Langs lijnen van geleidelijkheid
Part 19
Zij wendde zich werktuigelijk om, maar met haar hoogen blik. Zij had liever willen doorgaan, maar zij kon niet: iets weêrhield haar, een geheimzinnige macht en meerderheid, die klonk uit zijn stem en in haar viel met een bronzen zwaarte, die hare energie verloomde, verlamde.
--Wat is er?
--Ik wil je even alleen spreken.
--Neen.
--Jawel. Hoor me nou eens even kalm aan als je kan. Ik ben ook kalm, dat zie je. Je hoeft niet bang voor me te zijn. Ik verzeker je, dat ik je niet zal mishandelen, en zelfs niet zal vloeken. Maar spreken moet ik je, alleen. We kunnen na onze ontmoeting, en na het bal van verleden week, zoo niet van elkaâr gaan. Je hebt zelfs geen recht me zoo de deur te wijzen, nadat je verleden met me gesproken hebt en gedanst. Het heeft geen reden en geen logica. Jij bent driftig geworden.... Maar laten we nu eens geen van beiden meer driftig zijn. Ik woû je spreken....
--Ik kan niet: Mrs. Uxeley wil niet, dat ik mij verwijder uit het salon, als er menschen zijn. Ik ben afhankelijk van haar.
Hij lachte.
--Je bent bijna nog afhankelijker van haar, dan je vroeger van mij was. Maar een oogenblik kan je me wel toestaan, in de kamer hiernaast.
--Neen.
--Jawel.
--Waarover heb je me te spreken?
--Dat kan ik hier niet zeggen.
--Ik kan je niet alleen te woord staan.
--Wil ik je eens wat zeggen? Je bent bang.
--Neen.
--Jawel, je bent bang voor me. Met al je airs en je deftigheid ben je eenvoudig bang een oogenblik alleen met me te zijn.
--Ik ben niet bang.
--Je bent het wel. Je staat niet vast in je schoenen. Je hebt me ontvangen met een mooie fraze, die je van te voren hebt bestudeerd. Nu je die gezegd hebt ... is het uit en ben je bang.
--Ik ben niet bang....
--Ga dan even meê, dappere schrijfster van den Maatschappelijken Toestand ... hoe is het ook weêr? Kom, ga nu even meê. Ik beloof je, ik zweer je, dat ik kalm zal zijn, kalm zal zeggen, wat ik je te zeggen heb en je op mijn woord van eer niet zal slaan.... In welke kamer kunnen wij gaan...? Wil je niet? Hoor eens: als je niet even met me meê gaat is het nog niet uit. Anders is het misschien uit en zie je me nooit meer terug.
--Wat kan je me te zeggen hebben.
--Ga meê....
Het was om zijne stem, niet om zijn woorden.
--Maar niet langer dan drie minuten.
--Niet langer dan drie minuten.
Zij bracht hem op den corridor en in een leêg salon.
--Wat is er? vroeg zij, bang.
