Langs lijnen van geleidelijkheid
Part 2
Het diner was gonzend van stemmen; om de drie, vier lange tafels was het vol; de marchesa zat aan het hoofd der middentafel. Nu en dan wenkte zij ongeduldig Giuseppe, den ouden hofmeester, die een lepel had laten vallen aan een aartshertogelijk hof, en de piepjonge kennertjes draafden buiten adem rond. Cornélie vond, over haar gezeten, den welwillenden dikken heer, dien de Duitsche dames Mr. Rudyard noemden, en vóór haar couvert haar fiasco Genzano. Zij bedankte lachende, en sprak met Mr. Rudyard, het gewone praatje: dat zij getoerd had dien middag, de eerste kennismaking met Rome, het Forum, de Pincio. Zij sprak met de Duitsche dames en met de Engelsche, die altijd zoo moê was van het "sight-seeing", en de Duitsche, eene "Baronin", en de dochter, "Baronesse", lachten met haar om de twee esthetischen, die Cornélie dien morgen al in den salon had aangetroffen. Deze twee zaten op eenigen afstand; lang en hoekig, groezelig van haar, in zonderling uitgeknipte evening-dress, die borst en armen vertoonde, comfortabel gedekt door een grauwen Jaeger-borstrok, waarover dan nog rustig-weg snoeren van groote blauwe kralen hingen. Haar beider blik weidde over de lange tafel, als beklaagden zij een ieder, die in Rome gekomen was om kunst te leeren kennen, omdat zij beiden alleen wisten wat kunst in Rome was. Zij lazen onder het eten, dat zij onsmakelijk, bijna met de vingers, deden, in esthetische werken, de wenkbrauwen gefronst, en nu en dan verstoord opkijkende, omdat men aan tafel praatte. Zij vertoonden in hare waanwijsheid, hare onmogelijke manieren, en kleedij van minder dan geen smaak, en daarbij nog groote aanstellerigheid, types van reizende Engelsche dames, zooals men ze nergens anders ontmoet dan in Italië. De kritiek over haar was aan tafel eenstemmig. Ze kwamen iederen winter in het pension Belloni, en waschten aquarellen in het Forum of op de Via Appia. En zij waren zóó opmerkelijk van ongeziene oorspronkelijkheid, in hare hoekige groezeligheid, met de avondjapon, de Jaegers, de blauwe snoeren, de esthetische werken, en hare, vleesch uitrafelende, vingers, dat aller oogen steeds naar haar toegingen, als onder een medusa-achtige suggestie. De jonge barones, een type uit de Fliegende Blätter, geestig, vlug, met haar rond Duitsche gezichtje en hoog geteekende wenkbrauwen, lachte met Cornélie, en toonde haar in een schetsboek een vlugge krabbel, die zij van de twee esthetische dames gemaakt had, toen Giuseppe eene jonge dame leidde aan het einde van de tafel, waar Cornélie en Rudyard over elkander zaten. Zij was klaarblijkelijk pas aangekomen, groette met een "evening" in het rond, en ging ruischende zitten. Van de esthetische dames af, gingen aller oogen naar deze nieuweling. Men zag dadelijk, dat zij een Amerikaansche was, bijna te mooi, te jong, om zoo maar alleen te reizen, met een glimlachend aplomb, of zij thuis was, heel blank, heel mooie donkere oogen, tanden als een reclame voor een dentiste, haar volle buste gegoten in mauve laken met zilveren passement geheel gearabeskeerd, op haar zwaar uitgegolfde haren een grooten mauve hoed met een cascade van zwarte struisveêren, vastgehouden door een te groote gesp van strass. Bij iedere beweging ruischte de zijde van haar onderrok, wuifden de pluimen, schitterde het strass. En niettegenstaande deze opzichtigheid was zij als een kind, misschien even twintig jaar, met een naïeven blik: zij richtte