Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 4

Chapter 44,006 wordsPublic domain

Alle gasten van Belloni kochten op de Piazza di Spagna hulsttakken en versierden er hunne kamers mede, en sommigen, bijvoorbeeld de baronin Von Rothkirch, richtten in haar eigen kamer een particulieren Kerstboom op. Den avond vóor het groote feest ging een ieder deze particuliere boomen bewonderen; liep men kamer in, kamer uit, en alle pensionnaires, hoe ze anders soms ook kibbelden en intrigeerden tegen elkaâr, hadden een welwillenden feestlach, en ontvingen iedereen. Men was het er algemeen over eens, dat de baronin veel werk had gemaakt en haar boom prachtig was, en haar slaapkamer aardig omgetooverd in een boudoir; de bedden gedrapeerd tot divans, de waschtafels verborgen, en de boom stralende van licht en goud. En de baronin, wat sentimenteel gestemd op dezen avond, die haar veel aan Berlijn en verloren huiselijkheid herinnerde, opende hare deuren wijd voor iedereen, en prezenteerde zelfs de twee esthetische dames bonbons, toen de marchesa ook glimlachend aan de deur verscheen, haar boezem, omspannen in hemelsblauw satijn, en nog grootere kristallen dan anders in de ooren. De kamer was vol; er waren de Van der Staals, Cornélie, Rudyard, Urania Hope, andere in- en uitloopende gasten, zoodat men zich niet verroeren kon, en op elkaâr gepakt stond en zat op de gedrapeerde bedden van moeder en dochter. De marchesa voerde aan hare zijde binnen een onbekend jongmensch: klein, smal, olijfbleek, met donkere vif geestige schitteroogen, in rok, en met de vage en nette manieren van een onverschilligen en moeden viveur; gedistingeerd, en toch laatdunkend. En zij naderde fier de baronin, die hare vochtige oogen telkens bevallig afwischte en stelde met arrogantie voor:

--Mijn neef, duca di San Stefano, principe di Forte-Braccio....

De algemeen bekende Italiaansche naam klonk van hare lippen expres luid op in de volle, niet groote kamer en aller oogen gingen naar den jongen man, die voor de baronin boog en toen vaag en ironisch de kamer rondzag. Men had dien winter den neef van de marchesa nog niet in het hôtel gezien, maar een ieder wist, dat de jonge hertog van San Stefano, prins van Forte-Braccio, een neef was van de marchesa, en een der reclames voor haar pension. En terwijl de prins met de baronin en hare dochter sprak, staarde Urania Hope hem aan als een wonderwezen uit een andere wereld. Zij had Cornélie's arm vastgegrepen als voor een steun, als zoû zij bezwijmen bij den aanblik van zooveel Italiaansche adelgrootheid. Zij vond hem heel mooi, heel voornaam: klein en smal en bleek, met zijn oogen als karbonkelen, met zijn matte gedistingeerdheid, en de witte orchidee in zijn knoopsgat. En dolgaarne had zij de marchesa gevraagd haar in kennis te brengen met haar chiquen neef, maar zij dorst niet, want zij dacht aan de tricotfabriek van haar vader in Chicago.

Den volgenden avond was het feest van den boom en het bal. Het was bekend, dat de neef van de marchesa ook dien avond zoû komen en het was den geheelen dag een groote emotie. De prins kwam, nadat de prezentjes van den boom waren afgehaakt en uitgedeeld, en in de zaal, waar het bal nog niet begonnen was, maar de gasten reeds hier en daar zaten, deed hij aan de zijde van zijn tante, de marchesa, een soort van intocht, aller blikken zich richtend naar zijn hertogelijke en prinselijke verschijning.

