Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 18

Chapter 184,121 wordsPublic domain

Zij was aan zijn arm eenige zalen door gegaan, en zij zagen bij een tombola, waar men zich verdrong om cadeautjes en surprises te trekken, Mrs. Uxeley, Gilio en de dames di Rosavilla, Costi, Luca. Men was er zeer vroolijk, doende als kinderen om de pyramide van snuisterijen, wanneer men zijn nummer op een roulette had gewonnen.

--Mrs. Uxeley, begon Cornélie en hare stem trilde; mag ik u een landgenoot voorstellen, baron Brox....

Mrs. Uxeley minaudeerde, en zei een paar vriendelijke zinnen, en vroeg of hij geen nummer trekken wilde.... De roulette draaide.

--Een landgenoot, Cornélie?

--Ja, Mrs. Uxeley.

--Hoe zeg je ... zijn naam?

--Baron Brox....

--A splendid fellow! Een mooie kerel! Een verbazend mooie kerel. Wat is hij, wat doet hij?

--Hij is officier, eerste luitenant....

--Welk wapen?

--Van de huzaren....

--In Den Haag?

--In Den Haag.

--Een verbazende mooie kerel. Ik hoû van zulke groote, flinke mannen.

--Mrs. Uxeley, gaat alles goed?

--Ja, darling.

--Voelt u u wel?

--Ik heb een beetje pijn, maar het gaat wel.

--Moet de pavane niet gauw worden gedanst?

--Ja, zorg, dat de meisjes zich gaan verkleeden. De kapper heeft toch nog wel de pruiken gebracht voor de jongelui?

--Ja....

--Verzamel de jongelui dan, en laten ze zich haasten. Ze moeten niet later dan over een half uur beginnen....

Rudolf Brox kwam van de tombola terug, waar hij een zilveren lucifersdoos had getrokken. Hij bedankte Mrs. Uxeley, die minaudeerde, en toen hij zag, dat Cornélie zich verwijderde, volgde hij haar.

--Cornélie....

--Ik bid je, Rudolf, laat me; ik moet de meisjes en de jongelui voor de pavane verzamelen. Ik heb veel te doen....

--Ik zal je helpen....

Zij wenkte een paar meisjes, zij liet een paar knechts de jongelui opzoeken door de zalen en hen verzoeken naar de kleedkamers te gaan. Hij zag, dat zij bleek was en trilde over haar lichaam.

--Wat is er?

--Ik ben moê.

--Laten wij dan wat gaan drinken.

Zij voelde zich niet van zenuwachtigheid. De muziek van het onzichtbare orkest boem-boemde woest tegen hare hersens aan, en soms duizelden de ontelbare kaarsen voor hare oogen als een dansend firmament. Het was stampvol in de zalen. Men verdrong er zich, men lachte, luid, toonde elkaâr zijn cadeaux, men trapte op de sleepen der dames. Een bedwelmende benauwdheid van bloemen en feestatmosfeer en lauwen geparfumeerden vrouwengeur hing als een wolk door de zalen. Cornélie liep hier, zocht daar, had eindelijk de meisjes verzameld. De dansmeester kwam haar iets vragen. Een hofmeester kwam haar iets vragen. En Brox week niet van haar zijde.

--Laat ons nu wat gaan drinken.... herhaalde bij.

Werktuigelijk nam zij zijn arm en haar hand trilde op zijn zwarte mouw. Hij duwde met haar door de foule en zij gingen langs Urania en de Breuil. Urania zei een paar woorden, die Cornélie niet verstond. In de buffetzaal ook was het stampvol, gonzend van hooge lachende stemmen. Achter de lange tafels stond de hofmeester als een minister. Hij beheerschte de geheele service. Er was geen gedrang, geen gevecht om een glas wijn of een broodje. Men wachtte tot een lakei het gevraagde prezenteerde.

--De boel is netjes geregeld, zei Brox. Doe jij dat allemaal...?

--Neen, dat is alles al zoo jaren lang.... Zij viel neêr in een stoel, bleek.

--Wat wil je hebben?

