Langs lijnen van geleidelijkheid
Part 20
Toen Cornélie den volgenden dag met Duco door Florence ging en zij den cour van het Palazzo Vecchio binnenliepen, de Loggia dei Lanzi zagen en even in de Uffizie de Annonciatie van Memmi gingen zien, voelde zij aan zijn zijde als de gewaarwordingen van vroeger onweêrstaanbaar opbloeien. Het was of zij hun uit elkaâr gesprongen lijnen met menschelijk geweld weêr samen hadden gebogen tot éen weg, en langs dien weg de witte madelieven, de witte leliën opschoten met een teederheid van zacht mystisch herkennen, dat bijna was als een droom. En toch was het iets anders dan vroeger. Een druk als van een grauwe wolk hing tusschen haar en de diepblauwe lucht, die als repen van ether, banen van optrillende hoogte van lucht spande boven de nauwe straten, boven de koepels en torens en tinnen. Zij voelde niet meer de bezorgdheid van vroeger; een nagedachtenis was in haar, een zware peinzing op hare hersenen, en een benauwdheid voor wat gebeuren zoû. Zij had als een onweêrzwoel voorgevoel, en toen zij na hunne wandeling wat gegeten hadden en naar huis gingen, sleepte zij zich zoo moê, als zij zich in Rome nooit had gevoeld, de trappen op, naar Duco's kamer. En zij zag aanstonds een brief liggen op tafel, een brief aan haar adres. Maar welk adres! Zij schrikte ervan zoo hevig, dat zij begon te trillen over hare leden, den brief, nog voor Duco achter haar was binnengetreden, gestopt had in haar zak.... Zij zette haar hoed af, en zeide Duco, dat zij even iets uit haar koffer moest hebben, die stond op de gang. Hij vroeg of hij haar helpen zoû. Maar zij weigerde en ging uit de kamer, op den nauwen corridor. Bij het kleine raam, dat zag op de Arno, haalde zij den brief te voorschijn.... Het was daar de eenige plaats, waar zij even, ongestoord, kon lezen. En zij las weêr dat adres, geschreven met zijn hand, die zij kende, de groote dikke zware letter.... De naam, dien zij droeg in het buitenland was haar jonge meisjes-naam, en zij noemde zich: Madame De Retz van Loo. Maar op dit adres las zij kort: Baronne Brox, 37 Lung'Arno Torrignani, Florence. Een hevige kleur sloeg op naar haar gezicht. Een jaar had zij dien naam gedragen.... Maar nu: waarom noemde hij haar zoo? Waar was de logica van dien titel, dien zij volgens de wet toch niet meer droeg? Wat meende hij, wat wilde hij...? En bij het kleine raam, las zij zijn korten maar gebiedenden brief. Hij schreef haar, dat hij haar vlucht ten hoogste kwalijk nam, vooral na hun laatste onderhoud. Hij schreef haar, dat zij, in dat laatste onderhoud, hem alle recht op haar had gegeven, dat zij hem niet tegengesproken had en dat zij, met haar zoen, en met haar omhelzing, getoond had zich als zijn vrouw te beschouwen, zooals hij haar als zijn vrouw beschouwde. Hij schreef, dat hij haar niet kwalijk zoû nemen haar onafhankelijk leven, een jaar lang in Rome, omdat zij toen nog vrij was geweest. Maar dat hij beleedigd was, dat zij zich nu nog vrij beschouwde, en dat hij die beleediging van haar vlucht niet aannam. Dat hij haar sommeerde terug te keeren. Dat hij geen recht had volgens de wet dit te doen, maar dat hij het deed, omdat hij toch een recht had, een recht, dat zij niet kon weêrspreken, dat zij ook niet weêrsproken had, dat zij integendeel door haar zoen had erkend. Haar adres had hij te weten gekomen van den portier van de Villa Uxeley, aan wien zij het achtergelaten had. En hij eindigde, met haar nogmaals te zeggen, dat zij terug te keeren had in Nice, bij hem, in het Hôtel Continental. Dat zoo zij het niet deed, hij te Florence kwam en zij verantwoordelijk was voor de gevolgen van haar weigering.
