Langs lijnen van geleidelijkheid
Part 3
--Het is zoo zalig als iets mooi is, ging hij voort. Menschen zijn nooit mooi. Dingen zijn mooi: beelden, schilderijen. En dan boomen, wolken!
--Schildert u?
--Soms, bekende hij onwillig. Een beetje. Maar eigenlijk is alles al geschilderd, en eigenlijk kan ik niet zeggen, dat ik schilder.
--Schrijft u ook misschien?
--Er is nog veel meer geschreven, dan geschilderd. Misschien is nog niet alles geschilderd, maar geschreven _alles_. Ieder nieuw boek van niet bepaald wetenschappelijk belang is overbodig. Alle poëzie is gezegd, en iedere roman is geschreven.
--Leest u niet veel?
--Bijna niets. Ik blader soms wat in oude schrijvers.
--Maar wat doet u dan? vroeg zij eensklaps, geërgerd.
--Niets, antwoordde hij kalm, en zag haar deemoedig aan. Ik doe niets, ik besta.
--Vindt u dat een goede levensopvatting?
--Neen....
--Maar waarom neemt u dan geen andere?
--Zooals ik een nieuwe jas zoû nemen, of een nieuwe fiets?
--U spreekt niet in ernst, zeide zij boos.
--Waarom is u zoo kwaad op mij?
--Omdat u mij agaceert, zeide zij geërgerd.
Hij stond op, groette heel beleefd, en zeide:
--Dan zal ik liever wat gaan fietsen.
En hij wandelde langzaam heen.
--Idiote jongen! dacht zij kribbig.
Maar zij vond het vervelend met hem gekibbeld te hebben, om zijn moeder en zijne zusters.
VII.
In het hôtel echter, na tafel, sprak hij met Cornélie, beleefd, of er geen nerveuze woordenwisseling van klein gekibbel tusschen hen geweest was, en zelfs--omdat mama en de zusjes dien middag visites moesten maken--vroeg hij haar dood-eenvoudig, of zij samen naar den Palatijn zouden gaan.
--Ik ben er verleden langs geweest, zeide zij onverschillig.
--En gaat u niet de ruïnes bezoeken?
--Neen.
--Waarom niet?
--Ze interesseeren me niet. Ik kan er toch geen verleden meer in zien. Ik zie alleen maar ruïnes.
--Maar waarom is u dan in Rome gekomen? vroeg hij geërgerd.
Zij zag hem aan, en had wel in snikken kunnen uitbarsten.
--Ik weet het niet, zeide zij deemoedig. Ik had wel ergens anders ook kunnen gaan.... Maar ik had mij veel van Rome voorgesteld, en Rome valt mij tegen.
--Hoedat?
--Ik vind Rome hard en onverbiddelijk, en zonder gevoel. Ik weet niet waarom, maar ik krijg dien indruk. En ik ben tegenwoordig in een stemming, dat ik juist behoefte heb aan iets gevoeligs en zachts.
Hij glimlachte.
--Kom, zeide hij. Ga meê naar den Palatijn. Ik moet u Rome laten zien. Rome is zoo mooi.
Zij voelde zich te treurig om alleen te blijven, en zij kleedde zich vlug en ging met hem het hôtel uit. Vóor klapperden de koetsiers met de zweepen.
--Vole, vole!? riepen zij.
Hij koos er een.
--Dit is Gaëtano, zeide hij. Dien neem ik altijd. Hij kent mij, niet waar, Gaëtano?
--Si Signorino. Cavallo di sangue, Signorina! zeide Gaëtano, en wees op zijn paard.
Zij reden weg.
--Ik ben altijd bang voor die koetsiers, zei Cornélie.
--U kent ze niet, antwoordde hij, glimlachend. Ik hoû van ze. Ik hoû van het volk. Het is een aardig volk.
--U vindt alles goed in Rome.
--En u geeft u zonder voorbehoud over aan een verkeerden indruk.
--Waarom verkeerd?
--Omdat die eerste indruk omtrent Rome, van hardheid en gevoelloosheid, altijd de zelfde, en altijd verkeerd is.
--Ik vind Rome moeilijk.
--O ja. Zie, hier gaan we langs het Forum.
--Als ik het zie, denk ik aan miss Hope en haar oranje voering.
Hij zeide niets, boos.
--En hier is de Palatijn.
Zij stegen uit en gingen door den ingang.
