Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 17

Chapter 174,100 wordsPublic domain

Zij maakte zich niet bemind, maar men werd bang voor haar, bang voor haar rustige hatelijkheid en men vermeed haar in het vervolg te kwetsen. Daarbij, de heeren vonden haar mooi en aardig, tevens toegelokt door haar onverschillige hoogheid. En zonder het eigenlijk te willen, veroverde zij zich een pozitie, schijnbaar met de grootste diplomatie en in werkelijkheid natuurlijk, geleidelijk-weg. Terwijl Mrs. Uxeley's egoïsme gestreeld werd door haar kleine attenties, die zij plichtmatig nooit vergat en die zij bewees met iets alleraardigst jong-moederlijks, waartegen Mrs. Uxeley het eenvoudig heerlijk vond als een jong meisje te minaudeeren, kreeg zij langzamerhand op die avonden een cour van heeren om zich heen, en werden de dames zoetsappig beleefd. Urania zeide haar dikwijls hoe knap zij haar vond, hoeveel tact zij toch had. Cornélie haalde de schouders op: het ging alles van zelve, en eigenlijk kon het haar niet schelen. Maar toch, langzamerhand, herwon zij iets van hare vroolijkheid. Als zij zich staan zag in den spiegel over haar, kon zij zich niet anders dan bekennen, dat zij zoo mooi was, als zij nog nooit was geweest, niet als jong meisje, niet als pas getrouwde vrouw. Haar lang rank figuur had een lijn van fierheid en loomte, die haar een bizondere gratie gaf; haar hals was edeler, haar boezem voller, haar middel in deze nieuwe toiletten, slanker, haar heupen waren zwaarder, haar armen molliger geworden, en al had zij niet meer dien glans, dat geluk over haar gelaat, als zij het te Rome gehad had, de spotglimlach, de onverschillige ironie, gaven haar voor die vreemde mannen iets aantrekkelijks, iets dat lokte en tartte, als de grootste coquetterie niet gedaan zoû hebben. En Cornélie had hier niet naar verlangd, maar nu het van zelve kwam, nam zij het aan. Het was niet in haar bloed het te weigeren. En daarbij, Mrs. Uxeley was tevreden met haar. Cornélie kon zoo lief tegen haar fluisteren: mevrouwtje, u heeft gisteren zoo een pijn gehad, zoû u van avond niet wat vroeger naar huis gaan? en dan minaudeerde Mrs. Uxeley, als een meisje, dat door haar moeder vermaand werd van avond niet te veel te dansen. Zij vond die maniertjes heerlijk, en Cornélie, onverschillig, gaf haar wat zij verlangde. En ze amuzeerden haar meer die avonden, maar ze amuzeerden haar met zelfverwijt zoodra zij aan Duco dacht, aan hun scheiding, aan Rome, aan het atelier, aan het geluk der verledene dagen, dat zij door hare zwakte verloren had.

XLVI.

Er waren zoo een paar maanden voorbij gegaan, het was Januari en het waren drukke dagen voor Cornélie, want Mrs. Uxeley zoû spoedig een van hare beroemde feesten geven, en Cornélie's vrije morgenuren waren thans ingenomen met het doen van allerlei boodschappen. Meestal reed Urania met haar meê en vond zij bij Urania steun. Zij moesten gaan bij behangers, bij banketbakkers, bij bloemisten en bij juweliers, waar Cornélie en Urania cadeaux uitkozen voor den cotillon. Mrs. Uxeley ging er nooit voor uit, maar bemoeide zich thuis met iedere kleinigheid en het waren eindelooze besprekingen, en het waren na die besprekingen weêr ritten naar de winkels, want de oude dame was alles behalve gemakkelijk, ijdel op haar feestroem, en bang dien door de kleinste nalatigheid te verliezen.