Hare knieën knikten: zij dreigde in-een te vallen. Zoû zij den brief aan Duco toonen, of zoû zij hem verzwijgen...? Maar zij moest beslissen. Hij riep haar uit de kamer toe, wat zij zoo lang deed, op de gang. En zij trad binnen en was te zwak zich niet te storten aan zijn borst. Zij toonde hem den brief. Leunende tegen hem aan, snikkende, voelde zij hem woedend, razend worden, zag zij zwellen aan zijn slapen de aderen, zijn vuisten zich ballen, tot hij den brief in een prop op den grond smeet. Hij zeide haar niet bang te zijn; hij zei, dat hij haar beschermen zoû. Hij ook, hij beschouwde haar als zijn vrouw. Alles kwam er maar op aan, hoe zij zichzelve voortaan beschouwde. Zij sprak niet, zij snikte maar, gebroken van vermoeienis, van schrik, van hoofdpijn. Zij kleedde zich uit, zij legde zich te bed: zij klappertandde van koorts. Hij duisterde de kamer wat, met de gordijnen dicht te plooien en zei haar te gaan slapen. Zijn stem was boos en zij dacht, dat hij boos was om hare weifelmoedigheid. Zij snikte zich in slaap. Maar in haar slaap voelde zij in zich den schrik en voelde zij weêr den onafwendbaren dwang. Slapende droomde zij wat zij zoû kunnen antwoorden, schreef zij Brox, maar het was haar niet duidelijk wat; het bleef de vaagheid eener machtelooze smeeking om genade. Toen zij wakker werd, zag zij Duco bij haar bed. Zij vatte zijn hand, er was een kalmte in haar. Maar zij had geen hoop. Zij had geen vertrouwen op de dagen, die komen zouden.... Zij zag hem aan, en zij zag hem somber, streng geserreerd in zichzelven, zooals zij hem nooit gezien had.... O, hun geluk was voorbij! Dien noodlottigen dag, toen hij haar in Rome naar den trein had gebracht, hadden ze afscheid genomen van hun geluk. Voorbij, voorbij! Voorbij de lieve wandelingen door ruïnes en muzea, de tochten naar Frascati, Napels, Amalfi! Voorbij het lieve innige leven van armoede in het groote atelier, tusschen de flonkerkleuren der oude brokaten en kazuifels, der oude zilveren en bronzen! Voorbij het samen turen op de aquarel der Banieren, zij met haar hoofd op zijn schouder, in zijn arm, levende met hem samen zijn kunst, genietende met hem samen zijn werken! Voorbij de extaze van den nacht in de pergola, in den met starren bepoeierden nacht, het heilige meer aan hunne voeten! Men herhaalde het leven niet meer! Zij herhaalden het hier tevergeefs, in deze kamer, in Florence, in het Palazzo Vecchio, tevergeefs zelfs voor den heiligen engel van Memmi, schietend zijn gouden straal! Zij herhaalden hun leven tevergeefs, hun geluk, hun liefde; tervergeefs hadden zij samen gedwongen de uit elkaâr gesprongene lijnen! Nog even cirkelden ze om elkaâr, met eén wanhopige arabesk.... Het was voorbij, het was voorbij...! Somber en streng zat hij naast haar bed, en zij wist het, hij voelde zich machteloos, omdat zij zich niet voelde zijn vrouw. Zijn maîtresse...! O, ze had dien onwillekeurigen afstoot gevoeld, toen zij dat woord had uitgesproken. Had hij haar niet altijd willen trouwen? Maar onbewust had zij het steeds gevoeld, dat het niet kon, en dat het niet mocht. Onder het uitgewoeker van hare scherpe frazes van feminisme, was dat de onbewuste waarheid geweest. Zij, vloekend tegen het huwelijk, had zich, diep in, altijd gehuwd gevoeld. Niet volgens de wet en een