Cornélie wandelde met Duco van der Staal, die tot groote verwondering van moeder en zusters zijn rok te voorschijn had gehaald en verschenen was in den ruimen hall, en zij zagen beiden den zegetocht van la Belloni en haar neef, en zij lachten om de dwepend opkijkende oogen der Engelsche en Amerikaansche dames. Zij zetten zich,--Cornélie en Duco--in den hall op twee stoelen, voor een groep van palmen, die een der deuren van de zaal maskeerden, terwijl binnen het bal begon. Zij praatten over de beelden in het Vaticaan, die zij een paar dagen te voren gezien hadden, toen zij, als vlak aan hun ooren, een stem hoorden praten, die zij herkenden als het te vergeefs zich in gefluister verzachtende commando-orgaan van de marchesa. Verbaasd zagen zij om, en bespeurden de verborgen deur met een breede reet opengekraakt, en zagen door die reet ten deele de slanke hand en de zwarte mouw van den prins, en een stuk blauwen boezem van Belloni, beiden gezeten op een canapé in de zaal. Zij waren dus, gescheiden door de opengekraakte deur, rug aan rug. Voor amuzement hoorden zij naar het Italiaansch van de marchesa; wat de prins antwoordde, was zoo een zacht gelispel, dat zij het niet verstonden. En van wat de marchesa zeide, hoorden zij slechts enkele woorden en stukken van zinnen. Onwillekeurig luisterden zij, toen zij den naam van Rudyard hoorden noemen, duidelijk uitgesproken door de marchesa.

--En wie dan? vroeg de prins zacht.

--Een Engelsche miss, zei de marchesa. Miss Taylor, ze zit daar, in dien hoek alleen.... Een simpel menschje.... Dan de baronin en haar dochter.... Dan de Hollandsche; een gescheiden vrouw.... En dan de mooie Amerikaansche.

--En die twee aardige Hollandsche meisjes? vroeg de prins.

De muziek boem-boemde luider op en Cornélie en Duco verstonden niets.

--En de gescheiden Hollandsche vrouw? vroeg de prins verder.

--Geen geld, antwoordde de marchesa kort.

--En de jonge baronesse?

--Geen geld, herhaalde Belloni.

--Dus niemand dan de kousenverkoopster? vroeg de prins moê.

La Belloni werd boos, maar Cornélie en Duco verstonden niet hare afratelende zinnetjes: de muziek boem-boemde steeds op.

--... Ze is mooi, hoorden zij de marchesa zeggen. Ze is schat- en schatrijk. Ze zoû in een eerste hôtel kunnen zijn, maar ze is hier, omdat ze als jong en alleen reizend meisje aan mij gerecommandeerd is en het hier gezelliger is. Ze heeft het groote salon voor zich en betaalt vijftig lire per dag voor haar twee kamers. Ze ziet op niets. Haar hout betaalt ze driemaal zoo duur als de anderen en ook voor den wijn laat ik haar betalen.

--Ze verkoopt kousen, murmelde de prins onwillig.

--Onzin, sprak de marchesa. Bedenk, dat er op het oogenblik niemand is. Verleden winter hadden wij rijke Engelsche lui van adel, met een dochter, maar je vondt haar te lang. Je vindt altijd wat. Je moet niet zoo moeilijk zijn.

--Ik vind die twee Hollandsche poppetjes aardig.

--Ze hebben geen geld. Je vindt altijd wat je niet vinden moet.

--Hoeveel heeft papa u beloofd, als u....

De muziek boemde op.

--... Zoû er niets toe doen.... Als Rudyard met haar praat.... Taylor is gemakkelijk.... Miss Hope....

--Ik heb zooveel kousen niet noodig....

--... erg geestig. Als je niet wilt....

--... neen....

--... dan trek ik mij terug ... zal Rudyard zeggen.... Hoeveel?

--... Zestig à zeventig duizend: ik weet niet precies.

--... Urgent?

--Schulden zijn nooit urgent!

--Wil je?

--Goed dan. Maar ik verkoop me niet minder dan voor tien millioen.... En dan krijgt ... u....

Zij lachten beiden en weêr klonken de namen van Rudyard, Urania.

--Urania? vroeg hij.