dadelijk het woord tot Cornélie, tot Rudyard; zeide, dat zij moê was, van Napels kwam, gisteren avond gedanst had bij prins Cibo, dat zij heette Miss Urania Hope, dat haar vader woonde te Chicago, dat zij twee broêrs had, die, trots het fortuin van papa werkten op een hoeve in de Far West, maar dat zij als een bedorven kindje was grootgebracht door haar vader, die echter wilde, dat zij op haar eigen kon staan, en haar daarom alleen liet reizen, in de Oude Wereld, in "dear old Italy". Zij vond het heerlijk te hooren, dat Cornélie ook alleen reisde, en Rudyard plaagde de dames met haar nieuwe begrippen, maar de baronin en de baronesse juichten toe. Miss Hope vatte dadelijk eene genegenheid op voor hare Hollandsche medereizigster en wilde afspraken maken, maar Cornélie, huiverig, weerde zacht af, zeide, dat zij het druk had, studeeren in de muzea wilde. Zóó ernstig dus, vroeg Miss Hope met eerbied, en de onderrok ruischte, de pluimen wuifden, het strass schitterde. Zij maakte op Cornélie den indruk van eene bonte kapel, die dartel en onbezonnen zich wel eens te pletter kon vliegen tegen de serre-glazen van het nauwe leven. Zij voelde wel geen sympathie voor dat mooie vreemde wezentje, dat er uitzag als een cocotte en een kind tegelijk, maar zij voelde medelijden, waarom, wist zij niet. Na den eten stelde Rudyard aan de beide Duitsche dames voor, een kleine wandeling te maken. De jonge baronesse kwam naar Cornélie, vroeg of zij meêging, om Rome te zien in den maneschijn, vlak bij, bij de villa Medici. Zij was dankbaar voor dat vriendelijke woord, en ging even een hoed opzetten, toen Miss Hope haar achterna liep.
--Blijf bij mij zitten in het salon....
--Ik ga wandelen met de baronin, antwoordde Cornélie.
--Die Duitsche dame?
--Ja.
--Is zij van adel?
--Ik vermoed van wel.
--Is er veel adel in dit pension? vroeg Miss Hope gretig.
Cornélie lachte.
--Ik weet het niet. Ik ben hier pas sedert van morgen.
--Ik geloof wel, dat er veel adel is. Ik heb gehoord, dat hier veel adel was. Is u van adel?
--Geweest! lachte Cornélie. Maar ik heb mijn titel af moeten schaffen.
--Hoe jammer! riep Miss Hope uit. Adel is zoo lief. Weet u wat ik heb? Een album met wapens, van allerlei geslachten, en een ander album met staaltjes zij en brokaat van iedere baljapon van de koningin van Italië.... Wil u het eens zien?
--Dolgaarne! lachte Cornélie. Maar nu moet ik mijn hoed opzetten.
Zij ging, zij kwam terug, een hoed op, een pélérine om: de Duitsche dames en Rudyard wachtten reeds in de vestibule en vroegen waarom zij lachte. Zij vertelde van het stalenalbum der baljaponnen van de koningin, en het was een groote vroolijkheid.
--Wie is hij? vroeg zij aan de baronin, terwijl zij met deze voorging, de Via Sistina door; de baronesse volgde met Rudyard.
Zij vond de baronin een charmante vrouw, maar haar trof in deze Duitsche vrouw, uit militaire adelkringen, een koud cynischen blik op het leven, niet bepaald eigen aan hare Berlijnsche omgeving.
--Ik weet het niet, antwoordde de baronin onverschillig. Wij reizen veel. Wij hebben op het oogenblik geen huis in Berlijn. Wij willen pleizier van onze reis hebben. Mr. Rudyard is heel aardig. Hij helpt ons met allerlei: kaarten voor een mis van den Paus, introducties hier, invitaties daar. Hij schijnt veel invloed te hebben. Wat kan het mij schelen, wie en wat hij is. Else denkt ook zoo. Ik neem van hem aan, wat hij ons geeft, en verder dring ik niet in hem door....
Zij liepen voort.