--Een glas champagne.

--Ik heb honger. Ik heb slecht gedineerd in mijn hôtel. Ik wil wel wat eten.

Hij bestelde voor haar de champagne. Hij at eerst een pasteitje, toen nog een, en toen een châteaubriand met erwtjes. Hij dronk een paar glazen rooden wijn, en toen een glas champagne. De lakei bracht hem alles een voor een op een zilveren blad. Zijn mooi mangezicht was van een steenroode tint van gezondheid en animale kracht. Op zijn zwaren ronden kop was het harde haar geheel kort geknipt. Zijn groote grauwe oogen lachten, helder, recht brutaal van blik. Een zware, goed verzorgde snor kroesde vol boven zijn mond, waar de witte tanden in glansden. Hij stond een beetje wijdbeens, militair stevig in zijn rok, dien hij droeg met een eenvoudige correctheid. Hij at langzaam en met pleizier, genietende zijn goed glas fijnen wijn.

Werktuigelijk, nu, uit haar stoel, zag zij hem aan. Zij had een glas champagne gedronken en vroeg een tweede, en deze prikkeling bracht haar bij. Hare wangen gloeiden wat op, hare oogen tintelden.

--Het is hier een verdòmde goeie boel, zeide hij, haar naderend met zijn glas in de handen. En hij dronk het uit.

--De pavane moet gauw worden gedanst, murmelde zij.

En zij gingen door de drukke zaten, naar een grooten corridor buiten, als een allée van camelia-heesters. Zij waren daar even alleen.

--Hier moeten de danseurs zich verzamelen....

--Laten wij dan hier op ze wachten. Het is hier lekker frisch.

Zij zetten zich op de bank.

--Ben je beter? vroeg hij. Je deedt zoo raar in de zaal.

--Ja ... ik ben beter....

--Vindt je het nu niet leuk je ouden man weêr eens te ontmoeten?

--Rudolf ... ik begrijp niet hoe je zoo spreken kan, me achtervolgen kan, me plagen kan.... Na alles wat er gebeurd is....

--Nou ja, dat is nou gebeurd....

--Vindt je het discreet van je ... en kiesch?

--Neen. Noch discreet en noch kiesch. Je weet, dat zijn nu eenmaal van die lieve dingen, die ik nooit ben; dat heb je vroeger genoeg naar mijn hoofd gegooid. Maar als het niet kiesch is, amuzant is het wel. Ben jij je gevoel voor humor kwijt? Er is een verduiveld leuke humor in onze ontmoeting hier.... En luister nou eens naar me. We zijn gescheiden, goed. Voor de wet is dat zoo. Maar een wettelijke scheiding is alleen iets voor wet en vorm en maatschappij. Voor geldzaken en dergelijke. Wij zijn te veel man en vrouw samen geweest, om niet bij een latere ontmoeting, zooals hier, iets voor elkaâr te voelen. Jawel, ik weet wel, wat je zeggen wil. Het is eenvoudig niet waar. Je bent te verliefd op me geweest, en ik op jou, dan dat alles dood zoû zijn. Ik herinner me nog alles. En jij moet je ook nog alles herinneren. Herinner je, toen wij eens....

Hij lachte, schoof dichter bij haar en fluisterde vlak aan haar oor. Zij voelde zijn adem over haar vleesch trillen als een warme bries. Zij bloosde rood en werd zenuwachtig. En zij voelde met heel haar lichaam, dat hij haar man was geweest, dat zij hem had in haar bloed. Zijn stem zonk als gesmolten brons langs hare gehoorzenuwen, diep in haar binnen. Onder den bries van zijn adem sidderde haar geheele vleesch. Zij kende hem heelemaal. Zij kende zijn oogen, zijn mond, zij kende zijn borst en zijn dijen. Zij kende zijn handen, breed, goed verzorgd, met de groote, ronde nagels en met den donkeren zegelring--als zij lagen op zijn knieën, vierkant spannende in de buiging van zijn zwarte broekspijp. En zij voelde, als een plotselinge wanhoop, dat zij hem kende en voelde in heel haar lichaam. Hoe grof hij ook vroeger tegen haar was geweest, hoe hij haar mishandeld had, geslagen met zijn dichte vuist, gekwakt tegen een muur ... zij was zijn vrouw geweest. Zij was, maagd, zijn vrouw geworden, door hem gewijd tot vrouw. En zij voelde zich door hem als gestempeld tot het zijne, zij voelde het tot in haar bloed en haar merg. Zij bekende het zich, zij had hem nooit vergeten. In de eerste eenzaamheid te Rome, had zij verlangd naar zijn zoen, had zij aan hem gedacht, zijn beeld van man zich geroepen voor den geest, zich wijsgemaakt, dat zij met tact en geduld en wat leiding zijn vrouw had kunnen blijven...!