--Urania ... antwoordde la Belloni. Die Amerikaantjes zijn handig. Denk aan de gravin de Castellane, aan de hertogin van Marlborough; houden die niet den naam van hun mannen hoog. Ze slaan een uitstekend figuur. Ze worden genoemd in iedere modekroniek en altijd met waardeering.

--... goed dan. Ik ben moê van al die vergeefsche winters. Maar niet minder dan tien millioen.

--Vijf....

--Neen, tien....

De prins en de marchesa waren opgestaan. Cornélie zag Duco aan. Duco lachte.

--Ik begrijp ze niet goed, zeide hij. Het is natuurlijk een aardigheid.

Cornélie schrikte.

--Een aardigheid, dunkt u, meneer Van der Staal?

--Ja, ze maakten gekheid.

--Ik geloof van niet.

--Ik van wel.

--Heeft u menschenkennis?

--O neen, heelemaal niet.

--Ik doe wat op, langzamerhand. Ik geloof, dat Rome gevaarlijk kan zijn en dat een marchesa-hôtelhoudster, een prins en een Jezuïet....

--Wat dan?

--Ook gevaarlijk kunnen zijn, zoo niet voor uw zusjes, omdat ze geen geld hebben, dan toch voor Urania Hope....

--Ik geloof er niets van.... Het was alles gekheid. En het interesseert me niet. Maar wat vindt u van den Eros van Praxiteles? O, dat vind ik het goddelijkste beeld, dat ik ooit heb gezien. O, de Eros, de Eros...! Dat is de liefde, de ware liefde; het niet anders kunnen, het fatale en om vergeving smeekende van de liefde, voor het leed, dat hij aandoet....

--Heeft u ooit liefgehad?

--Neen. Ik heb geen menschenkennis en ik had nooit lief. U is zoo gedecideerd altijd. Droomen zijn mooi, beelden zijn heerlijk en poëzie is alles. De Eros is alles, van liefde. Zoo mooi als de Eros liefde is, zoû ik nooit in werkelijkheid kunnen lief hebben.... Neen, menschen te kennen interesseert mij niet, en een droom van Praxiteles, nog over in een romp verminkt marmer, is edeler dan alles wat op de wereld liefde zich noemt.

Zij fronste hare wenkbrauwen; zij zag somber.

--Laat ons in de balzaal gaan, zeide zij. Wij zitten hier zoo alleen....

X.

Den dag na het bal, aan tafel, kreeg Cornélie een vreemden indruk; eensklaps, proevende van haar heerlijken Genzano, besteld door Rudyard, zag zij in, dat het niet toevallig was, dat zij zat met de baronin en hare dochter, met Urania en miss Taylor; zag zij in, dat de marchesa wel degelijk eene bedoeling had met die schikking. Rudyard, altijd beleefd, voorkomend, steeds vol attenties, in zijn zak altijd een kaartje of introductie, moeilijk te verkrijgen, ten minste naar hij liet voorkomen, praatte steeds door, en den laatsten tijd vooral met miss Taylor, die trouw alle mooie kerkmuziek hooren ging en steeds in verrukking thuis kwam. Het bleeke, simpele, magere Engelsche dametje, dat eerst dweepte met muzea, ruïnes en zonsondergangen op Aventijn of Monte Mario, en steeds moê was van hare omzwervingen door Rome, wijdde zich voortaan alleen aan de honderden kerken, bezag en bestudeerde àlle kerken, ging vooral trouw alle muzikale diensten bijwonen en dweepte met het Sixtijnsche kapelkoor en de bevende gloria's der mannelijke soprani.