--Deze houten trap brengt ons naar het paleis van Tiberius. Boven dit paleis, boven deze bogen is een tuin, vanwaar we op het Forum zien.
--Vertel mij van Tiberius. Ik weet, dat er goede en slechte keizers waren. Zoo leerden wij dat op school. Tiberius was een slechte keizer, niet waar?
--Hij was een somber beest. Maar waarom moet ik iets van hem vertellen?
--Omdat ik anders geen belang stel in die bogen en vertrekken.
--Laten we dan boven, in den tuin gaan zitten.
Zij deden zoo.
--Voelt u Rome hier niet? vroeg hij.
--Ik voel overal mezelve, antwoordde zij. Maar hij scheen haar niet te hooren.
--Het is de atmosfeer, ging hij door. U moet nu eens niet aan ons hôtel denken, niet aan Belloni en al onze medegasten, en niet aan uzelve. Als iemand pas hier komt, heeft hij al het gedoe van een hôtel, kamers, een table-d'hôte, vage sympathieke of antipathieke menschen. Dat heeft u nu gehad. Vergeet dat. En probeer alleen te voelen de atmosfeer van Rome. Het is of de atmosfeer hier de zelfde is gebleven, niettegenstaande de eeuwen op elkaâr gestapeld liggen. Eens hebben de middeneeuwen de antiquiteit van het Forum bedekt, en nu wordt ze overal verborgen door onze negentiende-eeuwsche touristenwoede. Dat is de oranje voeling van Miss Hope. Maar de atmosfeer is altijd de zelfde gebleven. Of verbeeld ik het me....
Zij zweeg.
--Misschien, ging hij door. Maar wat kan het me schelen. Ons heele leven is verbeelding, en verbeelding is mooi. Het mooie van onze verbeelding is voor ons, die geen menschen van doen zijn, de troost van ons leven. Hoe heerlijk een heel leven lang te droomen, te droomen over wat gebeurd is. Het verleden is de mooiheid. Het heden is niet, bestaat niet. En de toekomst interesseert mij niet.
--Denkt u dan niet over de moderne vraagstukken? vroeg zij.
--Het feminisme? vroeg hij. Het socialisme? De vrede?
--Bijvoorbeeld.
--Neen, glimlachte hij. Ik denk wel aan ze, maar niet over ze.
--Hoe meent u?
--Ik kom er niet verder meê. Dat is mijn natuur. Mijn natuur is te droomen, en het Verleden is mijn groote droom.
--Droomt u niet over uzelven?
--Neen. Over mijn ziel, mijn inwezen? Neen. Het interesseert mij weinig.
--Heeft u ooit geleden?
--Geleden? Ja, neen. Ik weet het niet. Ik voel leed over mijn volslagen nutteloosheid als mensch, als zoon, als man, maar als ik droom, ben ik gelukkig.
--Hoe komt u er toe zoo open met mij te spreken?
Hij zag haar verbaasd aan.
--Waarom zoû ik mij verbergen? vroeg hij. Ik praat óf niet, óf ik praat zooals nu. Het is misschien wel een beetje gek.
--Praat u dan met iedereen zoo vertrouwelijk?
--Neen, bijna met niemand. Vroeger had ik een vriend, hij is dood. Zeg, u vindt me zeker ziekelijk?
--Neen, ik geloof van niet.
--Het zoû me ook niet kunnen schelen, als u het vond. O, wat is het hier mooi. Ademt u Rome in?
--Welk Rome?
--Dat van de oudheid. Hier onder is het paleis van Tiberius. Ik zie hem er loopen, met zijn hooge sterke gestalte, met zijn groote spiedende oogen--hij was heel sterk, hij was heel somber, en hij was een beest. Hij was zonder ideaal. Daar verder op is het paleis van Caligula, een geniale gek. Hij bouwde een brug over het Forum om op het Capitool te spreken met Jupiter. Zoo iets zoû men niet meer kunnen doen. Hij was geniaal en gek. Als men zoo is, heeft men veel moois.
--Hoe kan u mooi vinden een tijd van keizers, die beesten waren en gek?
--Omdat ik hun tijd vóór mij zie, in het verleden, als droom.
--Hoe is het mogelijk, dat u het heden niet voor u ziet, en de vraagstukken van dezen tijd, vooral dat van de eeuwige armoede?
Hij zag haar aan.
--Ja, zeide hij; dat weet ik, dat is in mij mijn slechtheid, mijn zonde. De idee van de eeuwige armoede treft mij niet.