De baronin nam Cornélie's arm.
--Mijn beste kind, vind ons niet al te cynisch. Ik ken je bijna nog niet, maar ik voel sympathie voor je. Zoo vreemd, niet waar, op reis, in eens aan een table-d'hôte, bij een magere kip. Vind ons niet slecht, niet cynisch. Ach, misschien zijn wij het. Men wordt zoo door ons cosmopolitisch, plichtvrij, bandenloos leven: onedel, cynisch en egoïst. Heel egoïst. Rudyard bewijst ons veel diensten. Waarom zoû ik ze niet aannemen. Het kan mij niet schelen wat en wie hij is. Ik bind mij niet aan hem.
Cornélie zag onwillekeurig om. In de bijna donkere straat zag zij Rudyard en de jonge baronesse, bijna fluisterend en geheimzinnig.
--En denkt uw dochter ook zoo?
--O ja. Wij binden ons niet aan hem. Wij voelen niet eens sympathie voor hem, met zijn pokdalig gezicht en zijn zwarte nagels. Wij nemen alleen zijn introducties aan. Doe ook zoo. Of ... doe het niet. Het is misschien edeler als je het niet doet. Ik, ik ben erg egoïst geworden, door ons reizen. Wat kan het mij schelen....
De donkere straat scheen tot vertrouwen uit te lokken, en Cornélie begreep iets van die cynische onverschilligheid, bizonder in eene vrouw, opgevoed in enge begrippen van plichtmatigheid en moraal. Edel was het niet; maar was het niet moêheid om het plagen van het leven? Hoe dan ook, vaagweg begreep zij het: die onverschillige toon, dat nonchalante schouderophalen....
En zij sloegen langs het Hôtel Hassler om, en naderden de villa Medici. De volle maan vloot haar vloed uit van wit licht, en Rome lag in den blauwen blankigen nachtgloed. Uit den vollen beker der fontein, onder de zwarte steeneiken, wier loover de schilderij van Rome omvatte in een ebben lijst, plaste, klaterend, het overvloedige water af....
--Rome moet wel mooi zijn, zei Cornélie zacht.
Rudyard en de baronesse waren ook nader gekomen, en hoorden Cornélie's woorden.
--Rome _is_ mooi, zeide hij ernstig. En Rome is meer. Rome is een groote troost voor velen.
In den blauwigen maannacht troffen zijne woorden haar. De stad scheen mystiek aan te golven aan hare voeten. Zij zag hem aan: hij stond voor haar, in zijn zwarte jas, zonder veel linnen: altijd een dikke beleefde heer. Zijn stem was heel doordringend, met een rijken klank van overtuiging. Zij zag hem lang aan, niet van zichzelve zeker en vaag gevoelende een naderende suggestie, maar stil antipathiek.
Toen zeide hij nog na, als wilde hij haar niet te veel laten nadenken over het woord, dat hij gesproken had:
--Een groote troost, voor velen ... omdat schoonheid troost....
En zij vond zijn laatste woord een esthetische banaliteit, maar hij had het ook bedoeld, dat zij het zoo vinden zoû.
IV.