--Wees niet bang, zeide hij, met zijn snorlach. Wees niet bang. Ik woû je alleen maar zeggen ... DAT JE MIJN VROUW BENT. Begrijp je dat? Probeer niet tegen te spreken. Ik heb het verleden op het bal gevoeld, toen ik je in mijn arm had, om met je te walsen. Probeer niet tegen te spreken, dat je je toen een oogenblik tegen me aan hebt gedrukt. JE BENT MIJN VROUW. Ik heb dat toen gevoeld, en ik voel het nu. En jij voelt het ook, al wil je het ontkennen. Maar dat helpt je niets. Er is niets te veranderen aan wat geweest is, en wat geweest is ... is nog altijd in je. Durf nu eens zeggen, dat ik niet netjes spreek en kiesch. Geen vloek en geen onvertogen woord komt over mijn mond. Want ik wil je niet driftig maken. Ik wil je alleen laten bekennen ... dat het waar is, wat ik zeg: en DAT JE MIJN VROUW NOG BENT. Die wet beteekent niets. Er is een andere wet, die ons beheerscht. Er is een wet, die jou beheerscht, vooral. Een wet, die ons, zonder dat wij het ooit hadden kunnen denken, weêr tot elkaâr brengt, al is het langs een heel vreemden omweg, waarlangs jij, jij vooral, hebt gedwaald. Jou vooral beheerscht die wet. Ik ben overtuigd, dat je nog van mij houdt, ten minste, dat je nog verliefd op me bent. Ik voel dat, ik weet dat zeker: probeer het niet te ontkennen. Het helpt je allemaal _niets_, Cornélie. En wil ik je nu nog wat zeggen? Ik ben ook verliefd op je en meer dan vroeger. Als je met die kerels flirt, voel ik dat. Ik zoû je dan kunnen worgen, ik zoû die kerels kunnen ranselen.... Wees niet bang, ik zal het niet doen: ik ben niet driftig. Ik heb juist kalm met je willen spreken en je eens de waarheid willen laten zien. Zie je ze voor je ... en on ... om ... stoo ... telijk...? Zie je, je kan me niets tegenwerpen. Het is ook als het is. Wijs je me nog de deur? Praat je nog met Mrs. Uxeley? Ik zoû het liever niet doen. Je vriendin, de prinses, weet wie ik ben: laat dat genoeg zijn. Had de oude nooit mijn naam gehoord, of was ze hem vergeten? Zeker vergeten. Scherp haar nu maar niet haar oude geheugen. Laat het zoo. Het is beter, dat je niets zegt. Neen, belachelijk is de toestand niet en komisch is het ook niet. Het is heel ernstig geworden: de zuivere waarheid is altijd ernstig. Het is wel vreemd, ik had het nooit gedacht. Het is mij ook een openbaring.... En nu heb ik met je uitgesproken. Op mijn horloge nog geen vijf minuten. Ze zullen je nauwlijks gemist hebben in het salon. En nu ga ik weg, maar geef eerst een zoen aan je man, want je man, dat blijf ik altijd.
Zij stond sidderend voor hem. Het was zijn stem, die viel als gesmolten brons in haar ziel, in haar lichaam, en verloomde haar en verlamde haar. Het was zijn stem van overreding, van overredende verleiding, de stem, die zij kende van vroeger, de stem, die haar tot alles dwong wat hij wilde. Onder die stem was ze als een voorwerp, een ding, dat hem toebehoorde, nadat hij haar eerst voor altijd gestempeld had tot zijn vrouw. Zij was onmachtig hem uit zich te werpen, hem van zich af te schudden, het stempel van zijn bezit, het brandmerk van zijn eigendom zich af- en uit te wisschen. Zij was van hem, en alles wat anders haarzelve was, had haar verlaten. Er was in haar hersens geen herinnering meer en gedachte....
Zij zag hem naderen en om haar heen zijn armen slaan. Hij nam haar langzaam maar zoo vast aan zijn borst, dat het was als nam hij haar geheel in zijn bezit. Zij voelde zich weggesmolten in zijn armen als in een vlam van warmte. Zij voelde op hare lippen zijn mond, zijn snor drukken, drukken, drukken, tot zij de oogen sloot, half flauw. Hij sprak nog zacht aan haar oor, met die stem, waaronder zij als niet telde, als was zij niets, als bestond zij alleen door hem. Toen hij haar losliet, wankelde zij.
--Kom, hoû je goed, hoorde zij hem zeggen, kalm, almachtig en zeker. En neem het aan zooals het is. Het is nu eenmaal zooals het is. Er is niets aan te veranderen. Dank je, dat je me even met je hebt laten spreken. Nu is tusschen ons alles in orde, daar ben ik zeker van. En nu tot ziens. Tot ziens....
Hij zoende haar nog eens.
--Geef mij een zoen terug, vroeg hij, met zijn stem...
Zij sloeg om zijn lichaam haar arm en zoende hem op den mond.
