Langs lijnen van geleidelijkheid

Part 16

Chapter 163,920 wordsPublic domain

En onder hun vasten staarblik deinsde het leven zachtjes terug, loste de wolk op, verijlden, verdwenen de handen, en eene verlichting zuchtte op uit hunne borsten, terwijl zij stil liggen bleef tegen hem aan, en de oogen sloot, als om te slapen....

XLIV.

Maar het dwingende leven kwam terug, de zwevende handen verschenen weêr, als een zacht geheimzinnig geweld. Cornélie weende bitter en bekende het zich, en bekende het Duco: het ging niet langer. Zij hadden éen oogenblik niet genoeg om de huur van het atelier te betalen en moesten zich wenden tot Urania. In het atelier waren leêgten gekomen, kleuren verijld, door het verkoopen van dingen, die Duco met teederheid en opoffering had verzameld. Maar de engel van Lippo Memmi, dien hij niet verkoopen wilde, bleef met zijn gebaar van lelie-reiken, in zijn brokaten goudmantel nog stralen als altijd. Om hem heen gaapten treurige vakken wand, waren spijkers blootgekomen. Eerst poogden zij nog anders te schikken, maar de lust hiertoe verging. En als zij zaten bij elkaâr, in elkanders armen, voelende hun klein geluk, maar ook den dwang van het met handen duwende leven, sloten zij de oogen, om het atelier niet te zien, dat scheen te brokkelen rondom hen heen, waar met de eerste koelere dagen een zonnelooze kilte huiverend neêrviel van het plafond, dat hooger en verder scheen, en waar de schildersezel, leêg, wachtte. Zij sloten beiden de oogen, en bleven zoo, zich, trots de kracht van hun geluk, hunne liefde, voelende langzaam-aan overwinnen door het leven, dat zoo gestadig dwong en hun iederen dag iets ontnam. Eens, toen zij zoo zaten, vielen hun armen slap, viel hun omhelzing uit elkaâr, als trokken handen hen van elkaâr af. Zij bleven lang zitten staren, naast elkaâr, zonder elkaâr aan te roeren. Toen snikte zij luid op en wierp zich met haar gezicht op zijn knieën. Er was niets meer aan te doen: het leven was sterker, het sprakelooze leven, het zacht-gestadig dwingende leven, dat met zoovele handen rondom hen was. En het was of hun klein geluk hun ontviel, als een engelachtig kind, dat gestorven was, en aan hunne omhelzing was ontzonken.

Zij zeide, dat zij Urania zoû schrijven: de Forte-Braccio's waren te Nice. Hij, mat, stemde toe. En zoodra zij antwoord had, pakte zij werktuigelijk haar koffer, pakte zij haar oude kleêren in. Want Urania schreef haar te komen, en dat Mrs. Uxeley haar wilde zien. Mrs. Uxeley zond haar het reisgeld. Zij was in een radeloozen toestand van telkens opsnikkende zenuwachtigheid, en zij voelde zich als scheuren van hem weg, scheuren uit dat home, dat haar lief was, en dat brokkelde om hen heen, alleen door hàre schuld. Toen zij den aan geteekenden brief met het reisgeld ontving kreeg zij een zenuwtoeval, klaagde als een kind tegen hem aan, dat zij niet kon, dat zij niet woû, dat zij niet zonder hem kon leven, dat zij hem lief had voor eeuwig, voor eeuwig, dat zij sterven zoû, zoo ver van hem. Zij lag op den divan, haar beenen stijf, haar armen stijf, en zij schreeuwde met een verwrongen mond als van lichamelijke pijn. Hij suste haar in zijn armen, bette haar hoofd, liet haar ether drinken, troostte haar, zei, dat het later alles goed weêr zoû worden.... Later.... Zij zag hem wezenloos aan. Zij was als krankzinnig van smart. Zij gooide alles weêr uit haar koffer, door het vertrek, linnengoed, blouses, en lachte, en lachte.... Hij bezwoer haar zich te beheerschen. Toen zij zijn ontdaan gezicht zag, toen ook hij snikte tegen haar aan, pakte zij hem vast tegen zich, zoende hem, troostte hem op hare beurt En alles viel mat, slap, in haar neêr.... Zij pakten beiden den koffer weêr in. Toen zag zij rond en schikte in een vlaag van energie het atelier voor hèm, liet haar bed wegnemen, bevestigde zijn eigen schetsen aan den wand, poogde iets op te bouwen, van wat rondom hen heen was in-een gebrokkeld, schikte alles anders, deed haar best. Zij kookte hun laatste maal, zij stookte het vuur op.... Maar een radelooze dreiging van eenzaamheid en verlatenheid heerschte al rond. Het ging niet, het ging niet.... Snikkende sliepen zij in, in elkanders armen, nauw tegen elkaâr aan. Dien volgenden morgen bracht hij haar naar het station. En toen zij ingestegen was, in haar coupé, konden zij beiden zich niet beheerschen. Zij omhelsden elkaâr snikkende, terwijl de conducteur al het portier wilde sluiten. Zij zag hem wegloopen als een gek, dwars door de drukke menigte duwende, en zij wierp zich van smart brekende, achterover. Zij was zoo benauwd, op het punt flauw te vallen, dat eene dame naast haar hielp, haar gezicht waschte met Eau de Cologne....