De eerste dagen in Rome vermoeiden Cornélie zeer. Zij deed te veel, als een ieder, die pas in Rome is; zij wilde de geheele stad in eens omhelzen, en de afstanden, schoon met rijtuig afgelegd, de eindelooze galerijen der muzea braken haar van vermoeidheid. Daarbij ondervond zij telkens teleurstellingen, in schilderijen, in beelden, in gebouwen. Eerst dorst zij zich die teleurstellingen niet bekennen, maar op een middag, doodmoê, na een smartelijke teleurstelling in de Sixtijnsche kapel, bekende zij het zich. Alles wat zij zag en reeds kende van studie, was haar eene teleurstelling. Toen nam zij een besluit vooreerst niets meer te gaan zien. En na hare vermoeiende dagen van 's morgens-uit, 's middags-uit, was het een wellust zich aan den onbewusten stroom der dagen over te geven. Zij bleef 's morgens thuis, in een peignoir, in haar gezellig hoog vogelkooitje van een zitkamer, schreef brieven, droomde wat, de armen om het hoofd gebogen, las in Ovidius, in Petrarca, hoorde naar een paar straatmuzikanten, die, met trillende tenorstemmen, bij het snerpend gejammer van hun guitaren, de stille straat vervulden met een snikkenden hartstocht van muziek. Aan het lunch vond zij, dat zij het getroffen had met haar pension, met haar hoekje aan tafel: de baronin Von Rothkirch, met hare onverschillige aristocratische neêrbuigendheid tegen Rudyard, vond zij interessant, omdat zij zag hoe reizen iemand rukken kan uit het cirkeltje van côterie-begrip. De jonge baronesse, die zich niets van het leven aantrok en maar schilderde en maar schetste, interesseerde haar in haar gefluister met Rudyard, dat zij niet begreep. Miss Hope was zoo naïef, zoo kinderlijk dol, dat Cornélie niet inzag hoe de oude Hope, de rijke tricot-fabrikant daar ginds in Chicago, dit kind maar alleen liet reizen met haar al te ruim maandgeld en haar totaal gemis aan wereld- en menschenkennis; en Rudyard zelve, hoewel zij soms afschuw van hem had, boeide haar ondanks dien afschuw. Hoewel zij dus in geen van die tafelgenooten gevonden had diepere vriendschap, waren het menschen om haar heen, met wie zij spreken kon, en de tafelconversatie was een afleiding in haar eenzaamheid van den geheelen dag.
Want 's middags ging zij deze dagen van moêheid en teleurstelling alleen een kleine wandeling maken in het Corso, of op den Pincio, keerde dan thuis, zette zelve haar thee in haar zilveren trekpotje, en droomde bij het houtvuur, in den donker, tot zij zich kleeden moest voor het diner.
En de goed verlichte eetzaal met het plafond van Guercino was vroolijk. Het pension was vol: de marchesa sliep in de badkamer en had hare eigen kamer afgestaan. Een gegons van stemmen ruischte aan tafel, de kellners draafden, lepels en vorken klakkerden. De melancholieke stemming van zoovele table-d'hôtes was hier niet. Men kende elkaâr, en de drukte van Rome's leven, de zuurstof van Rome's lucht, scheen een levendigheid te geven aan gebaar en gesprekken. In die levendigheid vielen de twee groezelige esthetische dames op door haar onveranderlijke houding: altijd de evening-dress, de Jaegers, de kralen, de lectuur in het dikke boek; de booze blik omdat er gesproken werd.
En na, het eten zat men in het salon, in den hall, maakte kennis hier, daar, en sprak men over Rome, Rome, Rome.... Een groote agitatie was steeds om de muziek in de verschillende kerken: men raadpleegde den Herald, men vroeg Rudyard, die alles wist, omringde hem en hij glimlachte, dik en beleefd, en deelde kaartjes uit en zeide de dagen, de uren, waarop er een gewichtige dienst plaats greep in die en die kerk. Aan Engelsche dames, niet op de hoogte, gaf hij nu en dan, terloops, inlichtingen omtrent de ingewikkelde formaliteiten en hierarchieën van den Katholieken eeredienst: hij vertelde welke nationaliteiten de verschillende kleuren der seminaristen aanwezen, die men 's middags bij troepen op den Pincio ontmoette, starende naar Sint-Pieter, in extaze om Sint-Pieter, machtig symbool van hunnen machtigen godsdienst; hij vertelde wat het onderscheid was tusschen een kerk en een baziliek; hij vertelde intimiteiten uit het leven van Leo XIII. De wijze, waarop hij over dit alles sprak, had iets boeiend insinueerends: de Engelsche dames, gretig op informatie, hingen aan zijne lippen, vonden hem allerliefst, vroegen hem duizend détails.