--Tot ziens, zeide hij nog eens.
Zij zag hem lachen, zijn snorlach, en zijn oogen lachten goudvlammend haar toe en hij ging. Zij hoorde zijn stap de trap afloopen, toen klinken op het marmer van de hal, met de kracht van zijn stevigen tred.... Zij stond als wezenloos. In het salon, naast de kamer, waarin zij zich bevond, gonsde het van lachende stemmen, hoog op. Zij zag Rome voor zich, Duco, in een korten weêrlichtflits.... Weg was het.... En in-een zinkende op een stoel, slaakte zij een onderdrukten wanhoopkreet, sloeg de handen voor het gezicht en snikte, voor al die menschen inhoudend haar radeloosheid, dof op, als uit een keel, die stikte.
LII.
Zij had maar éene gedachte: te vluchten. Te vluchten, weg uit zijn meesterschap, te vluchten uit de emanatie dier overheersching, die, geheimzinnig, maar onomstootelijk, alles wat in haar wil, energie en haarzelve was, wegwischte met zijn liefkoozing. Zij herinnerde zich dat vroeger ook zoo gevoeld te hebben: opstand en drift, als hij driftig en grof werd, maar eene annihilatie van zichzelve als hij haar liefkoosde, een onmacht te denken, als hij zijn hand maar legde op haar hoofd, eene wegflauwing in éen groot niets, als hij haar nam in zijn arm en zoende. Zij had het gevoeld, van den eersten keer, dat zij hem zag, dat hij voor haar stond en op haar neêrkeek met die lichte ironie in den lach van zijn oogen en van zijn snor, alsof hij pleizier had in hare weêrstreving--toen nog van flirt en aardigheid, weldra van kribbigheid, later van drift en razernij--alsof hij pleizier had in hare tevergeefsche vrouwepogingen om aan zijn heerschappij te ontkomen. Hij had het dadelijk doorzien, dat hij deze vrouw overheerschte. En zij had gevonden in hem haar meester, haar eenige. Want geen andere man drukte over haar neêr met dit koningschap, dat was uit het bloed, uit het vleesch. Integendeel, zij was meestal de meerdere. Zij had een koele onverschilligheid over zich, die haar steeds tartte tot afbrekende kritiek. Zij had behoefte aan scherts, aan een vroolijk gesprek, aan coquetterie en flirt, en steeds meester van het antwoord, lokte zij de gelegenheid uit tot antwoorden, maar verder waren de mannen haar weinig waard, en zag zij in ieder het belachelijke: vond zij dezen te klein, dien te lang, den een onhandig, den ander dom, vond zij in ieder iets, dat haar lach en haar spotlust en kritiek opwekte. Zij zoû nooit een vrouw zijn, die zich gaf aan velen. Zij had Duco ontmoet en zij had hem hare liefde gegeven geheel en al, als éen onverdeelbaar groot gouden geschenk, en zij zoû na hem nooit meer liefhebben. Maar vóor Duco had zij Rudolf Brox ontmoet. Misschien als zij hem na Duco ontmoet had, had zijn meesterschap haar niet overheerscht.... Zij wist het niet. En wat gaf het, dat te bedenken. Nu was het als het was. Zij was in haar bloed geen vrouw voor velen: zij was in haar bloed geheel echtvrouw, echtgenoote, gemalin. Van den man, die haar man geweest was, was zij in haar vleesch, in haar bloed de vrouw, en was zij zijn vrouw, ook zonder liefde. Want zij kon dit geen liefde noemen; zij noemde liefde alleen dat andere, dat hooge en teedere, dat innig volmaakte van levensharmonie, dat gaan van twee langs een gouden lijn, samengesmolten uit twee glinsterende lijnen.... Maar in een wolk waren om hen heen de handen als opgespookt, hadden de handen geheimzinnig, noodlottig hun gouden lijn uit een doen springen, en de hare, kronkelende arabesk, was teruggesprongen, trillende spiraal, en had gekruist een donkere lijn van vroeger, een sombere weg van het verleden, een duistere laan vol onbewustbaarheid en noodlottige slavernij. O, van die levenslijnen het vreemde, het allergeheimzinnigst vreemde toch: terug te krullen, terug te dwingen naar haar eerste uitgangspunt! Waarom was het alles noodig geweest?