Zij dankte, verontschuldigde zich, en ziende de andere reizigers haar aanstaren met deelneming, beheerschte zij zich, en viel mat ineen, en tuurde wezenloos door het raam. Zij spoorde door, zij hield nergens op, alleen stapte zij uit om van trein te verwisselen. Hoewel hongerig, had zij geen energie aan de stations iets te bestellen. Zij at niets, zij dronk niets. Zij spoorde een dag, een nacht, en kwam den volgenden avond laat te Nice. Urania was aan het station en schrikte omdat Cornélie er grauwbleek uitzag, doodmoê, hol van oogen. En zij was allerliefst; zij nam Cornélie meê naar huis, verzorgde haar een paar dagen, deed haar blijven te bed, en ging zelve Mrs. Uxeley zeggen, dat haar vriendin te ongesteld was om zich aan te melden. Gilio kwam Cornélie even zijne opwachting maken, en zij kon niet anders dan hem danken voor die dagen van gastvrijheid en zorg onder zijn dak. En de jonge prinses was als een zuster, was als een moeder, en kweekte Cornélie op met melk, met eieren, met versterkende middelen. Zij liet alles gewillig met zich doen, mat, onverschillig, en zij at, om Urania lief te zijn. Na enkele dagen, zeide Urania, dat Mrs. Uxeley dien middag een visite kwam maken, benieuwd hare nieuwe gezelschapsdame te zien. Mrs. Uxeley was nu alleen, maar zij kon wachten tot Cornélie hersteld was. Cornélie kleedde zich zoo goed mogelijk aan en wachtte met Urania de oude dame af. Zij kwam met uitbundigheid binnen, in een vloed van woorden, en Cornélie kon, in het schemerlicht van Urania's salon zich niet verwezenlijken, dat zij negentig jaar was. Urania knipoogde tegen Cornélie, maar deze glimlachte flauw: zij zag op tegen dit eerste onderhoud. Maar Mrs. Uxeley, zeker omdat Cornélie de vriendin was van de prinses di Forte-Braccio, was heel gemakkelijk, heel aardig, zonder neêrbuigendheid tegen haar aanstaande dame-de-compagnie; vroeg naar Cornélie's gezondheid in een vermoeiende uitbundigheid van uitroepjes en zinnetjes en raadgevingen. Cornélie, in het schemerlicht der staande kant-omkapte lampen, nam haar met den blik op, en zag een vrouw, vijftig, de rimpeltjes zorgvuldig bijgepoeierd, in een mauve fluweelen toilet met dof goud en pailletten en kralen gewerkt, op den bruinen geönduleerden chignon een hoed met witte aigrette. Telkens twinkelden hare juweelen omdat zij heel bewegelijk was, heel druk. Nu nam zij Cornélie's hand en begon intiem te praten.... Dus overmorgen zoû Cornélie komen? Goed. Zij was gewoon honderd dollars in de maand te geven, of vijfhonderd francs, nooit minder, maar ook nooit meer. Maar zij begreep, dat Cornélie nu iets noodig had, voor nieuwe toiletten: of zij dan maar aan dit adres bestellen wilde, wat zij noodig had, voor rekening van Mrs. Uxeley. Een paar baltoiletten, een paar minder gekleedde avondtoiletten, enfin, alles. De prinses Urania zoû haar dat wel zeggen, en wel met haar willen meêgaan. En zij stond op, pogende jong te doen, minaudeerend met haar face-à-main, maar onderwijl zich steunende met haar parasol, zich gymnastisch opwerkende aan den stok van haar parasol, met een plotselingen trek van rheumatische pijn, die allerlei rimpels ontdekte. Urania geleidde haar tot den corridor, en kwam gierende terug, en ook Cornélie lachte, heel matjes. Het kon haar alles niets schelen: zij was meer verbaasd over Mrs. Uxeley, dan dat zij haar komisch vond. Negentig jaar! Negentig jaar!! Wat een energie, een beter doel waardig, om elegant te willen blijven: la femme la plus élégante d'Ostende!!