Op een van die ritten, terwijl de victoria de Avenue de la Gare insloeg, schrikte Cornélie zoo hevig, dat zij Urania bij den arm vastgreep en een uitroep niet weêrhouden kon. Urania vroeg haar wat zij gezien had, maar zij kon niet spreken, en Urania deed haar uitstappen bij een confiseur, om een glas water te drinken. Zij was op het punt flauw te vallen en zag spierwit. Het was haar niet mogelijk hare boodschappen verder af te doen, en zij reden terug naar de villa van Mrs. Uxeley. De oude dame was niet tevreden over die plotselinge flauwte en bromde zoo, dat Urania alleen de verdere boodschappen ging doen. Dien middag echter was Cornélie hersteld, maakte zij hare excuses, en vergezelde Mrs. Uxeley naar een afternoon-tea.

Den volgenden dag, toen zij met Mrs. Uxeley en een paar kennissen zat op de Jetée, scheen zij ook weêr dat zelfde te zien. Zij werd spierwit, maar hield zich goed, en lachte en praatte vroolijk. Het waren de dagen der toebereidselen. De datum van het feest naderde; eindelijk was de avond daar. Mrs. Uxeley trilde van zenuwachtigheid als een jong meisje, en vond de kracht de geheele villa door te loopen, die één licht was en één bloem. En met een zucht van voldoening zette zij zich een oogenblik. Zij was gekleed. Haar gezicht was glad als porcelein, het haar, geönduleerd, schitterende van diamanten pinnen. Zij was laag gedecolleteerd in een japon van lichtblauw brokaat, en zij schitterde als een reliquie-schrijn. Een telkens omslingerend snoer van fabuleuze parelen hing tot over haar buik. In de hand--de handschoenen nog niet aan--had zij een wandelstok met gouden knop, haar onmisbaar om op te staan. En alleen als zij opstond, had zij haar ouderdom, als zij zich gymnastisch werkte omhoog, met die pijn op haar gezicht, dien rhumatiekscheut, die haar doorkrinkelde. Cornélie, nog ongekleed, na een laatsten blik over de villa, blakend van licht, bezwijmelend van bloemen, repte zich naar hare kamer, en zonk, al moê, in den stoel voor haar toilet, om zich vlug te laten kappen. Zij was zenuwachtig en haastte de kamenier. Zij was juist klaar, toen de eerste gasten kwamen, en zij zich kon voegen bij Mrs. Uxeley. En de rijtuigen rolden aan; Cornélie, boven aan de monumentale trap, blikte in de hal-vestibule, waar men binnenstroomde, de dames nog in hare lange sorties--bijna nog kostbaarder dan hare japonnen,--en die zij met zorg afgaven in de druk gonzende vestiaire. En de eerste gasten kwamen de trappen op, wachtende om niet de allereerste te zijn, en tegengeglimlacht door Mrs. Uxeley. De salons vulden zich spoedig. Behalve de receptiezalen waren de eigen kamers der gastvrouw open en schakelde zich een suite van twaalf vertrekken. Waren de gangen en trappen gedecoreerd met alleen bosschages van roode en witte en roze camelia's, in de vertrekken was de bloemdecoratie aangebracht in honderden vazen en bekers en schalen, die overal neêrgezet waren, en met het licht der omschermde kaarsen een intimiteit gaven aan het feest. Dat was de eigenaardigheid van Mrs Uxeley's versiering van feestzalen; het electrische licht niet op, maar overal de kaarsen in schermpjes, overal de coupes en glazen vol bloemen, en het werd er om als een feeëntuin. Was de groote lijn misschien verbroken, gewonnen was een allerliefste gezelligheid, overal konden zich groepjes vormen, achter een paravent, in een loggia, telkens vond men een plekje voor vertrouwelijkheid; en dit was misschien de reden van de vogue van Mrs. Uxeley's feesten. De villa, geschikt tot het geven van een hofbal, gaf slechts feesten van een luxueuze intimiteit aan honderden menschen, die elkaâr in het geheel niet kenden. De côterietjes kozen zich een hoekje uit, en waren daar als thuis. Een heel klein boudoirtje, geheel van Japansch lak en Japansche zijde, werd algemeen beoogd, maar dadelijk door Gilio ingenomen, de gravin di Rosavilla, de hertogin di Luca, de gravin Costi. Zij kwamen zelfs niet in de comediezaal, waar een concert het eerste nummer was. Faderewski speelde er, Sigrid Arnoldson zoû er zingen. Ook de concertzaal was zoo verlicht, met kaarsen in schermpjes, en men fluisterde algemeen, dat in dit teedere licht Mrs. Uxeley veertig was. In de pauze minaudeerde zij tegen twee heele jonge journalisten, die haar feest beschrijven zouden. Urania, naast Cornélie, werd aangesproken, door een Franschman, dien zij aan hare vriendin voorstelde: de chevalier de Breuil. Cornélie wist, dat zij hem kende van Ostende, en dat zijn naam met dien van de prinses di Forte-Braccio genoemd werd. Urania had haar nooit over de Breuil gesproken, maar Cornélie, nu, aan haar glimlach, haar blos, de schittering van haar oogen, zag, dat men gelijk had. Zij liet henbeiden alleen, met een treurigheid om Urania. Zij begreep, dat het jonge prinsesje zich troostte over de onverschilligheid van haar man--en zij vond dit heele leven van schijn plotseling om van te walgen. Zij verlangde naar Rome, naar het atelier, naar Duco, naar onafhankelijkheid, liefde, geluk. Zij had het alles gehad, maar het had niet mogen blijven. Zij was terug gedwongen in dien schijn, de conventie, de walgelijke comedie van het leven. Het was om haar heen als één leugen, schitterender dan in Den Haag, maar nog valscher, brutaler, perverser. Men gaf zelfs niet meer voor, dat men aan de leugen geloofde: hierin was een brutale oprechtheid. De leugen werd geëerbiedigd, maar niemand geloofde aan ze, niemand drong de leugen als waarheid op; de leugen was niets dan een vorm. Cornélie liep alleen door de zalen, voegde zich--volgens hare gewoonte--even bij Mrs. Uxeley, vroeg fluisterend hoe zij het maakte, of zij iets noodig had, of alles goed was--en liep alleen weêr de zalen door. Zij stond bij een vaas en schikte een paar orchideeën, toen een vrouw, in het zwart fluweel, blond, met een vollen hals, haar aansprak in het Engelsch:

--Ik ben Mrs. Holt; u kent mijn naam misschien niet, maar ik ken den uwe. Ik verlang zeer met u kennis te maken. Ik ben dikwijls in Holland geweest en ik lees een beetje Hollandsch. Ik heb uwe brochure gelezen over den Maatschappelijken Toestand van de Gescheiden Vrouw, en ik vond heel veel interessants in wat u schreef.

--U is heel vriendelijk; willen wij een oogenblik gaan zitten.... Ik herinner mij ook uw naam.... Was u niet een van de leidsters van het Vrouwencongres in Londen?

--Ja.... Ik heb er gesproken over de opvoeding van het kind.... Kon u niet in Londen komen?

--Neen, ik heb er wel over gedacht, maar ik was toen in Rome, en ik kon niet.

--Dat was jammer. Het congres is een groote stap voorwaarts geweest. Was uw brochure er vertaald, bekend geworden, dan had u groot succes gehad.

--Ik streef zoo weinig naar succes van dien aard....

--Natuurlijk, dat begrijp ik. Maar het succes van uw boek is toch ook voordeel voor de groote zaak.

--Meent u dat waarlijk? Is er iets goeds in mijn boekje?

--Twijfelt u daar dan aan?

--Heel dikwijls....

--Hoe is het mogelijk.... Het is toch zoo met zekere pen geschreven.

--Misschien juist daarom.

--Ik begrijp u niet. Er is in Hollanders soms een vaagheid, die wij Engelschen niet begrijpen. Iets als de weêrspiegeling van uw mooie luchten in uw karakters.

--Twijfelt u nooit? Is u zeker van uw ideeën over de opvoeding van het kind?