Zij had maar éene gedachte: te vluchten. Zij zag niet de geleidelijkheid der lijnen, en het noodlot van die wegen, en zij wilde niet voelen den drang der spokende handen. Te vluchten, om te keeren op den duisteren weg, terug naar het punt van scheiding, terug naar Duco, en met hem samen vlechten, wringen de twee verlorene richtingen tot weêr éen zuivere beweging, tot weêr éen lijn van geluk....
Te vluchten, te vluchten. Zij zeide het Urania, dat zij ging. Zij smeekte Urania haar te vergeven, omdat deze haar had aanbevolen aan de oude vrouw, die zij nu plotseling verliet.
En zij zeide het Mrs. Uxeley, zonder zich te storen aan haar boosheid, haar drift en haar scheldwoorden. Zij bekende het, dat zij ondankbaar scheen. Maar er was een levensbelang, dat haar dwong Nice plotseling te verlaten. Zij zwoer, dat het er was. Zij zwoer, dat zij haar ongeluk, haar verderf zoû voelen naderen als zij bleef. Met een enkel woord verklaarde zij het aan Urania. Maar de oude vrouw verklaarde zij het niet, en zij liet haar in een drift van machteloosheid, die haar verwrong van rheumatische pijnen. Zij liet alles achter wat zij van Mrs. Uxeley ontvangen had, hare rijke garderobe van afhankelijkheid. Zij trok een ouden japon aan. Zij ging als een misdadigster stil naar het spoor, rillende hem te zullen ontmoeten. Maar zij wist: op dit uur was hij steeds te Monte-Carlo. Zij ging toch in een gesloten fiacre, en zij nam een kaartje tweede klasse Florence. Zij telegrafeerde aan Duco. En zij vluchtte. Zij had niets dan hem. Op Mrs. Uxeley kon zij nooit meer rekenen, en ook Urania was koel geweest, niet begrijpende die zonderlinge vlucht, omdat zij niet begreep de eenvoudige waarheid: de heerschappij van Rudolf Brox. Zij vond, dat Cornélie het zich moeilijk maakte. In den kring, waarin Urania leefde, wankelde haar gevoel van maatschappelijke zedelijkheid, sedert haar liaison met den chevalier de Breuil. Hoorende fluisteren om zich heen de Italiaansche liefdewet, dat de liefde zoo eenvoudig is, als een roos, die opengaat, begreep zij niet den strijd van Cornélie. Zij nam Gilio niets kwalijk meer, en hij, hij liet haar vrij. Wat ging er om in Cornélie? Hoe eenvoudig was het niet, als zij nog hield van haar gescheiden man! Waarom vluchtte zij naar Duco, en maakte zij zich belachelijk voor al hunne kennissen! En zoo was zij koel van Cornélie gescheiden, maar zij miste toch hare vriendin. Zij was de prinses di Forte Braccio, en verleden, op haar verjaardag, had prins Ercole haar gezonden een groote smaragd, uit de zorgvuldig bewaarde familie-juweelen, als werd zij ze, langzamerhand, steen voor steen, waardig! Maar zij miste Cornélie, en zij voelde zich eenzaam, doodeenzaam, trots haar smaragd en haar amant....