Toen was het groote geluk gekomen, het zachte geluk der volkomen harmonie...!

Het ging alles bliksemsnel door haar heen.

O, in het groote zachte geluk had zij alles vergeten kunnen, had zij het verleden niet in zich gevoeld. Maar nu voelde zij, dat het verleden altijd blijft, en onherroepelijk is, onuitwischbaar. Zij was zijn vrouw geweest en zij behield hem in haar bloed. Nù voelde zij het met iederen ademtocht. Zij was verontwaardigd omdat hij fluisteren durfde van vroeger, aan haar oor, maar het was geweest, als hij zeide. Onherroepelijk, onuitwischbaar.

--Rudolf! smeekte zij en zij vouwde de handen. Spaar me!!

Ze gilde het bijna uit, in een kreet van angst en wanhoop. Maar hij lachte en vatte in zijn eene hand hare beide gevouwen handen van smeeking.

--Als je zoo doet, als je me zoo smeekend aankijkt met die mooie oogen, dan spaar ik je zelfs hier niet en zoen ik je tot....

Zijn woorden woeien over haar heen als een heete wind. Maar stemmen lachten aan, en een paar jonge meisjes, een paar jongelui, al gekleed als Henri IV, Marguérite de Valois, voor de pavane, kwamen de trap af.

--Waar blijven nu de anderen! riepen zij, omkijkende op de trap. En zij naderden Cornélie vroolijk, met een danspas. Ook de dans meester naderde. Zij verstond niet wat hij zeide.

--Waar blijven nu de anderen, herhaalde zij werktuigelijk, met een heesche stem, de meisjes na.

--Daar komen ze aan.... Nu zijn we er allemaal....

Het praatte en lachte en schitterde en gonsde om haar heen. Zij verzamelde al hare arme kracht, gaf eenige orders. In de groote danszaal stroomden de gasten, zetten zich vóór op stoelen, drongen in de hoekjes elkaâr op. De pavane werd gedanst in het midden der zaal, op de sleeping eener oude wijze: een langzaam krinkelende arabesk van sierlijke pas, diepe nijging en porceleinachtig opglansend satijn.... de wuiving van een schoudermanteltje een lange lichtglans op een degen....

XLVIII.

--Urania, ik smeek je, help mij!

--Wat is er?

--Kom meê....

Zij had Urania bij de hand als weggesleept van de Breuil en trok haar meê in een der verlaten salons. De suite der zalen was bijna geheel verlaten, de dichte drom der gasten stond opgehoopt langs de zijden der groote danszaal om er de pavane te zien dansen.

--Wat is er, Cornélie?

Cornélie sidderde over hare leden en klemde zich aan Urania's arm. Zij trok haar naar den versten hoek van het salon. Er was niemand.

