Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 5

Chapter 53,834 wordsPublic domain

En zij las de brochures. Over de Vrouwenkwestie en de Liefde. Toen dacht zij aan haar man, toen aan Duco. En moê liet zij de brochure vallen, en dacht hoe treurig het was. De menschen, de vrouwen, de meisjes. Zij, vrouw, jonge vrouw, doellooze vrouw, hoe treurig zij was in het leven. En Duco, hij was gelukkig? Maar toch zocht hij de lijn van zijn leven, toch zag hij uit naar zijn doel. Een nieuwe onrust was in hem gekomen. En zij schreide een beetje, en wrong zich, onrustig, in hare kussens, en klampte haar handen, en bad, onbewust, en tot wie, wist zij niet:

--O God, zèg mij, wat wij moeten doen!

XIII.

Toen was het na eenige dagen, dat Cornélie idee kreeg het pension te verlaten en op kamers te gaan wonen. Het hôtelleven stoorde haar in hare opkomende gedachten, als een wind van ijdelheid, die telkens schroeide over heel vage bloesems, en niettegenstaande een scheldvloed van woorden van de marchesa, die haar verweet voor den geheelen winter gehuurd te hebben, trok zij in de kamers, die zij na veel zoeken en trappenklimmen, met Duco van der Staal had gevonden. Het was in de Via dei Serpenti, vele trappen op, een suite van twee ruime, maar bijna geheel ongemeubeleerde vertrekken: alleen het hoog noodige stond er, en hoewel het uitzicht wijd over de huizenmassa's van Rome streek tot de cirkelige ruïne van het Colosseum toe, waren de kamers van een rulle ongezelligheid, van een naakte onbewoonbaarheid. Duco had ze niet goed gevonden en zeide, dat hij er rilde, hoewel ze lagen op de zonnezijde, maar er was iets in de stroefheid van dit verblijf, dat Cornélie in hare nieuwe stemming harmonisch aandeed. Toen zij dien dag scheidden, dacht hij van haar: wat is ze toch weinig artistiek; en zij van hem: wat is hij onmodern! Zij zagen elkaâr in dagen niet weêr, en Cornélie was geheel eenzaam, maar voelde hare eenzaamheid niet, omdat zij een brochure schreef over den maatschappelijken toestand der gescheiden vrouw. Dat idee was bij haar opgekomen door enkele zinnen in een brochure over de Vrouwenbeweging, en in eens, zonder veel te hebben nagedacht, schreef zij in impulsie na impulsie, intuïtie na intuïtie, hare zinnen, stroef, koel, en klaar; schreef zij in een epistolairen stijl, zonder kunst, maar met overtuiging en ondervinding, als om meisjes te waarschuwen tegen te veel illuzie voor het Huwelijk. Zij had hare kamers niet gezellig gemaakt; zij zat daar, hoog in Rome, met haar blik over de daken tot het Colosseum toe, te schrijven, te schrijven, zich verdiepende in haar leed, zich gevende in hare weêrbarstige zinnen, bitter, maar den alsem harer ziel gietende in hare brochure. Mevrouw Van der Staal en de meisjes, die haar kwamen bezoeken, waren verbaasd, om haar slordig uitzien, om haar rulle kamers, een stervend vuur in het haardje, geen bloem, geen boeken, geen thee, en geen kussens, en toen zij na een kwartier heengingen, voorgevende boodschappen te moeten doen, zagen zij, de eindelooze trappen aftrippende elkaâr verbaasd aan, geheel in de war en niets begrijpende van die herschepping: die van een interessant, elegant vrouwtje, met om zich heen een waas van poëzie, een tragiek van verleden,--in een "vrije vrouw", die verwoed schreef aan een brochure, met bittere verwenschingen tegen de maatschappij. En toen Duco haar na een week weêr opzocht, en een oogenblik bij haar kwam zitten, bleef hij doodstil, stijfrecht op zijn stoel, zonder te spreken, terwijl Cornélie hem het begin harer brochure voorlas. Hem roerde wat hij er in schemeren zag, van eigen leed en ondervinding, maar iets onharmonisch ergerde hem tusschen die slanke, lelieachtige vrouw, met hare gebroken bewegingen, en de omgeving, waarin zij zich nu wèl voelde, geheel verdiept in haar haat tegen de maatschappij, met name de Haagsche, die haar vijandig was geworden, omdat zij niet met een ploert, die haar mishandelde, was samengebleven. En terwijl zij las, dacht Duco: zij zoû zoo niet schrijven, als zij niet alles uit eigen leed naschreef. Waarom schept zij er niet een novelle uit...? Waarom dat generalizeeren van persoonlijk verdriet, en waarom dat waarschuwend stemgeluid.... Hij vond het niet mooi. Hij vond den klank van die stem zoo hard, die waarheden zoo persoonlijk, die bitterheid onsympathiek en die conventie-haat zoo klein. En toen zij hem iets vroeg, zei hij niet veel, schudde vaag goedkeurend het hoofd, en bleef zitten, ongemakkelijk strak. Hij wist niet wat te antwoorden, hij wist niet hoe te bewonderen, hij vond haar onartistiek. En toch welde in hem groot medelijden, toch zag hij hoe lief zij zoû zijn, en hoe edel vrouw, als zij gevonden had de lijn van haar leven, en zich langs die lijn harmonisch bewoog met de muziek van haar eigen beweging. Nu zag hij haar gaan een verkeerden weg; een pad, door anderen haar met vingers aangewezen, en niet ingeslagen uit eigen aandrang van ziel. En hij voelde een diep medelijden voor haar. Hij, artist, maar vooral droomer, zag soms scherp, tròts zijn droomen, tròts zijn soms alles omvattend gevoel voor lijn en voor kleur en voor waas; hij, artist en droomer, zag dikwijls als helderziend de emotie schemeren door het voordoen der menschen, zag de ziel, als een licht door albast heen, en hij zag haar eensklaps verloren, zoekende, dwalende; zoekende, zij wist zelve niet wat; dwalende, zij wist zelve niet door welk labyrinth; ver van haar lijn, haar levenslijn en richting van haar zielebeweging, die zij nog nimmer had gevonden.