Cornélie vluchtte: zij had niets dan Duco. Maar in hem zoû zij alles hebben. En toen zij hem zag in Florence, aan het station Santa Maria Novella, stortte zij zich aan zijn borst, als aan een kruis van redding, als aan een Heiland van veiligheid. Hij bracht haar snikkende naar een fiacre, en zij reden naar zijn kamer. Daar zag zij zenuwachtig om zich rond, òp van overspanning na haar lange reis, telkens denkende, dat Rudolf haar achtervolgen zoû. Zij vertelde Duco alles, zij opende zich geheel voor hem, als was hij haar geweten, als was hij haar ziel, haar god. Zij nestelde tegen hem aan als een kind, zij streelde hem, zij aaide hem; zij zeide, dat hij haar moest helpen. Het was, als bad zij tot hem; haar angst steeg als een gebed tot hem op. Hij kuste haar, en zij kende die wijze van troosten, zij kende dat zachte streelen. Zij viel in eens mat tegen hem aan, en bleef liggen en sloot de oogen. Het was of zij verzonk in een meer, in een blauw heilig meer, mystiek als het meer van San Stefano in den slapenden nacht, bepoeierd met sterren. En zij hoorde hem zeggen, dat hij haar helpen zoû. Dat het niets was, haar angst. Dat die man geen macht over haar had. Dat hij nooit macht over haar zoû hebben, als zij zijn, Duco's, vrouw werd. Zij zag hem aan, en begreep niet. Zij zag hem koortsachtig aan, als maakte hij haar plotseling wakker, terwijl zij zalig sliep een oogenblik in de blauwe kalmte van het mystieke meer. Zij begreep niet, maar doodmoê school zij weêr weg in zijn arm en sliep zij in.
Zij was doodmoê. Zij sliep een paar uur onbewegelijk tegen zijn borst, met eene diepe ademhaling. Als hij zijn arm verschikte, bewoog zij even loom het hoofd als een bloem aan een matten stengel, maar sliep door. Hij streelde haar voorhoofd, heur haar, en zij sliep door, hare hand in zijn hand. Zij sliep als had zij in dagen, in weken niet geslapen.
LIII.
Er is niets geen reden om bang te zijn, Cornélie, sprak hij overtuigend. Die man heeft geen macht over je, als je niet wilt, met een sterke wil niet wilt. Ik zoû niet weten tot wat hij in staat zoû kunnen zijn. Je bent geheel vrij, geheel los van hem. Dat je zoo overhaast bent weggegaan, is zeker niet verstandig, het zal hem een vlucht toeschijnen. Waarom heb je hem niet rustig verklaard, dat hij geen rechten op je kan doen gelden? Waarom heb je hem niet gezegd, dat je van mij hieldt? Had desnoods gezegd, dat wij waren verloofd. Hoe heb je zoo zwak kunnen zijn, en zoo bang. Ik herken je niet meer. Maar nu ben je hier, nu is het, goed. Nu zijn wij samen. Willen wij morgen naar Rome teruggaan, of willen wij eerst nog hier blijven? Ik heb altijd verlangd je Florence te laten zien. Kijk, daar voor ons vloeit de Arno, daar is de Ponte-Vecchio, daar zijn de Uffizie. Je bent hier al geweest, maar toen kende je Italië nog niet. Nu zal je meer genieten. O, het is hier zoo mooi. We zullen hier eerst een paar weken blijven. Ik heb een beetje geld, je hoeft niet bang te zijn. En het is hier goedkooper dan in Rome. Hier op deze kamer verteeren wij bijna niets. Bij dit raam heb ik licht genoeg om nu en dan wat te schetsen. Of ik ga werken in San Lorenzo of San Marco, of boven, bij San Miniato. Het is heerlijk kalm in de kloosters, nu en dan passeeren een paar toeristen, maar dat hindert me niet. En jij gaat met me meê, met een boek, een boek over Florence: ik zal je zeggen, wat je lezen moet. Je moet Donatello leeren kennen, Brunelleschi, Ghiberti, maar vooral