Zij zag hem aan, bijna met minachting.
--U is niet van uw tijd, zeide zij koel.
--Neen....
--Heeft u ooit honger gehad?
Hij lachte en haalde de schouders op.
--Heeft u u ooit verplaatst in het leven van een arbeider, of fabrieksmeid, die zich moê, oud, half dood werkt voor nauwlijks een korst brood?
--O, die dingen zijn zoo akelig, en zoo leelijk: praat daar niet over! smeekte hij.
Hare oogen stonden koel, haar lippen trokken neêr van walging en zij stond op.
--Is u boos? vroeg hij deemoedig.
--Neen, zeide zij zacht. Ik ben niet boos....
--Maar u veracht me, omdat u me een nutteloos wezen van esthetiek en gedroom vindt?
--Neen. Wat ben ikzelf, om u uw nutteloosheid te verwijten?
--O, als wij wat vinden konden! riep hij uit, bijna in vervoering.
--Wat?
--Een doel. Maar het mijne zoû altijd schoonheid blijven. En verleden.
--En als _ik_ de kracht had mij te wijden aan een doel, zoû het vooral zijn: brood voor de toekomst.
--Wat klinkt dat afschuwelijk! sprak hij, onbeleefd oprecht. Waarom is u toch niet naar Londen gegaan, naar Manchester, of naar zoo een zwarte fabrieksplaats?
--Omdat ik geen kracht had en te veel aan mijzelf denk, aan verdriet, dat ik pas gehad heb. En ik dacht in Italië afleiding te vinden.
--En dat is uw teleurstelling.... Maar misschien wordt u langzamerhand krachtiger, en wijdt u dan aan uw doel: brood voor de Toekomst. Ik zal u dan echter niet benijden: Brood voor de Toekomst....
Zij zweeg. Toen zeide zij koel:
--Het wordt laat. Laat ons naar huis gaan....
VIII.
In de Via del Babuino had Duco van der Staal een groot hol atelier gehuurd, drie trappen hoog, kil van het Noorden. Hier schilderde hij, boetseerde hij, studeerde hij, hier sleepte hij bij elkaâr alles wat hij voor moois en antieks kon krijgen in de winkeltjes langs den Tiber of op de Mercato dei Fiori. Dat was hem een hartstocht: te zoeken door Rome naar een oud stuk tryptiek of een antiek fragment beeldhouwkunst. Zoo was zijn atelier niet gebleven de groote, kille, holle werkplaats, die van ijverige en ernstige studie getuigt, maar het was geworden een asyl van vaagkleurig verleden en oude kunst, muzeum voor zijn droomenden geest. Als kind, als jongen had hij reeds in zich die passie voor antiquiteit voelen ontwikkelen, kon hij snuffelen bij een ouden jood, leerde hij schacheren als zijn beurs niet vol was, en verzamelde hij eerst prullen, later, langzamerhand, voorwerpen van kunst- en geldswaarde. En hij had er alles voor over: het was zijn eenige ondeugd: hij verdeed er al zijn zakgeld aan, en later, zonder voorbehoud, het beetje, dat hij verdiende. Want soms, een enkelen keer, voltooide hij iets en verkocht het. Maar meestal was hij te ontevreden met zichzelven om te voltooien, en was zijn nederig idee, dat alles geschapen was, en dat _zijn_ kunst nutteloos was.
Dit idee verlamde hem soms voor maanden, zonder dat het hem ongelukkig maakte. Als hij wat geld had, om van te blijven leven--en zijne behoeften waren uiterst gering--, voelde hij zich rijk, en was gelukkig in zijn atelier, of dwaalde, gelukkig, door Rome. Zijn lang, onverschillig, mager en slank lichaam was dan gestoken in zijn oudste pak, dat, zonder aanstellerij, een slordig sporthemd en een das als een touwtje zien liet; en een hoed zonder kleur, en verregend van vorm, was zijn liefste hoofddeksel. Zijne moeder en zusters vonden hem meestal ontoonbaar, maar hadden het opgegeven hem te metamorfozeeren in den eleganten zoon en broêr, dien zij zoo gaarne in de salons hunner Romeinsche kennissen hadden gebracht. Blij te ademen de atmosfeer van Rome, dwaalde hij uren door de ruïnes, en zag hij,--verblindend vizioen van droomzuilen,--etherische tempels, paleizen van marmer transparant oprijzen in een trillenden zonnelichtschemer, en de volgens hun Baedeker naspeurende touristen, die dezen langen, mageren jongen man, onverschillig gezeten op het fondament van den tempel van Saturnus, voorbijgingen, hadden nooit willen gelooven aan zijne illuzies van architectuur: harmonisch opgaande lijnen, bekroond door een standbeeldentheorie met edel en goddelijk gebaar, hoog in den blauwen hemel.