Zij zat opgewonden voor hem, zij had gelezen haar allerlaatste bladzijden, met verhit gelaat, met klinkende stem, met een koorts in heel haar wezen. Het was als wilde zij nu smijten die bladen vol bitterheid voor de voeten harer Hollandsche zusteren, voor de voeten van alle vrouwen. Hij, verloren in zijne bespiegeling, weemoedig in zijn meêlij voor haar, had nauwlijks geluisterd, en schudde vaag goedkeurend het hoofd. En eensklaps sprak zij over zichzelve, en gaf ze zich geheel, vertelde zij haar leven: haar Haagsche-jongemeisjes-bestaan, haar opvoeding om wat te schitteren, en aardig en mooi te zijn, zonder éen ernstigen blik op haar toekomst, alleen afwachtende een goed huwelijk, met een flirtation hier, en een verliefdheidje daar, tot zij getrouwd was; een goed huwelijk in haar kringetje; haar man eerste luitenant van de huzaren, een mooie flinke jongen, goede notabele familie, een beetje geld,--op wien zij verliefd was geworden om zijn mooie gezicht, en zijn flink figuur in zijn uniform, die hem goed stond; die op haar verliefd was, zooals hij op een ander meisje ook had kunnen worden, omdat zij een aardig snoetje had: toen, de openbaring al dier allereerste dagen: de dadelijk uitbarstende disharmonie hunner karakters. Zij, thuis verwend, fijn, delicaat, fijngevoelig, maar egoïst fijngevoelig, maar prikkelbaar voor haar eigen verwende ik-je; hij, niet meer hofmakerig, maar dadelijk grofweg man met rechten hierop en rechten daarop, met een vloek nu en een gedonder dan weêr; zij, zonder eenigen tact, zonder eenig geduld nog te maken van hunne verongelukkende levens wat er misschien nog te maken zoû zijn: nerveus, driftig, drift tegen grofheid in, wat zijn ruwheid zoo oprazen deed, dat hij haar mishandelde, uitschold, sloeg, schudde en kwakte tegen den muur aan....