Donatello. Wij zullen hem zien in het Bargello. En de Annonciatie van Lippo Memmi, de gouden Annonciatie! Je zal zien hoe onze engel er op lijkt, onze mooie geluksengel, dien jij mij gegeven hebt! Het is hier rijk; we zullen niet voelen, dat we arm zijn. We hebben zoo weinig noodig. Of ben je verwend door je luxe in Nice? Maar ik ken je, je vergeet dat dadelijk weêr, en met elkaâr strijden wij het alles door. En later gaan wij naar Rome terug. Maar dan ... getrouwd, mijn lieveling, en heelemaal jij van mij, ook volgens de wet. Het moet nu, je mag nu niet langer weigeren. Wij zullen morgen naar den consul gaan en vragen welke papieren wij noodig hebben uit Holland, en hoe wij het gauwst kunnen trouwen. En in dien tusschentijd beschouw je je als mijn vrouw. Totnogtoe zijn wij wel heel gelukkig geweest,... maar je was niet mijn vrouw. En _voel_ je je mijn vrouw--ook al wachten we nog een paar weken op die papieren om onze handteekening te kunnen zetten,--dan zal je je veilig voelen en rustig. Er is niemand en niets, dat macht over je hebben zal. Je moet ziek zijn om zoo te denken. En dan wed ik, dat als we getrouwd zijn, mama zich met ons verzoenen zal. Het zal alles goed worden, mijn lieveling, mijn engel.... Maar je mag niet weigeren, wij _moeten_ zoo gauw mogelijk trouwen.
Zij zat naast hem op een divan en zag starend naar buiten, waar, in de vierkante lijst van het hooge raam, de slanke campanile als een marmeren lelie oprees tusschen de koepelende harmonieën, van Dom en Battisterio, terwijl terzijde het Palazzo Vecchio, een kanteelvesting, massaal lag tusschen de warreling van straten en daken, en opstak zijn van boven plotseling breed uitgebouwde torentin,--de heuvelen met Fiesole er wazende achter-af in avondviolet. De edele stad van gratie bronsde dofgoud op in een allerlaatsten zonneweêrschijn.
--Wij _moeten_ zoo gauw mogelijk trouwen? herhaalde zij met een weifelende vraag.
--Ja, zoo gauw mogelijk, mijn lieveling....
--Maar Duco, mijn beste Duco, het kan nu minder dan ooit. Zie je niet, dat het niet kan? Het is onmogelijk, onmogelijk.... Het had nog gekund, vroeger, maanden geleden, een jaar geleden.... Misschien ... misschien ook toen niet. Misschien toch had het nooit gekund. Het is zoo moeilijk dit te zeggen. Maar nu kan het heusch niet....
--Hoû je niet genoeg van mij....
--Hoe kan je dat vragen.... Hoe kan je dat vragen, mijn lieveling. Maar dat is het niet.... Het is.... Het is ... het kan niet, omdat ik niet vrij ben....
--Niet vrij....
--Ik bèn niet vrij.... Misschien voel ik me later vrij.... Misschien ook niet, misschien nooit.... Mijn beste Duco, het kan niet. Ik heb je immers geschreven, die eerste ontmoeting op het bal.... Het was zoo vreemd.... Ik voelde toch, dat....
--Dat wat....
Zij nam zijn hand, en streelde die, hare oogen vaag, hare woorden vaag.
--Zie je ... hij is toch mijn man geweest.
--Maar je bent van hem gescheiden, geheel, gedivorceerd!
--Gedivorceerd, ja. Maar dat is het niet....
--Maar wat dan, mijn kind....
Zij schudde het hoofd en verborg het gelaat tegen hem aan.
--Ik kan het niet zeggen, Duco....
--Waarom niet.
--Ik schaam mij....
--Zeg me, hoû je nog altijd van hem?
--Neen, het is niet hoûen. Ik hoû van jou.
--Maar wat dan, mijn kind Waarom schaam je je?
Zij begon tegen hem aan te weenen.
--Ik voel....
--Wat....
--Dat ik niet vrij ben, al ben ... al ben ik gescheiden. Ik voel ... mij toch zijn vrouw.
Zij fluisterde het bijna onhoorbaar.