--Ik heb kinderen bestudeerd in scholen, in crêches, thuis, en ik heb zeer gedecideerde ideeën gekregen. En naar die ideeën werk ik voor de menschen, die in de toekomst zullen zijn. Ik zal u mijn brochure zenden, de quintessence van mijn redevoeringen op het congres. Is u nu bezig aan een andere brochure?

--Neen, helaas niet....

--Waarom niet? Wij moeten allen dicht aaneensluiten om te overwinnen.

--Ik geloof, dat ik uitgezegd ben.... Ik heb geschreven uit een impulsie, uit eigen ondervinding. En toen.

--Toen....

--Toen is het anders geworden.... Alle vrouwen zijn verschillend, en ik vond het nooit goed te generalizeeren. En gelooft u, dat _vele_ vrouwen met de doorzetting van een man kunnen werken voor een werelddoel, als zij een klein doel voor zichzelve hebben gevonden, een klein geluk, bij voorbeeld een liefde voor haar eigen ik, en waarin zij gelukkig zijn. Gelooft u niet, dat er in iedere vrouw sluimert een egoïsme voor haar eigen liefde, geluk, en dat, als zij dàt gevonden heeft ... de wereld en de toekomst haar belang verliezen.

--Misschien.... Maar hoe weinig vrouwen vinden het.

--Ik geloof niet vele.... Maar dit is een andere kwestie. En ik geloof wel, dat het belang voor wereldkwesties bij de meeste vrouwen pis-aller is.

--U is een afvallige geworden. U spreekt heel anders dan u een jaar geleden schreef....

--Ja. Ik ben heel nederig geworden, omdat ik oprechter ben. Natuurlijk, ik geloof wel in enkele vrouwen, in enkele groote geesten. Maar, zoû het meerendeel niet in vrouwelijkheid blijven: vrouw en zwak....

--Niet, met een verstandige opvoeding.

--Ja, ik geloof wel, dat het dat is: de opvoeding....

--Van het kind, van het meisje....

--Ik geloof het wel, dat ik nooit ben opgevoed, en dit zal wel mijn zwakte zijn.

--Aan onze meisjes moet al heel jong van den strijd des levens verteld worden.

--U heeft gelijk. Wij: mijn vriendinnen, mijn zusters en ik, werden zoo gauw mogelijk op de huwelijksveiligheid gewezen.... Weet u wie ik het meest te beklagen vind? Onze ouders! Hebben zij niet gedacht, dat zij ons alles leeren lieten wat noodig was? En nu? op dit oogenblik, moeten zij inzien, dat zij de toekomst niet geraden hebben, en dat hunne opvoeding geen opvoeding was, omdat zij hunne kinderen niet wezen op den strijd, die vlak voor hunne oogen al gestreden werd. Het zijn onze ouders, die zijn te beklagen. Zij kunnen niets meer herstellen. Zij zien ons, meisjes, jonge vrouwen, van twintig tot dertig, overstelpt worden door het leven, en zij hebben er ons niet sterk voor gemaakt. Zij hebben ons zoo lang mogelijk veilig gelaten in het ouderlijk hoekje, en toen hebben zij gedacht aan ons huwelijk. Volstrekt niet om ons kwijt te zijn, maar voor ons geluk, voor onze veiligheid en onze toekomst. Wij zijn wel ongelukkig, wij meisjes en vrouwen, die niet, als onze jongere zusjes, werden gewezen op den strijd daar vlak bij ons, maar ik geloof, dat wij nog de hoop hebben op onze jonge jaren, en ik geloof, dat onze arme ouders ongelukkiger zijn en meer te beklagen dan wij, omdat zij niets meer kunnen hopen, omdat zij zich in stilte, bekennen _moeten_, gedwaald te hebben in hun kinderliefde. Zij voedden ons nog op volgens het verleden, terwijl de toekomst al zoo dicht bij was. Ik heb medelijden met onze ouders, en ik zoû ze er bijna liever om hebben, dan ik ze ooit gehad heb....

XLVII.