Hij, hij zag ze voor zich. Hij richtte de schachten der zuilen omhoog, hij flûteerde de strenge Dorische zuil, hij boog week het Ionisch kapiteelkussen rond, en liet bladeren-uit de Corinthische akanth; en de tempels zuilden in een oogwenk op; de basilica's boogden als met toover omhoog, de statuen gebaarden blank tegen het ongrijpbare diep van de lucht, en de Via Sacra leefde. Hij, hij vond dat mooi, hij leefde zijn droom, zijn Verleden. Het was of hij voorbestaan had in Rome antiek, en de moderne huizen, het modern Capitool, en zij allen, het graf van zijn Forum omgevelend, zag hij voor zijn oogen niet. Uren kon hij zoo zitten, of dwalen, of weêr neêrzitten en gelukkig zijn. In de intensiteit van zijn verbeelding riep hij de historie op, wolkte ze uit het verleden hoog, eerst als een damp, een tooverwaas, waaruit weldra de figuren duidelijk traden, tegen den marmeren achtergrond van oud Rome aan. De reusachtige drama's speelden voor zijne droomende oogen af als op een ideaal tooneel, dat zich van het Forum uitstrekte naar de wazige zonneblauwtes van de Campagna; met coulissen, die zich verloren in de diepte van de lucht. Het Romeinsche leven gebaarde er zich, met een armbeweging uit een toga, een dichtregel van Horatius, een plotseling vizioen van een keizermoord of een gladiatorenspel in de arena. En plotseling ook verbleekte het beeld, en zag hij de ruïnes, de ruïnes alleen, als de tastbare schaduw zijner onwezenlijke illuzie: zag hij de ruïnes, zooals zij waren, verbruind en vergrauwd, opgegeten van oudheid, verbrokkeld, gemarteld, met mokers verminkt, tot maar ènkele zuilen nog optrilden en droegen een bevende architraaf, die dreigde ineen te storten. En het bruin en het grauw was zoo edel rijk aangegoud door vegen van zon, de ruïnes waren zoo heerlijk mooi van afbrokkeling, zoo weemoedvol in hare onbewuste toevalligheid van stukkende lijnen, van barstende bogen en verminkte sculptuur, dat het was of hijzelve, na zijn luchtvizioen van stralende droomarchitectuur, ze met een hand van artist gemarteld had en verminkt, zoo had barsten laten, en beven, en trillen, om het weemoedige na-mooi ervan. Dan werden zijne oogen hem vochtig, dan was hem zijn hart te vol, dan liep hij weg, door den Titusboog langs het Colosseum, den boog van Constantijn door, door, en hij haastte zich langs het Lateraan, naar de Via Appia en de Campagna, en zijne stekende oogen dronken het blauw van de verre Albaansche bergen in, als zoû dat ze genezen van te veel gestaar en gedroom....
Hij vond noch in zijne moeder, noch in zijne beide zusters een element, dat sympathiek was aan zijne excentrieke neigingen, en na dien eenen vriend, die gestorven was, had hij nooit een anderen gevonden en was hij altijd als door eene voorbeschikking, die hem geen sympathie ontmoeten liet, eenzaam geweest in zichzelven en om zich heen. Maar hij had zijne eenzaamheid zoo dicht bevolkt met zijne droomen, dat hij er zich nooit ongelukkig om gevoeld had, en zooals hij hield van alleen dwalen door ruïnes en langs buitenwegen, was hem ook lief de intimiteit van zijn eenzaam atelier, met de zoovele stille silhouetten op een oud stuk tryptiek, op tapijtwerk of op de vele dicht bij elkaâr bevestigde schetsen, allen rondom hem heen, allen met de bekoring van hunne lijnen en kleuren, allen met het stille gebaar van hun beweging en emotie, en samensmeltend in schemering van hoeken en schaduw van antiek kabinet. En daartusschen leefde zijn porcelein en brons en oud-zilver, en straalde-uit dof het getaande goudborduursel van een kerkelijk gewaad, en stonden bruin, gezellig gereid, de oude leêren banden van boeken, waaruit, geopend in zijne handen, ook opstegen en wolkten-op de vele figuren, levend hun liefde en smart in die getemperde bruinen en rooden en gouden der geluidelooze atelier-atmosfeer. Zoo was zijn eenvoudig leven, zonder veel twijfel aan zich, omdat hij niet veel van zich eischte, en zonder de melancholie van modern artist, omdat hij gelukkig was in zijn mijmering. Nooit had hij, trots zijn hôtelbestaan met moeder en zusters--hij sliep en hij at bij Belloni--veel menschen ontmoet, zich met vreemdelingen bezig gehouden, van nature een beetje schuw voor toeristen met Baedekers, voor Engelsche dames in korte rokken, met haar steeds zelfde uitroepjes van gelijkmatige bewondering, en geheel en al zich onmogelijk voelende in den kring--half Italiaansch, half cosmopolitisch--van zijne vrij wereldsche moeder en elegante zusjes, die met Italiaansche prinsjes en jonge hertogen dansten en fietsen.