--Maar dan hoû je van hem, en meer dan van mij.
--Neen, neen, ik zweer je van niet!
--Maar hoe kan dat dan, mijn kind!
--Ja, dat kan.
--Neen, dat kan niet! Dat is onmogelijk!
--Dat kan. Dat is zoo. En hij zei het mij ... en ik voelde het.
--Maar hij hypnotizeert je!
--Neen, het is geen hypnoze. Het is geen bedwelming ... het is een werkelijkheid, diep in me, diep in me. Zie je ... je kent me: je weet hoe ik ben. Ik hoû alleen van jou. Dat alleen is liefde. Ik heb nooit iemand anders liefgehad. Ik ben geen vrouw, die gevoelig is voor ... die hysterisch is. Maar met hem.... Geen enkele man, niemand, dien ik ooit ontmoet heb ... wekt dat gevoel in me op, dat gevoel, dat ik mezelve niet ben. Dat ik hem toebehoor. Dat ik zijn eigendom ben, zijn ding.
Zij sloeg om hem heen haar armen, zij school weg als een kind aan zijn borst.
--Het is zoo vreemd.... Je kent me, niet waar.... Ik kan toch wel flink zijn, en ik ben onafhankelijk, en ik weet mijn antwoord altijd te vinden. Met hem weet ik niets meer, ben ik niets meer. En ik doe wat hij zegt....
--Dat is hypnoze: daar kan je je, als je ernstig wilt, aan onttrekken. Ik zal je helpen....
--Het is geen hypnoze. Het is een waarheid, diep in me. Het leeft diep in me. Ik weet, dat het zoo is, dat het niet anders kan.... Duco, het kan niet zijn. Ik kan je vrouw niet worden. Ik _mag_ je vrouw niet worden. Nu minder dan ooit. Misschien....
--Misschien?
--... heb ik het altijd zoo gevoeld, onbewust in mij. Dat ik niet mocht. Zoowel voor jou ... als voor mij ... als voor hem.... Misschien was het dat, wat ik onbewust voelde, terwijl ik mijn frazes zei: mijn antipathie tegen het huwelijk.
--Maar die antipathie sproot toch voort uit je huwelijk ... met hem!
--Ja. Dat is het vreemde. Hij is mij niet sympathiek ... en toch....
--Toch ben je verliefd op hem!!
--Toch behoor ik hem toe....
--En je zegt, dat je mij liefhebt!!
Zij vatte zijn hoofd tusschen haar handen.
--Probeer het te begrijpen. Ik word zoo moê als je het niet begrijpt. Ik heb jou lief.... Maar ik ben zijn vrouw....
--Vergeet je, wat je, in Rome, voor mij geweest bent...!
--Je alles, liefde, geluk, innig geluk.... Een harmonie, zoo innig: ik zal het nooit vergeten.... Maar ik was niet je vrouw.
--Niet mijn vrouw!!
--Ik was je maîtresse.... Ik was hem ontrouw.... Stoot mij niet af! Heb medelij!
Hij had, zonder te weten, een gebaar gehad, dat haar verschrikte.
--Laat mij nog blijven, zoo tegen je aan ... Mag ik...? Ik ben zoo moê, en ik voel me kalm, zoo tegen je aan, mijn lieveling. Mijn lieveling, mijn lieveling ... het zal nooit meer zoo worden, als het was. Wat moeten wij doen?!
--Ik weet het niet, sprak hij wanhopig. Ik woû je trouwen, zoo gauw mogelijk. Je wilt niet.
--Ik kan niet. Ik mag niet.
--Dan weet ik het niet.
--Wees niet boos. Laat mij niet alleen! Help mij, wil je? Ik heb je lief, ik hoû van je, ik hoû van je!
Zij omhelsde hem eensklaps geheel in haar armen, als in radeloosheid en wanhoop. Hij zoende haar woest terug....
--O God, zeg mij, wat ik doèn moet!! bad zij radeloos in zijne omhelzing.
LIV.