handteekening, maar volgens een al-oude wet, een oer-oud recht van man op vrouw, wet en recht van bloed en vleesch en allerinnigste merg! O, boven die onverwrikbare fyzieke waarheid had haar ziel heur bloei gebloeid van witte madelieven en leliën, en ook die bloei was de innige waarheid, de hooge waarheid van geluk en van liefde. Maar de madelieven en leliën bloeiden uit: de ziel bloeit maar een enkelen zomer. De ziel bloeit geen leven lang. Zij bloeit misschien vóór het leven, zij bloeit er misschien nà, maar _in_ het leven zelve bloeit de ziel maar één enkelen zomer! Zij had gebloeid, het was voorbij! En in haar lijf, dat leefde, in haar lichaam, dat overleefde, voelde zij de waarheid tot in het merg! Hij zat naast haar bed, maar hij had geen recht, nu de leliën waren gebloeid.... Zij brak van medelijden voor hem.... Zij nam zijn hand en kuste die innig en snikte er over heen. Hij zeide niets. Hij wist niets te zeggen. Het zoû hem alles eenvoudig geweest zijn, als zij zijn vrouw had willen worden. Nu kon hij haar niet helpen. Nu zag hij zijn geluk verongelukken, en hij zag toe: er was niets aan te doen. Als een ruïne, die brokkelde, stortte het langzaam in elkaâr.... Het was voorbij! Het was voorbij!
Zij bleef in bed, deze dagen, zij sliep, zij droomde, zij ontwaakte weêr, en de afwachting was niet van haar af. Nu en dan had zij een lichte koorts en het was beter in bed te blijven. Meestal bleef hij bij haar. Maar eens toen Duco weg was om in de apotheek iets te gaan halen, klopte men aan de deur. Zij sprong op in bed, bang, bang hèm te zien, aan wien zij altijd dacht.... Half flauw van schrik, opende zij op een kier de deur. Maar het was de brievenbesteller met een aangeteekenden brief. Van hèm! Nog korter dan den vorigen, schreef hij, dat zij aanstonds bij ontvangst van zijn brief, telegrafeeren moest, den dag, dat zij kwam. En dat, zoo hij dien en dien dag--hij zoû uitrekenen welken,--haar telegram niet ontving, hij 's nachts vertrok naar Florence, en hij haar amant dood zoû schieten, als een hond, voor haar voeten. Dat hij zich geen ogenblik bedenken zoû. Het kon hem niet schelen wat er dan gebeurde. Uit dien korten brief woedde zijn drift, zijn razernij, als een roode storm haar met zijn slag in het gezicht. Zij kende hem, en zij wist, dat hij het doen zoû. Zij zag, als in een flits, het ontzettend tooneel en Duco vermoord neêrstorten, badende in zijn bloed. En zij was zich niet meer meester. Zij was, van verre, door de roode woede van dien brief, geheel zijn object, zijn ding. Zij had den brief haastig opengescheurd, nog voor zij het boek van den besteller had afgeteekend. De man wachtte op de gang. Het ging duizelsnel door haar heen, het draaide door haar als een kolk. Als zij een oogenblik nog bedacht, zoû het te laat zijn, te laat voor Duco.... En zij vroeg aan den besteller, zenuwachtig:
--Kan je oogenblikkelijk een telegram voor mij bezorgen?
Neen, hij kon niet: het was niet zijn weg uit.
Maar zij smeekte het hem te doen. Zij zeide, dat zij ziek was, dat zij oogenblikkelijk moest telegrafeeren. En zij vond in haar beursje een goudstukje van tien francs en zij gaf hem dat als fooi. Zij gaf hem daarenboven het geld voor het telegram. En de man beloofde. En zij schreef het telegram: Ik vertrek morgen, sneltrein.