Cornélie sprak met mevrouw Van der Staal en de baronin Von Rothkirch over wat zij achter de opengekraakte deur had opgevangen van het gesprek der marchesa met haar neef, maar geen van beiden, hoewel geïntrigeerd, namen de woorden der marchesa ernstig op, en beschouwden ze alleen als een loszinnig balgesprek van een malle tante, die gaarne koppelen wilde, en een onwilligen neef. Het trof Cornélie, hoe weinig de menschen aan ernst gelooven kunnen, maar de baronin was zeer onverschillig, zei, dat Rudyard haar geen kwaad zoû doen en haar nog altijd kaartjes gaf, en mevrouw Van der Staal, lang in Rome, gewend aan pension-intriguetjes, meende, dat Cornélie zich te ongerust maakte over het lot van de schoone Urania. Eensklaps echter was miss Taylor van tafel verdwenen. Men dacht, dat zij ziek was, toen het uitkwam, dat zij het pension Belloni verlaten had. Rudyard zeide niets, maar na enkele dagen was het door het geheele pension bekend, dat miss Taylor bekeerd was tot den Katholieken godsdienst en intrek genomen had in een pension, haar door Rudyard gerecommandeerd: een pension, waar vele monsignori kwamen en een geestelijke stemming heerschte. Hare verdwijning gaf eene gedwongenheid aan het gesprek tusschen Rudyard, de Duitsche dames en Cornélie, en deze, gedurende een week, die de baronin te Napels doorbracht, veranderde van plaats, en voegde zich aan tafel bij hare landgenooten. De Rothkirchen veranderden ook--om de tocht, zooals de baronin verzekerde--; nieuwe gasten namen hare plaatsen in: en te midden dier vreemde elementen bleef Urania alleen met Rudyard samen aan lunch en diner. Cornélie gevoelde zelfverwijt en eens sprak zij ernstig met het Amerikaansche meisje en waarschuwde haar. Maar zij dorst niet zeggen wat zij overhoord had op het bal, en hare waarschuwing maakte geen indruk op Urania. En toen Rudyard miss Hope het voorrecht bezorgd had van een particuliere audientie bij den Paus, wilde Urania geen kwaad van Rudyard meer hooren en vond zij hem den vriendelijksten man, dien zij ooit ontmoet had, of hij Jezuïet was, ja dan niet.

Maar er bleef in het hôtel een waas van geheimzinnigheid over Rudyard, en men was het niet eens, of hij Jezuïet was, en zelfs niet of hij priester was of leek.

XI.

--Wat kan u die vreemde menschen schelen? vroeg hij.

Zij zaten in zijn atelier, mevrouw Van der Staal, Cornélie en de meisjes, Annie en Emilie. Annie schonk thee en zij spraken over miss Taylor en Urania.

--Ik ben voor u ook vreemd! antwoordde Cornélie.

--U is niet vreemd voor mij, voor ons.... Maar miss Taylor en Urania kunnen mij niets schelen. Door ons leven dwalen honderde schim men: ik zie ze niet en voel niet voor ze....

--En ik ben geen schim?

--Ik heb met u te veel gesproken in Borghese en op den Palatijn om u een schim te vinden.

--Rudyard is een gevaarlijke schim, zeide Annie.

--Hij heeft geen vat op ons, antwoordde Duco.

Mevrouw Van der Staal zag Cornélie aan. Zij begreep dien blik en zeide lachend:

--Neen, hij heeft geen vat op mij ook.... Toch, als ik aan godsdienst--ik meen kerkelijken godsdienst--behoefte had, zoû ik liever Roomsch-Katholiek willen zijn dan Hervormd. Maar nu....