Zij was plotseling heel bleek geworden als onder een plotselinge emotie. Zij bedekte haar gezicht met haar wuivenden waaier en hare vingers trilden hevig; haar geheele lichaam sidderde.

--Dat is mooi van u gedacht, zeide Mrs. Holt. Het doet mij pleizier u ontmoet te hebben. Er is voor mij in Hollanders altijd een charme. Dat vage, dat wij niet vatten kunnen, en dan zoo op eens een licht, dat er uit schiet als uit een wolk.... Ik hoop u toch nog eens te ontmoeten. Ik ontvang iederen Dinsdag, vijf uur. Komt u eens aan met Mrs. Uxeley?

--Heel gaarne, met heel veel pleizier....

Mrs. Holt gaf haar de hand, die zij drukte, en verloor zich tusschen andere gasten. Cornélie was opgestaan, terwijl hare knieën knikten. Zij bleef staan, half naar de zaal gekeerd, kijkende in den spiegel. Op de console speelden hare vingers met de orchideeën in een Venetiaansch glas. Zij was nog wat bleek, maar beheerschte zich, hoewel haar hart klopte, haar borst hijgde. En zij zag in den spiegel. Zij zag eerst haar eigen gedaante, hare ranke, mooie vormen in haar toilet van zwarte en witte Chantilly, de witte kanten sleep, schuimende van volants; de zwarte kanten tuniek er over heen geschulpt en bezaaid met staalpailletten en blauwe steenen, een tak orchideeën aan het geheel mouwlooze corsage, dat haar hals en armen en schouders bloot liet. Drie parelen Grieksche banden hielden heur haar omspannen, en haar witte veêren waaier--een geschenk van Urania--was als een schuim tegen haar hals. Zij zag het eerst zichzelve en toen in den spiegel zag zij hèm. Hij naderde haar. Zij bewoog niet, alleen hare vingers speelden met de bloemen in het glas. Zij had een gevoel van te willen vluchten, maar hare knieën knikten en hare voeten waren als verlamd. Zij was als vastgenageld, zij was als gehypnotizeerd. Zij kon zich niet bewegen. En zij zag hem steeds dichter naderen, terwijl zij den rug half keerde tegen de zaal. Hij naderde, en uit zijne nadering scheen een web uit te stralen, waarin zij als gevangen bleef. Hij was nu vlak bij haar, hij stond vlak achter haar. Werktuigelijk hief zij de oogen op en zag in den spiegel, en ontmoette in het glas zijne oogen. Zij dacht flauw te zullen vallen. Zij voelde zich als geprangd tusschen hem en het glas. In den spiegel draaide de zaal, duizelden-om de kaarsen, als een dansend firmament. Hij zeide nog niets. Zij zag alleen zijn oogen kijken en zijn mond onder zijn snor glimlachen. En hij zeide nog niets. Toen, in die onuithoudbare engte tusschen hem en den spiegel, die zelfs niet beveiligde als een muur had gedaan, maar die hem weêrkaatste zoodat hij als dubbel haar gevangen had, achter en voor--wendde zij zich langzaam om en zag hem in de oogen. Maar zij sprak ook niet. Zij zagen elkaâr sprakeloos aan.

--Daar hadt je nooit aan gedacht ... me hier eens te zien, zei hij eindelijk.

Zij had nu in meer dan een jaar zijn stem niet gehoord. Maar zij voelde zijn stem in zich.

--Neen, zeide zij eindelijk, hoog, koud, ver. Hoewel ik je een paar keer gezien heb, in de stad, op de Jetée.

--Ja, zeide hij. Had ik je moeten groeten, vindt je?

Zij haalde haar bloote schouders op, en hij zag naar ze. Zij voelde voor het eerst, dat zij half naakt was, dien avond.

--Neen, antwoordde zij, steeds koud en ver. Evenmin als je me nu hoefde aan te spreken.

Hij glimlachte haar toe. Hij stond voor haar als een muur. Hij stond voor haar als een man. Zijn kop, zijn schouders, zijn borst, zijn beenen, zijn geheele figuur rees voor haar op als éene mannelijkheid.