--Urania, smeekte zij, in een uiterste trilling van zenuwachtigheid. Help mij! Wat moet ik doen? Ik heb hem onverwacht ontmoet. Weet je niet wie? Mijn man. Mijn man, van wien ik gescheiden ben. Ik had hem al een paar keer gezien, in de straat en op de Jetée. Dien keer, toen ik zoo schrikte, je weet wel, toen ik bijna flauw viel.... dat was om hem. Nu, hier, zoo even, heeft hij mij aangesproken. En ik ben bang voor hem. Ik weet niet wat het is, ik ben bang voor hem. Hij sprak me heel vriendelijk aan, hij had behoefte met mij te praten. Het was zoo vreemd. Alles was uit tusschen ons. We waren gescheiden. En in eens ontmoet ik hem, en hij spreekt met mij, hij vraagt hoe ik het dien tijd gehad heb; hij zegt, dat ik er goed uitzie, dat ik mooi ben geworden. Zeg mij, Urania wat moet ik doen. Ik ben bang. Ik heb koorts van angst. Ik wil weg. Ik zoû het liefst dadelijk weg willen, naar Florence, naar Duco. Ik ben zoo bang, Urania. Ik wil naar mijn kamer. Zeg Mrs. Uxeley, dat ik naar mijn kamer wil.

Zij wist nauwlijks wat zij zeide. De woorden ijlden haar over de lippen in koorts. Mannestemmen naderden. Het waren Gilio, de Breuil, de hertog di Luca en de jonge journalisten, die zich pousseerden in de wereld.

--Waar blijft de signora De Retz: wij missen haar overal, sprak de hertog, en de journalisten, in de schaduw van die groote heeren, beaamden het: zij misten haar overal....

Roep Mrs. Uxeley hier, fluisterde Urania Gilio in. Cornélie is ziek, geloof ik.... Ik kan haar niet alleen laten. Zij wil naar haar kamer. Het is goed, dat Mrs. Uxeley het weet, anders wordt zij misschien boos.

Cornélie schertste zenuwachtig, koortsachtig vroolijk, met den hertog en met de Breuil en de journalisten.

--Wil ik u liever dadelijk naar Mrs. Uxeley brengen? fluisterde Gilio in.

--Ik wil naar mijn kamer! fluisterde zij smeekend terug achter haar waaier.

De pavane scheen gedanst te zijn. Stemmen gonsden aan, alsof de gasten zich weêr verspreidden door de zalen.

--Daar zie ik Mrs. Uxeley, zei Gilio.

Hij ging naar haar toe, hij sprak met haar. Zij minaudeerde eerst, steunend op den gouden knop van haar stok. Toen trokken hare rimpels boos te zamen. Zij kwam nader. Cornélie schertste door met den hertog: de journalisten vonden alles even geestig.

--Ben je niet wel? fluisterde Mrs. Uxeley, nader gekomen, verstoord. En hoe dan met den cotillon?

--Ik kan wel voor alles zorgen, Mrs. Uxeley, zeide Urania.

--Onmogelijk, lieve prinses: ook zoû ik het niet durven aannemen.

--Stel mij eens voor aan je vriendin, Cornélie klonk achter Cornélie een diepe stem.

Zij voelde die stem ais brons in zich. Zij wendde zich werktuigelijk om. Hij was het. Zij scheen hem niet te kunnen ontvluchten. En onder zijn blik, als gehypnotizeerd, scheen zij, zoo vreemd, haar kracht te herwinnen. Hij scheen het niet te willen, dat zij ziek was....

Zij murmelde:

--Urania, mag ik je ... een landgenoot ... voorstellen ... Baron Brox ... De prinses di Forte-Braccio.

Urania kende zijn naam, zij wist wie hij was.

--Lieveling, fluisterde zij tot Cornélie. Laat mij je naar je kamer brengen. Ik zorg voor alles.

--Het is niet meer noodig, zeide zij. Ik ben veel beter. Ik wil alleen wat champagne drinken. Ik ben veel beter, Mrs. Uxeley.

--Waarom ben je van me weggeloopen? vroeg Rudolf Brox met zijn glimlach, en zijn oogen in Cornélie's oogen.

Zij glimlachte en zeide, zij wist niet wat.

--Het bal is begonnen, zei Mrs. Uxeley. Maar wie dirigeert straks mijn cotillon?

--Als ik u van dienst kan zijn, Mrs. Uxeley, zeide Brox. Ik heb een klein talent voor cotillon-directeur....

Mrs. Uxeley was verrukt. Men sprak af, dat de Breuil en Urania, Gilio en de gravin Costi, Brox en Cornélie om beurten de figuren zouden dirigeeren.