Zij voltooide niet. Zij voelde zich veilig in dit atelier, in deze zachte, bonte samenwemeling van mooie dingen, in hunne sympathie: zij voelde zich met hen allen harmonisch: met het bevallige en wereldsche van die ietwat oppervlakkige moeder en hare twee mooie meisjes: een beetje poppig en vaag cosmopolitisch, vrij ijdel op de markiesjes, waar ze meê dansten en fietsten; en met dier zoon, dien broêr, zoo geheel verschillend van haar drieën en haar toch zichtbaar verwant door een beweging, een gebaar, en een enkel woord. Ook trof het Cornélie, dat zij elkaâr met liefde namen, zooals zij waren; Duco zijne moeder en zusters met hare verhaaltjes over de prinsessen Colonna en Odescalchi; mevrouw en de meisjes hem, met zijn oude jasje en verwarde haren. En als hij begon te spreken, vooral te spreken over Rome, als hij zijn droom gaf in woorden, in bijna boeke-zinnen, maar zoo geleidelijk en natuurlijk vloeiende van zijne lippen, voelde Cornélie zich harmonisch, voelde ze zich veilig, geïnteresseerd, en verloor ze een weinig die zucht tot tegenspraak, die zijn artistieke indolentie soms bij haar opwekte. En daarbij, zijne indolentie scheen haar eensklaps maar schijnbaar, en misschien wel aanstellerij, want hij toonde haar schetsen, aquarellen, geen enkele af, maar elke aquarel levend van licht, van licht vooral, van alle licht van Italië: de parelen zonsondergangen over het vloeiende emerald van Venetië; Florence's torens droomvaag geteekend in theeroos-teedere luchten; het forteresachtige Sienna zwartblauw in blauwenden maneschijn; oranje zonnebranden achter Sint-Pieter, en vooral de ruïnes en in ieder licht: het Forum in felle zon, de Palatijn in den avondschemer, het Colosseum in den nacht geheimzinnig, en dan de Campagna: al het luchtgedroom en lichtgewaas van de blijde en droeve Campagna, met zachtroze mauve's, dauwende blauwen, opduisterend violet, of de brallende okers van zonsondergangen als vuurwerk, en wolkuitwaaiïngen als purperen fenixwieken. En toen Cornélie hem vroeg waarom niets was af, antwoordde hij, dat niets goed was. Hij zag de luchten als droomen, vizioenen en apotheozen, en op zijn papier werden ze water en verf, en vèrf, dat was niet af te maken. En dan miste hij zelfvertrouwen. En dan liet hij zijn luchten, zeide hij en teekende-na Byzantijnsche madonna's.

Toen hij zag, dat zijn aquarellen haar toch interesseerden, sprak hij over zichzelven voort. Hoe hij eerst dweepte met de edele en naïve Primitieven, met Giotto en vooral Lippo Memmi.... Hoe hij daarna, een jaar in Parijs, gevonden had dat niets ging boven Forain: droogkoele satyre in twee of drie lijnen; hoe zich toen, in den Louvre, Rubens aan hem geopenbaard had: Rubens, wiens eigen talent en wiens eigen penseel hij opspoorde tusschen al het nagedoe en leerwerk van al zijn talrijke leerlingen, tot hij wist te zeggen, welk cherubijntje van Rubens zelven was in een hemel vol cherubijnen, geschilderd door vier, vijf discipelen.

En dan, zeide hij, dacht hij weken niet na over schilderkunst, en nam hij geen penseel ter hand, en ging hij iederen dag naar het Vaticaan, en verloor zich in de edele marmers.

Eens had hij een morgen lang zitten droomen voor den Eros, eens had hij er een poëem gedroomd op heele zachte melodie van monotone begeleiding, als een innige incantatie: thuis had hij gedicht en muziek willen stellen op papier, maar had hij niet gekund. Nu kon hij Forain niet meer zien, vond Rubens walgelijk en grof, maar was de Primitieven getrouw gebleven.

--En stel nu, dat ik veel schilderde, en veel naar expozities zond? Zoû ik gelukkiger zijn? Zoû ik voldoening voelen iets te hebben gedaan? Ik geloof het niet. Soms maak ik een aquarel af, verkoop die, en kan dan een maand bestaan zonder mama lastig te vallen. Geld kan mij niet schelen. Roemzucht is mij heelemaal vreemd! Maar laat ons niet meer over mij praten. Denkt u nog aan de toekomst en ... brood?