Het was een vaag telegram. Zij wist niet met welken sneltrein; zij had niets na kunnen zien. Zoû het 's avonds zijn of 's morgens, heel vroeg? Zij wist van niets. Hoe zoû zij weg kunnen gaan? Zij wist van niets. Maar zij meende, dat het telegram hem kalmeeren zoû. En zij zoû gaan. Er was niets aan te doen. Nu zij wanhopig gevlucht was, zag zij het in: als hij haar terug wilde hebben, terug als zijn vrouw, moest zij gaan. Had hij niet gewild, zij had kunnen blijven, waar ook, trots haar gevoel, dat zij hem toebehoorde. Maar nu hij wilde, moest zij terug. Maar hoe, hoe het aan Duco te zeggen! Zij dacht niet aan zich, zij dacht aan Duco. Zij zag hem voor zich liggen in bloed. Zij dacht er niet aan, dat zij geen geld meer had. Moest zij het hem vragen? O God, wat moest zij doen? Zij kon niet morgen gaan, trots haar telegram! Zij kon Duco niet zeggen, dat zij ging.... Zij had willen gaan, als hij uit was, stilletjes naar het station.... Of zoû zij het hem liever zeggen.... Wat zoû het minst smartelijke zijn? Of ... of zoû zij alles zeggen aan Duco en ... met hem ... samen ... vluchten, vluchten ergens heen, en niemand zeggen, waarheen.... Maar als hij hen uitvond! En hij zoû hen vinden! En Duco dan ... zoû ... hij vermoorden!!
Zij ijlde bijna van angst, van koorts, van niet te weten wat te doen, hoe en wat.... Daar hoorde zij op de trap Duco's tred.... Hij kwam binnen, hij bracht haar de pillen.... En als altijd, zeide zij hem alles, te zwak, te moê, zich te verbergen, en toonde zij hem den brief.... Hij brieschte op, woedend, van haat, maar zij viel voor hem neêr en vatte zijn handen. Zij zei, dat zij al geantwoord had.... Hij werd eensklaps koel, als vol van onvermijdelijkheid. Hij zeide, dat hij geen geld had haar de reis te laten doen. Toen, nog eens, nam hij haar in de armen, kuste haar, smeekte haar zijn vrouw te worden, zei, dat hij haar man zoû dooden, zooals deze dreigde hem te dooden. Maar zij snikte maar en weigerde, hoewel zij krampachtig tegen hem aan bleef liggen. Toen gaf hij zich over aan de noodlottige almacht van den stillen dwang van het leven. Hij voelde zich sterven in zijn ziel. Maar hij wilde kalm blijven om haar. Hij zeide, dat hij haar vergaf. Hij hield baar, snikkend, in zijn armen, omdat die aanvoeling haar kalmeerde. En hij zeide, dat zoo zij terug wilde--zij knikte moedeloos van ja,--het beter was nog eens aan Brox te telegrafeeren, reisgeld te vragen en duidelijk dag en uur op te geven. Hij zoû dit voor haar doen. Zij zag hem door haar tranen verwonderd aan. Hij maakte zelf het telegram op en ging. Mijn lieveling, mijn lieveling, dacht ze, terwijl hij ging, terwijl zij voelde de smart in zijn verscheurde ziel. Zij wierp zich op bed. Hij vond haar in een zenuwtoeval, toen hij terugkwam. Toen hij haar verzorgd had, en haar in bed had toegedekt, zette hij zich naast haar. En hij zei met een doode stem:
--Mijn kind, wees nu kalm. Overmorgen breng ik je tot Genua. Dan zullen wij afscheid van elkaâr nemen, en afscheid voor altijd. Als het niet anders kan, dan zal het zoo zijn. Als je voelt, dat het zoo moet, dan moet het zoo gebeuren. Wees nu kalm, wees nu kalm. Als je zoó voelt, dat je terug moet naar je man, zal je misschien bij hem niet ongelukkig zijn. Wees kalm, wees kalm, mijn kind.
--Breng je me?