--Natuurlijk behoefde ik dat niet te doen, antwoordde hij, en zij voelde zijn stem in zich: zij voelde zijn geluid zinken in haar als gesmolten brons in eene vaas. Als ik je in Holland ook ergens ontmoet had, had ik alleen mijn hoed afgenomen, maar je verder niet aangesproken. Maar hier zijn we in een vreemd land....

--Wat doet er dat toe?

--Ik had lust je aan te spreken ... Ik woû eens wat met je praten. Kunnen we dat niet doen als vreemden?

--Als vreemden ... herhaalde zij.

--Nou, ja, we zijn niet vreemd voor elkaâr. We kennen elkaâr zelfs verbazend intiem, hè? Kom nu eens naast me zitten en vertel me hoe je het gemaakt hebt. Is het je bevallen in Rome?...

--Ja, zeide zij.

Hij had haar als met zijn wil geleid naar een chaise-longue achter een Louis-XV-paravent, half damast, half glas--en zij liet zich neêrvallen in een rozigen schemer van kaarsen, om zich heen bouquetten van roze rozen in allerlei Venetiaansche glazen. Hij zette zich op een pouffe, een beetje buigende naar haar toe, de armen over de knieën, de handen gevouwen.

--Ze hebben flink over je gekletst in Den Haag. Eerst over je brochure. En toen over je schilder.

Haar oogen priemden hem toe als naalden. Hij lachte.

--Je kan nog even boos kijken als vroeger. Zeg, hoor je wel eens wat van de oudelui? Ze zijn er slecht aan toe.

--Nu en dan. Ik heb ze verleden wat geld kunnen zenden.

--Dat is verdomd aardig van je. Ze verdienen het niet. Ze hebben gezegd, dat je niet meer voor ze bestond.

--Mama schreef mij, dat ze zoo moesten tobben. Toen heb ik ze honderd gulden gezonden. Meer was mij niet mogelijk.

--O, nou als ze zien, dat je geld zendt, zal je wel weêr voor ze bestaan.

Zij haalde de schouders op.

--Dat kan me niet schelen. Ik had medelijden met ze. Het speet me, dat ik niet meer kon zenden.

--Neen, als je er ook zoo verbazend chic uitziet....

--Dat betaal ik niet....

--Ik zeg het zoo maar. Ik waag me aan geen kritiek. Ik vind het verdomd mooi, dat je ze geld zendt. Maar je bènt verbazend chic. Zeg, wil ik je eens wat zeggen. Je bent een verdòmde mooie meid geworden.

Hij zag haar aan, met zijn glimlach, waarnaar ze kijken moest.

Toen antwoordde zij, heel kalm, haar waaier licht wuivende over haar naakten hals, zij schuilende in het schuim van haar waaier:

--Dat doet me verdomd veel pleizier.

Hij lachte, dik luid.

--Zoo, dat mag ik, je hebt nog altijd je geestige repartie. Altijd ad rem. Verdomd leuk van je!

Zij stond op, nerveus, verwrongen.

--Ik moet je verlaten, ik moet naar Mrs. Uxeley.

Hij breidde de armen wat uit.

--Blijf nog wat zitten. Het doet me goed wat met je te praten.

--Hoû je dan een beetje in en "verdom" niet zoo veel. Ik ben daar niet meer gewend aan.

--Ik zal mijn best doen, blijf dan zitten.

Zij viel neêr en school achter haar waaier.

--Laat me dan zeggen, dat je bepaald ... een heéle ... een heéle mooie vrouw bent geworden. Is het nu iets als een compliment?

--Het heeft er iets meer van.

--Nou maar, mooier kan ik het niet, hoor. Zoo moet je het nu maar goed vinden. Vertel me nu eens iets van Rome. Hoe leefde je daar?

--Waarom moet ik je daarover vertellen?

--Omdat ik er belang in stel.

--Je hebt niet in mij belang te stellen....