Deze dagen waren dus rust voor Cornélie. Zij bekwam van hare vermoeidheid, zij werd onverschillig om Rome. Maar zij dacht niet aan eerder weggaan. Of zij hier was of ergens anders, het was het zelfde: zij moest ergens zijn. Daarbij, het pension was goed, hare tafelgenooten gezellig, vroolijk. Zij las niet meer "Hare's Walks through Rome," en niet meer de Metamorfozen van Ovidius, maar zij las Ariadne over van Ouida. Zij vond het boek niet zoo mooi meer, als zij het drie jaar geleden gevonden had in Den Haag, en las nu niets meer. Maar zij amuzeerde zich met de dames Von Rothkirch een geheelen avond over de cachetverzameling en het stalenalbum van Miss Hope. Hoe die Amerikanen toch tuk waren op adel en vorstelijkheid. De baronin, goedig, drukte in het album haar wapen af. En de stalen werden zeer bewonderd, goudbrokaat, zilverzware zij, tulle met loovers. Miss Hope vertelde hoe zij er aan kwam: een van de kameniers van de koningin kende zij, doordat deze vroeger gediend had bij eene Amerikaansche en tegen een hoogen prijs wist die kamenier haar nu de stalen te bezorgen: een kostbaar lapje, opgeraapt als de koningin paste, soms zelfs afgeknipt van een breeden naad. Het kind was trotscher op hare verzameling staaltjes dan een Italiaansche prins op zijn schilderijen, zeide de baronin Von Rothkirch. Maar niettegenstaande die belachelijkheid, die ijdelheid, werd het mooie Amerikaansche meisje Cornélie sympathiek om het spontane en eerlijke van haar natuur. Zij zag er 's avonds allerliefst uit, in een zwarte gedecolleteerde japon of in een blouse van roze chiffon. Trouwens, het was iederen avond iets anders. Het was een kaleidoscoop van toiletten, van blouses, van juweelen. Door de ruïnes van het Forum wandelde zij in een tailorpak van bijna wit laken, met oranje zij gevoerd, en hare witte kanten onderrok tipte luchtig over de grondvesten van de Basilica, Julia of den tempel van Vesta. Hare druk opgemaakte hoeden gaven kleurvlekjes van de Avenue de l'Opéra of Regentstreet midden in den tragischen ernst van het Colosseum of in de paleisruïnes van den Palatijn. De jonge baronesse plaagde haar met haar oranje zijden voering, zoo in toon met het Forum; met hare hoeden, zoo in toon met den ernst van een Christenmartelplaats, maar zij werd nooit boos. 't Is toch een lieve hoed! antwoordde zij met haar Yankee-accent, dat hare mooie tanden telkens goed liet zien, maar haar mondje opensperde, of zij hazelnooten kraakte. En het kind genoot, genoot van de "baronin" en de "baronesse," genoot van te zijn in een pension, gehouden door een vervallen Italiaansche markiezin. En zoodra zij den grijzen leeuwenkop van de marchesa Belloni in het oog kreeg, verliet zij de anderen, vloog zij op haar toe--mevrouw Von Rothkirch zeide, omdat een markiezin meer is dan een barones--trok la Belloni meê in een hoekje en behield haar daar als monopolie, zoo mogelijk den geheelen avond. Rudyard voegde zich dan bij haar beiden, de marchesa en miss Hope, en Cornélie, dit ziende, vroeg zich weêr af, wat Rudyard was, wie hij was, en wat hij wilde. Maar het interesseerde de baronin niet, die pas een kaartje gekregen had voor een mis in de Pauselijke kapel, en de jonge baronesse zeide alleen, dat hij aardig vertellen kon, legenden van Heiligen, om haar enkele schilderijen te verklaren in Doria en Corsini.
V.
