was en voor hem het leven maakte.... Hoe was zij? Hij begreep haar niet. Maar hàre arabesk was hem van belang. Zij miste geen lijn: geen kunstlijn en geen levenslijn; zij bewoog zich in den droom harer eigen vaagheid voor zijn turende oogen, en zij schemerde op uit het waas, uit den schemer van zijn atelier-atmosfeer, en stond als fantoom voor zijn oogen. Hij kon dat geen liefde noemen, maar zij was hem dierbaar als eene openbaring, die zich telkens met geheim dichtsluierde. En zijn leven van eenzamen dwaler was wel veranderd, maar zij had in zijn leven geen onharmonische gewoonte gebracht: hij hield van te eten in een klein café of osteria, met het volk van Rome om zich heen, en zij deed dat met hem meê gemakkelijk en eenvoudig, niet vies doende, maar gezellig, harmonisch, met een groot gemak van zich voegen en met even veel natuurlijke gratie, als zij 's avonds dineerde aan Belloni's table-d'hôte. Dat alles, het weêrspel van oneigenlijkheid, van tegenstrijdigheid, dat levend vizioen van vaagheid, dat ontastbare van hare eigenlijkheid, dat zich verschuilen van haar ziel, dat samensmelten harer essence's, was hem eene bekoring geworden:--een onrust, een behoefte, een nervoziteit in zijn leven, anders zoo rustig, klein tevreden en kalm--maar bekoring vooral, onmisbare bekoring van iederen dag.

En zonder zich te storen aan wat men er van denken kon, aan wat mevrouw Van der Staal er van dacht, gingen zij soms een dag samen naar Tivoli, wandelden een anderen dag van Castel-Gandolfo tot Albano, en reden naar het meer van Nemi, en ontbeten op een antiek kapiteel--als tafel--in de villa Sforza-Cesarini. Zij rustten te samen in de schaduw der boomen, zij bewonderden de camelia's, zagen zwijgend naar de glasklaarte van het Nemi-meer,--spiegel van Diana---en reden over Frascati terug. In het rijtuig waren zij stil, en hij dacht er over, glimlachend, hoe men overal hen had aangezien dien dag voor man en vrouw. Zij ook dacht aan hun toenemende intimiteit, en dacht tevens, dat zij nooit meer trouwen zoû. En zij dacht aan haar man en vergeleek hem bij Duco. Zoo jong in zijn gezicht, maar de oogen vol diepte, vol ziel, vol droom, zijn stem zoo geleidelijk, wat hij zeide zoo knap, zoo welwetend, en dan zijn kalmte, zijn naïveteit, zijn gemis aan drift, of zijn zenuwen alleen zich gevormd hadden tot het voelen van kalmte van kunst, in het droomwaas van zijn leven. En zij bekende zich, daar in dat rijtuig naast hem--rondom hen heen de zacht glooiende heuvelen, wegpaarschend in den avond, voor hen uit het verglanzende mauve-achtige roze van een nauwlijks goudenen zonsondergang,--dat hij haar dierbaar was om die kalmte, om dat gemis aan drift, die naïveteit, en dat welwetende: klare stem uit droomschemer opklinkend--en dat zij gelukkig was naast hem te zitten, te hooren die stem, en bij toeval te voelen zijn hand ... gelukkig, dat haar levenslijn de zijne gekruist had, en de lijnen beiden een pad schenen te vormen, naar het opschemerende, naar het iederen dag meer en meer opklarende, van hun dichtstbijzijnde toekomst....

XVIII.

Cornélie zag niemand meer dan Duco. Mevrouw Van der Staal had zich met haar gebrouilleerd en wenschte niet, dat hare dochters meer met Cornélie omgingen. Zelfs tusschen moeder en zoon was verkoeling. Zij zag niemand meer dan Duco en een enkelen keer Urania Hope. Het Amerikaansche meisje kwam dikwijls bij haar en vertelde haar van Belloni: men sprak er veel over Cornélie en Duco en maakte commentaren op hun omgang. Urania was blij zich verheven te achten boven die praatjes van het hôtel, maar zij wilde Cornélie toch waarschuwen. Er was in haar woorden iets eenvoudig spontaans van vriendschap, dat Cornélie sympatisch aandeed. Als Cornélie echter vroeg naar den prins, werd zij stilzwijgend, verlegen en wilde klaarblijkelijk niet veel zeggen. Toen na het hofbal--waar de koningin waarlijk het gepailletteerde brokaat had gedragen!--zocht Urania Cornélie weêr op en bekende onder een kop thee, dat zij dien morgen den prins beloofd had hem in zijne woning te komen bezoeken. Zij zeide dit eenvoudig weg, als was het de natuurlijkste zaak ter wereld. Cornélie schrikte en vroeg hoe zij zoo iets had kunnen beloven....

--Waarom niet? antwoordde Urania. Wat is daar aan? Ik ontvang zijn visites.... waarom, als hij mij vraagt zijn kamers te komen zien, --hij woont in het Palazzo Ruspoli--als hij mij een paar schilderijen toonen wil, miniaturen, en antieke kant ... waarom zoû ik dan weigeren te komen? Why should I make such a fuss about it? Ik sta boven zulke kleingeestigheden. Wij, Amerikaansche meisjes, hebben een vrijen omgang met onze heeren. En jijzelf? Je wandelt met Mr. Van der Staal, je dineert en déjeuneert met hem, je maakt uitstapjes met hem, je komt in zijn atelier....

--Ik ben getrouwd geweest, antwoordde Cornélie. Ik ben aan niemand verantwoording schuldig. Jij hebt je ouders.... Wat je doen wilt is onberaden en overmoedig.... Zeg mij, denkt de prins .... aan een huwelijk?

--Als ik Roomsch word....

--En...?

--Ik denk van ja.... Ik heb geschreven naar Chicago, zeide zij weifelend.

Zij sloot even haar mooie oogen en werd bleek, omdat de titel van prinses-hertogin haar schemerde voor de oogen.

--Alleen.... begon zij.

--Wat...?