--Misschien, antwoordde zij, droef lachende, en om haar heen duisterde donkerder het atelier, verzwijmden zacht-aan de silhouetten van zijn moeder en zusters, die stil zaten, loom in gemakkelijke stoelen, en weinig geïnteresseerd, en verschaduwde stil alle kleur. Maar ik ben zoo zwak. U zegt, dat u geen artist is, en ik, ik ben geen apostel.

--Aan zijn leven richting geven, dàt is het moeilijke. Ieder leven heeft een lijn, een richting, een weg, een pad: langs die lijn moet het leven vervloeien in den dood, en wat is na den dood; en _die_ lijn is moeilijk te vinden. Ik zal mijn lijn niet vinden.

--Ik zie mijn lijn ook niet voor me....

--Weet u, er is een onrust over me gekomen. Mama, hoort u, er is een onrust over me gekomen. Vroeger droomde ik in het Forum, ik was gelukkig en dacht niet aan mijn lijn. Mama, denkt u aan uw lijn, en denken de zusjes er aan?

De zusjes, in den donker, als poesjes in de diepe stoelen verzonken, gichelden een beetje. Mama stond op.

--Beste Duco, je weet, ik kan je niet volgen. Ik bewonder Cornélie, dat zij je aquarellen mooi kan vinden, en begrijpt, wàt je bedoelt met die lijn. Mijn lijn is nu naar huis, want het is al heel laat....

--Dat is de lijn van de naaste seconde. Maar er is een onrust over mijn lijn van dagen en weken hierna. Ik leef niet goed. Het Verleden is heel mooi, en zoo rustig, omdat het geweest is. Maar ik heb die rust verloren. Het Heden is wel heel klein. Maar de Toekomst. O, als we een doel konden vinden! Voor de Toekomst....

Zij hoorden niet meer naar hem; zij gingen de donkere trappen af, tastende.

--Brood? vroeg hij zich af.

XII.

Op een morgen, dat Cornélie thuis bleef, zag zij hare lectuur na, die in hare kamer verspreid lag. En zij vond, dat het voor haar nutteloos was, Ovidius te lezen, om enkele Romeinsche zeden te bestudeeren, waarvan sommige haar verschrikt en geschokt hadden; zij vond, dat Dante en Petrarca te moeilijk waren om Italiaansch te bestudeeren, terwijl het genoeg was een paar woorden op te vangen om zich verstaanbaar te maken in een winkel of tegen de bedienden; zij vond de Wandelingen van Hare een te vermoeiende gids, omdat ieder steentje van Rome haar nu niet zóó belang inboezemde als het klaarblijkelijk Hare had gedaan. Toen bekende zij zich, dat zij nooit Italië, nooit Rome zóo zoû kunnen zien als Duco van der Staal deed. Zij zag nooit het licht van luchten en gedrijf van wolken als zij het gezien had in zijn onvoltooide waterverfstudies. Zij zag nooit de ruïnes verheerlijkt als hij het deed in zijn urenlang gedroom in Forum en op Palatijn. Een schilderij zag zij alleen maar met het oog van een leek; voor een Byzantijnsche madonna voelde zij niets. Zij hield wel van beelden; maar innig liefhebben een romp verminkt marmer, als hij den Eros liefhad, leek haar ziekelijk ... en toch het ware gevoel om den Eros te zien. Niet ziekelijk, dacht zij toen ... maar "morbide": het woord, hoewel zij er zelve om glimlachte, gaf haar beter hare opinie weêr. Niet ziekelijk, maar morbide. En een olijf vond zij een boom, die op een wilg leek, terwijl Duco haar gezegd had, dat een olijf den mooisten boom was van de wereld.