Toen hare scheiding; hij eerst niet gewild; trots alles, tevreden met een huis te hebben, en in dat huis een vrouw, wijfje van hèm, mannetje, en niet willende weêr de ellende van op kamers wonen, tot zij eenvoudig wegliep, naar hare ouders toe, de stad uit bij vrienden, razende op de wet, zoo onrechtvaardig jegens vrouwen.... Hij had eindelijk toegegeven, zich laten beschuldigen van overspel, wat niet bezijden de waarheid was. Toen was zij vrij, maar zij stond als alleen, aangekeken door al hare kennissen, niet willende toegeven aan hun conventie-eisch van die soort van halve rouw, die een gescheiden vrouw moest omgeven volgens hunne conventie-ideetjes, en dadelijk terugkeerende tot haar vroeger jonge-meisjes-schitterbestaan. Maar zij had gevoeld, dat dat niet wezen kon, niet om de kennissen en niet om zichzelve: de kennissen, schuin naar haar kijkende, en zij, walgende van de kennissen, van hun soirées en diners, tot zij zich diep ongelukkig gevoeld had, eenzaam, verloren, zonder iets, zonder iemand, en zij gevoeld had al den druk, die weegt op de gescheiden vrouw. Diep in zich had zij wel eens gedacht, dat zij met veel geduld en veel tact dien man nog had kunnen beheerschen, dat hij niet kwaad was, alleen maar grof, dat zij toch wel nog van hem hield, ten minste van zijn mooie gezicht en van zijn flinke lichaam. Liefde, dat was het niet, maar had zij ooit over liefde gedacht, zooals zij die nu wel eens voorgevoelde? En leefde niet bijna een ieder zoo-zoo maar, zich een beetje schikkende naar wat hem gegeven werd? Maar die spijt bekende zij nauwlijks zichzelve, bekende zij ook nu niet aan Duco, en wèl bekende zij haar bitterheid, haar haat tegen haar man, tegen het huwelijk, de conventie, de menschen, de wereld: tegen al de groote algemeenheden, generalizeerend haar eigen gevoel tot éen vloek tegen het leven. Hij hoorde haar aan, met medelijden. Hij voelde, dat er iets edels in haar was, maar verstikt, van den beginne af. Hij vergaf haar, dat zij niet artistiek was, maar het smartte hem, dat zij zich nooit gevonden had, dat zij niet wist wat zij was, wiè zij was, hoe haar leven moest zijn, en waar de lijn slingerde van haar leven, het eenige pad, dat zij gaan moest, zooals ieder leven volgt éen pad. O, hoe vaak, als een mensch zich maar gaan liet, als een bloem, als een vogel, als een wolk, als een ster, die haar baan zoo gehoorzaam beschreef, zoû een mensch zijn geluk en zijn leven wel vinden, als de bloem en de vogel ze vonden, als de wolk weg dreef in de zon, en de ster haar hemelbaan volgde. Maar hij zeide haar niets van zijn gedachten, wetende, dat zij vooral in hare stemming van bitterheid ze niet begrijpen zoû, en er geen steun aan grijpen kon, omdat ze haar te vaag zouden zijn, en te vreemd aan haar eigen denken. Zij dacht aan zichzelve, maar zij dàcht, dat zij dacht aan de Vrouwen, de Meisjes, en hare beweging naar de Toekomst. De lijnen van de vrouwen.... Maar had iedere vrouw niet haar eigen lijn? Alleen, hoe weinigen wisten haar, haar richting, haar pad, haar levenslijn, haar meander in de toekomstschemering. En misschien, omdat zij niet wisten voor zich, zochten zij allen te zamen nu een breed pad, een hoofdweg, waarop zij voortgaan zouden met scharen, met dringende menigte van vrouwen, met regimenten van vrouwen, met leuzen en vanen en oorlogskreet, breed pad, paralel aan de beweging der mannen, tot de paden zouden versmelten tot éen, tot de scharen der vrouwen zich vermengen zouden met de scharen der mannen, met gelijke rechten en levensbeweging....