--Ja, maar dat doe ik nu eenmaal. Heelemaal vergeten heb ik je nooit. En het zoû me verwonderen als jij dat gedaan hadt.

--Heelemaal, zeide zij koel.

Hij zag haar aan met zijn glimlach. Hij antwoordde niets, maar zij voelde, dat hij beter wist. Zij was bang hem verder te overtuigen.

--Is het waar wat ze in Den Haag vertellen. Van Van der Staal?

Zij zag hem hoog aan.

--Nou, vertel nou eens....

--Ja....

--Je bent toch een brutale meid. Kan je de heele boel niets meer schelen?

--Neen....

--En hoe doe je hier, bij dat wijf?

--Hoe meen je?

--Nemen ze dat zoo hier in Nice aan?

--Ik blagueer niet op mijn onafhankelijkheid en niemand kan op mijn gedrag hier iets aanmerken.

--Waar is Van der Staal?

--In Florence.

--Waarom is hij niet hier?

--Ik heb geen lust je meer te antwoorden. Je bent indiscreet. Je hebt daar niets meê noodig en ik laat me niet ondervragen.

Zij werd heel zenuwachtig en stond weêr op. Hij breidde de armen uit.

--Heusch, Rudolf, laat me gaan, smeekte zij. Ik moet naar Mrs. Uxeley toe. Er wordt een pavane gedanst in de groote zaal, en ik moet eenige orders vragen en geven. Laat me gaan.

--Dan zal ik je brengen. Mag ik je mijn arm prezenteeren?

--Rudolf, toe ga weg. Zie je niet, hoe nerveus je me maakt? Zoo onverwachts heb ik je hier weêr ontmoet. Toe, ga weg, laat me alleen, ik kan me anders niet meer houden. Ik ga huilen.... Waarom heb je me aangesproken, waarom ben je hier gekomen, waar je wist dat je me ontmoeten zoû.

--Omdat ik een feest bij Mrs. Uxeley woû zien, en omdàt ik je ontmoeten woû.

--Je begrijpt toch wel, dat je terugzien me nerveus maakt. Wat heb je er aan. Wij zijn dood voor elkaâr.... Wat heb je er aan mij zoo te plagen.

--Dat is het juist wat ik weten woû. Of we dood zijn voor elkaâr.

--Dood, dood, heelemaal dood! riep zij hevig.

Hij lachte.

--Kom, wees niet zoo theatraal. Je begrijpt toch wel, dat ik nieuwsgierig was je eens terug te zien en met je te spreken. Ik zag je in de straten, in je rijtuig, op de Jetée, en het deed me pleizier, dat je er zoo goed uitzag, zoo chic, zoo gelukkig, en zoo mooi. Je weet, dat ik nu eenmaal een groot zwak heb voor mooie vrouwen. Je bent veel mooier dan vroeger, toen je mijn vrouw was. Als je toen zoo geweest was als nu, was ik nooit van je gescheiden.... Kom, wees geen kind. Niemand kent ons hier. Ik vind het verdomd leuk je hier te ontmoeten, met je te kletsen en je aan mijn arm te hebben. Neem mijn arm. Zanik niet langer, dan breng ik je waar je zijn moet. Waar vinden we Mrs Uxeley...? Stel me voor ... als een kennis uit Holland....

--Rudolf....

--Ach, ik wil het, zanik niet. Wat is er nou aan. Het amuzeert me, en het is leuk met je gescheiden vrouw rond te wandelen op een bal in Nice. Heerlijke stad hè? Ik ga iederen dag naar Monte-Carlo, en ben verdomd gelukkig geweest. Gisteren drieduizend francs gewonnen. Ga je eens met me meê...?

--Je bent dol!

--Ik ben niet dol. Ik wil me amuzeeren. En ik ben er trotsch op je aan mijn arm te hebben.

Zij trok haar arm terug.

--Je hebt op niets trotsch te zijn....

--Word nu niet kwaadaardig, het is allemaal gekheid; laten we ons nu amuzeeren. Daar heb je het oude wijf.... Ze kijkt naar je uit.