Zij was het niet met hem eens, noch wat die olijf, noch wat den Eros aanging en toch voelde zij, dat hij gelijk had van een zeker geheimzinnig standpunt, waarop zij zich niet stellen kon, omdat het was als een mystieke heuvel, te midden van onoverschrijdbare tooverkringen: kringen, die hij doorging als gevoelsferen, die de hare niet waren, zooals de heuvel haar was een onbekende troon van gevoel en van uitzicht. Zij was het niet met hem eens en toch was zij overtuigd van zijn beter recht, zijn beteren blik, zijn edeler inzicht, zijn dieper gevoel; en was zij zeker, dat haar wijze van Italië-zien--in de teleurstelling van hare illuzie--, in het grauwe licht eener toenemende onverschilligheid--niet edel was en niet goed; en wist zij, dat de schoonheid van Italië haar ontsnapte; terwijl ze hem was als een tastbaar en omhelsbaar vizioen. En zij ruimde Ovidius, Petrarca en Hare's gidsboek op, en sloot ze in haar koffer, en nam er uit de romans en brochures, dat jaar verschenen over de vrouwenbeweging in Holland. Zij stelde belang in het vraagstuk en zij vond er zich moderner om dan Duco, die haar eensklaps toescheen van een verleden tijd. Niet modern. Niet modern. Zij herhaalde het woord met wellust en voelde zich eensklaps krachtiger. Modern te zijn, zoû haar kracht zijn. Een enkel woord van Duco had haar zeer getroffen: die uitroep: O, als wij een doel konden vinden! Ons leven heeft een lijn, een pad, dat het gaan moet.... Modern zijn, was dat geen lijn; oplossing vinden van modern vraagstuk, was dat geen doel? Hij, hij had gelijk, op zijn standpunt, vanwaar hij Italië zag, maar was geheel Italië niet een verleden, een droom, tenminste dàt Italië, dat Duco zag, droomparadijs van kunst alleen? Het kon niet goed zijn, zoo te staan en zoo te zien, en zoo te droomen. Het Heden was er: aan de grauwe kimmen daverde naderend een storm en de moderne vraagstukken flikkerden op als weêrlicht. Was het dat niet, waar zij voor leven moest? Zij voelde voor de Vrouw, zij voelde voor het Meisje: zij was zelve het Meisje geweest, opgevoed alleen met salon-educatie, om te schitteren, als mooi en bevallig, en dan wel te trouwen. En zij was mooi geweest, en bevallig, zij had geschitterd en was getrouwd, en nu was zij drie-en-twintig, gescheiden van dien man, die eens haar eenige doel was geweest, en, haar terwille, het doel harer ouders: nu was zij alleen, verloren, wanhopig en stervens-troosteloos: zij had niets om zich aan vast te klemmen, zij leed. Zij had hem nog lief, hem, een ploert, een ellendeling; en zij had gedacht al heel flink te zijn: te gaan reizen, om kunst, naar Italië. Maar zij begreep geen kunst, zij voelde niet Italië. O, hoe zag zij het in, na die gesprekken, gewisseld met Duco: dat zij kunst nooit begrijpen zoû, al had zij vroeger wat geteekend, al had zij vroeger in haar boudoir een biscuitgroep gehad naar Canova: Amor en Psyche: zoo lief voor een jong meisje. En hoe zeker wist zij nu, dat zij Italië niet begrijpen zoû, omdat zij een olijfboom niet zoo heel mooi vond, en de lucht van de Campagna nooit gezien had als een waaiende fenix-vlerk. Neen, Italië zoû nooit haar levenstroost zijn....

Maar wat dan? Veel had zij doorgemaakt, maar zij leefde en was heel jong. En op nieuw, bij den aanblik dier brochures, den aanblik van dien roman, kwam het verlangen in haar ziel op: modern zijn, modern zijn! En doen aan de moderne problemen. Leven voor de toekomst! Leven voor de Vrouw, voor het Meisje....

Zij dorst niet diep in zich zien, vreezende te weifelen. Leven voor de Toekomst.... Het scheidde haar iets meer van Duco, dat nieuwe ideaal. Kon haar dat schelen, had zij hem lief? Neen, zij dacht van niet. Zij had haar man lief gehad en wilde niet dadelijk verlieven op den eersten den besten aardigen jongen, dien zij bij toeval in Rome ontmoette....