Een van die avonden maakte Cornélie kennis met de Hollandsche familie, naast wie de marchesa haar eerst had willen aan tafel plaatsen: mevrouw Van der Staal en hare twee dochters. Zij bleven ook den geheelen winter in Rome, zij hadden er kennissen, en gingen er uit. Het gesprek vlotte, en mevrouw vroeg Cornélie te komen praten in haar zitkamer. Den volgenden dag ging zij met hare nieuwe kennissen naar het Vaticaan, en hoorde zij, dat mevrouw haar zoon uit Florence wachtte, die in Rome zoû komen voor archeologische studiën.
Cornélie was blij een Hollandsch element in het hôtel aan te treffen, dat haar niet antipathiek was. Zij vond het prettig Hollandsch te kunnen praten en zij bekende het ronduit. In een paar dagen was zij intiem met mevrouw Van der Staal en de twee meisjes, en den eersten avond, dat de jonge Van der Staal was aangekomen, gaf zij meer van zich, dan zij ooit gedacht had te kunnen doen aan vreemden, die zij nauwlijks enkele dagen kende.
Zij zaten in de zitkamer van de Van der Staals, Cornélie in een gemakkelijken stoel, bij het hooge, vlammende houtvuur, want de avond was kil.
Zij had gesproken over Den Haag, over hare scheiding, en nu sprak zij over Italië, over zichzelve.
--Ik zie niets meer, bekende zij. Ik ben duizelig van Rome. Ik zie geen kleur meer, geen vorm. Ik herken geen menschen meer. Ze dwarrelen zoo om mij heen. Soms heb ik behoefte uren alleen te zitten in mijn vogelkooi, boven, om te bekomen. Van morgen in het Vaticaan, ik weet niet meer, ik heb niets onthouden. Het is alles grauw en grijs om me heen. Dan de menschen van het pension. Iederen dag die zelfde gezichten. Ik zie ze, en ik zie ze toch niet. Ik zie ... mevrouw Von Rothkirch en haar dochter, dan de schoone Urania, Rudyard en het Engelsche dametje, miss Taylor, dat altijd zoo moê is van sight-seeing, en alles "most exquisite" vindt. Maar mijn geheugen is zoo slecht, dat ik in mijn eenzaamheid moet bedenken: mevrouw Von Rothkirch is lang, statig, met den glimlach van de Duitsche keizerin, op wie ze een beetje lijkt, druk pratende en toch onverschillig, of hare woorden zoo maar onverschillig van haar lippen vallen....
--U merkt goed op ... zei Van der Staal.
--O, zeg dat niet! sprak Cornélie bijna geërgerd. Ik zie niets, ik onthoû niet. Ik krijg geen indrukken. Alles is grijs om me heen. Ik weet niet waarom ik eigenlijk reis.... Als ik alleen ben, denk ik aan de menschen, die ik ontmoet.... Mevrouw Von Rothkirch weet ik nu, en Else weet ik. Zoo een rond, geestig gezicht met hooge wenkbrauwen, en altijd een geestigheid of een "pointe": soms vind ik dat vermoeiend, ik moet er zooveel om lachen. Ze zijn toch wel lief. Dan de schoone Urania. Die vertelt mij alles: ze is zoo mededeelzaam, als ikzelf op dit oogenblik. En Rudyard, dien zie ik ook voor me.
--Rudyard! glimlachten mevrouw, de meisjes.
--Wat is hij? vroeg Cornélie, nieuwsgierig. Hij is altijd zoo beleefd, hij heeft mij wijn gerecommandeerd; hij weet altijd allerlei kaarten te krijgen.
--Weet je niet wat Rudyard is? vroeg mevrouw Van der Staal.
--Neen, en mevrouw Von Rothkirch weet het ook niet.
--Pas dan maar op, lachten de meisjes.
--Ben je Katholiek? vroeg mevrouw.
--Neen....
--En de schoone Urania ook niet? En de Von Rothkirchen ook niet?
--Neen....
--Nu, daarom heeft la Belloni Rudyard aan je tafel geplaatst. Rudyard is een Jezuïet. In ieder pension van Rome is een Jezuïet, die er gratis woont, als de eigenaar goeien vriend met de kerk is, en die met veel minzaamheid zielen poogt te winnen....