--Arme lieveling, sprak Urania aan Cornélie's oor. Is het je mogelijk?

Cornélie glimlachte.

--Ja, ja zeker, ik ben beter, fluisterde zij. En zij begaf zich aan den arm van Brox naar de danszaal. Urania zag haar in stupefactie na.

XLIX.

Het was dien morgen twaalf uur toen Cornélie wakker werd. De zon schoot door de gouden reet der even opengeweken gordijnen met wemelatoompjes binnen. Zij voelde zich doodmoê. Zij bedacht, dat Mrs. Uxeley haar een morgen na zulk een feest vrij gaf om uit te rusten: ook de oude dame zelve bleef dan in bed, hoewel zij niet sliep. En Cornélie miste alle kracht om op te staan. Zij bleef liggen, zwaar van moêheid. Hare oogen dwaalden door de ordelooze kamer; hare mooie baljapon sleepte radeloos, slap, over een stoel en herinnerde haar dadelijk aan gisteren. Trouwens, alles in haar dacht aan gisteren, alles in haar dacht aan haar man met een strakke, gehypnotizeerde denking. Zij voelde zich als na een nachtmerrie, een dronkenschap, een bezwijmeling. Alleen met glas na glas champagne te drinken had zij zich kunnen ophouden, kunnen dansen, met Brox; op hun beurt een figuur kunnen dirigeeren. Maar niet alleen met champagne. Zijn blik ook had haar opgehouden, had haar weêrhouden van flauw te vallen, van in snikken uit te barsten, van op te gillen en krankzinnig de armen te zwaaien. Toen hij afscheid genomen had, toen iedereen weg was, was zij gezonken in-een, had men haar naar bed gebracht. Dadelijk weg uit zijn oog, had zij gevoeld hare ellende en hare zwakte en had de champagne haar als eensklaps bewolkt.

Nu dacht zij aan hem in de geslagen loomte van hare verpletterende morgenvermoeidheid. En het werd haar als was haar geheele Italiaansche jaar een tusschendroom geweest. Zij zag zich terug in Den Haag; het jonge meisje, dat veel uitging, met haar aardig gezichtje en haar flirtmaniertjes en hare woordjes altijd ad rem. Zij zag hunne eerste ontmoetingen en hoe zij dadelijk onder hem gebogen had en met hèm niet had kunnen flirten, omdat hij lachte om hare vrouweverwerinkjes. Hij was dadelijk te sterk geweest. Toen hun engagement. Hij schreef haar de wet voor en zij stond op, driftig, met hevige scène's, niet beheerscht willende worden, gekrenkt in hare verwendheid van gevierd en bedorven jong meisje. En als met de plompe kracht van zijn vuist--en altijd met den lach om zijn mooien mond--hield hij haar onder. Tot zij getrouwd waren, tot zij schandaal had gemaakt en was weggeloopen. Hij had eerst niet willen scheiden, hij had later toegegeven, voor het schandaal. Zij had zich bevrijd, zij was gevlucht!

De Vrouwenbeweging, Italië, Duco.... Was het een droom? Was het groote geluk, de dierbare harmonie een droom en ontwaakte zij na een jaar van droomen? Was zij gescheiden of was zij het niet? Zij moest zich met geweld herinneren de formaliteiten: ja, zij waren wettig gescheiden. Maar wàs zij gescheiden, was tusschen hen alles uit? En wàs zij waarlijk niet meer zijn vrouw?!

Wat had hij er aan gehad; haar te zoeken toen hij haar eenmaal in Nice gezien had? O, hij had het haar gezegd, gedurende dien cotillon, dien eindeloozen cotillon! Hij was trotsch op haar geworden toen hij zag hoe mooi zij was en hoe chic, hoe gelukkig zij scheen in de elegante victoria van Mrs. Uxeley of van de prinses--hij had haar zoo gezien, mooi, chic, en gelukkig--en hij was jaloersch geworden. Zij, mooie vrouw, was zijn vrouw geweest! Recht had hij op haar gevoeld, trots de wet! Wat was de wet? Maakte de wet haar vrouw, of had hij haar vrouw gemaakt? En zijn recht had hij haar laten voelen, tegelijk met de onherstelbaarheid van het verleden. Onherstelbaar, onuitwischbaar, was het geweest....