Negentig jaar! Wat moest die vrouw lijden, de uren van haar langdurig toilet, dat zij zich karikaturizeerde tot dit type. Urania zeide, dat alles valsch was, haar haren, haar décolletage! En Cornélie voelde een walging voortaan te moeten leven naast die vrouw, als naast eene onwaardigheid. In haar geluk van liefde was veel van haar energie verzwakt, alsof hun twee-geluk--van Duco en van haar--haar ongeschikter had gemaakt voor verderen levensstrijd en haar verweekt, had in zijn heerlijkheid, maar het had in haar ziel iets verfijnd en verpuurd en zij walgde van zooveel schijn voor zoo klein en ijdel een doel. En het was alleen de noodzakelijkheid zelve--de geleidelijkheid van de dingen des levens, die dreef en zacht haar met leidenden vinger duwde langs eene nu eenzaam uitslingerende levenslijn--de noodzakelijkheid, die haar kracht gaf haar verdriet, haar verlangen, haar heimwee naar alles wat zij verlaten had, diep te bergen in zichzelve. Zij sprak er maar niet meer over met Urania. Urania was zoo blij haar te zien, beschouwde haar als een goede vriendin, in de eenzaamheid van haar groot leven, in het izolement te midden der aristocratische kennissen. Urania was vol ijver met haar naar naaisters en winkels te gaan en hielp haar kiezen haar nieuwen trousseau. Het kon haar niet schelen. Zij, elegante vrouw, ingeboren elegant, die in haar uiterlijk zich steeds verdedigd had tegen de armoede, die met een frisch lint een oude blouse gracieus wist te dragen, in de dagen van haar geluk, zij was totaal onverschillig over alles wat zij nu kocht voor rekening van Mrs. Uxeley. Het was haar als was het niet voor haar. Zij liet Urania vragen, kiezen, zij vond alles goed. Zij paste als een pop. Het hinderde haar zooveel te moeten uitgeven op rekening van een vreemde. Zij voelde zich gezonken, vernederd: al haar fiere levenstrots was weg. Zij was bang voor wat men van haar denken zoû in den kring van Mrs. Uxeley's kennissen, of men zoû weten van haar vrije ideeën, van haar samenleven met Duco, zij was bang voor Mrs. Uxeley's opinie. Want Urania had eerlijk moeten zijn en alles verteld. Alleen door Urania's warme recommandatie was zij door Mrs. Uxeley nog aangenomen. Zij voelde zich misplaatst, nu zij weêr meê zoû moeten doen met al die menschen, en zij was bang zich bloot te zullen geven. Zij zoû comedie moeten spelen, hare ideeën maskeeren, hare woorden bedenken, en zij was het niet meer gewoon. En alles om dat geld. Alles omdat zij geen kracht had gehad naast Duco haar eigen brood te verdienen, en, hem, blij, onafhankelijk, op te wekken in zijn arbeid, in zijn kunst. O, als zij maar gekund had, gevonden had, wat zoû zij gelukkig geweest zijn. Als zij maar niet in zich had laten kankeren de ellendige loomte van haar bloed, van haar opvoeding, haar brillante salon-educatie-loomte, die haar ongeschikt maakte tot wat ook! In haar bloed was zij zoowel een vrouw van liefde als een vrouw van luxe, maar zij was meer liefde dan luxe: zij kon gelukkig zijn met het hoogst eenvoudige als zij maar kon liefhebben. En nu had het leven haar weggescheurd van hem, langzaam aan, maar onverbiddelijk. En nu had zij luxe, afhankelijke luxe, en het voldeed aan haar bloed niet meer, omdat zij haar ziel niet voldoen kon. Eene rampzalige ontevredenheid woekerde op in die eenzame ziel. Het eenige geluk, dat zij had, waren zijn brieven, zijn lange brieven, brieven van verlangen, maar ook brieven van troost. Hij schreef haar zijn verlangen, maar hij schreef haar ook moed en hoop in. Hij schreef haar iederen dag. Hij was nu in Florence, en zocht zijn troost in Uffizie en Pitti. In Rome had hij niet kunnen blijven, het atelier was nu gesloten. In Florence was hij iets dichter bij haar. En zijn brieven waren haar als een liefdeboek, de eenige roman, dien zij las, en het was of zij in zijn stijl zijn landschappen zag, de zelfde wazigheid van kleur-emotie, het parelen blanke en de droomwazige lichte verte: de horizon van zijn verlangen, of zijn oogen steeds uitgingen naar den einder, waar zij in den nacht van hun scheiden verdwenen was als in paarsgrauwen zonsondergang; een lucht van de droeve Campagna. In die brieven nog leefden zij samen. Maar zij kon hem zoo niet schrijven. Hoewel zij hem iederen dag schreef, schreef zij kort, in andere woorden altijd het zelfde: haar verlangen, haar matte onverschilligheid. Maar zij schreef haar geluk om zijn brieven, die waren als haar dagelijksch brood.