Hij zeide haar niets. Zij merkte zijn zwijgen, en zag niet, hoeveel in hem omging, hoe innig hij over haar dacht, hoe diep meêlij hij voor haar voelde. Zij dacht, dat zij hem verveeld bad. En eensklaps, om zich heen, zag zij de duisterende naakte kamer, het vuur uitgedoofd, en zonk haar geestdrift, verkoelde haar koorts, vond zij slècht haar brochure, zonder kracht, overtuiging. Hoe gaarne had zij een woord van hem gehoord! Maar hij zat stil, hij scheen geen belang te stellen, hij vond haar stijl zeker niet mooi. En zij voelde zich treurig, verlaten, eenzaam, vervreemd van hem, en bitter om die vervreemding, zij voelde zich klaar om te weenen, te snikken, en--vreemd--in haar bitterheid, dacht zij aan hèm, haar man, met zijn mooie gezicht. En zij kon zich niet houden: zij weende. Hij naderde haar, hij legde op haar schouder zijn hand. Toen voelde zij iets, van wat er in hem omging, en dat zijn zwijgen niet koude was. Zij zeide hem, dat zij dien avond niet alleén zoû kunnen blijven, te rampzalig, te rampzalig.... Hij troostte haar; zei, dat er veel goeds, veel waars in haar brochure was, dat hij geen goed beoordeelaar was over zulke moderne kwesties; dat hij alleen maar knap was als hij sprak over Italië; dat hij zoo weinig voelde voor menschen, en zoo veel voor beelden; zoo weinig voor wat nieuw wordt opgebouwd voor een volgende eeuw, en zoo veel voor wat in ruïnes lag en restte uit vorige eeuwen. Hij zei het als vroeg hij verontschuldiging. Zij glimlachte door hare tranen heen, maar herhaalde, dat zij niet alleen kon blijven, en dat zij met hem meêging naar Belloni, dien avond, naar zijn moeder en zusters. En zij gingen samen uit, zij liepen samen om; en hij vertelde haar, om haar af te leiden, van eigen gedachten, vertelde haar anecdoten van meesters uit de Renaissance. Zij hoorde niet wat hij zeide, maar zijn stem was lief aan haar ooren. Hij had zoo iets zachts in zijn onverschilligheid voor het moderne, dat haar interesseerde: hij had zooveel kalmte, weldadig als balsem, in de rust van zijn ziel, die zich liet gaan aan den goudenen draad van zijn droomen--als was die draad zijn levensrichting,--zoo veel kalmte en zachtheid, dat ook zij kalmer werd, en zachter, en glimlachend tot hem opzag.

En hoe ver zij ook van elkaâr verwijderd waren, hij gaande langs droomenlijn, zij verloren in een duisteren doolhof,--zij voelden elkaâr toch naderen, voelden hunne zielen van verre toch naderen, terwijl hunne lichamen zich naast elkaâr bewogen op een straat van werkelijkheid, dwars door Rome in den avond. Hij stak zijn arm door den hare, maar steunde haár, ondanks dat gebaar.

En toen zij Belloni naderden, dankte zij hem, zij wist niet precies waarvoor: voor zijn blik, voor zijn stem, voor hunne wandeling, voor den troost, dien zij onuitlegbaar, maar toch duidelijk, uit hem voelde stralen, en zij was dien avond blijde met hem meê gegaan te zijn, en om zich heen te voelen de afleiding van Belloni's table-d'hôte.

Maar des nachts, alleen, alleen in haar rulle kamers, kwam hare rampzaligheid als een zwarte zee over haar heen, en, uitziende naar het Colosseum--donker te raden boog in donkeren nacht--, snikte zij, zich tot stervens toe voelende verzinken, wegspoelen, verlaten en eenzaam, zoo hoog boven Rome, boven de daken, boven de flauwe lichtjes der nachtstad, onder de wolken van den donkeren nacht, verzinken en wegspoelen, als dreef zij, schipbreukeling op een oceaan, die de wereld verdronk, en klagend opruischte tegen den onverbiddelijken hemel.

XIV.