Zij zag om zich rond, radeloos. En zij begon te weenen, te snikken.... Toen voelde zij iets in zich sterken, een onwil in haar opgieren als een veer, die eindelijk weêr spande, nu zij uitrustte en niet meer was onder zijn blik. Zij wilde niet. Zij wilde niet. Zij wilde hem in haar bloed niet voelen. Mocht zij hem een volgenden keer ontmoeten, dan zoû zij hem, kalmer, te woord staan, heel kort, en hem bevelen haar te verlaten, hem de deur wijzen, hem de deur uit laten gooien.... Hare handen balden zich in woede. Zij haatte hem. Zij dacht aan Duco En zij dacht hem te schrijven, alles. En zij dacht zoo spoedig mogelijk tot hem terug te gaan. Hij was geen droom, hij bestond, al leefde hij ver van haar, in Florence. Zij had wat geld gespaard, zij zouden hun geluk in het atelier te Rome terug vinden. Zij zoû hem schrijven en zij wilde zoo spoedig mogelijk weg. Bij Duco zoû zij veilig zijn. O, ze verlangde naar hem, zoo zacht en kalm en weldadig te liggen in zijn arm, aan zijn borst, als in de omhelzing van éen wonderdadig geluk. Was het wàar geweest, hun geluk, hunne liefde en harmonie? Ja, het had bestaan, het was geen droom. Daar was zijn portret; daar aan den wand een paar zijner waterverven: de zee van Sorrente en de luchten boven Amalfi, gewasschen in die dagen, die waren geweest als gedichten. Zij zoû veilig zijn bij hem. Zij zoû bij Duco Rudolf niet voelen, haar man in haar bloed.... Want zij voelde Duco in hare ziel, en hare ziel zoû sterker zijn! Zij zoû Duco voelen in hare ziel, in haar hart, in geheel haar innigste leven en uit hèm verzamelen haar opperste kracht, als een bundel glanzende zwaarden! Nu al, dat zij zoo aan hem dacht met zulk verlangen, voelde zij zich sterker worden. Zij had nu met Brox kunnen spreken. Gisteren had hij haar overvallen, haar geprangd tusschen zich en dien spiegel, tot zij hem dubbel gezien had en niet meer geweten had en verloren was geweest. Dat zoû nu nooit meer zijn. Dat was alleen de verrassing geweest. Als zij hem nu weêr sprak, zoû _zij_ zegevieren met wat zij aangeleerd had als vrouw, die op zichzelve had gestaan. En zij stond op, en opende de vensters en kleedde zich in een peignoir. Zij zag naar de blauwe zee, naar de kleurige beweging op de Promenade. En zij zette zich en schreef aan Duco. Zij schreef alles, haar eerste ontmoetingen van schrik, hare verrassing en nederlaag op het bal.... Hare pen ijlde over het papier. Zij hoorde niet, dat er geklopt werd, dat Urania voorzichtig binnenkwam, denkende haar nog in slaap te vinden en willende weten, hoe zij zich voelde. Opgewonden las zij een gedeelte voor van haar brief en zij zeide zich te schamen over hare zwakte van gisteren. Hoe hàd zij zoo kunnen zijn: zij begreep het zelve niet.

Neen, zij begreep het zelve niet. Nu zij zich voelde wat uitgerust, met Urania sprak, die haar Rome herinnerde, in de hand haar langen brief aan Duco, nu begreep zij het alles zelve niet en vroeg zij wàt droomen was: haar Italiaansche jaar van geluk of die nachtmerrie van gisteren?

L.