Zij was nu bij Mrs. Uxeley en bewoonde in de reusachtige villa twee lieve kamers, die uitzagen op de zee en op de Promenade des Anglais. Urania had haar geholpen ze te arrangeeren. En zij leefde als in een oneigenlijken droom van vreemdheid, van niet bestaan met haar ziel, van ongeleefd handelen en gebaren; volgens den wil van andere menschen. Des morgens zocht zij Mrs. Uxeley op in haar boudoir, en las haar voor Amerikaansche en Fransche couranten, en soms iets uit een Fransch romannetje. Zij deed nederig haar best. Mrs. Uxeley vond, dat zij prettig las, maar zei alleen, dat ze wat vroolijk moest worden, dat haar treurige dagen nu waren voorbij. Van Duco werd niet gesproken en Mrs. Uxeley deed of zij niets wist. Het groote boudoir, de balkondeuren open, zag uit op de zee, waarop de Promenade, de morgenwandeling al begon, kleurig en vlakkerig van parasols, fijn scheltjes tegen de diepblauwe zee, een zee, van luxe, water van weelde, golfjes, die als veel geld schenen te kosten, vóór zij bevalligjes verkozen aan te schuiven. De oude dame, al geverfd, haar pruik op, een witte kant over die pruik voor den tocht, lag in de zwarte en witte kanten van haar witten zijden peignoir op de hoop kussens harer chaise-longue. In hare gerimpelde hand de face-à-main, waarop haar initialen in diamanten, amuzeerde het haar te turen naar de schelle vlakjes der parasols buiten. Nu en dan vertrok zij, bij een rheumatischen scheut, in eens het gezicht tot ééne verkreukeling van rimpel, waaronder de strakke maquillage bijna brak, als gekrakeld porcelein. In het daglicht was zij bijna niet meer levend, scheen zij een automatische, in elkaâr geleede pop van verdorde ledematen, die mechanisch nog sprak en gebaarde. Zij was 's morgens altijd wat moê, zij sliep 's nachts nooit; na elven maakte zij een dutje. Zij leefde volgens een streng régime, en haar dokter, die haar iederen dag bezocht, scheen haar iederen dag weêr wat te doen opleven, zoodat zij den avond haalde. 's Middags toerde zij, steeg uit bij de Jetée, maakte hare visites. Maar 's avonds leefde zij op, met iets van werkelijk leven, kleedde zich, deed haar juweelen aan, en kreeg hare uitbundigheid terug, haar uitroepjes, en minauderietjes.... Dan waren het bals, feesten, de comedie. Dan was zij niet ouder dan vijftig jaar.

Maar dat waren de goede dagen. Soms na een nacht van onduldbare pijnen, bleef zij in haar slaapkamer, de maquillage van den vorigen dag niet bijgewerkt, over haar kale hoofd een zwarte kant, in een zwart satijnen morgenjas, die als een gemakkelijke zak om haar hing, en zij kreunde, gilde, schreeuwde, en scheen genade te smeeken voor haar marteling. Dit duurde een paar dagen, en was geregeld iedere drie weken: dan leefde zij weêr langzaam op.