Toch kwam er een kalmte in Cornélie nu hare brochure geschreven was. Zij pakte hare koffers uit, arrangeerde hare kamers wat gezelliger, en, rustiger, schreef zij de brochure over en verbeterde onder het overschrijven haar stijl, en zelfs haar gedachten. Als zij des morgens gewerkt had, lunchte zij meestal in een kleine osteria en ontmoette daar bijna altijd Duco van der Staal, en at met hem aan éen tafeltje. Meestal dineerde zij bij Belloni, bij de Van der Staals, om wat afleiding te hebben voor haar avond. De marchesa had haar eerst niet gegroet, al duldde zij haar aan de table-d'hôte, voor drie lire per avond, maar langzamerhand groette zij weêr Cornélie, met een zuurzoet lachje, want zij had de beide kamertjes al voordeeliger weêr verhuurd. En Cornélie, in hare kalmere stemming, vond het eene gezelligheid zich 's avonds te kleeden, naar Belloni te gaan, mevrouw Van der Staal en de meisjes te zien, verhaaltjes van haar te hooren over de salons van Rome, en een blik te weiden over de lange tafels. En zij zag, dat de gasten alweêr anderen waren, als met een kaleidoskoop van vluchtige menschen. Rudyard was verdwenen, met een schuld aan de marchesa, en niemand wist waarheen. De Rothkirchen waren naar Griekenland gegaan, maar Urania Hope was er nog steeds en zat naast de marchesa Belloni, en aan hare andere zijde de neef: de prins van Forte-Braccio, hertog van San Stefano, die geregeld bij Belloni dineerde. En Cornélie zag, dat het was als eene samenzwering: de marchesa en de prins, die de kleine ijdele Amerikaansche van beide zijden bestookten. Een volgenden dag zag Cornélie aan de tafel van de marchesa twee monsignori zitten in druk gesprek met Urania, terwijl de marchesa en de prins toeknikten. Alle gasten spraken er over, aller oogen zagen die kant uit, allen bespiedden de manoeuvre en vermaakten zich met dien roman.

Alleen Cornélie lachte er niet om; zij had Urania willen waarschuwen, voor de marchesa, den prins en de monsignori, die Rudyards plaats innamen, maar vooral waarschuwen voor het Huwelijk, al was het met een prins-hertog. En zich opwindende, sprak zij met mevrouw en de meisjes, herhaalde zij hare brochure-zinnen, gloeide, rood-òp, haar jonge haat tegen de maatschappij en de wereld en de menschen.

Het diner was afgeloopen; druk pratende nog ging zij met de Van der Staals mevrouw en de meisjes en Duco--naar het salon, zette zich in een hoek, vervolgde haar gesprek, vaarde uit tot mevrouw, die haar tegensprak, tot zij eensklaps een dikke dame--de meisjes hadden haar al bijgenaamd: het satijnen fregat--glimlachend naar hen toe zagen komen en zeggen al van verre:

--I beg your pardon, maar ik woû u iets zeggen.... Kijk, ik kom al sedert tien jaren geregeld iederen winter bij Belloni, van November tot na Paschen, en dan zit ik iederen avond, nà het diner--maar ook alleen maar nà het diner--in _dezen_ hoek, aan _deze_ tafel, op _deze_ plaats. Neemt u me dus niet kwalijk, maar ik zoû ook nu gaarne mijn plaats weêr innemen....

En het "satijnen fregat" glimlachte lieftallig, maar toen de Van der Staals en Cornélie op rezen in stomme verbazing, liet zij zich ruischende ploffen op de canapé, deinde even op en neêr op de veeren, zette haar haakwerk op de tafel met een gebaar of ze een Engelsche vlag plantte op een kolonie, en zeide met haar lieftalligsten glimlach;

--Very much obliged, I thank you very much.

Duco schaterde het uit, de meisjes gichelden, maar het "satijnen fregat" knikte hen goedmoedig toe. En nog niet goed beseffende, verbaasd, maar vroolijk, zetten zij zich in een anderen hoek, de meisjes met een onuitbluschbaar gegichel. De twee esthetische dames, met de evening-dress en de Jaegers, die aan de middentafel zaten te lezen, sloegen tegelijkertijd hare twee boeken dicht, en stonden op en gingen verontwaardigd heen, omdat men in het salon lachte en praatte.

--It is a shame! zeiden zij hard op, en rechthoekig, verwaten en groezelig draaiden zij de deur uit.

--Vreemde menschen! dacht Duco glimlachend; schimmen van menschen.... Hun lijnen dwarrelen als arabesken door onze lijnen. Waarom kruisen zij onze lijnen met hun kleine beweging, en waarom kruisen ons nooit misschien die ons het liefst zouden zijn aan onze ziel...?