--Ik breng je tot Genua. Ik heb bij een vriend daarvoor geld kunnen leenen. Maar probeer vooral kalm te zijn. Je man wil je terug hebben; hij zal je niet alleen terug willen hebben om je te slaan. Hij zal iets voor je voelen, als hij dat zoo wil. En als het zoo moet ... dan zal het misschien goed zijn ... voor jou. Hoewel ik het zoo niet kan inzien...!
Hij bedekte het gezicht in de handen, en zich niet meer meester, snikte hij op. Zij trok hem op haar borst. Zij was nu kalmer dan hij. Terwijl hij snikte met zijn hoofd op haar bonzend hart, streelde zij hem rustig het voorhoofd, de oogen ver, ziende de wanden der kamer door....
LII.
Zij zat nu alleen in den trein. Door middel van groote fooien hadden zij 's nachts alleen gereisd en had niemand hen in hun coupé gestoord. O, de melancholieke reis, de laatste stille reis van het einde. Zij hadden niet gesproken, maar dicht bij elkaâr, hand in hand gezeten, de oogen ver voor zich uit, als starende naar het naderende scheidingspunt. De droeve gedachte aan die scheiding verliet hen niet, ijlde meê met den ratelenden trein. Soms dacht zij aan een spoorwegongeluk, en dat het haar welkom zoû zijn, om samen met hem te sterven. Maar onverbiddelijk waren de lichten van Genua opgeglimd. Toen had de trein stilgestaan. En hij had zijn armen opengebreid en zij hadden elkaâr gekust, voor het laatst. Aan zijn borst, had zij in hem zijn smart gevoeld. Toen had hij haar losgelaten en was weg geijld, zonder om te zien. Zij zag hem nog na, maar hij had niet omgezien en zij zag hem verdwijnen in den met lichtjes doorglansden morgenmist, die waasde in het station. Zij had hem zien verdwijnen tusschen andere menschen, zien oplossen in het mistwaas. Toen was haar stille wanhoop van levensgelatenheid zoo groot geworden, dat zij zelfs niet had kunnen weenen. Haar hoofd viel slap, hare armen vielen slap. Als een inert ding liet zij den trein haar in zijn razende rateling verder voeren.
Een witte morgenschemering was links over de blankende zee opgerezen en het beginnende daglicht blauwde het water, de horizon teekende zich. Uren spoorde zij nog door, onbewegelijk, uitkijkende naar de zee en zij voelde zich bijna smarteloos van levensgelatenheid en onverantwoordelijkheid. Zij liet nu met zich doen, als het leven wilde, als haar man wilde, als de trein wilde. Als in een moeden droom dacht zij aan de geleidelijkheid van alles, en al het onbewuste in zichzelven, aan den eersten opstand tegen haar mans overheersching, aan de illuzie van hare onafhankelijkheid, den hoogmoed van hare fierheid, en al het geluk der zachte extaze, al de blijdschap om de bereikte harmonie.... Nu was het gedaan; nu was alle eigen wil ijdel. De trein voerde haar daar waar Rudolf haar riep, en het leven was om haar heen geweest, nauwlijks ruw, maar met een zachten dwang van spokende handen, die duwden en leidden en wezen....