Haar drukke conversatie bepaalde zich bij een geregeld terugkomende bespreking en kritiek van allerlei familie-aangelegenheden. Zij legde Cornélie uit al de familie-betrekkingen van haar kennissen, Amerikaansche en Europeesche, maar vooral weidde zij uit over de groote Europeesche families, die zij onder hare kennissen telde. Cornélie kon er nooit naar hooren, en vergat de relaties weêr dadelijk. Het was soms ondragelijk vervelend zoo lang aan te moeten hooren, en alleen daarom, als gedwongen, vond Cornélie kracht zelve wat te praten, een anecdote te vertellen, een verhaal te doen. Toen zij zag, dat de oude vrouw erg gevoelig was voor anecdotes, raadsels, woordspelingen, vooral met ondeugende tint, verzamelde zij er zooveel zij kon uit de Vie Parisienne, het Journal pour Rire, en had ze altijd bij de hand. En Mrs. Uxeley vond haar amuzant. Eens, daar zij wel merkte Duco's dagelijkschen brief, maakte zij eene toespeling, en Cornélie vond eensklaps uit, dat zij verging van nieuwsgierigheid. Toen vertelde zij rustig de waarheid: haar huwelijk, hare scheiding, hare vrije ideeën, hare ontmoeting en haar leven met Duco. De oude vrouw was een beetje teleurgesteld, omdat Cornélie er zoo eenvoudig over sprak. Zij gaf alleen den raad zich nu correct te houden. Wat de kennissen praatten over vroeger, kwam er minder op aan. Maar nu mocht er geen aanstoot zijn. Cornélie, nederig, beloofde. En Mrs. Uxeley toonde haar albums, haar eigen portretten van jonge vrouw af, en de portretten van allerlei mannen. En zij vertelde van dien vriend en dien vriend, en zij liet, ijdel, iets schemeren van een zeer woelig verleden. Maar zij had zich altijd correct gehouden.... Dat was haar trots. Zooals Cornélie gedaan had, was niet goed....

Een verlossing was het uur van elven tot half een. Dan sliep de oude vrouw geregeld--haar eenige slaap--en dan kwam Urania Cornélie halen. Zij toerden wat of wandelden op de Promenade of zaten in den Jardin Public. En het was het eenige oogenblik, dat Cornélie iets van hare nieuwe luxe waardeerde en dat ze eenigszins hare ijdelheid streelde. De wandelaars zagen om naar de twee mooie jonge vrouwen in hare keurige laken toiletten, wier modieus gehoede kopjes zich terugtrokken in de schemering der parasols en zij bewonderden de glinsterende victoria, de onberispelijke liverei en de schimmels van de prinses di Forte-Braccio.

Gilio was tegenover Cornélie ingehouden en bescheiden. Hij was beleefd maar op een hoffelijken afstand, als hij zich een oogenblik voegde bij de twee dames in den tuin of op Jetée. Zij was na den nacht in de pergola, na het plotselinge schitteren van zijn driftig mes, bang voor hem, ook omdat zij veel van haar moed en hare fierheid had verloren. Maar zij kon hem niet koeler antwoorden dan zij deed, omdat zij hem dankbaar was, hem, evenals Urania, voor de zorg der eerste dagen, voor den tact, waarmeê zij haar niet dadelijk aan Mrs. Uxeley hadden overgelaten, maar haar ten hunnent hadden gehouden tot zij wat kracht had terug gewonnen.

In die vrije morgens, dat zij zich verlost voelde van die karikatuur van haar leven, van de oude vrouw--ijdel, egoïst, onbeduidend, belachelijk--voelde zij zich in de vriendschap van Urania komen tot zichzelve, werd zij het zich bewust in Nice te zijn, zag zij de kleurige drukte rondom zich heen met helderder oogen aan en verloor zij de oneigenlijkheid der eerste dagen. Het was dan of zij voor het eerst zichzelve weêr zag, in haar licht laken wandelpak, zittende in den Tuin, hare geschoeide vingers spelende met de kwasten van haar parasol. Zij kon nog nauwlijks aan zich gelooven, maar zij zag zich. Diep in zich, ook voor Urania verborgen, borg zij haar verlangen, haar heimwee: hare benauwende ontevredenheid. Het was soms of zij stikken zoû. Maar zij hoorde naar Urania, en praatte en lachte meê en zij zag lachend naar Gilio op, die voor haar stond, te dandineeren op de punten van zijn schoenen, tusschen de handen, op zijn rug, bengelende zijn wandelstok. Soms plotseling--vizioen, dwarrelend door de menigte heen--zag zij Duco, het atelier, haar geluk der verledene dagen wegwazen, éen kort oogenblik. Dan voelde zij met de tippen der vingers tusschen de kanten strookjes, die voor in haar bolero fronselden, zijn brief van dien morgen en kreukelde even de stugge enveloppe aan tegen haar borst, als iets van hem, dat haar liefkoosde.