Steeds bracht hij Cornélie des avonds naar de Via dei Serpenti. Zij wandelden dan langzaam door de stille verlaten straten. Soms was het laat, maar soms was het dadelijk nà het diner, en dan wandelden zij nog het Corso in, dan vroeg hij haar meestal nog wat te gaan zitten bij Aragno. Zij deed dit, en samen gebruikten zij een kop koffie, in de vroolijkheid van het verlichte café, kijkende naar de avonddrukte op straat. Zij spraken dan weinig, afgeleid door de voorbijgangers en de bezoekers van het café, maar zij vonden het beiden een gezellig oogenblik, en voelden zich één met elkaâr. Duco dacht klaarblijkelijk niet na over het liberale van hun doen, maar Cornélie dacht aan mevrouw Van der Staal, en dat zij het niet goed zoû keuren en niet zoû toestemmen in een harer dochters: 's avonds alleen met een heer te zitten in een café. En Cornélie dacht ook aan Den Haag en glimlachte bij de gedachte aan hare Haagsche kennissen. En zij zag naar Duco.... Rustig zat hij, tevreden met haar samen te zitten, en hij dronk zijn koffie, en zei nu en dan een woord en wees haar op een type of op een mooie vrouw, die voorbijging.... Op een avond, na het diner, stelde hij voor allen te gaan naar de ruïnes: de maan scheen, dat was wondermooi. Maar mevrouw was bang voor malaria, de meisjes voor roovers; en zij gingen alleen, Duco en Cornélie. De straten waren heel eenzaam, het Colosseum rees dreigend op als een zwarte forteres in den nacht, maar zij gingen er binnen, en door de open bogen scheen het maanlichte blauw van den nacht: in de ronde put van de arena, ter eene zijde zwart, schaduw, stroomde ter andere de stroom van maneschijn binnen, als een witte vloed, als een waterval, en het was als spookte de nacht, als spookte het Colosseum en het geheele verleden van Rome: keizers, gladiatoren en martelaars; schaduwen slopen om als kruipende wilde beesten, een lichtvlak was als een naakte vrouw, en de galerijen schenen te ruischen van menigte.... En toch was er niets en waren zij eenzaam, Duco en Cornélie, in de diepte der hooge reuze-ruïne, half in schaduw en half in licht, en hoewel zij niet bang was, was zij onder den indruk van het ontzaglijk gespook des verledens, en schoof bij hem nader en klemde zijn arm, en voelde zich klein, heel klein. Hij drukte even haar hand, met zijn eenvoudige gemakkelijkheid, als om haar gerust te stellen. En de nacht beklemde haar, het spook benauwde haar, de maan scheen te duizelen hoog in de lucht en zich reusachtig uit te breiden en rond te draaien als een zilveren wiel. Hij zeide niets, hij was in zijn droom, hij zag het verleden voor zich.... En zwijgend gingen zij heen, en hij voerde haar door den boog van Titus het Forum binnen. Links rezen de ruïnes der keizerpaleizen, en om hen heen stonden de zwarte brokkelingen op, wezen de enkele zuilen omhoog en stroomde de blanke mane-stroom neêr, als een spookzee uit de lucht. Zij ontmoetten niemand, maar zij was bang en klemde vaster zijn arm. Toen zij even gingen zitten op een stuk fondament, huiverde zij van de kilte. Hij schrikte, zeide, dat zij op moest passen geen koû te vatten, en zij gingen verder en verlieten het Forum. Hij bracht haar thuis, en alleen ging zij de trappen op, een lucifer afstekende om wat licht te hebben in het duistere trappenhuis. In haar kamer bevroedde zij, dat het gevaarlijk was 's avonds in de ruïnes te dwalen. Zij dacht hoe weinig Duco gesproken had, niet denkende aan gevaar, verloren in zijn nachtelijken droom, turende in het ontzaglijk gespook.... Waarom ... was hij niet alleen gegaan? Waarom had hij haar meêgevraagd? Zij sliep in, na een chaos van warrelende gedachte: de prins en Urania; de dikke satijnen dame, en het Colosseum en de martelaren, en Duco en mevrouw Van der Staal.... Zijn moeder was zoo gewoon, zijn zusjes lief maar banaal, en hij ... zoo vreemd! Zoo eenvoudig, zoo zonder voordoen, zich zoo gevende als hij was; en daarom zoo vreemd.... Onmogelijk zoû hij zijn in Den Haag, onder haar kennissen.... Zij glimlachte als zij dacht aan wat hij gezegd had, en hoè hij dat gezegd had en hoe hij lustig kon zwijgen, minuten lang, een glimlach om zijn mond, als dacht hij aan iets moois....

Maar Urania moest zij waarschuwen.

En moê sliep zij in.

XV