En zij dacht niet meer na. De moede droom wolkte op in den blauwer wordenden dag en zij voelde, dat zij Nice naderde. Zij kwam terug tot een kleine werkelijkheid. Zij voelde, dat zij er wat verreisd uitzag en onbewust voelende, dat het beter was als Rudolf haar niet voor het eerst zoo onbehagelijk terug zag, opende zij langzaam haar taschje, waschte zich met een zakdoek met Eau de Cologne, kamde heur haar op, poeierde zich, borstelde zich af en deed een doorzichtige witte voile voor, nam een paar nieuwe handschoenen. Aan een station kocht zij een paar gele rozen en stak ze in haar ceintuur. Zij deed dat alles onbewust, zonder er bij te denken, voelende, dat het goed was, dat het verstandig was, als zij zoo deed, als Rudolf haar zoo terug zag, met dat waas van mooie vrouw. Zij voelde, dat zij voortaan vooral mooi moest zijn, en dat verder er niets meer op aan kwam. En toen de trein het station binnendreunde, toen zij Nice herkende, was zij gelaten, omdat zij niet meer streed, maar zich overgaf aan al de sterkere machten. Het portier werd opengerukt, en op het, op dat uur, niet volle station zag zij hem dadelijk: groot, forsch, gemakkelijk, met zijn steenroode mooie mangezicht, in zijn licht zomerpak, stroohoed, gele schoenen. Hij maakte een indruk van gezonde stevigheid en vooral van breedschouderde mannelijkheid en niettegenstaande die breedheid toch geheel en al "heer", zeer verzorgd zonder een zweem van fatterigheid, en de ironie van zijn snorlach en de vaste blik van zijn mooie, vrouwen zoekende, grauwe oogen gaven hem iets machtigs en zekers van te kunnen doen wat hij wilde, van te kunnen overheerschen, als het hem goed dacht. Een ironische trots op zijn mooie kracht, met een tint van minachting tegen de anderen, die niet zoo mooi krachtig waren, zoo gezond animaal en toch aristocratisch, en vooral een spottend neêrbuigend sarcasme tegen àlle vrouwen, omdat hij de vrouwen kende en wist wat ze eigenlijk telden--dit drukten zijn blik uit, zijn houding, zijn gebaar. Zij kende hem zoo. Het had haar vroeger dikwijls in opstand gebracht, maar zij gevoelde zich nu gelaten, en ook een beetje bang.
Hij was haar genaderd, hij hielp haar uitstijgen. Zij zag, dat hij boos was, dat hij van plan was haar ruw te ontvangen; toen, dat zijn snorlach opkrulde, als spotte hij, dat hij de sterkste was.... Zij zeide echter niets, nam gelaten zijn hand en steeg uit. Hij bracht haar buiten en in het rijtuig wachtte zij even op den koffer. Zijn blik monsterde haar. Zij droeg een ouden blauw laken rok en een blauw laken manteltje, maar zij zag er, niettegenstaande die oude kleêren en die moede gelatenheid, uit als een elegante, mooie vrouw.
--Ik zie met pleizier, dat je het eindelijk raadzaam vondt aan mijn verlangen gevolg te geven, zeide hij eindelijk.
--Ik dacht, dat het het beste was, zeide zij zacht.
Haar toon trof hem, en aandachtig, van terzijde, nam hij haar op. Hij begreep haar niet, maar hij was tevreden, dat zij gekomen was. Zij was nu moê van de emotie en den trein, maar hij vond, dat zij er allerliefst uitzag, al was zij niet zoo schitterend als toen op het bal van Mrs. Uxeley, toen hij voor het eerst zijn gescheiden vrouw had gesproken.
--Ben je moê? vroeg hij.
--Ik ben een paar dagen wat koortsig geweest, en ik heb van nacht natuurlijk niet geslapen, zeide zij, zich als verontschuldigend.
De koffer was opgeladen en zij reden weg, naar het Hôtel Continental. In het rijtuig spraken zij niet meer. Zwijgend ook gingen zij het hôtel binnen, in den lift en hij bracht haar naar zijn kamer. Het was een gewone hôtelkamer, maar zij vond het vreemd op tafel zijn borstels te zien liggen, aan de haken zijn jassen en broeken te zien hangen, dingen met een lijn en een plooi, die zij van vroeger kende, en waarmeê zij als familiaar was. Zij herkende, in een hoek, zijn koffer.
Hij opende de vensters wijd. Zij was gaan zitten op een stoel, in een houding, als wachtte zij af. Zij voelde een lichte flauwte en sloot de oogen, verblind door den stroom van zonnelicht.
--Je hebt zeker honger, zeide hij. Wat wil ik voor je bestellen?
--Ik wil wel thee en brood en boter. Men bracht haar koffer binnen en hij bestelde haar ontbijt.
--Doe je hoed af, zeide hij.