En nu dat hij Cornélie de Retz had ontmoet, moest hij zich bekennen, dat hij weinig menschenkennis had en nooit had kennen denken aan de wezenlijkheid van zoo een vrouw--nog wel in een boek--maar niet in werkelijkheid. Haar uiterlijk al,--het bleeke, het gebroken bevallige, het moede, had hem verbaasd--, en hare woorden verbaasden hem nog meer: het besliste en toch weifelende, het artistieke en toch pogende meê te spreken in haar tijd: tijd, dien hij nog niet artistiek had kunnen inzien, dwepende als hij deed met Rome en Verleden. En hare woorden verbaasden hem, sympathiek als hem de klank ervan was, en geërgerd als hij dikwijls werd, door dat dikwijls bittere, snijdende, en dan weêr matte en moedelooze, tot hij over ze dacht en weêr dacht, tot hij ze peinzende weêr klinken hoorde van haar eigen lippen af, tot zij meêdeed tusschen de koppen en torsen van zijn atelier, en voor hem opdoomde in het weeke lelieachtige van hare geziene werkelijkheid, te midden der pre-rafaëlitische stijfte van lijnen, en Byzantijnsche goudkleuren der engelen en der madonna's op doek en wandtapijt.
In zijn ziel was nooit liefde geweest en hij had liefde altijd beschouwd als verbeelding en poëzie. In zijn leven was nooit meer geweest dan de natuurlijke drang zijner viriliteit en het gewone amouretje met een model. En zijn ideeën over liefde wiegelden in een te wijd en onwezenlijk evenwicht, zonder overgang en graadverschil, tusschen een vrouw, die zich voor enkele lires naakt toonde, en Laura; tusschen het verlangen naar een mooi lichaam en het dwepen met Beatrice, tusschen het vleesch en de droom. Aan eene ontmoeting van gelijksoortige zielen had hij nooit gedacht; naar sympathie, naar liefde in den vol bloesemenden zin van het woord en zijn idee, nooit verlangd. En dat hij over Cornélie de Retz nu dacht, en veel dacht, begreep hij niet in zich. Over een vrouw in een gedicht, had hij wel eens dagen, een week, gepeinsd, gedroomd; over een vrouw in het leven nog nooit.
En dat hij, geërgerd door sommige harer woorden, haar toch staan zag met haar lelielijn tegen zijn Byzantijnsche tryptieken, als een fantoom in zijn droomers-eenzaamheid, maakte hem bijna bang, omdat hij er zijn rust door verloren had.
IX.
Het was Kerstmis, en de marchesa Belloni bood bij gelegenheid van dit feest aan hare pensionnaires aan: een boom in het salon, en een bal daarna in de antieke eetzaal van Guercino. Bal te geven en boom was een gewoonte van vele hôtelhouders, en de pensions, waar bal en boom niet gegeven werden, waren bekend en werden om dezen inbreuk op de traditie zeer gelaakt door de vreemdelingen. Er waren voorbeelden bekend van zeer goede pensions, waar tal van reizigers--dames vooral--niet kwamen, omdat er noch boom, noch bal was met Kerstmis.