Zij bleef een dag thuis, moê, en diep in zich, bijna onbewust, toch bang hem te zullen ontmoeten, maar Mrs. Uxeley, die van geen ziekte of vermoeienis weten wilde, was zoo verstoord, dat Cornélie haar den volgenden dag vergezelde naar de Promenade des Anglais. Kennissen kwamen haar aanspreken en waren druk om hare stoelen heen; en onder hen Rudolf Brox. Maar Cornélie ontweek alle vertrouwelijkheid. Een week daarna echter kwam hij op den receptie-dag van Mrs. Uxeley, en in de volte der visites--beleefdheidsbezoeken na het feest--wist hij haar een oogenblik alleen te spreken. Hij naderde haar met dien lach, of het zijn oogen waren, die lachten, of het zijn snor was, die lachte. En zij verzamelde hare gedachten, om sterk te zijn tegenover hem.

--Rudolf, zeide zij hoog. Het is eenvoudig belachelijk. Als je het niet onkiesch vindt, probeer het dan toch eens belachelijk te vinden. Het amuzeert je gevoel voor humor, maar bedenk eens hoe men in Holland hierover zoû spreken.... Verleden op het feest heb je me verrast en ik heb--ik weet nog niet hoe--kunnen toegeven aan je vreemd verlangen om met mij te dansen en cotillon-figuren te dirigeeren. Ik beken ronduit, ik was in de war. Nu zie ik alles klaar en duidelijk in en zeg ik je: ik wil je niet weêr ontmoeten. Ik wil niet met je spreken. Ik wil van de hooge ernst van onze scheiding geen vaudeville probeeren te maken.

--Je weet van vroeger, zeide hij; dat je met dien hoogen toon, en die airs en die deftigheid niets van me verkrijgt en me integendeel prikkelt juist te doen wat jij niet hebben wilt....

--Als dat zoo is, dan zal ik eenvoudig Mrs. Uxeley vertellen welke mijne verhouding tot je is en haar verzoeken je haar huis te ontzeggen....

Hij lachte. Zij werd driftig.

--Ben je van plan je te gedragen als een gentleman? Of als een ploert?

Hij werd rood, zijn vuisten balden zich.

--Verdomd! siste hij, in zijn snor.

--Zoû je me soms willen slaan en mishandelen? ging zij minachtend door.

Hij beheerschte zich.

--We zijn nu in een vol salon, tartte zij door. Wat als we alleen waren? Je vuist balt zich al! Je zoû me ranselen als dien eenen keer. Bruut! Bruut!!

--En jij bent dapper in dat vol salon! lachte hij, met zijn lach, die haar opwond tot drift, als zij er niet door bedwongen werd. Neen, ik zoû je niet ranselen, ging hij door. Ik zoû je zoenen....

--Het is nu de laatste keer, dat je tegen me spreekt! siste zij razend. Ga weg! Ga weg! Ik weet niet wat ik doe, ik maak een scène!

Hij ging kalm zitten.

--Ga je gang, zeide hij rustig.

Zij stond trillende voor hem, onmachtig. Men sprak haar aan, de knecht prezenteerde thee. Zij was in een cirkel van heeren, en, zich beheerschende, schertste zij, hoog zenuwachtig vroolijk, flirtte zij, coquetter dan ooit. Het was de kleine cour om haar heen, waarin de hertog di Luca het vrijpostigst was. Vlak bij zat Rudolf Brox en dronk, schijnbaar kalm, zijn thee, als in afwachting. Maar zijn bloed van kracht en overheersching ziedde dol in hem op. Hij had haar kunnen vermoorden en hij zag rood van ijverzucht. Die vrouw was van hem, trots de wet. Hij zoû voor geen schandaal meer bang zijn. Zij was mooi, zij was als hij wenschte en hij wilde haar hebben, zijn vrouw. Hij wist hoe hij haar terug winnen zoû en dàn wilde hij haar niet meer verliezen: dan was ze van hem, zoolang hij het verkoos. Zoodra het hem mogelijk was haar alleen te woord te staan, wendde hij zich weêr tot haar. Zij wilde zich juist naar Urania begeven, die zij bij Mrs. Uxeley zag zitten, toen hij zeide aan haar oor, streng, kort, barsch:

--Cornélie....