Zij stond op. Zij trok haar manteltje uit. Haar katoenen blouse was verkreukt en zij vond dit onaangenaam. Zij trok voor den spiegel de pin uit haar hoed en natuurlijk weg kamde zij zich wat op met zijn kam, die zij op tafel zag liggen. En zij plooide aan den zijden strik, die haar linnen boordje omgaf. Hij had een cigaar opgestoken en rookte, staande, rustig. Een kellner bracht het ontbijt. Zwijgend at zij wat en dronk een kop thee.
--Heb jij al ontbeten? vroeg zij.
--Ja.
Zij zwegen weêr en zij at.
--En zullen we nu eens spreken? vroeg hij, staande, rookende.
--Goed....
--Ik wil niet spreken over je vlucht, zeide hij. Ik was van plan je eerst je huid vol te schelden, want het was een verdómd idiote streek van je....
Zij zeide niets. Zij zag alleen naar hem op en in hare mooie oogen was een nieuwe uitdrukking: die van eene zachte gelatenheid. Hij zweeg weêr, en hield zich klaarblijkelijk in en zocht naar zijn woorden.
--Zooals ik zeg, ik wil daar niet meer over spreken. Je hebt een oogenblik niet geweten wat je deedt, en je was ontoerekenbaar. Maar nu moet dat uit zijn, want ik wil dat zoo. Natuurlijk: ik weet, dat ik volgens de wet niet het minste recht op je heb. Maar dat hebben we al besproken, en dat heb ik je al geschreven. En je bent mijn vrouw geweest, en nu ik je terug zie, voel ik heel duidelijk, dat ik je, trots alles, als mijn vrouw beschouw, en dat je mijn vrouw bent. En die indruk moet jij behouden hebben van ons terugzien, hier, in Nice.
--Ja, zeide zij kalm.
--Geef je dat toe?
--Ja, herhaalde zij.
--Dan is het goed. Dat is het eenige, wat ik van je hebben wil. Laten wij dus voortaan niet meer denken aan wat geweest is, aan oude onaangenaamheden, aan onze scheiding, en aan wat jij daarna gedaan hebt. Dat alles zullen we voortaan niëeren. Ik beschouw je als mijn vrouw en je zult mijn vrouw weêr zijn. Volgens de wet kunnen wij niet hertrouwen. Maar dat doet er niet toe. Onze wettige scheiding beschouw ik als een tusschenformaliteit en zullen wij zooveel mogelijk te niet doen. Krijgen wij kinderen, dan zullen we ze wettigen. Ik zal over dat alles een advocaat raadplegen, en ik zal voor alles--finantieel ook-- mijn maatregelen nemen. Zoo zal onze scheiding niets zijn dan een formaliteit, voor ons van geen kracht en voor de wereld en de wet van zoo min mogelijk kracht, als maar mogelijk zal zijn. En dan ga ik uit den dienst. Ik zoû toch geen lust hebben er altijd in te blijven, en ik kan er dus wel wat vroeger uitgaan, dan ik eerst dacht. Want in Holland wonen, zal je niet prettig vinden en lokt mij ook niet toe.
--Neen ... murmelde zij.
--Waar zoû je willen wonen?
--Ik weet het niet....
--In Italië?
--Neen ... vroeg zij smeekend.
--Hier blijven?
--Liever niet ... den eersten tijd.
--Ik dacht aan Parijs. Zoû je in Parijs willen wonen?
--Goed....
--Dat is dan goed. Wij zullen dus zoo gauw mogelijk naar Parijs gaan, en dan een appartement zoeken, en ons installeeren. Wij hebben nu gauw voorjaar en dan is het een goed begin in Parijs.
--Goed....
Hij wierp zich in een fauteuil, en de stoel kraakte.
--Zeg, wat denk je nu wel, in je eigen?
--Hoe meen je?
--Ik woû weten, wat je van je man dacht. Of je hem erg belachelijk vond?
--Neen....
--Kom eens hier, op mijn knie.