De marchesa vond haar boom duur en haar bal ook niet goedkoop en gaarne had zij eens het een of ander voorwendsel gevonden, om beiden weg te goochelen, maar zij dorst niet: de reputatie van haar pension was juist het wereldsche, het chique ervan: de table-d'hôte in de mooie eetzaal, waar men toilet maakte, en dan met Kerstmis een schitterend feest. En het was aardig te zien, hoe fel die dames allen waren op hare rekening van den geheelen winter op den koop toe te krijgen een prullig kerstcadeautje, en de gelegenheid om te dansen met vrij gebruik van een orgeade en een koekje, een sandwich en een bouillon. De oude knikkende maître-d'hôtel, Giuseppe, zag met minachting neêr op deze feestelijkheid: hij herinnerde zich het gala zijner aartshertogelijke avonden en vond het bal min, en de boom armoedig; de krukkende portier, Antonio, gewend aan zijn betrekkelijk rustig leventje--een gast afhalen of wegbrengen naar het station--,de post een paar keer per dag rustigjes sorteeren, en verder wat lummelen in en om zijn loge en den lift,--haatte het bal, om al de invités der pensionnaires--want ieder mocht twee of drie invitaties doen--, om al het vermoeiende gedoe met rijtuigen, als de genoodigden dan nog vlug in hun fiacre wisten te stappen zonder hem zijn fooitje te geven. Om en bij Kerstmis was de stemming tusschen de marchesa en haar beide eerste dignitarissen dan ook verre van harmonisch, en een storm van bevel en vervloeking hagelde deze dagen neêr op de ruggen der oude cameriera's, die, met hare warme-waterketeltjes in de bevende handen, moeizaam de trappen op en neêr krabbelden, en der jeugdige blanc-becs van kellners, die in onbesuisden ijver tegen elkaâr in draafden en borden braken. En nu dat het heele personeel aan het werk was gezet, zag men eerst hoe oud de cameriera's waren, en hoe jong al de kellners, en kritizeerde men als "shame and shocking," de zuinigheids-maatregel van de marchesa om niets dan ruïnes en kinderen in dienst te nemen. De enkele gespierde facchino, noodzakelijk om koffers te zeulen, maakte een onverwachte figuur van mannelijken leeftijd en stevigheid. Maar vooral haatten de gasten hunne marchesa om het groote aantal harer bedienden, nu, om en bij Kerstmis, bedenkende, dat zij aan ieder een fooitje geven moesten. Neen, men had niet geweten, dat er zooveel personeel was. Dat was toch ook niet noodig! Als de marchesa voor al die oude vrouwen en kleine jongentjes nu eens een paar flinke jonge meiden en knechts nam! En het waren in de hoeken der gangen en aan tafel stille samenzweringen en afspraken, hoeveel fooi men zoû geven: men wilde niet bederven, maar toch bleef men den geheelen winter, en was éen lire dus te weinig, en zoo weifelde men tusschen éen lire-vijf-en-twintig en éen lire-vijftig. Maar toen men op de vingers telde, dat er wel vijf-en-twintig bedienden waren en dat men dus bij de veertig lire kwijt was, vond men dat schrikbarend veel en organizeerde men lijsten van inschrijving. Er gingen twee lijsten rond, een van éen lire, en een van twaalf lire per gast, voor het geheele personeel. Op die laatste lijst teekenden sommigen, die een maand vroeger gekomen waren of van plan waren weg te gaan, voor tien lire, en sommigen voor zes lire. Vijf lire werd algemeen te weinig gevonden, en toen het bekend was, dat de groezelige esthetische dames vijf lire wilden geven, werden zij aangekeken met de diepste verachting.
Het waren groote emoties en groote drukten. Kerstmis naderde en men stroomde naar de presepio's, die schilders in Palazzo Borghese hadden opgesteld--een panorama van Jeruzalem; en de herders, de engelen, de koningen, en Maria met het kindje in den stal met os en ezel. Men hoorde in Ara-Coeli naar de predicatie der kleine meisjes en jongentjes, die beurtelings op een estrade klommen en het verhaal van de Geboorte deden: sommigen, verlegen een versje opzeggend, voorgefluisterd door een angstige moeder; andere, meisjes vooral, met Italiaansche tragiek en rollende oogen deklameerend als kleine actrices en eindigend met een religieuze moraal. Om de predicaties luisterden het volk en tallooze toeristen: een prettige geest heerschte in de kerk, waar de jonge schelle kinderstemmetjes hoog-op oreerden; men lachte luid om een gebaar en effect; en de ronddwalende geestelijken hadden een zalvenden glimlach, omdat het zoo aardig en lief was. En in de kapel van den Santo Bambino straalde de houten wonderpop van goud en juweelen, en de dichte menigte verdrong zich er voor.