Cornélie wilde niet gelooven.
--Geloof me vast, ging mevrouw voort; dat in een pension zooals dit, een pension van beteekenis, van naam, heel veel intrigue omgaat....
--La Belloni...? vroeg Cornélie.
--Onze marchesa is een volbloed intrigante. Verleden winter zijn hier drie Engelsche zusjes bekeerd.
--Door Rudyard?
--Neen, door een anderen priester. Rudyard is hier van dezen winter voor het eerst....
--Rudyard is van morgen met mij op straat een heel eind opgeloopen, zei de jonge Van der Staal. Ik heb hem laten praten, ik heb hem uitgehoord.
Cornélie viel achterover in haar stoel.
--Ik ben moê van de menschen, zeide zij met de vreemde oprechtheid, die in haar was. Ik zoû wel eens een maand willen slapen, zonder iemand te zien.
En na een korte pooze, stond zij op, nam afscheid, en ging naar bed, terwijl het zwom voor hare oogen....
VI.
Zij bleef toen een paar dagen thuis, en at op hare kamer. Op een morgen, ging zij echter wat wandelen in de villa Borghese, toen zij den jongen Van der Staal tegen kwam, op zijn wiel.
--U fietst niet? vroeg hij, afspringende.
--Neen....
--Waarom niet?
--Het is een beweging, die niet met mijn type overeenkomt, antwoordde Cornélie boos, dat zij iemand ontmoette, die de eenzaamheid van haar wandeling stoorde.
--Mag ik met u meêloopen?
--Zeker.
Hij gaf zijn wiel in bewaring bij den portier aan de poort, en liep, natuurlijk, met haar meê, zonder veel te praten.
--Het is hier zoo mooi, zeide hij.
Zijn woord klonk eenvoudig gemeend. Zij zag hem aan, voor het eerst, met opmerkzaamheid.
--U is archeoloog? vroeg zij.
--Neen, weerde hij af.
--Wat dan?
--Niets. Mama zegt dat zoo, om me te excuzeeren. Ik ben niets en een heel nutteloos lid van de maatschappij. En daarbij niet eens rijk.
--U studeert toch?
--Neen. Ik lees wat hier en daar. De zusjes noemen dat studeeren.
--Houdt u van uitgaan, zooals de zusjes hier doen?
--Neen, ik vind het afschuwelijk. Ik ga nooit meê.
--Houdt u niet van menschen ontmoeten en bestudeeren?
--Neen. Ik hoû van schilderijen, van beelden en van boomen.
--Dichter?
--Neen. Niets. Heusch niets.
Zij zag hem aan, meer en meer opmerkzaam. Hij liep dood-eenvoudig met haar meê, een lange magere jongen van misschien zes-en-twintig-jaar, in zijn figuur, in zijn gelaat meer jongen gebleven dan man geworden, maar met een zekerheid en rust, die hem weêr ouder maakten dan zijn leeftijd. Hij was bleek, hij had donkere koele, bijna verwijtende oogen, en zijn lang en mager figuur had, in zijn niet verzorgd fietspak, iets onverschilligs, of zijn armen en zijn beenen hem niet schelen konden.
Hij sprak niet meer, maar liep, natuurlijk, gezellig meê, zonder het noodig te vinden te praten. Cornélie echter werd zenuwachtig en zocht naar woorden.
--Het is hier zoo mooi, stamelde zij.
--O, het is hier heel mooi, antwoordde hij kalm, zonder te zien, dat zij nerveus was. Zoo groen, zoo wijd, zoo rustig: die lange lanen, die perspectieven van lanen, zoo een antieke boog daarginds, en daar, kijk, zoo blauw, zoo ver, Sint-Pieter, altijd Sint-Pieter. Jammer van al die rare dingen verder op; die restauratie, die melkkiosk.... Ze bederven alles tegenwoordig.... Laat ons hier gaan zitten: het is zoo mooi hier....
Zij gingen zitten op een bank.