En het was niet te ontkennen: zij zag zich, en Nice om zich, zij voelde-aan haar nieuwe leven: het was geen oneigenlijkheid, al was het voor haar ziel geen werkelijkheid: het was verdrietige komedie, waarin zij mat, moê, zwak, lusteloos,--meêspeelde.

XLV.

Het was alles streng, als volgens régime geregeld, en de minste wijziging was niet mogelijk: alles was vastgesteld als volgens een wet. Het lezen van de courant, haar anderhalf vrij uur; dan de lunch, na het lunch de toer, de Jetée, de visites; iederen dag die visites, afternoon-tea's; een enkelen keer een diner, 's avonds meestal een bal, een soirée, een comedie. Zij maakte bij tientallen nieuwe kennissen en vergat ze weêr dadelijk, en wist niet meer, als zij ze weêrzag, of zij ze kende, ja of niet. Over het algemeen kwam men haar vrij wel te gemoet in dien kring van cosmopolitisme, omdat men wist, dat zij een intime vriendin van de prinses Urania was. Maar evenals Urania zelve ondervond zij van den vrouwelijken kant der oude Italiaansche namen en titels, die soms opschitterden in dien kring, een verpletterenden hoogmoed en minachting. De heeren lieten zich steeds aan haar voorstellen, maar zoo zij zich soms aan hun dames liet voorstellen, was een vage verwonderde hoofdknik de eenige tegemoetkoming. Het kon haar zelve weinig schelen, maar zij had medelijden met Urania. Want zij zag duidelijk, soms op Urania's eigen soirées, hoe zij haar nauwlijks als de gastvrouw telden, hoe zij Gilio omringden en fêteerden, maar zijn vrouw alleen even gaven de beleefdheid, die haar als de prinses di Forte-Braccio toekwam, zonder ooit te vergeten, dat zij miss Hope was. En voor Urania was die kleinachting moeilijker door te maken dan voor haarzelve. Want zij nam haar rol van gezelschapsdame aan. Zij hield Mrs. Uxeley steeds in het oog, voegde zich in den loop van den avond telkens een oogenblik bij haar, haalde in een ander salon een waaier, dien Mrs. Uxeley vergeten had, bewees telkens den een of anderen kleinen dienst. Dan zette zij zich, alleen in het druk gonzende salon, tegen den muur en zij zag onverschillig voor zich uit. Zij zat, steeds zeer elegant gekleed, in een houding van gracieuze onverschilligheid en matte verveling, tippende met haar voetje, of ontplooiende haren waaier. Zij nam van niemand notitie. Soms kwamen dan een paar heeren naar haar toe, en zij sprak met ze, of danste even, onverschillig als verleende zij een gunst. Eens, dat Gilio met haar sprak, zij zittende en hij staande, en de hertogin di Luca en de gravin Costi beiden op hem toekwamen, en met hem, staande, begonnen uitbundig gekheid te maken, zonder haar met een woord, met een blik te verwaardigen, bleef zij de dames eerst met een spottende ironie aankijken, van het hoofd tot de voeten, en weêr van de voeten tot het hoofd, stond eindelijk langzaam op, nam Gilio's arm en zeide, met haar blik, die uit haar toegeknepen oogen hatelijk uitpriemde als een naald:

--Pardon ... maar u zult mij excuzeeren als ik u den prins di Forte-Braccio weêr ontneem, want ik heb even intiem met hem te spreken....

En met den drang van haar arm deed zij Gilio twee passen voortgaan, zette zich, dadelijk, weêr neêr, deed hem naast zich zitten en begon heel vertrouwelijk met hem te fluisteren, terwijl zij de hertogin en de gravin op twee meter afstand in stupefactie over haar brutaliteit met open mond liet alleen staan en nog daarenboven tusschen haar en die dames haar sleep wijd uitplooide en haar waaier wijd wuivend tewoog, als om een afstand te bewaren. Zij kon zoo iets doen met zoo veel kalmte, zooveel tact en hoogheid, dat het Gilio dol amuzeerde, en hij er met haar om gichelde van genot.

--Zoo moest Urania ook eens kunnen doen, zeide hij, dankbaar als een kind voor dit amuzement, dat zij hem gegeven had.

--Urania is te lief om zoo hatelijk te kunnen zijn, antwoordde zij.